De encyclopedie van het geluk 30
Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over. Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw. Op foto’s had ik de sloep zien hangen aan zijn moederschip in verre havens in de Oost. Nu lag hij in de stad en met tien man was er een aardige vaart in te trekken. De dollen piepten dan, de riemen gingen met een plons het water in. Een keer hadden we ons door ijs van een centimeter geploegd, hard werken en een feest voor het gehoor, de krakende en piepende massa die door de boeg gebroken werd, de klappen van de riemen die van wat hoger naar beneden geslagen werden om het ijs te breken. Het deed me kort denken aan Willem Barendtsz, wat moeten ze het huiveringwekkend koud gehad hebben, en eenzaam in de zwarte poolnacht. Het roeien ging zomer en winter door. Voor een solist kan het een opluchting zijn een radertje in een groter geheel te worden. Ik was verbaasd hoe gelukkig het me soms kon maken als er zwijgend tegen de wind in geploeterd werd en je wist dat je bijdrage van belang was, de lichte competitie tussen stuurboord en bakboord wie de meeste kracht leverde, de stuurman testte dat soms door het roer los te laten. Op zomeravonden als de stad geluiden maakte kon het stil zijn op het water, de late zon verstrooide zich op het kabbelend wateroppervlak en als we onder een brug voeren, rook je de stad en zag je de duiven ijverig op ongenadige balkonnetjes hun nesten maken. Soms moest er naar Muiden gevaren of naar Nes aan de Amstel. Bij Muiden was het IJmeer het grootste lichaam water dat ze aandeden, het voelde in de zwarte nacht huiveringwekkend groot en geweldig. Ik leerde mijn stad op een heel andere manier kennen, vanaf het water, de kades, de dokken, de planten die tegen de kades opgroeiden, de vogels wier wereld dit was, de eenden, rotganzen, mantelmeeuwen, kokmeeuwen, waterhoentjes, blauwe reigers. Het verdiepte mijn bestaan in een stad, omdat het element vanaf het land te vlak, te eenduidig was. In het water, roeiend of ook wel zwemmend leek het iets mee te willen delen, of werd je er in ieder geval zozeer deel van dat het je zowel beangstigen kon als vervullen van een intens geluk. Voordat een brug gepasseerd kon worden telde de stuur af en gaf het commando ‘laten lopen’ waarna je ver achteruitleunend de riem voor je buik langs halen moest zodat de riem langs ze zij van de sloep kwam en je smal genoeg was om de brug te passeren. In de donkerte van de brug had je net tijd om twee vlugge halen uit je drinkfles te nemen.
Het kon zo koud niet zijn of je zat zwetend in een sloep, zo intensief is het twee uur roeien. Het regent buiten vele malen minder dan je binnen veronderstelt, was ook een waarneming die ik eraan overgehouden had.
En al snel was ik in mijn verhaal verzeild geraakt bij Joseph Conrad, wiens werk ik verslonden had. Wanneer ik in een sloep zat, waande ik me misschien wel een jonge Conrad, gefascineerd door alles wat met zee en zeevaart te maken had. De man had in Polen, of bijna Oekraïne al jong zijn revolutionaire ouders verloren. Onder de begeleiding van een oom bracht hij het tot bijna volwassenheid toen hij rond zijn zeventiende liet weten naar zee te willen. Hij was onhoudbaar. Decennia zwierf hij rond op de wereldzeeën, meestal in Britse dienst. Al zijn romans spelen op plekken die hij zeilend bereikt heeft, een aantal ervan spelen zich eenvoudigweg af op een boot, zoals die die handelt over het eerste commando van een jonge kapitein die zijn schip op zee weet te krijgen wanneer er een wekenlange windstilte intreedt en er geen beweging in zijn schip te krijgen is en de onervaren kapitein onder veel meer te maken krijgt met een gevaarlijk mokkende bemanning. (The Shadow-Line) Conrad was een man van een vaste en consequente passie waaraan alles ondergeschikt was: de scheepvaart. De liefde die hij ervoor voelde culmineerde in zijn boek The Mirror of the Sea wat een liefdesbetuiging is aan de zeeën en de schepen die hij bevoer, waarin hij alle aspecten ervan, het wachten, de lading, de winden en zo voort stuk voor stuk met kennis van zaken bespreekt, als een handreiking bijna, een leerboek voor wie het nog beleven gaat. Ik stel me voor hoe de oude bebaarde zeeman in een huisje in Engeland, met pensioen aan dit boek gewerkt had, hoe het een redelijk technische verhandeling over scheepvaart lijkt maar hoe het in wezen een autobiografie is, of een weerslag van wat de man als de zin van zijn leven moet hebben ervaren. Ergens in Amsterdam kwam hij in een koude winter wekenlang vast te liggen omdat zijn schip op lading wachten die op de binnenvaartschepen in de kanalen en rivieren was komen vast te vriezen. Als we langs de oude havengebieden roeiden stelde ik me voor waar het geweest moest zijn dat de Pool wekenlang in onze stad rondliep, terwijl het vroor dat het kraakte, ergens eind negentiende eeuw.
Roeien geeft ruimte tot denken, in wezen kun je niet beter denken dan wanneer je twee uur lang hard lichamelijk moet zwoegen en de riemen het water in ziet gaan en je soms in een poging het zweet van je voorhoofd te wissen met je schouder een stuk lucht of een wand grachtenpanden opvangt, maar verder steeds slechts water en riemen ziet.
Van lieverlede; zo
komen zij nader: 8 roeiers,
steeds verder landinwaarts
groeiend in hun mytologie:
met elke slag steeds verder
van huis, uit allemacht roeiend;
groeiend tot alle water weg is,
en zij het hele landschap
vullen tot de rand. Acht –
steeds verder landinwaarts
roeiend; landschap daar al geen
water meer is: dichtgegroeid
landschap al. Landschap,
steeds verder land-
inwaarts roeiend; land
zonder roeiers; dicht-
geroeid land al.
Hans Faverey
Lezen
Joseph Conrad The Shadow-Line
Joseph Conrad The Mirror of the Sea
Hans Maarten van den Brink Over het water







