Chimay Bleue

De ober kwam mij een tweede flesje Chimay bleue brengen. Ik zat aan een tafeltje in de lounge van Hotel Metropole een beetje uit te blazen van alle culturele manifestaties en feestelijke bijeenkomsten die de afgelopen twee dagen hadden plaatsgevonden rondom de uitreiking van de Prix Europalia 1980. Vroeg in de avond, nadat ik samen met de andere acht juryleden was voorgesteld aan het koninklijk paar, waren de twee prijswinnaars gelauwerd: de beste Franstalige en de beste Nederlandstalige auteur van na de tweede wereldoorlog. De ceremonie was afgesloten met een galaconcert. Ik had de cocktail die daarop volgde weten te vermijden en was in een taxi terug naar mijn hotel in het centrum van Brussel gereden.

Gedurende de dagen voorafgaand aan de verkiezing waren wij juryleden – als vertegenwoordigers van de negen EEG-landen – gefêteerd. Men had ons op sleeptouw genomen van de ene imposante uiting van Belgische kunst en cultuur naar de andere: een rondleiding op de grote Brueghel-tentoonstelling, toneelstukken van gerenommeerde Belgische auteurs, het galaconcert. Van alle attracties die er voor ons op de agenda stonden had ik niets gemist. Ik had het nu eenmaal op mij genomen Nederland correct te vertegenwoordigen. En ik vermoedde dat ik niet snel nogmaals een met zo’n Bourgondische zwier georganiseerde manifestatie zou meemaken.

Nu het officiële gedeelte voorbij was en ik alles nog eens de revue liet passeren, haalde ik opgelucht adem: ik vond dat ik het er niet slecht had afgebracht. En ik begon juist in hoger sferen te geraken, toen ik door de draaideur in de hal het Franse jurylid Georges Perec zag binnenkomen.

Ik kende twee romans van hem: La Disparition en La vie mode d´emploi. Zijn manier van schrijven was opvallend, want bij elk van zijn boeken legde hij zich een systematische vormbeperking, een zogeheten ‘contrainte’, op. Zo was in La Disparition van begin tot eind de letter e weggelaten. De titel van de roman verwees naar de officiële ‘acte de disparition’ waarin hem na de oorlog de verdwijning was gemeld van zijn moeder, die in 1943, op zijn zevende, naar Auschwitz was gedeporteerd. Het systematisch wegvallen van de letter e stond voor de uitroeiing van een groot deel van het volk waaruit hij voortkwam. Intussen was, ondanks de ontbrekende e, de meest voorkomende letter in het Frans, het verhaal zelf goed te volgen geweest.

Die middag had ik zijn verbale vaardigheid bewonderd, nadat de juryleden Suzanne Lilar als de grootste Franstalige Belgische auteur van dat moment hadden gekozen. Meteen na deze unanieme uitspraak had Perec in minder dan een kwartier het juryrapport aan de secretaris gedicteerd. In zijn eentje formulerend, rustig, zonder haperen, slechts nu en dan zijn gedachte bijstellend als het Luxemburgse jurylid hem erop attendeerde dat er een kleine toevoeging gemaakt zou kunnen worden.

Onze ogen ontmoetten elkaar en hij groette. Waarschijnlijk omdat hij mij alleen zag zitten, liep hij recht op me af en vroeg of ik er bezwaar tegen had als hij aan mijn tafeltje kwam zitten.

‘Pas du tout,’ reageerde ik met een uitnodigend gebaar, en hij nam tegenover mij plaats.

Als ik zeg dat hij recht op mij afliep is dat misschien niet helemaal juist, want zijn tred kwam mij enigszins wankel voor. Maar als dat al zo was, dan toch maar heel lichtjes. Bovendien zou ik mij best kunnen vergissen vanwege mijn tweede trappist, want als ik moe ben, kan meer dan één glas van dat vocht invloed hebben op mijn waarneming.

Ik had in de twee voorafgaande dagen slechts kortstondig contact met hem gehad, eigenlijk nauwelijks meer dan oogcontact. Maar voor mij was dit het meest intense moment van de hele manifestatie geweest, een moment dat dwars door alle formaliteiten heen brak. Dat was op de eerste dag, vrijwel aan het eind van de lunch, toen de verklaring kwam waarom ik was uitgenodigd als jurylid in wat zo’n illuster gezelschap bleek te zijn. De openingslunch had ten doel de juryleden aan elkaar voor te stellen. Aan het hoofd van de tafel troonde de directeur van het door de Belgische overheid gefinancierde ‘Promotion des Lettres’. Dit was een enigszins gezet heerschap van achterin de dertig, dat een beetje uit de hoogte korte, voor iedereen goed verstaanbare gesprekken voerde met de juryleden. Tot mijn verbazing bediende hij zich daarbij van de pluralis majestatis. Ten slotte richtte hij het woord tot mij en vroeg luid of het klopte dat ik Arthur Rimbaud in het Nederlands had vertaald. Daarna wilde hij weten welke vertalingen dat waren.

Illuminations et Une saison en enfer.’

‘Juist, daarom hebben wij u uitgenodigd om in de jury plaats te nemen.’ Hij persoonlijk was een groot bewonderaar van Rimbaud, hij had zelfs zijn proefschrift aan hem gewijd. En hij besloot:

‘Wij hebben ons laten vertellen dat uw vertaling er mag zijn; en dat nog wel van zo´n gecompliceerd poëet! Om zijn prozagedichten te vertalen moet men wel een grote kennis van het Frans hebben!’

Ik deed er het zwijgen toe en trok bij wijze van antwoord mijn wenkbrauwen lichtjes op. Perec, die schuin tegenover mij zat, brak breeduit glimlachend door de impasse heen en redde de situatie met de veronderstelling:

‘Of je moet net zo gek zijn als Rimbaud!’

‘Wie weet,’ grijnsde ik, en ik zag zijn ogen oplichten. De blik die hij toen op me wierp is me bijgebleven als een blik van verstandhouding, alsof wij betrokken waren in een ironisch verzet tegen snorkende conventies.

Mijn hart sprong op toen hij zo onverwacht naar mijn tafeltje liep. In La Disparition staat een pastiche van Rimbauds gedicht ‘Voyelles’, maar dan zonder de e. ‘Vocalisations’ heet dat gedicht bij hem. Ik wilde graag van hem horen wat hij nu precies dacht over Rimbaud – de man die met zijn dichten het leven had willen veranderen.

Maar nu hij in de lounge tegenover mij zat, zag hij er afgemat en terneergeslagen uit. Er lag iets onmiskenbaar treurigs over hem, niets meer van dat bijna snaakse van de vorige dag toen hij Rimbaud voor gek had verklaard en met dat ene zinnetje zowel de directeur van de ‘Promotion des lettres’ als mij, de Rimbaud-vertaler, op de hak had genomen. Zijn blik leek nu veel donkerder dan tijdens de kennismakingsceremonie, meer in zichzelf gekeerd.

`Chimay bleue,´ zei hij peinzend, terwijl hij het flesje dat naast mijn glas stond in zijn hand nam. Kennelijk overwoog hij of hij hetzelfde zou bestellen. Maar toen bedacht hij hardop dat het bier een nogal hoog gehalte aan alcohol had en dat het misschien verstandiger zou zijn als hij zich hield bij wat hij al de hele avond had gedronken. Hij wenkte de ober en bestelde een Hollandse jenever.

Hij was meteen na de prijsuitreiking vertrokken en had de rest van de avond doorgebracht met vrienden die in Brussel woonden. Dat was zwaar geweest, want hij had afscheid moeten nemen. Hij had nog maar kort geleden gehoord dat hij ongeneeslijk ziek was en niet lang meer te leven had. Dat had hij zijn Brusselse vrienden moeten vertellen. Hij had overwogen af te zeggen als jurylid. Maar dat hadden zijn vrienden in Parijs hem afgeraden. Dus was hij toch maar gekomen, al wist niemand van zijn gastheren hoe hij eraan toe was: dat had hij hun niet willen vertellen.

Meteen na deze ontboezeming verontschuldigde hij zich dat hij mij lastig viel met zijn persoonlijke problemen. Om hem gerust te stellen zei ik dat hij zich niet moest excuseren: het greep mij weliswaar aan wat hij vertelde, maar ik vond het een eer dat hij mij in vertrouwen nam van iets dat zwaar te dragen moest zijn. En in een opwelling, om hem te laten weten dat ik met hem meevoelde, drukte ik even met mijn vingers op de rug van zijn hand, die hij voorbij zijn glas op het tafeltje hield.

Hij dronk zijn jenever met kleine teugjes. Toen zijn glas leeg was, zei hij dat hij een moment zijn ogen dicht moest doen, dat hij zich moe voelde, zo moe. Ik wist niets anders op te merken dan: ‘Je vous en prie,’ en hield mij stil, terwijl hij zijn armen over elkaar op de tafel legde en zijn hoofd erop liet rusten.

Ik begreep dat met hem praten over Rimbaud of over het schrijven met een zelfgekozen beperking van de baan was. Ik had hem hierover willen polsen omdat ik niet zo lang geleden in een interview met hem had gelezen dat hij zich vooralsnog geen poëzie zag schrijven zonder zich de een of andere contrainte op te leggen. Dat zelfs de meest klemmende vormbeperking hem minder schrik aanjoeg dan de gedachte een gedicht zonder contrainte te moeten schrijven. Waarom bang zijn voor een meer directe wijze van uitdrukken, had ik hem willen vragen.

Een poosje keek ik naar de slapende man. Het speet mij dat ik niet met hem van gedachten kon wisselen over het schrijven, maar ik had vooral met hem te doen dat hij al zo vroeg afscheid moest nemen van dit leven. Mijn wake over Perec duurde niet lang, want na een minuut of vijf kwam de ober naar ons tafeltje en zei bestraffend:

‘Dit is geen gezicht. U zit hier in een hotel van standing. Kunt u mijnheer niet wakker maken?’

‘Ik denk er niet aan hem te storen in zijn slaap. Mijnheer heeft een zware dag gehad.’

Nu begon de kelner het Franse jurylid aan zijn schouder te trekken en heen en weer te schudden, eerst zachtjes, maar toen er geen reactie kwam, werden zijn bewegingen steeds geagiteerder. Uiteindelijk trok hij Perec nogal onbehouwen omhoog en duwde zijn bovenlichaam terug tegen de leuning van zijn stoel.

‘Zo kunt u hier niet blijven zitten, mijnheer. U geeft aanstoot aan de andere gasten.’

‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Perec, die zijn ogen opsloeg en mij ontheemd aankeek.

‘U kunt hier niet zitten slapen, mijnheer, dat geeft geen pas,’ zei de ander weer.

Verontwaardigd dat de ober hem zo kleineerde en de les las, zei ik zo luid mogelijk, dat iedereen het kon verstaan:

‘Ach, deze kelner is nogal klein van geest. Hij weet niet dat het soms van meer manieren getuigt dat je mensen met rust laat dan bang te zijn voor wat de buitenwereld ervan denkt.’

Nu Perec weer rechtop zat, trok de ober zich terug. Ik zag dat hij doodop was en inderdaad maar één ding nodig had: zijn bed.

`Wat een onaangename atmosfeer hier,’ zei ik. En stelde voor op te breken. Dat leek hem een goed idee. Maar toen hij overeind kwam, zag ik dat hij stond te tollen op zijn benen. Omdat ik bang was dat hij zou vallen, greep ik hem bij de arm.

‘Nee,’ zei hij, ‘u mag mij hier niet vasthouden. Ik moet deze ruimte op eigen kracht verlaten.’

Ik liet hem los. Zich vermannend liep hij de lounge uit. Maar toen de klapdeuren achter ons dichtsloegen en wij alleen waren in de gang met de rijk gestoffeerde trap naar de verschillende verdiepingen, leek het wel of de krachtsinspanning hem te veel was geweest: ik zag dat hij opnieuw moeite had zich staande te houden.

Ik nam hem nogmaals bij de arm en vroeg of hij het goed vond dat ik met hem meeliep naar zijn kamer.

‘Graag,’ zei hij nu. En terwijl hij op mijn arm leunde, vergezelde ik hem naar zijn kamer op de eerste verdieping.

Daar aangekomen viste hij de sleutel uit zijn colbert, deed de deur van het slot, en zei:

‘Dank u, de rest gaat wel alleen.’ Met een ‘bonne nuit’ kuste hij mij op beide wangen en verdween.

De volgende dag aan de koffietafel gaf hij mij zijn adres in Parijs en zei dat ik hem maar moest bellen als ik in de hoofdstad kwam, dan konden wij een afspraak maken.

Toen ik een paar maanden later in Parijs probeerde hem te bereiken werd de telefoon niet opgenomen.

Ook al ligt de kennismaking met Perec ver achter mij en heeft hij inmiddels in Frankrijk met de opname van zijn werk in de Pléiadereeks een bijna mythische status bereikt, toch komt nu en dan, als een levende herinnering, die lichtende blik in mij terug waarmee hij destijds tegen mij zei: ‘Om Rimbaud te vertalen moet je misschien wel net zo gek zijn als hij.’

Begin maart 1982 las ik in de krant dat hij was overleden. Vreemd, hoewel wij elkaar maar kort hadden gesproken, stemde dit bericht mij treurig alsof het een oude bekende was. En misschien was dat ook wel zo, althans in die zin dat onze ontmoeting er een was die raakte aan iets wezenlijks en vertrouwds. Voor deze veronderstelling pleit een publicatie van Perec uit 1981, niet zo lang nadat wij elkaar in de lounge van het hotel hadden getroffen. Dat najaar verscheen een wat langer gedicht van zijn hand, in een beperkte oplage. Het is zonder contrainte in vrije verzen geschreven en heet ‘L´Éternité’, naar het beroemde gedicht van Rimbaud.

Deze verwijzing naar Rimbaud kwam op mij over als de afronding van het gesprek dat wij een jaar eerder in Brussel waren begonnen. Zó liet hij mij alsnog weten dat de man die met zijn dichten het leven wilde veranderen hem méér aansprak dan hij bij onze kennismaking suggereerde.

Hans van Pinxteren

Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

In de Oorshop
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder
  • Nr. 450, 2013
    Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden. Met bijdragen van: Joop Goudsblom P.F. Thomése Franca Treur A.H.J. Dautzenberg Gilles van der Loo Tomas Lieske Marita Mathijsen Frits Abrahams Detlev van Heest Henk Broekhuis Binnert de Beaufort Roos van Rijswijk Walter van den Berg Maria Barnas Marko...
    Lees verder
  • Nr. 449, 2013
    Met bijdragen van: Heather BellWalter van den BergWim BrandsNikki DekkerMatthew DickmanAuke HulstFlorian Illichmann-RajchlSander KollaardHalbo KoolDelphine LecompteEva MeijerAki OllikainenZośka PapużankaCarel PeetersStine PilgaardLiz RosenbergBrenda ShaughnessyRichard SikenLize SpitLeo VromanJoost Zwagerman
  • Nr. 448, 2013
    Met bijdragen van: Renate DorresteinRobert VerschurenHannah van BinsbergenA.H.J. DautzenbergPeter SwanbornMarte KaanFlannery O’ConnerAnneke ClausRenske van EnckevortIsaak BabelWouter van OorschotY.M. DangreCarel Peeters
  • Nr. 446, 2012
    Geen slechtere adressant voor de schrijversbrief dan de ambtenaar, de huisbaas of de proleterige bovenbuurman. Alle stilistische artillerie wordt in stelling gebracht, maar de geadresseerde is zelden bij machte om dat te kunnen waarderen. En dus vroegen wij schrijvers: bevindt zich in uw la nog een brief die wij aan de vergetelheid kunnen ontrukken?In dit...
    Lees verder
een van de boeken die er niet kwamen...

Bis, bis!

Maarten Biesheuvel belde in tijden van grote opgewektheid regelmatig op om bijvoorbeeld te vragen naar hoeveel exemplaren er van het Verzameld Werk verkocht waren. Omdat de schitterende cassette kort na zijn P.C. Hooftprijs was gemaakt –  en met een bijdrage uit die prijs – was de oplage behoorlijk groot en hoewel we er heel redelijk van verkochten, kon ik hem helaas nooit vertellen dat het uitverkocht was. ‘Oh nou jammer, toch bedankt hoor!’ was standaard de repliek. Als we een herdruk hadden moeten maken was dat iets geweest wat enigen van ons hier ook wel slapeloze nachten had bezorgd. Maartens omgang met de taal was eigenzinnig, hoe een boek eruit moest zien was aan zeer speciale eisen onderhevig: een boek moest gebonden zijn, echt gebonden, anders viel het al snel uit elkaar. Alinea’s mochten niet, sommige woorden scheef hij aaneen en waag het niet er een spatie in te voegen. Biesheuvel was zo ook de auteur van een oeuvre van boeken die er niet kwamen. Van geen auteur hebben we meer afgewezen omslagen in de archieven liggen, het was soms onmogelijk om met hem te werken, zo onmogelijk als het moet zijn geweest om Biesheuvel te zijn: heen en weer geslingerd tussen droom en angst, verg je van jezelf en de ander oneindig veel.

Het feestje ter gelegenheid van de grote blauwe cassette was in 2008 de eerste presentatie die ik bij Van Oorschot meemaakte. Eva en Maarten werden gebracht vanuit Leiden en gingen eerst even op de uitgeverij bijkomen van de reis. Ergens tussen bravoure en vertwijfeling verkeerde Maarten bij zulke gelegenheden, steun zoekend bij zijn Eva, die zeer vaardig de sociale aspecten van het samenzijn waarnam. Er volgden nog aardig wat van dergelijke bijeenkomsten – die misschien speciaal Eva ook heel leuk vond – bij prijsuitreikingen, bij de voorbereidingen van televisie-avonden en gewoon bij hen thuis.

Na een paar mislukte pogingen om tot een mooie nieuwe bloemlezing te komen lukte dit in 2015 toch: Merijn de Boer en ik reisden af naar Leiden om Maarten 100 exemplaren te laten signeren, er was op zijn verzoek een speciale editie gemaakt, net wat mooier en duurder, en dan wilde hij zeker wel signeren.  Eerst moest je dan een half uurtje wachten voordat Maarten naar beneden kwam. En we hebben zelf zo’n beetje de boeken in de richting van zijn handtekening moeten bewegen, wat een opgave was, maar een bij vlagen hilarische. De man wist ook wanneer hij publiek had.

 Na Eva’s dood werd dat wachten wat langer: in februari stond ik een anderhalf uur naar de duiven in de tuin van Sunny Home te kijken voor het lukte. Maar dan kon je wel goed over Karel van het Reve praten, over Nabokov en over Joseph Conrad, van wie we ooit een prachtige vertaling van Mirror of the Sea hadden uitgegeven en bij welke gelegenheid ik Maarten om een voorwoord vroeg: ‘Bij Conrad moet geen voorwoord, daar is ‘ie veel te goed voor.’

Zo’n weigering werd wel goedgemaakt met een goede sigaar en een glas whisky. En een nieuwe suggestie: ‘Geef Lentebeken van Toergenjev anders eens opnieuw uit! Ken je dat? Dat is verschrikkelijk mooi.’ Ik las alles wat Maarten aanraadde, misschien om erachter te komen hoe dat hoofd werkte. Het was prachtig, en intens droevig, zoals ook veel van zijn eigen werk. Dat hoofd was als die blauwe cassette; een intens en geweldig universum, humoristisch en absurd, maar hij zat erin opgesloten, zonder uitgang, bedrukkend mooi.  

Voor zijn advertentie kozen we een citaat van Conrad:

‘Perhaps life is just that, a dream and a fear…’

In zijn ‘Brief aan vader‘ maakt Maarten zich er druk om dat hem dat niet geleerd is: te leven: ‘…de dood is een groot recht vader, maar er zijn ook plichten: Help je zoon door het leven! Sta hem bij! Ik moet u eren vader en nu heb ik in zekere zin gezegd dat u een luilak bent. Dood gaan kunnen we allemaal, maar waarom maakt u niet af waar u aan begonnen bent? Doe uw mond toch eens open en vertel mij hoe ik zin aan mijn leven moet geven. Nou, u antwoordt niet.’

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

De buurman

Mijn buurman, meneer Braaksma, woont op de begane grond. Het is een jolige oude baas met een geruite pet op, die voorover gebukt achter zijn rollator naar voren schuifelt. Op warme dagen gebruikt hij het ding als een stoel en overziet hij de buurt. Alles aan hem is rond; zijn bolle lijf, zijn hoofd in de vorm van een ham. ‘Weet je wat dit is?’ vraagt hij me kloppend op zijn bast. ‘Levenslust!’ En dan schatert hij homerisch om zijn eigen grap.

Regelmatig maak ik een praatje met hem als ik terugkom met een volle boodschappentas.

‘Zo…terug van de rooftocht?’ zegt hij dan met een aanstekelijke Jordanese tongval. ‘Ze zijn weer es bij me langs geweest. Figuren van de woningbouwvereniging. Willen weten of ik niet eens aan de cv-ketel wil? “Nou”, zeg ik, “jullie mogen dat onding best installeren…as ik in me graf leg! Ik heb me kacheltje en ben daar dik tevreden mee. Dank je feestelijk”. Ik ben over de tachtig! Wat moet ik nog met zoiets onbenulligs?’   

Als ik dan inbreng dat het gebruik van kachels misschien wettelijk niet meer mag, en dat ze hem daarom zo lastigvallen, zegt hij droog: ‘In míjn huis maak ík dat uit.’ En dan slaakt hij een diepe, welgemeende zucht.

Mijn meest bizarre herinnering is de volgende: ik loop langs hem en hij begroet me met een ondeugende grijns. ‘Zes es, jongen,’ vraagt hij met zijn handen leunend op zijn wandelstok, ‘is jouw generatie gelukkig?’

‘Ja,’ zeg ik kortaf zonder een idee te hebben waar dit heengaat.

Hij lacht nu zodanig hard dat zijn rollator piept en kraakt onder zijn schuddende lijf, smekend om zuurstof. ‘Nou,’ hikt hij, ‘volgens mij niet,’ waarop hij wijst naar de boom tegenover ons pand waar in de bovenste takken twee behaatjes zitten.

Ik geef het eerlijk toe, want ontkennen heeft geen zin. ‘Gisteravond werd ik dronken met een vriendinnetje en toen hebben we in kennelijke staat…’ We kijken samen geamuseerd naar de kledingstukken die vastzitten aan de klauwen van hout.  

‘De buurvrouw spreekt er schande van,’ zegt Braaksma, ‘maar ik vind het geweldig. Jij bent net as ik; houdt ook van een beetje ontregeling. Kom es hier.’ Samenzweerderig breng ik mijn gezicht dichterbij die van hem. ‘Dat bordje voor mijn raam met die hond erop en de tekst ‘IK BIJT NIET, IK AMPUTEER’…da’s één grote flauwekul. Ik heb helemaal geen hond. De blafgeluiden die je hoort, komen van een bandje.’ Hij lift zijn imposante fysiek van de rollator, die een kreet van opluchting slaakt. ‘Mevrouw van hiernaast meent dat mijn hond haar narcissen ongevraagd van water voorziet.’

Hij waggelt het bloemenperk met de zojuist besproken narcissen tegemoet en keert zijn rug naar me toe. Een rits wordt naar beneden getrokken en zijn broek zakt gedeeltelijk naar beneden. Mijn keurige opvoeding dwingt me weg te kijken, maar mijn perversie kan het niet laten. Een verschrompeld en gerimpeld brandblussertje komt tevoorschijn en een dun straaltje uiterst donkere urine klettert neer op de bloempjes. De blaadjes buigen onderdanig naar voren als ze eenmaal geraakt zijn. Nadat hij zijn lading heeft gelost, bergt Braaksma zijn in onbruik geraakte gereedschap netjes op, de waarschuwingswoorden ‘WIJ ZIJN GEEN HONDENTOILET’ negerend.

Drie dagen na zijn overlijden vind ik het hondenbord bij de vuilnisbakken. Ik heb het meegenomen naar huis als aandenken aan deze tijdloze rebel.

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Meer blogs

  • Bis, bis!

    Maarten Biesheuvel belde in tijden van grote opgewektheid regelmatig op om bijvoorbeeld te vragen naar hoeveel exemplaren er van het Verzameld Werk verkocht waren. Omdat de schitterende cassette kort na zijn P.C. Hooftprijs was gemaakt –  en met een bijdrage uit die prijs – was de oplage behoorlijk groot en hoewel we er heel redelijk...
    Lees verder
  • De buurman

    Mijn buurman, meneer Braaksma, woont op de begane grond. Het is een jolige oude baas met een geruite pet op, die voorover gebukt achter zijn rollator naar voren schuifelt. Op warme dagen gebruikt hij het ding als een stoel en overziet hij de buurt. Alles aan hem is rond; zijn bolle lijf, zijn hoofd in...
    Lees verder
  • Vakantie

    Ik neem een paar weken vakantie. Ergens in augustus kom ik terug bij Tirade.nu! Een warme zomer, Gilles
Tirade bloggers
  • Julien Ignacio

    Julien Ignacio (1969) is schrijver en blogger. Hij is redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen. Bij Van Oorschot verscheen in september zijn debuutroman Kus.

  • Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

  • Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler