De laatste klant

Jarenlang, op weg naar het werk, kwam ik langs een piepklein kruidenierszaakje. Het lag ongelukkig op de hoek van een straat die toegang gaf tot een bedrijventerrein in Amsterdam-West. In de aftandse etalage – een paar planken met loslatend fineer, bevestigd aan de achterkant van een schap – stonden al die tijd pakken Biotex, Ariel en Sun, de kleuren verbleekt door zon en stof.

Soms ving ik een glimp op van de kruidenier. Lang, mager en iets gekromd, de haren wit, de wenkbrauwen vol en donker – een uitgebeende versie van Han Voskuil. Hij droeg een blauwe stofjas, de stof zacht van ouderdom, een ceintuur vlak onder de ribben, net iets te strak ingesnoerd. Een winkelier, stelde ik mij voor, van het oude stempel. ‘Waarde heer’, hoorde ik hem in gedachten zeggen bij binnenkomst van een klant, ‘waarmee kan ik u van dienst zijn?’

Toen ik er laatst weer eens langskwam, was de winkel weg. In de slordig leeggehaalde ruimte stond nog een oud schap. Op de kale vloer lag rotzooi. Hier en daar liepen leidingen die geen keuring zouden doorstaan. De smoezelig geworden tegels aan de muur konden elk moment loslaten, als een keramische huidziekte.

Mijmerend over het lot van de kruidenier komen Bernard Malamud-achtige verhalen bij me op: verhalen over de naarishkeit van arme joodse immigranten in New York die met dapper ondernemerschap ternauwernood het hoofd boven water weten te houden. Morris Bober, de kruidenier, in The assistant met zijn goyishe hulp, Frank, die hem belazert, overvalt, zijn dochter probeert te schaken, maar zich uiteindelijk laat besnijden. ‘For a couple of days he dragged himself around with a pain between his legs. The pain enraged and inspired him. After Passover he became a Jew.’

Ik kan me de kruidenier voorstellen in zijn Malamudiaanse laatste jaren: in een winkel die steeds stiller wordt maar hem nog altijd past als een jas. Er vallen steeds grotere gaten in die jas, scheuren, vlekken, kale plekken. Als met het dimmen van de geest de buitenwereld steeds onbegrijpelijker wordt, trekt hij die jas nog wat dichter om zich heen. Waar hij ooit nog wel eens de stoep veegde, of in de deuropening stond, daar verschanst hij zich nu achter de toonbank: de veiligste plek op aarde. En dan, op een woensdagmiddag nadat er al weken geen klant meer is gekomen, gebeurt het wonder: de deur gaat open, de bel rinkelt, en er komt een man binnen. Het is een merkwaardige man, een sombere figuur met een lange zwarte jas en een bleek gezicht dat gehuld is in diepblauwe schaduwen. De kruidenier staat op, recht nog eens de pijnlijke rug, en schraapt zijn keel.

‘Waarde heer, waarmee kan ik u van dienst zijn?’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.