Een tweede brief

Amersfoort, 4 januari 2024

Lieve Helene,

Dit is de tweede brief die ik je schrijf waar nooit een antwoord op zal komen. De wijzers van de klok in mijn ooghoek glijden al naar de twaalf en dat betekent dat je straks op de dag af al twee jaar niet meer terugschrijft. Ik schrok van het besef dat ik je vierentwintig maanden niet meer heb gezien, je stem al honderdvier weken niet meer heb gehoord, je al zevenhonderddertig dagen niet meer heb omhelsd.

Vorig jaar schreef ik je omdat ik je zo in leven wilde houden. Nu schrijf ik je omdat ik bang ben dat ik je ga vergeten. Begrijp me niet verkeerd: dat laat ik niet gebeuren, anders had ik je nu niet geschreven en ik denk nog minstens één keer per week aan je, maar vorig jaar wist ik nog precies hoe je stem klonk, hoe je glimlachte als je de voordeur voor me opendeed, hoe je knisperende lach door een kamer kon rollen. Maar alles wat je niet onderhoudt raakt overwoekerd en vervaagt en omdat ik onze vriendschap niet meer kan onderhouden, omdat jij er niet meer bent, vrees ik voor de vervaging van jou.

Het gaat goed met Ef, moet je weten. We hadden het laatst over je, met Het, zijn nieuwe liefde. Ze zijn gelukkig samen, precies zoals je had gewenst. Als we het over je hebben, zie ik de onmeetbare liefde die Ef voor je had terug in zijn montere gezicht. Jouw gedenkhoek in de kamer is een geruststelling die voelt als jouw hand op mijn schouder, jouw stem weer rond mijn hoofd, alsof je fluistert dat het goed is zo, terwijl alles in me roept dat het helemaal niet goed is, want ik wil je nog steeds niet missen.

Iemand zei me laatst dat rouwen ook loslaten is, maar daar ben ik het niet mee eens. Ik wil je blijven vasthouden. In wat ik schrijf, in wat ik denk, in wat ik doe – juist omdat ik zo bang ben om je steeds iets meer te verliezen, nu de jaren je inhalen en de momenten die we samen hadden afbrokkelen en mijn herinneringen aan jou steeds iets meer beginnen te verbleken.

Daarom schrijf ik je weer: om even dicht bij je te zijn, al raak je ieder jaar iets verder weg. Maar dat maakt niet uit, denk ik, want als ik je schrijf, in deze nietszeggende uren, lijkt het alsof jij weer in je werkkamer zit, klaar om deze brief te beantwoorden. Dan voelt het even alsof je nog niet uit elkaar bent gevallen tot as en jij nog volslagen intact achter een beeldscherm zit.

En ik weet dat ik straks toch rond mijn werkhoek zal wachten tot ik een antwoord van je krijg, klaar voor een ontvangsttoon die niet zal klinken. Het is een vorm van hoop die ik in alle andere situaties vals zou vinden, maar nu niet. In die uren vergeet ik even dat jij er niet meer bent en lijkt het alsof je simpelweg geen tijd hebt om te antwoorden, omdat je bezig bent met dingen die de doden niet kunnen, dingen die de levenden doen. Boodschappen doen, de was ophangen, schrijven aan iets.

Ik schrijf je dus omdat ik je niet wil vergeten, maar misschien nog meer omdat dit schrijven de enige manier is om weer even bij je te zijn. En om je nog even te zeggen dat ik je nog steeds zo ongelofelijk mis. En ook om je te beloven dat ik je volgend jaar weer zal schrijven rond deze dag, al tril ik altijd na als ik de brief af heb geschreven en ben ik een dag tot weinig in staat.

Dan zal ik je opnieuw vergeven dat je niet hebt teruggeschreven.

Alle liefs,

Twan

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman