[p. 14]
Erik Menkveld
Schumanniana
Tien liederen zonder muziek
1
Ochtendlied
Hoe is die kamerplant
hier in mijn huis beland?
En hoe die rode schemerlamp
die nu al brandt?
Wat doet die vreemde vrouw
hier in mijn ledikant?
Pratend, rokend, lachend, pratend.
Is dat mijn eigen taal? Een vraag?
Wat heb ik toch? O niets. O niets.
Ik weet het even niet.
Maar er is niets.
Nee werkelijk niet.
Werkelijk niets.
(Gesang der Frühe op. 133 no. 4)
[p. 15]
2
Kindertotentraum
Mijn god waar kom je vandaan
wat heb je gedaan
de hele nacht aan zee
aan zee gezocht waar je was
de vlonder was leeg
je droeg niet eens een jas
mijn god ik heb je gezocht
ik heb je gezocht
tot ik geen kind meer zag
de golven spoelden aan land
ik stond in het zand
ze spoelden aan land
en spoelden aan land
tot over het zand
waar ik in stond
ik stond aan de zee alleen
alleen en overal nacht
waar was het beland
dat lieve lichaam dat jij was
ik dacht aan je mond
een vlek op je arm
geen golven klinken nee o nee
zoals de golven in deze nacht
ik wilde weg maar kwam niet los
een schip voer langs ik hoor het nog
[p. 16]
waar kom je vandaan
ik heb je gezocht
je kleren zijn nat
je ogen staan dof
je kijkt me niet aan
wat heb je gedaan
de zon komt bijna op
mijn kind waar kom je vandaan
ik heb zo gezocht
vannacht
(Fughette op. 32 no. 4 in g)
[p. 17]
3
Een prachtige dag
Groot vertoon!
Mijn persoon…
De kinderen zijn er het eerst: meisjes en jongens,
in groepjes, alleen. Groteren duwen de kleintjes in karretjes.
Vaders en moeders, een baby met speen. Ha!
Al zijn ze niet goed meer ter been, een man en zijn hondje,
een dame met drain – ook zij komen haastig hierheen gesneld.
Niet te geloven, ik zie iedereen! Ha!
(Zonnig tussenspel, gaandeweg bewolkter.)
Wat is het een stralende dag! Overal vogels en vrolijk gelach.
Bomen jongleren met goud op hun bladeren.
Wijven staan blij van de kade te wateren.
Kooplieden gooien met stenen en schateren.
Er vormt zich een kring om mij heen.
Niks in mijn aanblik is nog wat het scheen.
De stemmen verstommen, handen voor monden,
Niet te geloven, daar huilt er zelfs een. Ha!
Groot vertoon!
Mijn persoon…
En dat op zo’n
prachtige dag!
(Lied Italienischer Marinari op. 68 no. 36 in g)
[p. 18]
4
Zeven huppelaars
Kijk daar huppelt er een
en daar heb je de tweede
de derde, de vierde
de krottenslop uit.
En het gaat naar beneden
over honderden treden
ze pakken elkaar bij de hand
en daar heb je de vijfde
uit een lager portiek
en de zesde de zevende
met een sjaal en een hoed
en ze zingen in taal
waar ik niets van begrijp
en ze kijken omhoog
naar de stralende lucht
maar dan struikelt er een
en de tweede valt ook
en de derde de vierde
stort over ze heen
en de vijfde heeft bloed
aan zijn hoofd en zijn hals
en nu rollen ze als een bal
op het plein en een wagen
rijdt over ze heen als een wals
[p. 19]
en nu liggen ze dood in het rond
als een vertrapte anemoon
en niemand kijkt op of om.
(Gigue op. 32 no. 2 in g)
[p. 20]
5
Zon
Zon
(wat een wemelen wat een wemelen)
valt in de kristallen botervloot
(wat een wemelen in de planten
blaadjes en schaduwen
wat een wemelen wat een wemelen)
op tafel in de serre vanmorgen
(wat een weelderig wemelen)
en één ogenblik lijkt de glans ook weer opgewekt
in vork, mes, eierdop – wat er gedekt is
voor wie van allemaal tot hier overbleef om dit
nu te zien: dit levendig licht van
(o wemelen wemelen)
porselein, kind nog zijn,
(niet zo kietelen)
(niet zo kietelen)
opstaan,
(niet zo kietelen)
zomer.
(Exercises (Beethoven-Etüden) no. 1 in a)
[p. 21]
6
Ik voel haar ademen
Daar komt ze aan.
Daar komt ze aan.
En ik moet blijven staan
op deze voeten.
Daar komt ze aan.
Door onze laan.
Haar rode rijglijf los
om mij te zoeken.
Daar breekt de maan
vol schrammen door de bramen.
Zij roept mijn naam
weerspiegeld in de ramen.
Kan ik nog weg.
Niet meer bestaan.
Ik knijp mijn ogen dicht
zonder te roepen.
Wat moet ik doen.
Gaat daar de deur al open?
Ziet ze me nu?
Heeft ze ons ingesloten?
Daar komt ze aan.
Ik ruik haar zweet.
Ik voel haar ademen
over mijn oorschelp.
(Leides Ahnung op. 124 no. 2 in a)
[p. 22]
7
Deze nacht
Deze nacht (tuimelraam, maan)
zie ik jou met los haar bij de halfdonkere tafel staan.
Je geeft geen blijk van herkenning.
Wat een uitzonderlijk uitgelicht ogenblik
denk ik nog, maar ach wat moet ik
doen je kent me niet en o je bent
nog zoveel mooier dan ik hoopte
toen ik niemand meer
over je hoorde deze zomer.
Een motje vliegt tegen je kin, borst,
fladdert weg. Je kijkt naar mijn mond.
Doe het dan, stamel je,
doe het dan.
Zeg het dan,
zeg me dan
wat me nu
overkomt.
(Exercises (Beethoven-Etüden) slot in a)
[p. 23]
8
De schuurdaken
Kom hier, gauw!
Kijk daar nou!
Daar klimt er weer een
de schuurdaken op! Een vrouw!
Geen twijfel aan dit keer.
Een vrouw
die verdomd goed weet
dat ik haar bekijk
vanachter mijn raam,
dat ik haar zie klimmen,
juist vandaag!
Ze weet het maar ze lijkt mij niet te zien.
Heel haar klimmen is bedoeld te grieven!
Geen seconde dring ik tot haar door,
met mijn ogen, met mijn mond,
met mijn handen, met de hond
(alles wat ons ooit verbond).
Ze ziet me maar ze wil niets meer zien,
Dat dak op, dat is alles wat ze wil.
Mij kwetsen! Vernederen!
Waar vlagen regen, hagel
haar doorweken, afranselen,
verblinden – daar staat ze
mij te tarten in de wind.
Er klom er weer een de schuurdaken op.
Een vrouw.
Een vrouw.
(Marsch op. 76 no. 2 in g)
[p. 24]
9
Noordelijk lied
Kom je mee, dan gaan we slapen.
Ach mijn lief, ik wil naar bed.
Altijd weer te weinig nachtrust.
Elke dag voel ik me slecht.
Morgenvroeg is het voor mij weer bollen pellen
en dan lig jij in je nest –
om me ’s avonds te vertellen
dat je leven is verpest.
Nee we gaan geen rijtuig kopen.
Weet jij wat ik míj ontzeg?
Op jouw God kan ik al jaren niet meer hopen,
dus vraag jij in jouw gebed
dat de bloemenbranche blijft lopen.
en de kwekerij het redt.
Over drie uur gaat de wekker.
Heb ik hem wel goed gezet?
(Nordisches Lied op. 68 no. 41 in f)
[p. 25]
10
In duisternis
Is dit aan zee? En ben ik een man?
In welk hevig ruisen ben ik beland?
Is het hier dag? En kom ik net aan?
En kan ik mijn koffers hier laten staan?
Hé, ik loop, wie weet waar naar toe.
Ik tuimel in iets dat heel angstig roept.
Is het een vrouw? Dan lig ik erop.
Dan hoef ik vanavond de straat niet op.
Nee, geen vrouw. Het is iets van steen.
En niet voor een man, dat voel ik meteen.
(Albumblatt op. 99 no. 4 in fis)






