Zelfinzicht

Het moet maar eens afgelopen zijn met vieze oude mannetjes zoals ik. Als je een lied zingt, of een tekst voordraagt, kun je beter je buik wat intrekken, en goed staan. Laag in je buik, lager. Mag ik even met mijn handen laten zien waar precies, bij een vrouwelijke schrijver?

Er is een oud maar wel fascinerend cliché dat schrijven over film net zoiets zou zijn als dansen over schilderkunst. Of toneelspelen over muziek. En dat zou dan moeten betekenen dat het niet kan. Zal ik doorgaan met iets schrijven over een heel goede documentaire? Maar ik heb wel boeiende boeken over architectuur (schrijven over bouwen: Ayn Rand, the Fountainhead) gelezen, en muziek over schilderkunst (Moessorgski) gehoord, of poëzie over muziek gelezen (Erik Menkveld) Boeken over film (Vorig jaar in marienbad van Alain Robbe-Grillet.)

Wat misschien nog wel interessanter is, zijn kunstvormen die over zichzelf aan. Poëzie over poëzie is weliswaar een niche, maar een waar ik zeer gevoelig voor ben. En ook muziek over muziek kan geweldig zijn, kan ‘Sound the trumpet’ van Purcell daarvoor doorgaan?

Sound, sound, sound the trumpet, sound the trumpet,
sound the trumpet till around,
You make the list’ning shores rebound.
On the sprightly hautboy play
All the instruments of joy
That skillful numbers can employ,
To celebrate the glories of this day.

Wat is aan die transparantie nou zou mooi? Als Shakespeare in zijn sonnetten verwijst naar de gedichten zelf krijg je als lezer haast een spiegel voor gehouden ‘So long as men can breathe, or eyes can see, So long lives this, and this gives life to thee.’ Door deze kunstgreep van dat ‘this’, het gedicht zelf, aan het einde van het beroemde achttiende sonnet, ben ik nu aan het bijdragen aan het voortleven van de daar aangesprokene, ik ben deel ervan. Het gedicht schijnt door mij heen.

In zeker zin is dat ook wat er gebeurt in de geweldige documentaire De Hoofdpersoon van Judith de Leeuw. Transparanter kan het bijna niet: we volgen een regisseur en een actrice die samen een stuk instuderen dat over machtsmisbruik en ongewenste intimiteiten gaat. De regisseur is Ruut Weissman, de actrice Harriët Stroet. De eerste is beschuldigd van juist deze zaken, de tweede maakte als slachtoffer iets dergelijks mee. Het is werkelijk een geniale gedachte Van Leeuwen geweest: hoe kun je begrijpen wat er in dergelijke #metoo achtige situaties precies gebeurt? Door een regisseur een tekst te laten regisseren die gaat over machtsmisbruik en ongewenste intimiteit. Dan kunnen we het zien, maar we zien heel veel meer.

Als kijker kijk je naar een duizelingwekkende hoeveelheid kwesties tegelijkertijd: hoe brengt een documentairemaker het maakproces van een monoloog in beeld, de kwesties die spelen bij regie, hoe regisseer je, heeft macht daarmee te maken? Realiseert Weissman zich steeds dat het ook over hem gaat? Ja, hij is bepaald niet gek, dus dat realiseert hij zich. Maar niet steeds. Van Leeuwen heeft een constructie bedacht waarin Weissman zichzelf laag voor laag afpelt. Je gaat heel diep in de ziel van deze aardige, rottige, sympathieke, hufterige, knappe, lelijke, getalenteerde, gemakzuchtige man kijken. Je denkt dingen te zien die hij niet snapt, maar zeker weten kun je dat niet. Ook hij is transparant: je kijkt door hem heen naar jezelf.

Voor mij zijn er twee hoogtepunten in dit procedé, al is de grote kracht vooral dat je er dagen mee blijft rondlopen. Aan het einde weet Weissman dat hij nog iets moet zeggen, dat heeft de regisseuse die hem regisseert met hem afgesproken: hij moet zeggen dat het maar afgelopen moet zijn met mannetjes als hij. Maar het feit dat hij dat gewillig tot drie keer toe, steeds iets anders zegt maakt zo duidelijk dat waar hij oprecht lijkt, hij toch steeds geregisseerd is. Er is een gebied dat niet transparant is, wordt hiermee getoond: letterlijk dat wij niet weten wat ze onderling precies afspraken. Uiteindelijk kunnen we deze man niet helemaal kennen, maar we zijn heel veel verder gekomen dan met alleen beschuldigingen. En we hebben ook ondervonden hoe het kan zijn te werken met zo’n man, en zijn gevaarlijke combinatie van charme en diepe kwetsuren, zijn onontwarbare behoefte zowel goede kunst te maken als aan zijn dierlijke instincten tegemoet te komen.

De tweede is aan het einde de voorstelling zelf, waar Harriët Stroet gloedvol speelt en Weissman onder de indruk naar ‘zijn’ creatie kijkt: Je ziet aan hoe hij kijkt dat hij geniet, van de kunst die hij ziet en daarmee is hij blind geraakt voor de inhoud ervan. Maar hij lijkt ook blind voor de kwaliteiten van de actrice, hij ziet alleen zichzelf. Dergelijke subtiliteiten maken deze documentaire een meesterwerk, van alle kanten. Ik heb in tijden niet zo’n geweldig doordachte documentaire gezien.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.