Grijs

Zaterdag at ik bij mijn moeder. Onverwacht, omdat ik me in een soort limbo had bevonden nadat ik erachter kwam dat een verjaardag waar ik die avond heen zou gaan, helemaal niet op die avond plaatsvond maar een week later – zie je, het begint al, de aftakeling.

‘Je wordt mooi grijs,’ zei ik tegen haar.
Dat is ook echt zo: niet overal een beetje, maar in stroken, alsof ze naar de kapper is geweest en niet heeft gevraagd om streepjes blond, maar streepjes grijs.

‘Ja,’ zei ze, ‘en het grijze haar is dikker, heel prettig.’

‘Ga je het verven?’

‘Ga toch heen. Je blijft aan de gang.’

We aten soep en dronken wijn. Ik zei dat ik ook grijs begin te worden, dat I. dat heel grappig vindt en er genoegen in schept de grijze haren uit mijn slaap te trekken om ze daarna liefdevol doch triomfantelijk aan mij te laten zien. Hij grijzer dan ik en een jaar ouder, wat er misschien mee te maken heeft*.

‘Kijk maar,’ zei ik, en toonde haar mijn slaap.

‘Ha!’ riep mijn moeder, na het vlooien, ‘nogal zeg!’

Raar, moet dat zijn. Een kind hebben en dan zien dat het grijs wordt. Ik schraapte mijn kom leeg. At een stuk brood dat mijn moeder niet wilde.

‘Jullie werden allebei veel later grijs, of niet?’

Ze knikte. Mijn vader heeft heel erg dik en heel erg veel haar, dat bijna zwart was voor hij begon met grijzen. Zij had heel erg dun haar, bruin, dat nu dus dikker wordt. Ik zit precies in het midden. Mijn broer is blond, maar toont genoeg uiterlijke overeenkomsten met beide ouders om melkboerspeculaties tegen te gaan. Hij is tweeëntwintig en nog niet grijs. Toen ik tweeëntwintig was had ik twee baantjes en liefdesverdriet. Ik las zo nu en dan een boek en vroeg ik me ontzettend af wat ik met mijn leven aan moest.

Vannacht ben ik eenendertig geworden, wat een stuk serieuzer klinkt dan dertig. Alsof ik naast wat er al is ook een koophuis zou moeten hebben, en een ademende regenjas. Op naar de veertig, zou je zeggen, en haast vergeten dat ertussenin nog negen jaren liggen.

 

 

* ‘Zeg dan nog maar iets over kaalhoofdigheid,’ zei Joop. ‘Nee, ik weet niks meer,’ zei Frits. ‘Kan het vrouwen eigenlijk iets schelen, of hun man een kale kop heeft, Ina?’ vroeg hij. ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ze, ‘dat zal je aan die vrouwen moeten vragen.’ (De avonden, Gerard Reve, 1947).

—–

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).