Geertruida

Er zijn mensen die de dingen namen geven: auto’s, huizen, kinderen. Ik ben een van die mensen.

Mijn koffiezetapparaat heet Grom, omdat hij (het is een jongetje) altijd gromt als ik hem ’s ochtends tot presteren maan. De nieuwe schrijftafel die in mijn huis staat heb ik gedoopt tot Marie – ze (het is een meisje) voelt warm, zacht en vertrouwd. En mijn fiets heet Geertruida.

Het is een oude, sierlijke, zeventigjarige dame met een gebruiksaanwijzing. Je kunt het stuur niet al te plots omzwaaien, want het voorwiel ligt wat losjes in de as. De remweg beslaat op een goede dag ongeveer vijf meter omdat het remsysteem van vlak na de oorlog is. De bagagedrager verdraagt eigenlijk niets, soms ben ik zelfs bang dat luchtdruk het verroeste staal al te veel belast. Het zijn karaktertrekken die haar maken tot wie ze is.

Ik ben me gaan hechten aan die trouwe jongedame, want ik hecht me aan bloedeloze dingen –soms meer nog dan aan mensen vrees ik. Het is mijn taak om voor haar te zorgen, haar na mijn kroegbezoek weer veilig thuis af te zetten, soms wat lieve dingen tegen haar te fluisteren als ze een lange rit af heeft moeten leggen. En het is vooral mijn taak om op haar te letten. Beter dan ik heb gedaan.

Op de dag waarop ik drie boekcontracten tekende verdween Geertruida. Er was alleen de leegte die haar vorm had aangenomen. De sleutel lag doelloos in mijn hand. In mijn hoofd ramde ik het ding met volle kracht door de miezerige bovenlip van de persoon die Geertruida had ontvoerd.

Drie boekcontracten, en geen fiets – alles moet in evenwicht blijven, dacht ik nog, te veel goeds zou vast gevaarlijk zijn, nu was alles weer hersteld. Er was ons iets aangedaan en blijkbaar was dat nodig.

Nu fietst er ergens iemand rond op Geertruida en ik ben het niet. Diegene weet niet dat ze soms wat opstarttijd nodig heeft, dat stoepranden en drempels haar kwaad maken, hoe slecht ze regen verdraagt, dat je op lome dagen af en toe tegen haar moet praten om haar wakker te houden, hoe blij ze wordt als de zon op haar frame valt en een fris lentewindje door de kettingkast waait. Dat ze een naam heeft: Geertruida. En bovenal dat ze van mij is.

Geertruida is veerkrachtig, dat weet ik, en ze zal het redden zonder mij en ik uiteindelijk ook zonder haar. Maar ze heeft ook een opstandig karakter dat niet te temmen is, een eigengereidheid die niet te stoppen valt, een eigen, vrije wil. Er komt een dag, ik weet het haast zeker, dat ze de fietsendief met een enorme zwaai van zich afwerpt als een briesend paard, de wielen neemt en vertrekt.

Dan zal ze ineens weer voor mijn deur staan als een weggelopen hond die na jaren weer terugkeert bij zijn baasje, zoals je soms in tranentrekkende filmpjes ziet.

Zo moet het ook met Geertruida en mij gaan. En niet anders.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman