We leven nog

‘Het waren mooie dagen, als ik ze had gezien,’ zei ik tegen Eef toen ze me in de namiddag belde om te vragen hoe het met me ging, omdat we elkaar al een tijdje niet meer hadden gesproken. Na een korte stilte meldde ze dat ze over een kwartier voor mijn deur zou staan om me naar buiten te sleuren. En dat ze verwachtte dat ik tegen die tijd onder de douche had gestaan, mijn tanden had gepoetst en was aangekleed.

De bel ging toen ik mijn tandenborstel nog in mijn mond had. We stapten in haar auto en reden naar de Soesterduinen. Daar omvatte de benauwde lucht onze lijven als een grote, klamme hand en brandde de zon door onze zonnebrillen heen. Nadat we een kwartier door het zand hadden geploeterd, stopten we bij een grote boom die koele schaduw op ons wierp.

Eef toverde een kleedje en twee blikjes bier uit haar rugtas, legde het kleedje op de grond voor de boom en wierp me een van de blikjes bier toe. Ik zakte door mijn knieën en leunde met mijn rug tegen de boom. Eef ging tegenover me zitten op het randje van het kleedje, in kleermakerszit.

‘Ze zijn wel lauw, denk ik,’ mompelde ze terwijl ze het lipje van het blikje opentrok en een slok nam. ‘Ja, lauw. Maar het is bier.’

Ik knikte instemmend, opende mijn blikje ook en nam een slok.

‘We zijn vergeten te proosten,’ merkte ik op. ‘Je weet wat dat betekent.’ Eef lachte, pulkte wat aan de randen van haar topje en schudde haar hoofd.

‘Wat je niet hebt, kan ook niet slecht zijn.’

‘Heb je nog wel contact met –’ begon ik.

‘Nee. Niks meer,’ zei Eef koeltjes en nam een grote slok. ‘Heb jij nog afgesproken met –’

‘Nee. Niet meer gezien.’ Ik nam ook een grote slok en maakte met mijn voet wat cirkels in het warme zand. ‘Als ik stelletjes zie, word ik boos, maar ik weet niet goed waarom.’

‘Dat heb ik ook een tijdje gehad,’ zei ze.

‘En hoe kwam je daar vanaf?’

‘Ik kijk nu gewoon niet meer,’ lachte ze en schoof haar zonnebril omhoog, als een haarklem. ‘Hoe is het schrijfbestaan?’

‘Mooi,’ loog ik met een routine waar ik zelf van schrok. Ze gooide haar inmiddels lege blikje naar mijn hoofd.

‘Niet tegen me liegen. Dat doe je maar tegen je dates.’

‘Kut. Het is even kut,’ verbeterde ik mezelf. ‘Het schrijven niet, natuurlijk, maar de zorgen. En dat eigenlijk ook niet eens alleen, maar ik kan zo moeilijk met mezelf overweg de laatste tijd. Met de dag. En iedereen zegt dat het beter wordt, maar dat wordt het niet. Later, ja, later, maar nu wil ik mezelf liever oprollen en opbergen in een kast. Maar aan de andere kant zijn er natuurlijk ook mensen die –’

‘Het is gewoon kut dus.’

‘Ja. Maar genoeg over mij. Hoe is het met jou?’ vroeg ik, in een poging om het onderwerp te veranderen.

‘Wat heb je gisteren gedaan?’ ging Eef verder, alsof ze mijn vraag niet had gehoord, al wist ik beter.

‘Gister heb ik koffiegezet,’ gaf ik toe. ‘En moest ik huilen. Zo, ineens. Niet omdat de koffie zo slecht was, dat niet. Omdat ik al drie dagen niet naar buiten was geweest, omdat ik me zo eenzaam voelde terwijl ik dat niet ben, omdat ik niet wist wat ik in vredesnaam met mijn leven aan het doen ben, misschien. Ik weet het niet. Maar ik huilde, en –’

‘Je huilt nooit.’

‘Maar toen wel, dus. En ik was niet eens dronken.’

Eef lachte, kroop dichterbij en ging naast me zitten, tegen de boom. Ze legde haar hoofd op mijn schouder en speelde wat met de manchetten van mijn overhemd. Ik verwachtte dat ze iets zou zeggen, maar ze zei niets. De zon boog al langzaam naar beneden.

We lagen in de stilte die rondom ons hing als een schild tegen de wereld. De dag trok voor onze ogen weg. Toen de zon onder was gegaan en een grijze donkerte over het uitzicht viel, neuriede Eef het liedje van Shaffy dat ik altijd luister als de dag niet meer te tillen lijkt en kroop naar haar tas voor nog wat bier.

‘Dit zijn de laatste twee,’ zuchtte ze en drukte haar lijf weer tegen het mijne. Ik sloeg een arm om haar heen, voelde hoe de wind opstak, zag hoe het briesje het zand verschoof en keek naar het landschap dat schemerend en leeggewaaid voor ons lag.

‘De volgende keer mag jij zeuren,’ zei ik, omdat ik me schaamde voor mijn zware gemoed dat ik zo in haar schoot had geworpen.

‘Dat zien we dan wel weer,’ fluisterde Eef en vouwde haar hand in mijn hand. Met de hand die nog over was dronken we ons bier en zakten weer weg in de stilte.

‘We leven nog,’ zei ze, nadat het bier op was. Ik gaf haar een zoen op haar voorhoofd.

‘Ja, we leven nog,’ zei ik. ‘En tóch zeuren.’  

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman