Herhalingsdrang

Ik heb de kwaal die herhalingsdrang heet: als ik moet kiezen tussen een nieuwe serie ontdekken of voor de tiende keer Mad Men kijken, kies ik voor de herhaling. Casablanca heb ik al minstens dertig keer gezien. Wespen op de appeltaart van Spinvis, I think it’s going to rain today van Randy Newman en La chanson des vieux amants van Jacques Brel kan ik dagenlang achter elkaar luisteren – die liedjes zijn verankerd in alle vezels van mijn lijf.

De herhalingsdrang treft me het meest bij literatuur, omdat sommige werken onlosmakelijk verbonden zijn met herinneringen, niet meer op zichzelf kunnen bestaan, onmogelijk zijn los te weken van momenten die ik niet wil vergeten.

Er zijn romans en gedichten die me weemoedig maken omdat ze me meteen terugbrengen naar iets dat geweest is. Het zijn vensters op het voorbijgegane.

Zo zijn er boeken die ik altijd met me meedraag. Elk jaar herlees ik De Avonden van Reve. De beginregel kan ik opdreunen als mijn telefoonnummer. Als ik weer in dat boek stap en door Amsterdam slenter ben ik negentien, zit ik met mijn studievriend Reijm op een bankje tegenover het universiteitsgebouw, hoor ik hoe we praten over Reve en die tien decemberdagen. Dan zijn we elkaar nog niet uit het oog verloren.

Thijssens’ Kees de jongen is het boek waarin ik kan verdwijnen als de wereld op mijn slapen bonkt en ik mezelf even uit dit tijdsgewricht wil halen. Als ik over Kees lees, hoor ik de stem weer van mijn jeugdvriendinnetje Room en hoe ze soms stukken uit dat boek voorlas als we op haar meisjeskamer zaten. Dan voel ik haar handen, die zo zacht waren dat ze van dons leken, hoe ze door mijn haar kon gaan en me altijd op momenten kuste die zo onverwachts waren dat ik er altijd een beetje van schrok. En hoe ze daarom moest lachen.

Lees ik In het café van de verloren jeugd van Modiano, dan ben ik weer even op de woonboot van Bee, van wie ik ooit hield. Ze had iets weg van Louki, misschien dat ik daarom verliefd op haar werd en haar mijn exemplaar cadeau gaf. Nadat ze genoeg van me had kocht ik een nieuw exemplaar en soms vraag ik me af of ze het herleest zoals ik doe, en of ze dan weer even aan me denkt, al weet ik vrijwel zeker dat het niet zo is.

In sommige gedichten liet ik een deel van me achter. Ze passen me als een huid: als ik Projectie van Heytze lees, sta ik weer bij de kist van mijn oma, die helemaal niet van poëzie hield, maar ik hield van haar en zij van mij en zo hield ze misschien toch een beetje van gedichten.

Ik flits terug naar een eeuwige dinsdag in café Orloff met Ik weet dat het er is van Wigman. Dan zit Lootje, een van mijn beste vrienden, voor me, zegt ze weer dat ze niet wil dat die dag voorbij zou gaan en citeert met haar stem die alles in me kan omvatten regels uit dat gedicht. Wanneer ik dat gedicht lees is die dag er weer. En dus niet voorbij: alsof we voor altijd in zo’n met water gevulde schudbol zitten die met kerst op alle schoorsteenmantels staat.

Lees ik The Sleepers van Plath, dan is het een bloedhete zomer die mensen omlegt, ben ik voor het eerst alleen met vrienden op vakantie in Frankrijk en schuift Toot me de bundel toe die ze net uit heeft. Ik lees voor de eerste keer in mijn leven poëzie die me echt raakt, iets in me losmaakt dat niet meer terug te klikken valt, alle chaotische ruis in mijn onmogelijke brein even wegneemt en als ik de bundel uit heb, zeg ik tegen haar dat ik weet wat ik wil worden later en dat het dichter is.

Dan lacht Striep, trekt met haar vinger wat onverklaarbare strepen in het zand, kijkt uit over het land.

En dan zegt ze weer: ‘Alleen als je een beter einde voor jezelf schrijft. Beloofd?’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

Geertruida

Er zijn mensen die de dingen namen geven: auto’s, huizen, kinderen. Ik ben een van die mensen.

Mijn koffiezetapparaat heet Grom, omdat hij (het is een jongetje) altijd gromt als ik hem ’s ochtends tot presteren maan. De nieuwe schrijftafel die in mijn huis staat heb ik gedoopt tot Marie – ze (het is een meisje) voelt warm, zacht en vertrouwd. En mijn fiets heet Geertruida.

Het is een oude, sierlijke, zeventigjarige dame met een gebruiksaanwijzing. Je kunt het stuur niet al te plots omzwaaien, want het voorwiel ligt wat losjes in de as. De remweg beslaat op een goede dag ongeveer vijf meter omdat het remsysteem van vlak na de oorlog is. De bagagedrager verdraagt eigenlijk niets, soms ben ik zelfs bang dat luchtdruk het verroeste staal al te veel belast. Het zijn karaktertrekken die haar maken tot wie ze is.

Ik ben me gaan hechten aan die trouwe jongedame, want ik hecht me aan bloedeloze dingen –soms meer nog dan aan mensen vrees ik. Het is mijn taak om voor haar te zorgen, haar na mijn kroegbezoek weer veilig thuis af te zetten, soms wat lieve dingen tegen haar te fluisteren als ze een lange rit af heeft moeten leggen. En het is vooral mijn taak om op haar te letten. Beter dan ik heb gedaan.

Op de dag waarop ik drie boekcontracten tekende verdween Geertruida. Er was alleen de leegte die haar vorm had aangenomen. De sleutel lag doelloos in mijn hand. In mijn hoofd ramde ik het ding met volle kracht door de miezerige bovenlip van de persoon die Geertruida had ontvoerd.

Drie boekcontracten, en geen fiets – alles moet in evenwicht blijven, dacht ik nog, te veel goeds zou vast gevaarlijk zijn, nu was alles weer hersteld. Er was ons iets aangedaan en blijkbaar was dat nodig.

Nu fietst er ergens iemand rond op Geertruida en ik ben het niet. Diegene weet niet dat ze soms wat opstarttijd nodig heeft, dat stoepranden en drempels haar kwaad maken, hoe slecht ze regen verdraagt, dat je op lome dagen af en toe tegen haar moet praten om haar wakker te houden, hoe blij ze wordt als de zon op haar frame valt en een fris lentewindje door de kettingkast waait. Dat ze een naam heeft: Geertruida. En bovenal dat ze van mij is.

Geertruida is veerkrachtig, dat weet ik, en ze zal het redden zonder mij en ik uiteindelijk ook zonder haar. Maar ze heeft ook een opstandig karakter dat niet te temmen is, een eigengereidheid die niet te stoppen valt, een eigen, vrije wil. Er komt een dag, ik weet het haast zeker, dat ze de fietsendief met een enorme zwaai van zich afwerpt als een briesend paard, de wielen neemt en vertrekt.

Dan zal ze ineens weer voor mijn deur staan als een weggelopen hond die na jaren weer terugkeert bij zijn baasje, zoals je soms in tranentrekkende filmpjes ziet.

Zo moet het ook met Geertruida en mij gaan. En niet anders.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Nieuw

‘Zeg, hoe gaat het met je?’ vroeg Noen.

Zo had ze de telefoon opgenomen – geen groet, geen stilte, geen lach. Alleen een vraag, zo spits en kort als haar neus. Die herinnerde ik me nog goed, net zoals het kuiltje in haar onderrug en haar schuurpapieren vingers.

‘Goed,‘ zei ik. ‘Ik heb mijn oude schrijftafel weggedaan.’

Er viel een stilte op de lijn als plotse sneeuw in februari. Ik hoorde gerommel, wat gevloek, nog meer gerommel, toen het vonken van een aansteker. Ze blies uit in de telefoon, het klonk als de wind die soms op kan steken aan zee.

‘Ja, ik ben weer begonnen,’ sneerde Noen, nog voordat ik iets kon zeggen. ‘Laten we het daar niet over hebben. Maar je hebt je schrijftafel weggedaan, dus. Je schrijft toch niet weer vanuit bed, mag ik hopen?’

Ik lachte. We belden met elkaar alsof we gister nog gesproken hadden. De tijd was een afgestofte harmonica die door een roestige toetsenist weer in elkaar gedrukt werd.

‘Nee, ik schrijf niet weer vanuit bed,’ zei ik. En dat was vanuit haar bed, dacht ik nog, maar dat zei ik niet. ‘Ik heb een nieuwe, een fijnere. Gekregen van mijn ouders. Zodat ik een beetje aan ze denk als ik aan het werk ben.’

Noen blies weer uit, nu wat verder van de telefoon af. Ik klopte op mijn zakken, roken doet roken, gooide de tuindeur open en snoof de avondlucht op. De lucht, een afgebladderde spandoek boven het appartementencomplex, voelde zwaar.

‘Ik heb ook iets weggedaan,’ zei Noen na een korte stilte, die we allebei voelden en niet benoemden.

‘Oh,’ antwoordde ik en draaide een sigaret rond in mijn vingers. ‘Wat? Je bed? Je kat? Je verzamelde werken van Nooteboom?’

‘Mijn vriendje,’ zei ze. Ik zweeg, wist ineens waarom ze me na al die tijd weer belde: ze had haar oude liefde weggedaan. En wie dan ook de nieuwe zou zijn: ik niet. Niet meer.

‘Misschien,’ zei ik en stak mijn sigaret aan, ‘kun je aan je ouders een nieuwe vragen. Dat heeft bij mij ook gewerkt.’

Daarna hing ik op. Ik blies een wolkje rook de avondlucht in, telde mijn vingers na, keek ernaar, zag dat ik me nergens aan had gebrand.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Het bleek familie

Op sociëteit Minerva in Leiden zit bij de centrale trap een plaquette in de muur. Het opschrift luidt: Ter nagedachtenis aan leden van het Leidsch Studenten Corps die door de oorlog het leven lieten. Er staan een kleine dertig namen onder. Toen ik nog lid was van Sempre Crescendo (de open muzikale subvereniging van Minerva) liep ik er iedere week langs. Ik moest hem al vaak gepasseerd zijn toen, ongeveer een jaar geleden, mijn oog in het voorbijgaan plotseling viel op een naam die mij erg bekend voorkwam: Hepkema. Mijn overgrootmoeder heette zo. Ik bleef staan en bekeek de gedenkplaat nog eens goed. W. T. Hepkema, stond er. Meteen schoot ook de vraag door mijn hoofd of ik familie van hem was. Zo vaak komt de naam Hepkema immers niet voor. Het is geen Van Dijk of De Jong. Maar kon het zijn dat er in mijn eigen Leiden een familielid op een plaquette stond zonder dat ik dat wist? Mijn vader zou het me zeker verteld hebben, dacht ik.

Ik deed bij thuiskomst navraag bij mijn vader en die zei dat hij eveneens niets wist over een familielid op een gedenkplaat bij Minerva. Ook hij vond dat de naam kon wijzen op een familieverband.

Enige zoekopdrachten op Google leverden al snel de nodige gegevens op: W. T. Hepkema stond voor Watse Tjebbe Hepkema. Hij werd op 8 november 1914 in Leeuwarden geboren en overleed op 21 januari 1942 in het toenmalige Nederlands-Indië. Ik zocht verder. Zijn vader Sietze bleek de oudere broer te zijn van mijn overgrootmoeder, Richtje. Watse was dus een volle neef van mijn grootvader (die overigens ook Watse heette), al scheelden ze wel zo’n veertien jaar. Het lijntje is kort.

Wat deed een geboren Fries en Leidse student na het uitbreken van de oorlog in Nederlands-Indië? Was hij daar vlak voor de oorlog naartoe verhuisd? Als we eerder niet van het bestaan van dit familielid geweten hadden, wat wisten we dan allemaal nog meer niet?

Ik belde mijn oudtante. Misschien wist zij iets. Ze bevestigde dat Watse de zoon was van Sietze en vertelde dat Sietze de oprichter en directeur was van de Condensfabriek, het huidige Friesland Campina. (Haar moeder, mijn overgrootmoeder, de zus van directeur Sietze heeft de merknaam Friesche vlag voor de koffiemelk en dergelijke bedacht.) Watse was de beoogde opvolger. Hij was na het uitbreken van de oorlog nog bij mijn overgrootouders langsgekomen om hen te vertellen dat hij tegen de Duitsers ging vechten. Hij is toen met een Fins vrachtschip naar Nederlands-Indië gevaren en daar is hij bij een ongeluk omgekomen, zei ze. Online documenten uit het Nationaal Archief, bevestigen haar verhaal. Hij monsterde aan op een Fins vrachtschip en is via Finland, Rusland en Japan in Nederlands-Indië beland. Daar meldde hij zich als vrijwilliger bij het leger. Hij wilde piloot worden. Bij een oefenvlucht ging het mis. Hij stierf aan zijn verwondingen, zonder ooit gevochten te hebben.

Japan was een paar weken eerder Nederlands-Indië binnengevallen. Zou hij anders in die strijd zijn gesneuveld? Of in de kampen? Doet het ertoe? Om de een of andere reden betrap ik mezelf op de gedachte dat ik het van het hele verhaal eigenlijk het ergst vind dat hij bij een ongeluk is omgekomen. Voor hem en voor de familie. Hij heeft niet gevochten. Er zijn geen slagen waaraan hij heeft meegedaan of heldendaden waar je over kunt verhalen. Kun je een held zijn zonder ooit gestreden te hebben? Zeker. En hij is absoluut een held: het getuigt van moed en doorzettingsvermogen dat hij zo ver reisde om zich op te laten leiden om te kunnen vechten voor de goede zaak. Maar toch, er blijft iets knagen. Alsof het voor niets geweest is.

Alsof het niet voor niets geweest was als hij een week of maand later in een gevecht gesneuveld was!

Tussen de brieven in het familiearchief die ik gebruik voor mijn scriptie, vond ik het briefje dat Sietze stuurde naar zijn zusje (mijn overgrootmoeder), toen ze het verschrikkelijke nieuws net gehoord hadden: ‘Gisteren kregen we hier bericht dat Watse in Indië gesneuveld is. ’t Is een heele slag in ’t bijzonder voor Els, zijn verloofde. Ik wilde ’t jullie even laten weten.’ 

In een brief een maand later spreekt hij zijn dank uit voor de blijk van medeleven die zijn zusje en haar man getoond hebben. Hij schrijft verder dat de stroom brieven, waarin mensen hun waardering voor Watse uitspreken, langzaamaan stokt. Zijn vrouw en hij maken zich op om dankberichten te sturen. Hij weet dat de ergste pijn met de tijd wel zal verdwijnen, schrijft hij. Na de oorlog hebben ze een grafsteen op het graf in Indië laten plaatsen. Ik weet niet of ze er ooit heen geweest zijn. 

Toen ik mijn oudtante vroeg waarom we niet eerder iets over Watse gehoord hadden, antwoordde ze: ‘Hij was dood.’ 

Voor je het weet ben je vergeten.

Er zal wel hebben meegespeeld dat hij veel ouder was dan zij en dat ze hem dus waarschijnlijk niet zo goed gekend heeft. Toen zij op de lagere school zat, studeerde hij al. Bovendien was hij een neef, geen broer.

Nadat ik de twee brieven gevonden had, besloot ik dat ik iets over Watse wilde schrijven, zodat hij niet alleen maar een naam is op een gedenkplaat. Ik benaderde via-via het verenigingsblad van Minerva en ik heb ook voor hen een stuk geschreven. Met een tweetal redactieleden bladerde ik door almanakken van voor de oorlog. Watse bleek binnen de vereniging ontzettend actief geweest te zijn: hij zat bij veel gezelschappen en subverenigingen en hij was zelfs bestuurslid van Minerva.

Iets met een in de knop gebroken leven.

Ik hoop dat ik hem zo een beetje aan de vergetelheid heb weten te ontfutselen. Hoewel, echt vergeten zal hij niet worden: zijn naam staat immers op de gedenkplaat.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Het geluk

Miel bestiert een charmante delicatessenwinkel die zo in een oud, Frans dorpje had kunnen staan. Zo’n dorpje waar de tijd zelfs uit vertrokken is, de straten altijd leeggelopen zijn, alle dagen traag, hitsig en doorrookt voorbijkruipen en iedere mannelijke inwoner hopeloos verliefd is op de blonde bardame die haar jonge borsten op de toog drapeert om de omzet van de enige kroeg die er in het dorpje uit wordt gebaat nog een beetje op te krikken.

Dat had gekund, het had misschien zelfs beter gepast, maar zo is het niet. Zijn winkel staat in een middelgrote provinciestad in Nederland, ligt aan het water dat in de zomer glinstert alsof het oppervlak bedekt is met snippers aluminiumfolie en grenst aan een oude weg die voornamelijk dient om toeristen naar de oude binnenstad te leiden.

De uren zijn warm, loom en fel als ik naar zijn winkel loop. Ik voel me stroperig en er knaagt al dagen iets aan me dat ik niet goed thuis kan brengen, alsof iets me vanbinnen langzaam opvreet, tot het door mijn huid breekt en ontsnapt.

Miel begrijpt die gevoelens, dat soort taaie momenten die me soms ineens overvallen – voor een deel omdat hij dat gevoel maar al te goed kent, het overkomt ons zelfs vaak op dezelfde momenten, maar ook omdat hij een van mijn oudste vrienden is en me soms beter lijkt te kennen dan ikzelf.

Van alle mensen met wie ik me omringde op de middelbare school, is hij nog over. We maakten allebei onze studie niet af, kozen een ander pad (ik het schrijven en hij de winkel) en dat gevoel van rebellie nadat we ons allebei moeizaam door het gymnasium hadden geworsteld en het juk van een universitaire toekomst van ons af hadden geschud heeft ons altijd al verbonden.

En het feit dat we samen heerlijk kunnen somberen, zonder dat het naargeestig wordt. Als dat dreigt te gebeuren, gooit een van ons altijd een ironische dooddoener in het gesprek die alles wat verzacht.

Het belletje dat aan de deur van de winkel hangt rinkelt als ik de winkel binnenkom. Ik slinger een groet de ruimte in, Miel leest een boek, kijkt op, groet terug.

Hij steunt even, ik ook en we zuchten samen een tragisch, maar loepzuiver duet van tijdelijke moedeloosheid.

‘Het is een rustige dag,’ zegt hij voordat ik de kans krijg ernaar te vragen. ‘Warm weer. Mensen willen ijs, bier, terras. Geen chocola.’

‘Mensen willen van alles,’ zet ik de toon, plof neer op een stoel in de hoek van de winkel die er eerder niet stond, hang mijn jasje over de rugleuning alsof de stof ook uit moet rusten en verlies mezelf in het mechanische gezoem van de airco, dat als een rustgevend soort ruis door de winkel blaast.

‘Hoe gaat het met je?’ vraagt Miel, terwijl hij zijn boek op de balie legt en me aankijkt met twee vermoeide ogen.

‘Meh,’ zeg ik,  Met jou?’

‘Ook meh.’

Drie letters, denk ik, drie godvergeten letters en daarmee is alles gezegd. We begrijpen elkaar, Miel en ik, verwachten niet dat een van ons de ander nu opbeurt, vraagt wat er scheelt, of iets troostends zegt.

We zwijgen, het is een heerlijk zwijgen, een zwijgen dat ik met maar weinig mensen kan, lezen allebei in ons boek tot er twee meisjes binnenkomen die Italiaanse chocola aanschaffen en lachen om iets dat Miel en mij volledig ontgaat, ik mompel wat over de lente, meisjes en of hij begrijpt wat ik bedoel, Miel zingt dat liedje van De Dijk, er stapt een jongeman de winkel binnen die voor veertig euro aan truffels in zijn linnen schoudertas stopt en daarna weer dapper de dag instapt.

Als we ons naar buiten slepen om te roken, valt de warmte als een klamme blusdeken over ons heen. De zon ketst af op de zonnebrillen die we dragen. We laten onze lichamen achter op twee roze krukjes die voor de winkel staan.

De rook die we uitblazen blijft net iets langer hangen dan normaal en we staren naar hoe de klamme lucht de teerwolken langzaam de straat uitdraagt. We kijken elke rookpluim na alsof er iets in staat geschreven dat van belang is.

Aan de overkant loopt het terras vol. Er rolt geschater over het water als een plaat die vastloopt in steeds dezelfde, blijmoedige groef, het geluid legt zich aan onze voeten als een hond.

‘Kijk,’ wijst Miel en laat zijn mondhoek wat hangen, ‘daar zit het geluk.’

‘Dat verdomde geluk,’ mompel ik als mijn sigaret op is. Ik staar in de gracht naar onze spiegelbeelden, twee verwaterde mannen kijken terug. Dan kijk ik even op, naar de overkant.

‘Daar zit het geluk,’ herhaal ik Miel na een tijdje, ‘en we kunnen er net niet bij.’ Miel neemt de moeite niet meer om op te kijken en ook ik laat mijn hoofd weer halfstok hangen.

‘En zo te zien blijft het daar voorlopig nog wel even zitten ook.’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Lief

Gil omhelsde me, alsof hij er even in slaagde om in vijf seconden zijn hele bestaan om me heen te vouwen.

We stonden in zijn woonkamer en ik was de eerste, omdat ik ook als eerste weer weg moest voor een optreden, al was ik liever als laatste gebleven. Ik liep naar het grote raam, dat openstond en stak mijn hoofd naar buiten. De benauwde lentelucht drukte tegen mijn slapen. Mijn hoofd bonkte van een kater die ik had opgelopen door me de vorige avond te laten verleiden door onverzadigbare kroegvrienden.

Een zomer geleden had ik in datzelfde raam gestaan en naar de zwemmende bikini’s gekeken die in de gracht voor anker waren gegaan. Nu lag het water er leeg en rimpelloos bij.

‘Vanochtend zat er een meisje in het raam aan de overkant,’ zei Gil vanuit de keuken, ‘haar benen bungelden tegen de gevelstenen.’

‘Nu niet meer,’ merkte ik op en keek naar de overkant, waar een meisjesloze leegte me aangaapte. ‘Ik kom altijd te laat voor dat soort dingen, vrees ik.’

Ik liep terug naar de grote keukentafel, legde mijn gitaar erop en ging zitten. Gil stroopte het instrument uit zijn stoffen huid en tokkelde er wat op. Ik keek naar hem, wist toen pas hoe erg ik hem had gemist, dacht aan hoe iemands aanwezigheid bij mij altijd ook de afwezigheid die daar aan vooraf ging oproept.

We praatten wat bij, Gil merkte op dat ik meer levensvreugde achter mijn ogen had dan de vorige keer dat we elkaar zagen en ik beaamde dat. De bel ging, Luuk kwam binnen, Gil zette een biertje voor me neer in een poging om mijn kater op te heffen en de bel ging daarna nog een paar keer, tot het huis vol was met wie er moest zijn.

Jess drukte bij binnenkomst de fles wijn die ik was vergeten mee te nemen in mijn hand (het was een prima fles, oordeelde Gil) en Rosa vertelde me over haar gastdichterschap voor de Willem Wilminkprijs dat ze net achter de rug had. Daarna beklommen we de smalle trap die naar het kraaiennest leidde en keken uit op de kruin van Amsterdam.

Het waaide op het dakterras. De wind morrelde aan mijn gedachten en blies mijn hoofdpijn in flarden uit over de daken van de hoofdstad, waarvan ik steeds iets zekerder weet dat ik er ooit ga wonen.

Ik keek naar mijn vrienden die ik twee jaar geleden in Helmers voor de eerste keer zag, had ze stilzwijgend lief, vroeg me af waar ik hun vriendschap in vredesnaam aan had verdiend. En hoe ik de dagen altijd net iets beter kon verdragen als ik bij ze was geweest.

Nog voordat het hoofdgerecht werd opgedist (Gil, Jess, Rosa en Merlijn lieten in de keuken kundig groenten, kabeljauw en inktvis door hun handen gaan en Luuk en ik bladerden taakontwijkend door de boekenbijlage van de Volkskrant) moest ik weer terug naar die andere stad, hoe lang ik ook had willen blijven.

Ik zegde iedereen vaarwel, omgorde mezelf met de hoes van mijn gitaar, knarste mijn tanden stuk op de heimwee die al voorsorteerde, trok de zware deur achter me dicht en stond weer op straat.

De zon viel schuin op het Prinseneiland, dat lag te blinken als een oester die Gil klaargemaakt had kunnen hebben. Warm was het ondertussen, warm en mooi en goed.

In de tram naar het station miste ik ze al, mijn vrienden. Ik miste ze. En had ze zo stilzwijgend mogelijk lief.

Beeld: Jess Witte

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dat hoeft niet in je stukje

    Dat hoeft niet in je stukje

    Ze liep naast me, maar leek dat soms al te zijn vergeten, alsof ze al voorbij ons afscheid was. Met elke zorgvuldige stap die ze zette leek ze verder weg. Ik bracht haar naar het station, dat ze prima wist te liggen, maar toch wilde ik haar het station in zien gaan, toekijken hoe ze...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Dansen

    Dansen

    Er stond een bord pasta voor me klaar. Vriend J., die deze avond ook spreekstalmeester was, begroette me even warm en bemoedigend als altijd en schoof naast me aan. In de ruimte galmden de opgewekte stemmen van leden van de organisatie van de Nacht van de Literatuur tot het plafond en weer terug, weerkaatsingen die...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Vier bier en één cola

    Vier bier en één cola

    Het was nog rustig in de kroeg. De zon wurmde zich door het glas-in-loodraampje en viel op de grote, ronde tafel waar Lootje aan zat. Ze lachte me uit toen ze me zag, omdat ik mijn zonnebril nog op had, mijn mond een grauwe streep was en mijn gezicht nog in de kreukels zat door...
    Lees verder