Tirade

Menno Hartman
T punt. Over Tom van Deel
2019-08-16 14:12:48

T. van DeelDichter, criticus, docent Tom van Deel, overleed op 12 augustus 2019. Voor Van Oorschot stelde hij de bloemlezing samen uit het werk van Simon Vestdijk met de titel Een snik tot glimlach omgelogen, een regel van Vestdijk die nu ook zijn rouwkaart siert. De bundel verscheen in 2010, maar mijn contact met Tom gaat verder terug. Tussen 1995 en 1998 was hij op de universiteit de docent die me poëzie heeft leren lezen, en aan het einde van die studie begeleidde hij mijn scriptie over Martinus Nijhoff.

Tom van Deel heeft veel fraaie gedichten geschreven, heel veel boeken besproken, maar vooral ook heel veel studenten de vraag gesteld: wat lees jij hier? In de werkcolleges poëzie gaf hij uitvoering aan wat naar wat mijn smaak de beste benadering is wanneer je studenten met poëzie confronteert: er samen naar kijken en samen bespreken wat het zou kunnen betekenen wat daar staat, waarom het er staat en wat jij daarvan vindt. Ik vond dat Tom dat erg knap deed. Vooral omdat hij het voor elkaar kreeg zijn enorme belezenheid niet al te zwaar op je te laten drukken.

School maakte hij met de bespreking van klassieke thema’s in de moderne, vaak Nederlandse, poëzie. Nijhoff bijvoorbeeld in zijn Een idylle uit 1940, over Hermes en Laodamia en Protisilaos;

De weg van hier naar ’t dodenrijk
wijst zich vanzelf. Zie, bij deze eik
begint een pad en dat voert recht
naar waar Charon zijn boot aanlegt.

Geen kent die wèg als ik hem ken.
Want ik ben Zeus’ zoon Hermes, en,
naast hoeder van het vee en bode,
ben ik de leidsman van de doden.

[…]

Tom zou dan de studenten eerst vragen na te zoeken wat we kunnen weten over deze figuur Hermes uit de klassieke teksten. Hoe staat het daar? Doet Nijhoff ongeveer hetzelfde? Waar wijkt hij af van zijn bronnen?Hoe vind je dat? Klopt het bij wat jij van Hermes vindt of denkt? Wat zou Ovidius of een ander klassiek auteur tegen deze Hermesfiguur inbrengen?

Het leverde vaak goede gesprekken op. Het is een vorm die goed bij Van Deel paste, de klassieke benadering van doceren als een gesprek, de verwijzing naar wat je kunt nazoeken en vaststellen,  zien hoe er veranderd wordt en welk doel dat dient, en hoe je dat tenslotte waardeert, hoe nieuwe poëzie kan ontstaan uit oude bronnen, dat demystificeert ook. In zijn recensies ging het vaak niet anders. Van Deel was vooral een bezeten lezer, met vaste waarden in zijn boekenkast. Met zijn studenten was hij zachtmoedig, hij accepteerde fouten waar hij wel op wees. Met zijn op den duur wat mandarijnachtige status in het Nederlands landschap wisten noch hijzelf noch zijn criticasters goed raad. Zo zachtmoedig als hij was, er was een wat driftige keerzij.

Maar die zag je zelden, vaker hoorde je ‘Jongens, wat is het toch gezellig’, met een witte liefst Zuid-Afrikaanse wijn in handen, pratend over zijn geliefde Griekenland of een van zijn grote schrijvers. In zijn kritisch werk alsook in zijn poëzie laat hij de indruk na van een zachtmoedig, precies, humoristisch gedreven en bewonderend lezer. Op veel van zijn studenten zal hij de indruk hebben gemaakt dat goed lezen aan te leren is en dat je kunt leven voor literatuur en dat dat een mooi leven kan zijn. Ik hoop met hart en ziel dat hij dat op het einde zo gevoeld heeft.

Vaarwel, ‘k Aanvaard de overtocht.
Vreemdeling, als zij komen mocht,
zeg haar dat ik niet wachten kon. –
O aardse liefde! – Het uur is om. –

 

 

 

IMG_6285

Menno Hartman (1971) was student van T. van Deel en is uitgever bij Van Oorschot.

Gilles van der Loo
Non-fictie
2019-08-14 09:23:43

51CcsGdkNxL._SL500_Op advies van vriend Jan van Mersbergen (inderdaad, hij had een cameo als carnavalsdorp in Rob van Essens De goede zoon) las ik voor het eerst non-fictie: H is for Hawk van Helen Macdonald.

Na het overlijden van haar ouder kan Helen (een jaar of 40) niks met het vadervormig gat in haar leven. Ze heeft altijd met valken gejaagd en neemt het nu op zich een goshavik te trainen.

Goshaviken zijn de moeilijkst denkbare vogels. Ongezeglijke beesten, gevaarlijk ook. Indrukwekkend en ontembaar. Macdonalds beschrijvingen hebben een ongelooflijke visuele helderheid. De dood heeft haar beroofd – ze mijmert over de herkomst van het woord bereavement (rouw) – en hier op haar hand zit een wezen dat leeft met een kracht die fascineert en bevreemdt.

Een van Helens interesses (ze is historica) is de schrijver T.H. White (1906-1964), bekend van The One and Future King. White was een meester in het zich aanpassen. Een mishandeld kind, dat eenmaal volwassen geloofde dat het zichzelf moest onderdrukken en miskennen om te worden geaccepteerd. 

Ook hij probeerde een goshavik te temmen, en ook voor hem was dat een vorm van vlucht. Als verhaallijn zou ik dit deel van het boek snel overbodig vinden, maar in Macdonalds handen is elk woord van levensbelang.

Rouw lost niet op, het is een gewicht dat af blijft nemen zonder ooit te verdwijnen.

Hoe Macdonald de lijnen verweeft, haar taal en beelden. Die geweldige dosering, en toch: dit boek lijkt in één adem geschreven. Alsof je bij haar in de kamer zit, met haar gedachten om je heen.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Eline Helmer
Ilya
2019-08-14 08:00:58

illustratie Anna Borisova
illustratie Anna Borisova

‘Hoi!’ hoor ik plotseling achter me. Ik kijk om.

De jongen is bruinverbrand, hij is vast veel op straat. Zijn bovenlip is kapot, er zit bloed rond zijn voortanden. Hij draagt een vale broek en heeft vuile handen. Zijn jas lijkt nieuw. Hij maakt een aangeschoten indruk, maar loopt met zekere stappen rechtdoor.

‘Vind je het erg als ik een stukje met je oploop? Je hebt een leuke uitstraling dus ehm…’ Hij haalt een telefoon uit zijn zak, in zijn andere hand een fles rode drank. ‘Dus ik dacht, misschien kunnen we iets afspreken? Elkaar soms zien? Mag ik misschien je nummer?’

Ik antwoord dat ik een telefoon had, maar dat mijn vriend die gisteren is kwijtgeraakt. Gek genoeg is geen woord gelogen. Het gezicht van de jongen betrekt.

‘Juist, een vriend, ik snap het,’ denkt hij hardop. Zwijgend lopen we naast elkaar door de zon. ‘Heb je misschien vrijgezelle vriendinnen?’

Ik glimlach. ‘Ben je op zoek naar een vriendin?’

‘Nou, eigenlijk wel ja. Ik ben nu 23. Ik ben hier een paar jaar terug komen wonen, ik kom uit een dorpje in de oblast Novgorod, ken je dat? Het enige waar meisjes daar om geven is geld. Als je maar geld hebt en een auto, dan lukt het wel. En weetje, ik had daar zelfs een auto. Maar ik wil niet zomaar een meisje, ik zoek een zielsverwant. Met wie het echt klikt, snap je? Als ze er leuk uitziet is dat natuurlijk mooi meegenomen, maar voor mij is dat echt niet het belangrijkste.’

‘Zeg, hoe heet je eigenlijk?’ vraag ik.

‘Ilya. Wat lief dat ik zo met je mag meelopen, je besteedt zoveel tijd aan mij, heb je geen haast? Moet je niet snel ergens naartoe?’

‘Ik ben op weg naar de bushalte.’

Ondertussen eet ik een broodje waar het servetje aan is blijven kleven.

‘Ilya, denk je dat ik dit gewoon zo kan eten? Met servetje en al?’ vraag ik.

Ilya stopt en werpt een kundige blik op mijn broodje. Pas 23, echt jong. Hij heeft een lief gezicht.

‘Ach, alles wordt gewoon verteerd in je buik denk ik.’

Ik volg zijn advies en neem een hap van het broodje met rozijnen en papier en al. Ilya glimlacht, ik zie nu dat een stukje ijzer zijn voortanden op hun plek houdt.

‘Wat is er met je tanden gebeurd?’

Gefluit achter ons. Ilya kijkt om, antwoordt dan: ‘Ik vecht soms.’

‘Doe je aan een vechtsport?’ vraag ik, tegen beter weten in.

‘Nou… ik vecht voor geld, ’s nachts. Met andere jongens. Toen is dat gebeurd.’

Daar was ik al bang voor.

‘Heb je dat gevecht, toen dat met je tanden gebeurde, gewonnen?’ vraag ik.

‘Ja, dat wel, maar ik kreeg wel dit dus, en dit been is ook een beetje…’ hij wrijft over zijn rechterbeen, ‘nou ja, lichtelijk in elkaar geslagen. Ik heb wel veel geld verdiend toen.’

‘Misschien moet je ook een ander baantje zoeken, voor als je over tien jaar geen zin meer hebt om ’s nachts te vechten.’

‘Ja, dat dacht ik dus ook. Ik doe nu ook auto straatracen.’

‘Ook ’s nachts?’

‘Ja.’

Weer gefluit achter ons. Ilya kijkt om.

‘Ik moet gaan,’ zegt hij. Hij steekt zijn hand uit. Mijn rechterhand is nog plakkerig van het broodje, dus ik geef hem mijn linker. Hij drukt er een kus op met zijn gespleten lip, draait zich om en rent terug, in de richting van het gefluit.

 

Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en portretteert voor Tirade mensen die ze ontmoet.

Menno Hartman
Georgisch eten
2019-08-08 12:14:20

Barbara Jorjadze
Barbara Jorjadze

Op onze eerste avond in Tbilisi liepen we precies zo’n traject door de stad dat je kon denken dat het een vervallen en vergeten plek op de wereld was. De cicaden schuurden wellustig met hun onderlijven in de bomen en de warmte drukte de stad in duisternis terneer. Een op de drie huizen was verlaten, een gemiddelde dat wel door de rest van het land geëvenaard werd, maar bepaald niet in de rest van de stad merkten we later. Op zeker moment zette J. zijn telefoon aan en zocht een restaurant in de buurt. Een meter of 400 daarvandaan stond iets. Toen we er aangekomen waren zagen we muur en deur. Erachter een hele grote binnentuin met lichtjes en bomen en tafels en murmelende restaurantgasten. Het was tot onze verbazing tjokvol, we mochten op een tafeltje dat eigenlijk voor het personeel was. Toen we daar zaten aan een ijskoude witte wijn en onze eerste Georgische hapjes opgediend kregen agendeerde J. een manifest CO2 probleem: ‘Dit gaan we ons nooit laten afnemen hè, dat je in 3,5 uur vliegen in zo’n wereld kunt zijn.’

Ik hoop nooit een culinaire reiziger te worden, maar een week voor onze reis las ik in de New Yorker een fascinerend stuk over Barbare Jorjadze (ბარბარე ერისთავი-ჯორჯაძე), een Georgische prinses die in 1874 Georgian Cuisine and Tried Housekeeping Notes (maar dan in het Georgisch) deed verschijnen. In het artikel wordt duidelijk dat een restauranthouder op een rommelmarkt een exemplaar vond en haar recepten weer en vogue maakte. Zijn restaurant kreeg er een enorme boost door. Het artikel was geweldig geschreven – culinaire antropologie en geschiedenis –  en omdat we toch gingen zouden we zeker dat restaurant bezoeken. Georgië kent een lange roerige geschiedenis. Het land is bergrijk, aan de noordzijde begrensd door de Grote Kaukasus met toppen in de 5.000, aan de zuidkant de Kleine Kaukasus, midden door  een smalle veelal vlakke strook waar alles met gemak en overgave groeit en bloeit. Wijnbouw begon hier 8.000 jaar terug en die ervaring proef je. De communistische periode lijkt nu oppervlakkig het land niet blijvend terneergedrukt te hebben. Je ziet in de architectuur er deprimerende resten van, maar de burgerlijke architectuur van tussen de 1850 en 1917 is ook volop aanwezig. Het klimaat en de natuur – en het feit dat Stalin een Georgiër was maakte de Sovjetrepubliek misschien ook net als de Krim een geliefde vakantieplek.

Toen we een week na de toevallige ontdekking van een uitstekend restaurant in Het restaurant zaten merkten we nauwkeurig wat aandacht – in weerwil van wat IKEA beweert – doet. Het maakt alles net even minder mooi. De knipmessende obers in het te nadrukkelijk vormgegeven restaurant waren zich overbewust van de status van hun plek, waar zeker sinds het New Yorker artikel allemaal prachtige mensen met veel geld kwamen dineren. Geen kwaad woord over de keuken, want die was geweldig, maar wij hadden bij oude vrouwtjes in de Kaukasus onder een aan de muur gespannen berenvel minstens net zo lekker gegeten terwijl de huishond ons toegaapte en een kleinkind zachtjes hummend  over het terras drentelde. Zonder toestanden maar met liefde voor goed koken..

Mijn god wat kun je daar lekker eten en drinken. En wat een schitterend land. Ga er vooral niet heen.

 

——-

 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier iets over Stalin.

 

Gilles van der Loo
Mannenweekend
2019-08-07 09:23:44

IMG_1869

Nadim en ik zijn in Zeeuws-Vlaanderen. De laatste dagen van de zomervakantie zijn we mannen onder elkaar in het huisje van B’s tante.

B en Ada waren hier ook, maar vertrokken zondagmiddag naar Amsterdam. We zwaaiden ze uit bij de pont naar Vlissingen, vanwaar ze per trein zouden doorreizen naar huis.

Het zwaaien duurde kort, daarna zaten we getwee in de auto, met drie als je Otis de Hond meetelt.

‘Zo,’ zei ik, en klopte op een van Nadims knieën, die erg bruin geworden zijn en vol blonde haartjes blijken te zitten. ‘Het mannenweekend is geopend.’

Op mannenweekend is er meer snoep en chips dan normaal, er worden meer scheten gelaten en niemand hoeft naar bed voor hij daar zin in heeft.

Ik geloof dat ik me nog meer op mannenweekend verheugde dan mijn zoon, maar dat had weinig met chips te maken.

Voordat Nadim vier werd en naar school moest, gingen we vaak met zijn tweeën. De rit naar Zuidzande is lang genoeg: de Amsterdamse wereld bestaat nog wel, maar echt raken kan hij je niet meer. Zonlicht heeft hier een veel grotere invloed dan in de stad. Al na een paar dagen ga je rond een uur of tien naar bed, om tegen zevenen volledig uitgerust op te staan.

We lopen langs het strand, spelen met Lego in de tuin en werken wat aan onze boeken. Otis de hond ving een haas, die nu onderin de koelkast ligt.

Mijn jongen wordt te oud om lang aan mijn hand te lopen. Alsof hij voelt dat ik dat jammer vind, komt hij me regelmatig knuffelen, waarin ook iets lijkt te veranderen. Onze lichamen registreren dat hij ouder wordt, dat er een moment komt waarop we allebei écht mannen zijn en een knuffel aan een bepaalde lengte gebonden is.

Gisterenavond koos Nadim ervoor om vroeg naar bed te gaan. Ik keek in mijn eentje naar de zonsondergang en werkte aan dit blog, zoals ik vaak op deze plek gedaan heb. Laatst schreef Sarah Sluimer dat alle afscheid met veel herrie en gebrul moet gaan. “Niet dat gedweep met vervlogen tijden, nee.”

Een prachtige column, maar ik ben er de man niet naar.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.