Ja

Arie en Marijn gingen trouwen. Natuurlijk deden ze dat in de Wim T. Schipperszaal.

In hun nieuwe kostuum leken de heren recht uit de verpakking te komen, en ondanks de overduidelijke zenuwen werd het een van de meest ontspannen plechtigheden waar ik ooit bij was. Een vijftienjarige relatie voorafgaand aan het trouwen biedt daar absoluut geen garantie voor, weet ik.

Hoewel ik voor de dag van de bruiloft geen van beide families kende, voelde ik me a priori zo op mijn gemak dat ik me voornam op mijn teenslippers te gaan, en het al na een kwartier klungelig strijkijzeren voor gezien hield met dat overhemd. Daarnaast wist ik mij in een uitzonderingspositie omdat ik een van de beste vrienden van het stel ben, maar ook de gastheer en kok was van het huwelijksdiner.

Op de ochtend voor de ceremonie had ik samen met Nadim inkopen gedaan en een flinke mis en place gedraaid. Voor een jongetje van bijna drie is onze zoon bijzonder nauwgezet in het plukken van peterselie en voorproeven van witte boontjes. Toen Birre naar de keuken kwam om te vertellen dat het tijd was om te gaan, lieten we alles vallen om op tijd bij de Stopera te kunnen zijn. Voor de zekerheid kreeg onze jongen nog een snoepzak mee, maar ook toen de chemische perziken op waren gedroeg hij zich voorbeeldig. 

Ik zou dit stukje kunnen afsluiten zonder de vinger op mijn zere plek te leggen, maar zoals Arie zelf ooit in een brief aan mij schreef: “Vrienden moeten elkaar alles, […] echt alles kunnen zeggen.”  

Tijdens de ceremonie en het uiteindelijke jawoord keek ik bijna even vaak naar onze zoon als naar mijn trouwende vrienden. Ik durf van mezelf te zeggen dat ik opmerkzaam ben; dat me op dagelijkse basis weinig ontgaat. Mijn zere plek is de trots die ik voelde omdat Nadim zo duidelijk geen andere gedachte had dan dat hier twee mensen stonden die van elkaar hielden en met elkaar trouwden. Wat ook zo was. 

Wat ook zo was, omdat we hem het huwelijk nooit anders hebben uitgelegd. 

Mijn hoop is dat ik deel uitmaak van de laatste generatie in mijn familie die op dit soort momenten heel hard niet probeert te denken dat hij bij een huwelijk tussen twee mannen staat; dat Nadims kinderen bij zo’n plechtigheid niets anders zullen horen dan het jawoord van twee mensen die van elkaar houden. 

Dat ze zo’n ceremonie zullen zien voor alles wat hij is, omdat wat hij niet is zal zijn opgehouden te bestaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.