Frietvorkjes, knikkers en mais

De hond moet ergens tussen gisteren en vandaag een blauw frietvorkje in zijn geheel hebben opgeschrokt. Vanmorgen lag het vorkje midden in zijn drol te stomen in het vochtige gras in het park. Kraaien vlogen over, er jogden jongens in zwarte leggings langs, het water in de vijver werd door de wind over de rand gejaagd. De lucht was grijs maar niet minder mooi. De dag was begonnen.

Ik stond naast de drol. De hond was er alweer vandoor, achter andere honden aan, achter vogels aan, achter mensen ook, happend naar de tassen die ze met zich mee droegen. Ik vind het een truttig om met een boterhammenzakje de poep van de hond op te ruimen. Ik ruim liever andere dingen op. Toch boog ik voorover: omdat er altijd mensen zijn die kijken. Omdat er altijd mensen zijn die woordcombinaties weten te maken en deze (wonderbaarlijk genoeg) ook uit weten te schreeuwen, hoe vroeg het ook is:

onbeschoft/kut/hoer/rot/hond/kanker/wie/denk/je/wel/niet/dat/je/bent/dan/het/beste!/graf/tak/dood/ja/dood/ja!/doei

Terwijl ik naar het blauwe vorkje keek dat nu samen met de drol in mijn hand lag, dacht ik aan die keer dat ik een knikker doorgeslikt had. Hoe dat kogelronde ding naar me staarde vanuit de wc-pot. Ik weet nog dat ik erom moest lachen. Niet omdat het grappig was, maar omdat ik nog niet kon begrijpen waarom het zoveel met me deed. Ik dacht aan alle keren dat ik expres heel veel mais at; omdat ik zo van onverteerbare dingen hou.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.