Dag, Dottie

Dottie kwam bij ons wonen toen ik in de eerste zat. Als ik met mijn fiets door de poort kwam, stormde ze blaffend op me af, haast klaar om me als een inbreker te verscheuren. Het leek altijd alsof ze een paar meter voor me tot de realisatie kwam dat ik het was en dat ze haar tanden niet in mijn tienervlees hoefde te zetten. Ze vleide zich tegen me aan, likte mijn gezicht en droop tevreden weer af, om in haar mand verder te dromen over botten, gespierde, mannelijke soortgenoten of grasvelden.

De eerste jaren van mijn middelbare schooltijd had ik veel steun aan haar: hoe veel toetsen, ruzies, gebroken harten en ander puberdrama ik ook met me meetorste naar huis, ze was er altijd als ik mezelf over de oprijlaan sleepte. Ik leerde haar elk gezicht af te likken dat maar binnen tongbereik kwam, vroeg haar zo vaak een high five te geven dat ze al begon te zuchten als ik mijn hand opstak en tilde haar  om de haverklap op, zelfs toen ze al volgroeid en volwassen was. Ze liet het allemaal gelaten toe.

Dottie was eigenwijs, afwachtend, maar vooral enorm lief. Ze liep niet, maar ze sjokte. Ze keek niet, maar ze observeerde. Ze knuffelde niet, maar ze drukte haar lijf zo intens tegen je aan, dat het leek alsof ze probeerde met je te versmelten. Ik heb haar soms vervloekt, als ik met mijn nette, gymnasiumconforme kleren ergens naartoe ging, bijna bij de deur was en werd ingekleurd door haar modderige of natte poten als een werk van Pollock. Als ze daarna naar me keek met een blik die zelfs een hondenhater aandoenlijk zou vinden, was alles goed en draaide de wasmachine weer wat rondjes. In de pubertijd was bijna elk probleem weg te wassen.

Toen ik uit huis ging en minder vaak thuiskwam, miste ik haar – ik was gaan houden van die hond, zoals alleen hondenliefhebbers kunnen begrijpen, denk ik. Ze hoorde bij mijn jeugd, was deelgenoot geworden van wat nu een ander leven lijkt.

Nierfalen. Het drukte haar naar de grond, amper tien jaar – zelfs voor een hond te jong. Ze werd minder levenslustig, kwam nog wel knuffels halen, maar leek amper meer op de hond die ik kende van vroeger.

De dierenarts was al weg, toen ik de oprijlaan op trapte. Mijn moeder stond met tranen in haar ogen in de deuropening. Daar lag Dottie, in haar blauwe mand. Ik ging met mijn hand door haar lange haren en klemde mijn vingers om haar nog warme poot. Dode honden zien er nooit uit alsof ze slapen, dacht ik. Ze zien er leeggelopen uit, verlaten. Als een jas die in de hoek is neergelegd, een huls van niets, een lege schooltas. Ik hurkte zo lang naast haar, dat ik kramp kreeg in mijn benen.

Dottie kwam bij ons wonen toen ik in de eerste zat. Er veranderde veel de afgelopen jaren, maar Dottie bleef, was een constante factor in mijn bestaan dat op drift was geraakt. Nu is ze onomstotelijk weg.

Dag, lieve hond, trouwe viervoeter, komisch beest.

Dag, Dottie.

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn werk werd gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort.