Tirade

Arjen van Lith
American Carnage (1)
2019-08-24 09:30:45

Superior Motors

Veruit de meeste mensen houden hun handpalmen, wanneer ze hun armen langs hun lichaam laten hangen, naar binnen toe gekeerd, richting de dijen. Dat is nu eenmaal onze bouw; daar denken we verder niet bij na. Wanneer we uit die ruststand de arm heffen, steken we automatisch onze hand uit, als een natuurlijke uitnodiging aan de ander om die te schudden.

Bij sommige mensen hangen hun handen in ruststand niet met de palmen naar binnen, maar juist naar achteren, een kwartslag gedraaid dus. Als hun armen lang genoeg zouden zijn, zouden ze met hun knokkels over de grond slepen. Wanneer deze mensen hun arm heffen, brengen ze automatisch een primitieve oervorm van de Hitlergroet. Je mag het niet hardop zeggen, maar beschaving heeft dus wel degelijk ook een anatomische component.

Hieraan moest ik denken toen ik even een sigaretje tussen de gangen door rookte op de stoep van restaurant Superior Motors in Braddock, net buiten Pittsburgh, Pennsylvania. Superior Motors is gevestigd in een voormalige autofabriek in het hart van de Amerikaanse staalindustrie, of wat daar nog van over is. Tegenwoordig serveert chef Kevin Sousa hier gerookte tofu met gefermenteerde dinges en zeewier. ‘If this is the taste of American Carnage’, zei ik tegen mijn tafelgenoten, ‘I’m liking it!

We dineerden met de nieuwe lichting faculty van Carnegie Mellon University, waartoe mijn M. sinds kort ook behoort. Tegenover me zat een onmogelijk jong professormeisje met een tatoeage van Euler’s identity* tussen haar schouderbladen. Zodra het gesprek te diep op algoritmes inging, greep ik mijn kans en glipte ik naar buiten.

De eerste knokkelsleper die ik op straat tegenkwam had ook een tatoeage. Op zijn arm stond geen wiskundige vergelijking, maar de cijfers 15104, de postcode van Braddock. ‘You a smoker?’ vroeg hij naar de bekende weg, want precies op dat moment stak ik mijn sigaret op. ‘You a local?’, vroeg ik terug. Ook hij antwoordde niet, maar wees op zijn arm. Zwijgend stonden we elkaars domheid in te schatten toen zijn maat erbij kwam.

Ze waren allebei even blond en even dik of even opgepompt – soms is het verschil tussen bodybuilding en overgewicht moeilijk te zien. De tweede knokkelsleper stond net iets te dicht bij me toen hij vroeg of ik samen met hen een rondje wilde gaan rijden. ‘I got a big ass truck’, vermeldde hij erbij. Ik zei dat ik binnen met een groep zat te eten, maar dat maakte geen indruk.

Yo! We Crips yo!’ bulderde de tweede knokkelsleper plotseling in mijn gezicht. ‘We claim blue, know what I’m sayin’?’ Met zijn worstenvingertjes maakte hij een verwrongen C in de lucht. “It means we fuck up anybody wearing red yo!

Yo’, begon ik mijn antwoord, want het is altijd verstandig om je taalgebruik aan te passen aan je gehoor. ‘I know that reference.’ De Crips en de Bloods, die zich respectievelijk in het blauw en rood kleden, zijn twee concurrerende straatbendes, oorspronkelijk afkomstig uit Los Angeles. In 1982 had Michael Jackson hen tijdelijk bij elkaar gebracht om samen te dansen in de videoclip van Beat it. Op hun hoogtepunt rond het jaar 2000 telden de diverse Crips-afdelingen tienduizenden leden, verspreid over heel Amerika. Dit alles behoort tot mijn algemene ontwikkeling, maar toch besloot ik mijn mond te houden omdat ik niet wist wat ik aan moest met het MAGA-petje van de tweede knokkelsleper.

Net toen de stilte pijnlijk begon te worden, liep mijn M. een paar stappen naar buiten om me te roepen voor het nagerecht. ‘Who the fuck is that?’ vroeg de tweede knokkelsleper. ‘My colleague, loog ik uit veiligheidsoverwegingen, want ‘husband’ kon weleens verkeerd vallen.

Veilig vanachter het raam van Superior Motors, onder het genot van chocoladetaart met perzikmarmelade, zag ik de knokkelslepers elkaar glazig aankijken, zichtbaar verward door die buitenlander die ineens op een drafje was verdwenen. Bijna synchroon maakten ze een wegwerpgebaar, waarna ze hun armen weer lieten zakken in hun natuurlijke ruststand.

_______________________

* eiπ + 1 = 0

Arjen van Lith (1971) is schrijver en journalist. Sinds een week woont hij in Pittsburgh, Pennsylvania, waar hij naast zijn verzetsactiviteiten stug doorwerkt aan zijn sleutelroman.

American Carnage (1)
2019-08-24 07:32:23

Superior Motors

Veruit de meeste mensen houden hun handpalmen, wanneer ze hun armen langs hun lichaam laten hangen, naar binnen toe gekeerd, richting de dijen. Dat is nu eenmaal onze bouw; daar denken we verder niet bij na. Wanneer we uit die ruststand de arm heffen, steken we automatisch onze hand uit, als een natuurlijke uitnodiging aan de ander om die te schudden.

Bij sommige mensen hangen hun handen in ruststand niet met de palmen naar binnen, maar juist naar achteren, een kwartslag gedraaid dus. Als hun armen lang genoeg zouden zijn, zouden ze met hun knokkels over de grond slepen. Wanneer deze mensen hun arm heffen, brengen ze automatisch een primitieve oervorm van de Hitlergroet. Je mag het niet hardop zeggen, maar beschaving heeft dus wel degelijk ook een anatomische component.

Hieraan moest ik denken toen ik even een sigaretje tussen de gangen door rookte op de stoep van restaurant Superior Motors in Braddock, net buiten Pittsburgh, Pennsylvania. Superior Motors is gevestigd in een voormalige autofabriek in het hart van de Amerikaanse staalindustrie, of wat daar nog van over is. Tegenwoordig serveert chef Kevin Sousa hier gerookte tofu met gefermenteerde dinges en zeewier. ‘If this is the taste of American Carnage’, zei ik tegen mijn tafelgenoten, ‘I’m liking it!

We dineerden met de nieuwe lichting faculty van Carnegie Mellon University, waartoe mijn M. sinds kort ook behoort. Tegenover me zat een onmogelijk jong professormeisje met een tatoeage van Euler’s identity* tussen haar schouderbladen. Zodra het gesprek te diep op algoritmes inging, greep ik mijn kans en glipte ik naar buiten.

De eerste knokkelsleper die ik op straat tegenkwam had ook een tatoeage. Op zijn arm stond geen wiskundige vergelijking, maar de cijfers 15104, de postcode van Braddock. ‘You a smoker?’ vroeg hij naar de bekende weg, want precies op dat moment stak ik mijn sigaret op. ‘You a local?’, vroeg ik terug. Ook hij antwoordde niet, maar wees op zijn arm. Zwijgend stonden we elkaars domheid in te schatten toen zijn maat erbij kwam.

Ze waren allebei even blond en even dik of even opgepompt – soms is het verschil tussen bodybuilding en overgewicht moeilijk te zien. De tweede knokkelsleper stond net iets te dicht bij me toen hij vroeg of ik samen met hen een rondje wilde gaan rijden. ‘I got a big ass truck’, vermeldde hij erbij. Ik zei dat ik binnen met een groep zat te eten, maar dat maakte geen indruk.

Yo! We Crips yo!’ bulderde de tweede knokkelsleper plotseling in mijn gezicht. ‘We claim blue, know what I’m sayin’?’ Met zijn worstenvingertjes maakte hij een verwrongen C in de lucht. “It means we fuck up anybody wearing red yo!

Yo’, begon ik mijn antwoord, want het is altijd verstandig om je taalgebruik aan te passen aan je gehoor. ‘I know that reference.’ De Crips en de Bloods, die zich respectievelijk in het blauw en rood kleden, zijn twee concurrerende straatbendes, oorspronkelijk afkomstig uit Los Angeles. In 1982 had Michael Jackson hen tijdelijk bij elkaar gebracht om samen te dansen in de videoclip van Beat it. Op hun hoogtepunt rond het jaar 2000 telden de diverse Crips-afdelingen tienduizenden leden, verspreid over heel Amerika. Dit alles behoort tot mijn algemene ontwikkeling, maar toch besloot ik mijn mond te houden omdat ik niet wist wat ik aan moest met het MAGA-petje van de tweede knokkelsleper.

Net toen de stilte pijnlijk begon te worden, liep mijn M. een paar stappen naar buiten om me te roepen voor het nagerecht. ‘Who the fuck is that?’ vroeg de tweede knokkelsleper. ‘My colleague, loog ik uit veiligheidsoverwegingen, want ‘husband’ kon weleens verkeerd vallen.

Veilig vanachter het raam van Superior Motors, onder het genot van chocoladetaart met perzikmarmelade, zag ik de knokkelslepers elkaar glazig aankijken, zichtbaar verward door die buitenlander die ineens op een drafje was verdwenen. Bijna synchroon maakten ze een wegwerpgebaar, waarna ze hun armen weer lieten zakken in hun natuurlijke ruststand.

_______________________

* eiπ + 1 = 0

Arjen van Lith (1971) is schrijver en journalist. Sinds een week woont hij in Pittsburgh, Pennsylvania, waar hij naast zijn verzetsactiviteiten stug doorwerkt aan zijn sleutelroman.

Eline Helmer
Een ZAGSje doen
2019-08-22 08:00:16

illustratie Nikita Klimov
illustratie Nikita Klimov

In de taxi praat ik met de Turkmeense chauffeur over het onderwerp dat ons beide bezig houdt: visa shit. Hij heeft namelijk wat handige tips voor me.

‘Ik ben in eerste instantie met een studievisum gekomen. Toen dat afliep deed ik een ZAGSje met een Russische vrouw.’

Pardon, een wat? Ik ken de afkorting ZAGS, die verwijst naar het bureau waar huwelijken worden gesloten, maar dat associeer ik nu niet meteen met iets wat je ‘eventjes doet’.

‘Een ZAGSje, een fictief huwelijk, weet je wel. Nu wil ik m’n vrouw uit Turkmenistan over laten komen, maar dat is moeilijker. Jonge meisjes komen het land helemaal niet uit. Onder de dertig is de overheid bang dat ze niet meer terugkomen, en terecht trouwens. Hopelijk komt ze gauw, met een studievisum. Daarna, tja. Misschien doet zij dan ook een ZAGSje, met een Rus. Liever niet natuurlijk, maar dat zien we dan wel weer. Zeg, hoe zit dat met jullie? Waarom moet jij zo vaak een nieuw visum?’

Ik leg onze situatie uit: ik een Nederlander, mijn vriend een Rus slash Wit-Rus. Ongetrouwd, dus ik moet steeds een nieuw visum ophalen in Nederland, het is allemaal erg duur en…

De chauffeur onderbreekt me.

‘Hij is een Rus?!’

Verbaasd kijkt hij in het achteruitkijkspiegeltje.

‘Luister, je doet toch gewoon even een ZAGSje? Sorry dat ik het zeg hoor, maar wat is in godsnaam jullie probleem?’

Gilles van der Loo
Vrijer beroeper
2019-08-21 09:25:04

IMG_2002Het voordeel van een vrij beroep is dat je zelf je rooster maakt. Dat betekent onder andere dat ik kan besluiten om een ochtend te niksen, met Otis de hond in de zon te zitten zolang als me dat nodig lijkt. Ik had zoiets nog nooit gedaan.

De strengste baas die ik ooit had: ik plan mijn dagen tot de nok toe vol, en als er echt geen werk meer te doen is, ligt er altijd nog een klus in huis, een telefoontje met een vriend die ik nodig weer moet spreken, of een plan om uit te werken dan wel voor te leggen.

Wat er precies veranderd is weet ik niet, maar de laatste dagen geef ik mezelf soms vrij. Vanochtend las ik de krant met een espresso. Ik aaide Otis de hond, las een hoofdstuk uit een boek, las een stukje van mijn eigen laatste boek. Oot begon te piepen en ik besefte dat hij uit moest. Met de riem over mijn schouder wandelde ik hem naar de rivier.

Een stad, zegt Issa in Het jasje van Luis Martín, moet een rivier hebben. Dat klinkt mooi en romantisch, maar bijna alle steden hebben een kanaal of rivier.

De zon wentelde zich in de golfjes van het IJ en lichtte de gebouwen ook van onder uit, hun ramen als de lampen in een lichtmast. Ik ging zitten op de brede kaderand en probeerde van mijn telefoon af te blijven. Niets doen, daar moet je inkomen. Zoals beginnen aan een boek: het kost moeite voordat je erin zit en je mee kan laten voeren.

Verderop lag een man van mijn leeftijd in een strandstoel; hij bewoog niet, maar zijn onrust drong zich zelfs met dertig meter afstand aan me op. Tegenwoordig zijn de vreemdste figuren mannen en vrouwen van mijn leeftijd.

Mijn verlangen naar afleiding was niet zo groot dat ik hoopte dat de man met me zou komen praten, maar het scheelde weinig.

Pontjes kruisten elkaar. Aken drongen IJwater uiteen en ik dacht aan Gijs, die in deze rivier gevonden werd.

Zijn lach is kwijt. Ik weet niet mee hoe die klonk, terwijl ik zijn humor zo vaak mis.

Acht jaar, chico, zei ik tegen een schipperende meeuw. De hoogbouw op de Westerdoksdijk speelt die beesten parten, zelfs de wind is niet veilig voor de menselijke hand.

Hoewel ik niet langer dan drie minuten gezeten kon hebben, werd het tijd om op te staan.

Voor een kiosk met terrasje dronk ik koffie, meed praatjes met een roedel vaste gasten. Ik zat op een bank en volgde Otis, die bezig was een waterdicht territorium af te vlaggen. Na een paar minuten zat elk staand vlak in een straal van vijftig meter onder de pies.

‘Goed werk, man,’ zei ik toen hij tevreden terugkwam. Ik bedankte de mevrouw van de kiosk en maakte een grap die ze niet begreep. Dat gebeurt vaak als ik een tijdje geen mensen heb gesproken: ik moet nog in mijn taal komen, of eerder in de taal van anderen.

Eenmaal thuis probeerde ik de krant uit te lezen, maar het lukte niet. Ik keek op mijn horloge zonder de tijd te registreren, vouwde mijn laptop open en klokte in.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Menno Hartman
T punt. Over Tom van Deel
2019-08-16 14:12:48

Dichter, criticus, docent Tom van Deel, overleed op 12 augustus 2019. Voor Van Oorschot stelde hij de bloemlezing samen uit het werk van Simon Vestdijk met de titel Een snik tot glimlach omgelogen, een regel van Vestdijk die nu ook zijn rouwkaart siert. De bundel verscheen in 2010, maar mijn contact met Tom gaat verder terug. Tussen 1995 en 1998 was hij op de universiteit de docent die me poëzie heeft leren lezen, en aan het einde van die studie begeleidde hij mijn scriptie over Martinus Nijhoff.

Tom van Deel heeft veel fraaie gedichten geschreven, heel veel boeken besproken, maar vooral ook heel veel studenten de vraag gesteld: wat lees jij hier? In de werkcolleges poëzie gaf hij uitvoering aan wat naar wat mijn smaak de beste benadering is wanneer je studenten met poëzie confronteert: er samen naar kijken en samen bespreken wat het zou kunnen betekenen wat daar staat, waarom het er staat en wat jij daarvan vindt. Ik vond dat Tom dat erg knap deed. Vooral omdat hij het voor elkaar kreeg zijn enorme belezenheid niet al te zwaar op je te laten drukken.

School maakte hij met de bespreking van klassieke thema’s in de moderne, vaak Nederlandse, poëzie. Nijhoff bijvoorbeeld in zijn Een idylle uit 1940, over Hermes en Laodamia en Protisilaos;

De weg van hier naar ‘t dodenrijk
wijst zich vanzelf. Zie, bij deze eik
begint een pad en dat voert recht
naar waar Charon zijn boot aanlegt.

Geen kent die wèg als ik hem ken.
Want ik ben Zeus’ zoon Hermes, en,
naast hoeder van het vee en bode,
ben ik de leidsman van de doden.

[…]

Tom zou dan de studenten eerst vragen na te zoeken wat we kunnen weten over deze figuur Hermes uit de klassieke teksten. Hoe staat het daar? Doet Nijhoff ongeveer hetzelfde? Waar wijkt hij af van zijn bronnen?Hoe vind je dat? Klopt het bij wat jij van Hermes vindt of denkt? Wat zou Ovidius of een ander klassiek auteur tegen deze Hermesfiguur inbrengen?

Het leverde vaak goede gesprekken op. Het is een vorm die goed bij Van Deel paste, de klassieke benadering van doceren als een gesprek, de verwijzing naar wat je kunt nazoeken en vaststellen,  zien hoe er veranderd wordt en welk doel dat dient, en hoe je dat tenslotte waardeert, hoe nieuwe poëzie kan ontstaan uit oude bronnen, dat demystificeert ook. In zijn recensies ging het vaak niet anders. Van Deel was vooral een bezeten lezer, met vaste waarden in zijn boekenkast. Met zijn studenten was hij zachtmoedig, hij accepteerde fouten waar hij wel op wees. Met zijn op den duur wat mandarijnachtige status in het Nederlands landschap wisten noch hijzelf noch zijn criticasters goed raad. Zo zachtmoedig als hij was, er was een wat driftige keerzij.

Maar die zag je zelden, vaker hoorde je ‘Jongens, wat is het toch gezellig’, met een witte liefst Zuid-Afrikaanse wijn in handen, pratend over zijn geliefde Griekenland of een van zijn grote schrijvers. In zijn kritisch werk alsook in zijn poëzie laat hij de indruk na van een zachtmoedig, precies, humoristisch gedreven en bewonderend lezer. Op veel van zijn studenten zal hij de indruk hebben gemaakt dat goed lezen aan te leren is en dat je kunt leven voor literatuur en dat dat een mooi leven kan zijn. Ik hoop met hart en ziel dat hij dat op het einde zo gevoeld heeft.

Vaarwel, ‘k Aanvaard de overtocht.
Vreemdeling, als zij komen mocht,
zeg haar dat ik niet wachten kon. –
O aardse liefde! – Het uur is om. –

 

 

 

IMG_6285

Menno Hartman (1971) was student van T. van Deel en is uitgever bij Van Oorschot.