Schrijfles

Zeven jaar geleden begon ik met lesgeven aan de Schrijversvakschool. Dit was na de publicatie van mijn tweede boek; ik was net onderweg als schrijver en daar stond ik, voor tien eerstejaarsstudenten.

‘We zullen elkaar acht keer zien,’ zei ik aan het begin van die eerste les, ‘en ik ga onze tijd samen optimaal gebruiken. Jullie moeten het me maar vergeven als ik er de vaart in zet.’

Alles wat ik geleerd had over, en belangrijk vond in het schrijven van een kortverhaal gooide ik eruit. Het werk van mijn studenten corrigeerde ik meteen al met de fijne pen; ik stelde hoge eisen aan mensen die net begonnen waren. Elke student herinner ik me nog, elk verhaal. Terugdenkend voelde dat lokaal aan de Herengracht als een bubbel sterk verhitte lucht, de wanden en ruiten bolden naar buiten door de druk.

Inmiddels snap ik dat ingrijpen in iemands werk pas zin heeft als de student er klaar voor is, er iets mee kan – dus geef ik de één feedback op een ander niveau dan de ander. Ik snap ook dat die fijne pen pas door een tekst moet als de verhaallijn staat.

Je wilt de modus waarin een verhaal tot stand komt niet verstoren met de modus die daarop hoort te volgen: die van het met kritische bril lezen en dan straktrekken van een volschreven lijn.

Elke maker heeft recht op een veilige ruimte, een atelier in haar hoofd waar ze zich vrij voelt om wegen te verkennen, om te keren, te spelen zonder dat een externe of interne kritische blik haar lamlegt. Feedback is onmisbaar als je de stap wilt maken naar schrijven voor een publiek, maar in de eerste fase, de periode waarin je schept en onderzoekt, moet er vooral vrijheid zijn. Je moet je hoofdpersoon en diens wereld leren kennen, zijn belangrijke ander(en), zijn streven en bovenal zijn stem.

Soms hoor je die stem al bij het schrijven van de eerste zinnen, soms vind je hem pas vlak voordat je verhaallijn rond is. Mijn eigen Dorp is daar een voorbeeld van. Dat is pech, want dan moet je het hele boek herschrijven, maar ook mazzel, want zonder die stem heb je geen écht verhaal.

Schrijvers helpen in hun werk, zorgen dat wat ze te vertellen hebben gelezen wordt zoals ze het bedoelen, vind ik bijna fijner dan het schrijven zelf. Omdat je het sámen doet, omdat hun verhaal er mede dankzij mij komt.

Vorige week zat ik met een nieuwe student – iemand die ik buiten de school begeleid – in een café aan de Nieuwmarkt. Ruim een uur hadden we het we over het verhaal waaraan ze is begonnen. Toen onze tijd erop zat zei ze dat ze ons werk als meditatief ervaren had, dat ze de hele tijd nergens anders aan had gedacht.

‘Same here,’ zei ik, en nam afscheid van haar. Ik bestelde een koffie, mailde de rest van mijn opmerkingen na en staarde een tijdje uit het raam. Mijn volgende afspraak zou zich vanzelf wel melden en in de tussentijd zat ik daar prima, met mijn lege hoofd.

In de bijna vijfendertig jaar dat ik nu voor geld werk heb ik veel dingen aangepakt – barman, poelier, psycholoog, ober, kok, ghostwriter, afwasser, dakwerker, copywriter, redactie, winkelbediende, psychodiagnosticus, manager, cateraar – maar kennelijk laat werk dat écht bij me past me alles om me heen vergeten.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).