De encyclopedie van het geluk 31
Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een plek kunt zwemmen waar twee waterstromen samenkomen, zo is in een bos een grens tussen naald- en loofwoud altijd goed voelbaar: je ruikt er meer en er zijn dieren vanuit de verschillende voorkeuren. Daar zie je een zwarte specht, daar hoor je een boompieper of een kuifmees. Daar zie je een wild zwijn wegschieten.
‘De geuren van het najaar: vanwaar ze komen, hoe ze worden gemengd, valt niet vast te stellen, rottende bladeren en naalden, het vocht van de witte draden van de zwammen in het zwart onder de glibberige vuilbomen waarop de schors loslaat. Vanwaar ze waren blijven staan konden ze overal om zich heen goede standplaatsen zien. Open plekken, van elkaar gescheiden door een ruige muur van jonge sparren, de sleuf op de grens van het hoge naaldbos, schuin erop nog een die het bos in leidde, zo vlak als een weg begroeid met mos, met een paadje in het midden. Het wild houdt zich aan zijn gewoonten. Bang geworden beschrijft het in zijn poging zijn vervolgers kwijt te raken een boog en kiest een van de wegen die het dagelijks gebruikt. Uit het halsgeven van de honden leid je de richting af, je moet raden welke doorsteek ze kiezen en er dan op tijd bij zijn. De aandacht van het wild is zo geconcentreerd op de honden achter ze, dat het geen gevaar voor zich verwacht, het loopt recht op de mensen af.’
In Czesław Miłosz prachtige autobiografische roman Het dal van de Issa speelt bos en jacht een belangrijke rol. Met dien verstande dat hij uiteindelijk niet goed blijkt te kunnen doden. Het bos is ook in zijn beschrijving ervan altijd magisch.
In een Nederlands bos heb je zo nu en dan ook een stuk waar het natter is en waar een andere vegetatie te vinden is, dat zijn de mooiste stukken, die je onthoudt en waar je naar teruggaat, het is er ook op de bodem begroeid en de diversiteit van plantensoorten is groot: en de fauna die daar dan bij hoort. Hier vind je ook de wildpaadjes.
In corona liep ik regelmatig na ’s avonds bij mijn oude moeder gegeten te hebben door een pikzwart bos – soms in spertijd – naar mijn huis. Zeven kilometer zonder dat je een hand voor ogen zag, alleen omdat ik de weg kende. Je loopt op geur en geluid. Geritsel maakt je wel eens ongemakkelijk. Van een uil die zeer nabij geruisloosopdoemt schrik je je echt een ongeluk. Een fascinerende ervaring. Het vreemdst was een ontmoeting met en fietser, met een wonderlijke aanhangwagen aan zijn fiets die alleen heel vrolijk ‘hallootjes’ riep en doorfietste, de indruk wekkend dat hij nacht in nacht uit door een donker bos fietst. Maar waarom? Wie was die man?
De spiegeling van bladeren en lucht in een grote plas zijn prachtig in een bos. In sommige diepe plassen zitten kikkervisjes in de lente. Waar mos groeit klinkt het anders. De geur van een bos is iets onvergelijkbaars: rotting en friste dooreen. Soms vind je in de zomer een plek waar niemand komt en waar je kunt gaan liggen op mos of blad en naar de wuivende boomtoppen staren, misschien even wegzakken zelfs. Oppassen dat je niet in de baan van een wildcamera staat, ik trof er al twee. In een bos verdwijnt de wereld en komt een oud oergevoel terug: er te horen.
De bossen in
Soms kan ik niets meer doen
dan bladeren verzinnen,
naar bladeren verlangen.
De bossen wil ik binnen.
De zon vreemd en groen
door duisternis vervangen.
Het wakende bedaren
onder de moede blaren…
schreef Leo Vroman. En zo is het precies. Dromen van bladeren kun je zelfs.
Drie literaire bosbaden: ik ken geen bossiger boek dan Pierre Bergounioux’ Een stap en dan de volgende: ‘Elke morgen vouwde juli zijn verbleekte achterdoek uit. De vogels zwegen. Op een dag deed augustus ongemerkt zijn intrede. De stamper danste als vanzelf op de klanken van het koper. Op mijn armen, die de kleur hadden van bukshout, trokken de spieren bol. Het werk vorderde in de richting van de brug. Na het fluitsignaal was ik al snel bij de vrouwelijke boom, maar de avond liep sneller dan ik. Wanneer ik mijn plaats innam tegen de buik van de wilg, was bijna al het licht weggetrokken uit het water.’ Het is een bosbouwboek, net als Train Dreams van Denis Johnson, en Norman Macleans A River runs Trough it. De wereld van wie de bossen het intensiefst bevolken: de houtvesters en de bosarbeiders.
Dat werk kun je beter niet romantiseren. Maar elk uur in een bos besteed is een goed uur. De bomen zijn goed gezelschap. Ze leren je minstens dat je een leven lang stil kunt blijven staan.
Jerker Spits Onder het bladerdak
Norman Macleans Er loopt een rivier doorheen (vertaling Dirkjan Arensman)
Pierre Bergounioux’ Een stap en dan de volgende (vertaling Marianne Kaas)
Czesław Miłosz Het dal van de Issa (vertaling Gerard Rasch)







