[p. 80]
[Gedichten van Leo Vroman]
Paart robijn
Al in het perke groen en vaars
van zijne jufferloofde
daar steeg de Prins so heethans af
dat sijn aalbasten laars
het paart onthoofde.
Scheurend met een gemak
als waart paapspieren zak
so spuwde een stroom juweelen
vande gereten nak.
Daar kwamen silverstelen,
versploten diamanten,
zes fielengraan trawanten,
twaelf touwen senuwkralen,
drij dwarse heerenbooten,
een’ outsla vol viloten
en t ander t nog zes smalen
int gras dat al root bloeide,
daar Pincks Traenblommen vloeiden
en Blommen van der Zee
dat hemelsblaauw en bruysen
oftewel Boeren Griep
daarvan de fryt bekruysen.
Doch binst haer goorsedynen
daer stong die Maeghet kweynen
vande lachgebuien krom
heur dwasen Prinsen om.
Moraal: wie t welen were
sal syt ent saut soefleren
wyl wendet woorde wiek;
dies dieuwe, dies geliek
verswachtelde waterberen.
Leo Vroman
Leiden, Nov. 1968
Geert! Kan je dit gebruiken? Moet met toenemende hulpeloosheid gelezen worden.
[p. 81]
Gras hooi
Ach mijn zachte
van je woorden
zijn de gedachte
zo goed als gehoorde
als ongehoorde
als ongedachte
dat ik je wil
en nog kan kussen
ach daar tussen
is ook geen verschil
want door te leven
zijn onze lijven
zo samengewreven
en zo groot
dat zij de dood
plat zullen wrijven
plat als papier
dun als dit schrijven
Ik geloof voortaan
niet meer in tijd
maar eeuwig aan
de eeuwigheid
van ons bestaan
en dat gelieven
uiteengescheiden
tot vage lijken
nog samen praten
elkaar bereiken
in veel te late
te uitgebreide
vergeelde brieven
[p. 82]
en dat wij beiden
minder weten
dan het oerbeest dat
wij samen vormen
geest zonder gat
om in te eten
voor de wormen
dat wie nog leeft
of levend is
en wie ontleedt
of doodslaap heeft
daar geen gemis
of winst van weet
dat er niets waar is
dan gevoel
want ik bedoel
dit alles maar
ik weet het niet
ben nooit een echter
mens geweest
dan voor de rechter
die dit leest
maar de geur van hooi
is dood zo mooi
als dorrend vel
of groeiend gras
vroeger was
dat weet ik wel
Leo Vroman
Brooklyn, 5 october 1968






