Het begon ongetwijfeld met een Zwitsers legermes. Rood plastic met een wit kruisje erop. Een hoeveelheid functies: een mes, een klein mesje, een zaag, een nagelvijl, priem, blikopener, flessenopener, een kurkentrekker. Misschien was ik negen toen ik er de eerste keer uiteindelijk eentje kon kopen. Het is eveneens een haptische sensatie: het gevoel van de intens gladde buitenkant in contrast met het gevoel van het scherp van de snede van het mes. Een uiterste eenvoudig mechaniek en er is een wezenlijk verschil met een normaal mes: je kunt hem inklappen, het is een veilig instrument. Het draagt duidelijk een mogelijkheid in zich: in je zak een glad ding, maar opengeklapt iets bedreigends. Een potentie, een zakmes kan iets, maar kan eveneens in zichzelf gekeerd in rust zijn.
Ik heb toen ik me minder goed voelde eindeloos zakmessen geslepen: een repeterende beweging met een aangenaam geluid, met als resultaat dat er iets beter wordt, scherper. Het mooie is dit: als je een oud zakmes slijpt, van niet zo hard metaal, verzamelt zich ijzervijlsel op het scherp van de snede. Dat ijzervijlsel kun je fotograferen en uitvergroten en wanneer je dat uitvergroot, lijkt het een bos in de verte aan de einder, een landschap. Een functie van het zakmes die ik nog niet kende: het kan verte suggereren. Een mes is een symbool, het biedt mogelijkheden, het is geïmplodeerde kracht, verwachting en met zijn talige associaties als ‘scherpte’ en ‘lossnijden’, ‘aansnijden ‘beweegt het. Mijn slijplandschapjes tilden me uit de misère naar elders.

Ik kocht twee kleine zakmesjes met een houten heft. Ze kwamen uit Polen. De fabrikant heette Gerlach. In 1760 opgericht door Filip Szaniawski, in 1846 zat de eerste Gerlach in het bedrijf, Samuel en hij opende een fabriek in Warschau. In de oorlog werd het natuurlijk door de nazi’s onteigend. De mesjes ogen zo oud dat het lijkt alsof ze de Tweede Wereldoorlog nog meegemaakt hebben als stille getuigen van ongelukkige mensen die het tijdperk misschien niet overleefd hebben. Deze mesjes tonen niet alleen een landschap, mogelijkheden maar ook een geschiedenis.
Ik vond een ander zakmes met een benen heft, het is een Sardijns mes: Pattada. Meer dan een nieuw mes sleept een oud, een geschiedenis met zich mee. Het mes uit Sardinië heeft zo stel ik me voor aan een boer toebehoor. Zo droom ik me de wereld van Salvatore Satta in, met zijn op het Sardijns platteland spelende meesterwerk De dag des oordeels. Ik loop mee door een zonovergoten dal, wijnranken alom, met een wijnboer die hier en daar een wilde loot afsnijdt. Of die voor bij de lunch een tros kleine druiven los snijdt, uit zijn tas een droge worst haalt en een stuk brood. Het Poolse mes heeft een minder bucolisch verleden. Er is misschien wel brood mee gesneden, maar ik situeer het in minder geluk tijden. Zo blijkt een mes een sleutel naar historie.
Ik heb er ook met veel recentere geschiedenis. In een kookwinkel kocht ik een knaloranje keramisch zakmesje. Ik had het tot mijn verbazing nog in mijn tas zitten toen ik een maand terug in Parijs naar het Fondation Louis Vuitton ging. Een beter beveiligd museum ken ik niet, maar ik liep met een loeischerp zakmes binnen. Plastic en keramiek hadden de metaaldetectors bedot en de beveiligers ervan overtuigd dat ik niet alleen zeer onschuldig was, maar vooral geen instrument tot verwoesting op zak had.
Herinnering aan zakmessen in mijn jonge jaren zijn verbonden met het schillen van takken. Lopend door het bos de bast van een stevige stok afsnijden zodat je een mooi blankhouten wandelstok hebt. Punten snijden aan pijlen, het opensnijden van baguettes, schillen van een bloedsinaasappel, de onthoofding van een eitje. Het ontkurken van een flessen rode wijn naast je tent.
Dit is dus het mes: herinnering, landschap, geschiedenis, mogelijkheid, symbool, taal. Zoveel functies als een Victorinox, en heel andere. Maar er komt er nog een bij: een mes als een symbool van wat je in het hart snijdt, een scherp inzicht waardoor je getroffen wordt, als door een bliksem. Zoals hier in Mary Olivers schitterende gedicht:
Mes
Iets
schoot zojuist
door mijn hart
als het dunste lemmet
toen de roodstaartbuizerd
zijn grote vleugels sloeg
en over de grijs gebarsten
rots wiekte.
Het ging niet
over de vogel, het ging
over de wijze waarop
steen stil
en zichzelf blijft, wat er ook
voorbij vliegt.
Soms als ik zo zit, stil
lijken alle dromen in mijn bloed
en alle buitensporige stukjes tijd
te willen verdwijnen,
uit me wegglijden.
Dan, stel ik me voor, zal ik nooit meer bewegen.
Intussen
heeft de buizerd acht kilometer gevlogen
minstens,
Wie verder nog maar omhoog
keek verbijsterend.
Ik was verbijsterd, maar dat
was het mes niet
Het was de steile, vulkanische wand
van blind gesteente
zonder een greintje hoop
of maar een onvervuld verlangen
inzuigende en weerkaatstend
schitterend
zoals het al eeuwen deed
het vuur van de zon.
Lezen: Salvatore Satta De dag des oordeels, vertaling Frida Vogels







