[p. 608]
Haar hart was een magneet en van graniet:
zij hoefde maar languit te liggen wachten,
de prooien kwamen wel, elk ging te niet
met huid en haar verslonden, haar roofkrachten
verzadigend, tot ze voldaan insliep.
Haar bloed hield haar verwende vlees zachtgloeiend,
een hinderlaag waaruit zij wel eens riep
naar een prooi die ontkwam, haar bed uitwoelend
bijtijds nog.
Zij lag languit, heet, ijskoud,
en ligt zoo nog en zal nog vele jaren
zoo liggen.
Toch, de wellust zelfs wordt oud
en komt, verveeld, langzaamaan tot bedaren,
maar het herdenken van de wellust blijft,
het verloren genot vergiftigt de uren,
zij geeslen het alleengelaten lijf
met zwepen die geen sterveling kan verduren.
Kortom: daar ligt zij dan die nog naleeft
van wat haar gedoofd vuur haar heeft berokkend:
stram, uitgeput roofdier dat honger heeft
en geen prooi meer kan lokken. –
[p. 609]
Na een lang en laf leven moest zijn lot
hem een jankerig doodgaan nog opdringen.
Zijn kist was van het kostbaarst eikenhout,
en in de kerk had men vroom staan te zingen.
Meneer Pastoor sprak nog een dankbaar woord
voor wat hij soms aan de armen had geschonken
(uit woekerwinst). Toen werd de dienst gestoord:
een man kwam overeind, en klinkklaar klonken
woord voor woord zijn woorden: Hij was een schoft,
hij kan niet diep genoeg begraven worden,
Alleen in sluwe lafheid overtrof
hij wie ook, hij, de goorste van de goren.
Morgen is weer een dag, eindlijk een dag
– God zij geprezen – zonder hem. Ons dorp is
genezen van een etterwond – de vlag
steek de vlag uit; wij zijn niet meer verworpen!
Toen kwam een arm mens naar die dure kist.
Zij legde, in tranen om dat doode loeder,
wat bloemen neer en stamelde bedeesd
als om vergeving, want zij was zijn moeder.
[p. 610]
I
Kon zij maar niet meer denken, en het wrak
dat zij liefhad en hielp voorgoed vergeten
Zij gaf hem spijs en drank en onderdak
tot op den dag dat hij het af liet weten
en niet meer schreef.
Bij een dovende gloed
pijnt zij zich af wat hij toch van haar wilde.
Kon zij maar zacht inslapen en voorgoed
onder dat kleine dak waar hij haar kwelde.
[p. 611]
II
Vroeg sloeg haar lot toe; later bracht de drank
haar tot zichzelf en sloeg zij haar deur toe
tegen de buitenwacht. Languit op haar bank
wacht zij de dood die zij niet tegemoet
durft gaan, want zij die niets vreest zij vreest hem:
zijn oog naar binnenkijkend door het raam,
zijn hand die haar deur opent, en zijn stem –
Wist zij maar dat hij haar zacht bij haar naam
zal noemen, vriend die het goed met haar meent
en zich om haar bestwil met haar bemoeit.
Haar, die zoo angstig wordt van het alleenstaan
laat hij weldra voor goed nooit meer alleen –
Zoo ligt zij languit, starend en vermoeid,
drinkend en eenzaam.
[p. 612]
I
Rukwinden die de dorre bladen
geeselen langs de levensweg –
wij worden nooit meer die wij waren,
wij dwerelen langs heg en steg,
ons zingen werd geritsel, minnaars
wandelen zalig door ons heen,
zich onbewust onze overwinnaars
te zijn, de wreedaards.
Veel verdween
sinds wij verdwenen en vergeten
werden, en weldra zullen zij
ook ritselen en niets meer weten
van wel en wee, tij en ontij. –
[p. 613]
II
Voor niets ter wereld ooit bang dan voor Angst,
het spook dat in de hooge spiegel woont
aan het koel eind van de onbewoonde gang,
de spiegel van de leegte waar het huis
ophoudt en de nachtwind het leven hoont
Geen woord meer? Maar het zwijgen maakt het glas
leger, en nachtlucht neemt in het oud huis
zijn intrek.
En daarom dus: vul de glazen,
grijp in de snaren, schreeuw het uit, en bras,
en spring de laatste dans, de dans der dwazen,
blindelings in. Elk talmen is onwijs:
weldra zijn glazen scherven, en zijn wij
dood en voorbij.
[p. 614]
‘t Was omtrent middernacht en aardedonker,
dromerig sloeg hij een verkeerde weg,
een zijweg in, mompelend en verzonken
in gedachten aan haar, haar streng gezicht
toen zij hem afwees. Hoeveel lange jaren
vervlogen sinds die wreede korte dag?
Hij kon geen hand voor oogen meer ontwaren
maar als vanouds dwong hem haar oogopslag
al was zij dood, want zij was diep begraven
een leven her. Moest hij dan in haar macht
voortleven tot hij ook diep werd begraven?
‘t Was aardedonker, het sloeg middernacht.
Lees de Tirade Blog
Nog niet voorbij te zijn
We waren vroeg opgestaan, Ada (8) en ik. Vandaag zou ze gaan logeren op de Parade in Utrecht. Ada’s nichtje woont daar in een pipowagen op de personeelscamping. Als Ada op bezoek gaat dan krijgen de kinderen passen met Paradekind erop en mogen ze eindeloos in de zweefmolen, onbeperkt dierenpannenkoeken, snoep van de snoepmeisjes en...
Lees verderEen levend werken
Een psycholoog bij wie ik liep vroeg eens hoeveel uur ik per week werkte. Ik had in die tijd een bedrijfje naast mijn schrijverschap, kluste ook nog bij als kok. ‘Een uur of vijfendertig,’ zei ik, en begon te vertellen waar mijn werkweek uit bestond. Toen ik klaar was met mijn opsomming vroeg ze hoeveel...
Lees verderTerug
Na drie dagen rijden kwamen we aan in Cilento, waar de hitte middagslaapjes afdwong in ons huisje op de steile heuvel aan zee. Er waren geen buitenlandse toeristen in San Marco di Castellabate. Hoewel mijn Italiaans beter was, stonden de jongens die een kiosk aan de kade beheerden er steeds op Engels met me te...
Lees verder
Blog archief