Hypermobiel

Ze nam me mee naar yoga. Vanmorgen heel vroeg. Het maakte haar niets uit dat ik zei dat ik niet wilde gaan.
Ze zei: ‘Ik wil ook weleens iets niet.’
Ik vond haar het knapste meisje dat ik ooit had gezien, dus ik ging.
‘Je bent hypermobiel,’ zei de Yogalerares toen ik in een vreemde positie op de mat lag. Ik dacht dat dat iets goeds was. Het klonk als iets goeds, alsof ik alle kanten tegelijk op kon bewegen. Maar het is een ziekte.

Ik moest los van de groep. De lerares zette mij voor het raam zodat ik de vensterbank kon gebruiken bij de oefeningen. De zon scheen in mijn ogen. Ik dacht aan het kruispunt voor mijn huis. Dat ik zie hoe mensen door rood rijden. Hoe het meestal goed gaat. Ik dacht aan de jongen uit de kroeg. Hij zei dat hij kunstenaar was. Hij vroeg me: ‘Zou jij sorry willen zeggen?’ Ik vroeg me af of ik eruit zag als iemand die sorry zou moeten zeggen. Ik dacht aan de lerares die ik vanmorgen tegenkwam in de buurt van het Oosterpark. Ze was dik geworden. Misschien was ik ook dik geworden. En aan gisteren; de man zonder voortanden in de trein naar Den Haag. Hij wurmde zijn tong door het gat. Ik dacht aan de droom van vannacht over Willem Frederik Hermans. Hij zat op een witte plastic Hartman stoel aan zee. Terwijl ik dat droomde dacht ik: wie droomt er nou over Willem Frederik Hermans op een witte plastic Hartman stoel aan zee? Toch droomde ik gewoon verder. Hij had zijn broekspijpen opgerold en rookte een sigaret. Zijn bril was beslagen. ‘Ik heb naar de cellosuites van Bach geluisterd,’ zei hij. ‘Niet om stoer te doen maar om te luisteren.’

Ik dacht aan het ziekenhuis aan de overkant van de straat. Hoe ik bij de receptie vraag of ze een bed voor me hebben. Niet om stoer te doen maar om te slapen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.