Mijn Indonesische jaren: Sitor Situmorang

Toen ik medio 1982 werd uitgezonden naar Indonesië had ik al twee jaar colleges Indonesisch gevolgd aan de University of Michigan, maar mijn beheersing van de taal was nog beperkt. Niet lang na mijn aankomst in Jakarta ging ik naar de Pasar Senen, het oudste winkelcentrum.

Ik schuimde de boekwinkels op de eerste verdieping af en zag de laatste dichtbundel van Sitor Situmorang liggen, Angin danau (Wind over het meer), met op het omslag een immens meer aan de voet van blauwige bergen. Dat was het Tobameer, in de Bataklanden van Noord-Sumatra. Sitor was geboren op het eiland Samosir, dat aan de rand van het meer ligt. Het beeld intrigeerde mij en ik raakte onder de indruk van de manier waarop in obsessieve korte regels de Batakse natuur werd opgeroepen. Met behulp van een woordenboek vertaalde ik enkele verzen.

Mijn interesse in Sitor Situmorang werd versterkt door wat ik te weten kwam over zijn levensloop, die hem naar vele landen had gevoerd. Toch keerde hij, de ‘verloren zoon’, altijd weer terug naar het Tobameer, naar zijn eiland, naar de grond van zijn ouders en voorouders. Sitors vader Ompu Babiat (1850-1963) was de leider van een voorname Batakse clan die was overgegaan tot het christendom, maar die tevens de voorouderlijke tradities in ere hield.

Sitor verliet Samosir al op zesjarige leeftijd om in grotere plaatsen onderwijs te volgen. Op 21-jarige leeftijd werd hij journalist – eerst in Sumatra, daarna in de hoofdstad Jakarta. Hij bleef daar tot 1950, toen hij op uitnodiging van de Stichting voor Culturele Samenwerking naar Amsterdam ging, waar hij twee jaar voor de stichting werkte. Anders dan Pramoedya, die in 1953 op uitnodiging van Sticusa naar Nederland kwam maar het er slechts zes maanden uithield (‘het was alsof ik er in een doodkist terecht kwam’), hield Sitor het administratieve baantje vol.

In zijn vrije tijd ontmoette hij jonge Nederlandse dichters zoals Lucebert en Bert Schierbeek en begon zelf ook gedichten te schrijven. In 1952 ging hij naar Parijs, waar hij ook twee jaar bleef. Hier raakte hij onder de invloed van het existentialisme. In zijn gedichten identificeert hij zich vaak met verloren zielen, zoals een man die van de Eiffeltoren sprong. In de vorm van zijn gedichten werd hij beïnvloed door het surrealisme van Paul Éluard, en door Lorca’s experimenten met traditionele dichtvormen als balladen.

Sitors eerste dichtbundel kwam uit in 1953 en werd in 1955 gevolgd door twee omvangrijke bundels. In die eerste drie bundels komen diverse thema’s naar voren: het verlangen van de zwerver die de wereld wil verkennen, schuldgevoelens over een verlaten geliefde en over de vervreemding van de eigen cultuur, en ten slotte de eenzaamheid van een anoniem bestaan in de stad.

In 1954 keerde Sitor terug naar Indonesië. Hij vertaalde essays van Du Perron uit De smalle mens (1934) onder de titel Menentukan sikap (‘Een houding bepalen’, 1956). Zelf meende hij dat schrijvers niet in een ivoren toren moesten blijven zitten, maar een keuze moesten maken, in die revolutionaire tijd waarin politiek werd gezien als de ‘commandant’. Hij werd voorzitter van de socialistisch georiënteerde Stichting voor Nationale Cultuur. Intussen had hij ook enkele verhalen geschreven waarin zijn jeugd op Samosir en de tijd van de Indonesische Revolutie centraal stonden.

Wegens zijn sterke affiliatie met de regering van Soekarno en zijn boek Sastra revolusioner (Revolutionaire literatuur, 1965) werd Sitor in 1967 gearresteerd en geïnterneerd in de Salemba-gevangenis in Jakarta. In 1975 werd hij vrijgelaten. Zijn gedicht ‘Daerah Bumi Hangus’ (‘Verzengd gebied’) gaat over de jaren 1965-1967, de periode van de stille genocide, zoals de historicus Lambert J. Giebels die heeft genoemd. In zijn boek met die titel (2005) beschrijft Giebels hoe er, in de tijd na de mislukte coup van 30 september 1965, waarbij zes generaals werden vermoord, een massaslachting plaatsvond onder (vermeende) communisten die circa een half miljoen Indonesiërs het leven heeft gekost.  

In 1981 vestigde Sitor, inmiddels gescheiden van zijn eerste vrouw en hertrouwd met Barbara Brouwer, zich in Nederland, waar hij medewerker werd van het Koninklijk Instituut van Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Ik heb Sitor leren kennen in 1984, toen hij in de 2e Schuytstraat in Den Haag woonde. Hij vertelde me dat hij wat was ingedut door het comfort van de westerse consumptiemaatschappij. We hebben toen mijn eerste vertalingen van zijn gedichten besproken. Later hebben we een zomer van huizen geruild: ik zat in Den Haag en hij in mijn huis in Jakarta, waar hij zijn vrienden van vroeger ontving.

In 1987 verraste hij mij  met een reeks sterk ritmische gedichten met een mystieke inslag, waarin hij in de geest terugkeerde naar zijn eiland van herkomst. Maar er zaten ook kritische gedichten bij, over de Japanse tijd en over een hedendaagse Japanse triplexmolen op een van de eilanden, waar geronselde Javaanse arbeidsters werken:

Verhaal, exemplarisch voor de 20ste eeuw,
Verhaal van het bos van de Amazone, van Kalimantan, van Sumatra:
Verhaal van gevelde woudreuzen,
naakt, op hun zij, als gestrande walvissen.

Sitor was een pezige zestiger die niet veel at maar de hele dag sterke koffie dronk. Als hij door een onderwerp werd gegrepen, uitte hij zijn enthousiasme in een staccato betoog, dat ondersteund werd door levendige gebaren en vriendschappelijke stompen waarmee hij zijn geestdrift uitleefde op zijn gesprekspartner.

In 1990 verscheen bij uitgeverij De Geus in Breda mijn bloemlezing uit Sitors poëzie, in een tweetalige editie, onder de titel Bloem op een rots. Het had een prachtig omslag van de grafisch ontwerper Robert Nix, geïnspireerd op een Bataks textiel. In 2004 publiceerde uitgeverij Komunitas Bambu in Jakarta een uitgebreide bloemlezing van mijn vertalingen, met uiteraard de originele gedichten voorop: Lembah Kekal / Eeuwige Vallei.

In 1996 was bij De Geus De oude tijger uitgekomen, mijn vertaling van een aantal autobiografische schetsen en verhalen van Sitor, wederom met een fraai omslag van Robert Nix op basis van tijgertapijten uit het Tropenmuseum. Op 20 december 2014 overleed Sitor in zijn woonplaats Apeldoorn. Een week later vond zijn afscheid van Nederlandse en Indonesische vrienden plaats in het mortuarium van Schiphol. Hierna werd hij begraven op het eiland Samosir. In 1998 had hij in Parijs een gedicht geschreven over zijn laatste rustplaats met – in mijn vertaling – de volgende regels:

Als straks mijn einde komt
leg dan op mijn graf
geen grafsteen maar een kei uit de bodem
zonder inkervingen zonder versiering

behalve de allerheiligste boodschap –
de zegen van Moeder gebeiteld in steen:
De Verloren Zoon is teruggekeerd!
Ik ontvang hem in mijn schoot!

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in de VS (Michigan), Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verschijnt Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

In de Oorshop

Mark Rutte en de (steeds minder) schone schijn

De Teeven-deal, de datsja van Poetin, de burgerslachtoffers in Hawija, het memo over de dividendbelasting en meest recent ‘de functie elders’ voor Omtzigt: het lukt VVD-leider Rutte maar niet om eerlijk te zijn over de feiten. Het geritsel, geblunder en gekonkel in deze kwesties wordt eerst glashard door hem ontkend, en wanneer hij moet toegeven dat er toch wel iets aan de hand is, verdwijnt het zicht op zijn eigen rol in een mistig geheugen. Geneuzel over wie wat precies op welk moment en in welke bijlage heeft gezegd. Cruciale vragen die stuiten op de frase ‘ik heb er geen herinnering aan’. Het is moeilijk voor te stellen dat Rutte niet weet dat wij door hebben dat hij de waarheid niet spreekt. Gelooft hij zelf nog in het beeld dat hij zo krampachtig van zichzelf neerzet? ‘Ik heb de pers naar eer en geweten te woord gestaan.’ Wat voor geweten is dat, waarvan je zo vaak en zo glad mag liegen?

Wat ziet Mark Rutte wanneer hij in de spiegel kijkt? In 1990 was de legendarische serie Twin Peaks op tv, waarin de sympathieke FBI-agent Dale Cooper, op zoek naar de moordenaar van een  tienermeisje allerhande seksuele en gewelddadige misstanden ontdekt. Het laatste shot toont  Cooper, die op de ochtend na zijn bezoek aan een ondergrondse kamer vol duistere krachten in de badkamerspiegel kijkt en sardonisch grijnst. Wat een huiverende teleurstelling. Ook hij  was bezeten geraakt door het kwaad!

Onze demissionaire minister-president blijft de schijn van onberispelijkheid ophouden, al is er niemand meer die er echt in gelooft. Waarom eigenlijk? Iedereen snapt toch wel dat in de politiek dingen gebeuren die niet zouden moeten gebeuren. Net als in het ziekenhuis of in het verkeer. Richtlijnen zijn er om na te streven, van fouten moet je leren. En dat lijkt nu precies het punt bij Rutte: hij doet niks fout, en de regels gelden voor anderen. Reeds als staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was hij gebeten op het aanpakken van bijstandsfraude. In schril contrast daarmee staat zijn vergoelijkende reactie op fraude door partijgenoten. Hierin staat hij niet alleen. Toenmalig minister Edith Schippers ontwaarde in 2015 zelfs een complot tegen de VVD vanwege alle aantijgingen. Ik zou om te beginnen geen aanleiding geven tot verwijten!  Tot voor kort stond de VVD bovenaan in de Politieke Integriteitsindex, die schandalen turft naar ernst en aantal.  

Waarom wil Rutte zijn positie zo graag behouden dat hij zijn geloofwaardigheid er voor opgeeft? Toch niet louter om over anderhalf jaar het record van langstzittende premier van Nederland te kunnen breken? Onlangs zei hij trots te zijn op wat hij de afgelopen 10 jaar bereikt heeft. Trots waarop dan? De bodem zit vol stikstof en plastic, overal verrijzen grote loodsen, vogels verdwijnen, kinderen verlaten school als analfabeet, en in Europa staan we alleen, als belastingparadijs dat het vingertje heft naar andere landen over hun financiële beleid. Rutte is vooral de man van beloftes die geen standhouden: 130 op de snelweg, ‘geen cent meer naar Griekenland’, de afschaffing van dividendbelasting, compenseren van aardbevingsschade. Grote problemen zijn doorgeschoven naar de toekomst. Wat het behalen van de EU-klimaatdoelen betreft scoort Nederland slecht. Maar wat kan het ons schelen, zolang wij het zelf goed hebben?

Rutte, de über-manager, met de breed lachende uitstraling alles onder controle te hebben, is een geruststellende leider voor wie graag de kop in het zand steekt. Toegegeven, het lijkt me erg moeilijk om een land te besturen met zo veel verschillende belangen. Des te meer dringt zich de vraag op waarom hij dit zo graag wil blijven doen. Waar sommige regeringsleiders genieten van de geneugten van hun positie – parades, diners, een limousine, vrouwen – lijken deze aan Mark weinig besteed. In een hoodie op de fiets trekt hij een lange neus naar dit soort mannen. Voor hem geen narcistisch machtsvertoon.

Maar binnenskamers kan hij naar verluidt dwingend en woedend zijn. Aan de touwtjes trekken zonder dat iemand het ziet, het klinkt als een kwajongensstreek, een dikke portemonnee op de stoep die wegschiet zodra iemand zich bukt om hem op te rapen. Het conservatorium overwogen, maar geschiedenis gestudeerd, om in een bedrijf bij  Personeelszaken te gaan werken: zijn keuze roept de associatie op met dromen van grootsheid maar bang zijn het niet waar te kunnen maken. Dan rommel je het beste maar wat aan. De obsessie met ‘je eigen broek kunnen ophouden’ past hierbij. Angst voor ontmaskering.

Een klassiek Freudiaan zou hier een verdrongen Oedipuscomplex vermoeden. Een zoon rivaliseert, strijdt met vader, en hoeft zich ook als hij verliest niet te schamen: hij heeft zijn mannetje gestaan. Rutte duikt, en neemt zijn verlies niet. Sterker nog, hij kan zich niet heugen op het slagveld te zijn geweest. Liever dan gehavend maar aanwezig, is hij schoon en afwezig. Het fantoom van het brave jongetje: misschien is dat Marks ideaalbeeld wel.

Door zich als loopjongen van het grootkapitaal op te werpen hoort hij toch bij de top. Geen partner, geen kinderen, een man alleen, lijkt hij niet zozeer te leven voor zichzelf als voor de roedel: ‘normale mensen’, witte mannen. Iedereen die anders is, ook dieren: bekijk het maar. Achter de schijn van jovialiteit gaat meedogenloosheid schuil.

Misschien mogen we het als voortschrijdend inzicht beschouwen dat Rutte belooft ‘zijn stinkende best’ te gaan doen ons vertrouwen te winnen. De geur van eerlijk zweet. Of wordt het de walm van de zoveelste doofpot?

Greet Kuipers

Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2011 en de Anna Bijns Prijs 2012.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Moddergat

Er was meer dan een jaar voorbij sinds we met zijn allen aan één tafel aten, en bijna twee jaar sinds de laatste keer dat we met dit gezelschap de stad uit waren geweest.

Voorheen gingen we vaak naar het huis van Noors moeder op Terschelling, maar sinds de extra kinderen, partners en honden ons kwamen versterken passen we daar niet meer in. Dertien mensen en drie honden is een tall order voor elke vakantieplanner, maar Lauren vond een huis in Moddergat (Friesland); een huis dat in kleine appartementen was onderverdeeld, met een gezamenlijke keuken, zit- en eetkamer.

Ik had verwacht dat ik zou moeten wennen aan zoveel volk bij elkaar. Dat leek eerst niet zo te zijn en bij nader inzien wel. We waren getest en dus omhelsde ik iedereen bij aankomst, maar hoewel dat op geen enkele manier vreemd voelde, bleek zo’n toenadering nu iets waarvoor je soms kon kiezen, niet langer een vanzelfsprekendheid.

Ik merkte dat ik vaker dan voorheen op mezelf een boekje las, een luchtje ging scheppen. Sven had ook een gitaar mee en we speelden samen. Na een tiental jaren zonder muziek geniet ik daar de laatste tijd weer van, maar mijn handen willen nog niet echt. Ze voelen stram en een beetje lomp: alsof ik er oudemannenhanden overheen heb aangetrokken.

Luc was met zijn bakbrommer gekomen en maakte ritjes over de landweg met de bak vol vrienden en hun kinderen. Niemand krijste harder dan ik toen hij het ding op volle snelheid op één voorwiel liet balanceren. Nadim zat met een brede grijns naast me, zijn ogen groot en hongerig naar avontuur.

Hoewel het niet mijn plan geweest was, accepteerde ik mijn vaste rol als kok van onze groep. Met Noor reed ik naar de kutsuper in een naburig dorp, en een uurtje later zette ik de tafel vol met schaaltjes groenten. Ik merkte dat de complimenten van mijn vrienden me verlegen maakten; dat was nieuw.

Toen de avond gevallen was moesten er spelletjes gedaan worden. Ik heb een enorme hekel aan spelletjes, maar Jeroen kwam naast me zitten en kreeg een kostelijke lachstuip omdat iemand hem had laten blowen. Alle chocolade bleek op, en dus reed ik mijn vriend naar een pompstation op tien kilometer afstand, waarvan het winkeltje helaas gesloten was. Echt slecht was dat niet, omdat ik mijn mondkapje vergeten had en Jeroen niet uit zijn lachstuip kwam. Hij had daar met geen mogelijkheid verstaanbaar kunnen maken wat hij wilde.

De volgende ochtend werd er wad gelopen. Degenen die daarmee ervaring hadden besloten de wandeling thuis uit te zitten. Wadlopen is net als gewoon lopen, maar dan door een saaier landschap dat je ook nog keihard tegenwerkt. Na een uurtje werd er geappt of ik de wandelaars met de auto wilde komen halen. Onderweg, aan de dijk, verkocht een dame versgerookte palingen. Die laten liggen lukte niet: ze waren retevet en niet te zwaar gerookt.

Die avond ging ik vroeg naar bed omdat ik graag in stilte wilde lezen, en besefte pas de volgende ochtend dat ik zoiets voorheen nooit deed. Niemand had me geprobeerd tegen te houden; ook dat was nieuw.

Misschien, dacht ik terwijl we de volgende dag afscheid namen, was het nog te vroeg om de ware schade van de afgelopen anderhalf jaar op te maken.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

08:46

Al meer dan een jaar drukt de realiteit zich lelijk en onderdrukkend in onze gezichten als de knie van een boosaardige witte man in de nek van een onschuldige zwarte man. Toen ik die zin schreef, doelde ik op de pandemie. Maar precies een jaar geleden gebeurde wat als beladen maar passende metafoor werkt, letterlijk. 08:46 is symbool gaan staan voor de dood van George Floyd – al bleek het achteraf nog langer te duren. En pas zo’n elf maanden later kon iedereen het erover eens zijn dat het moord was. Dat de man die al grijnzend het leven uit een ander lichaam drukte, de gevangenis in moest.

Toen ik een jaar of veertien was bezocht ik met mijn ouders het Arles Fotofestival. Een van de tentoonstellingen liet allerlei beelden zien van vroegere lynchings in Amerika. Sindsdien staat er een beeld uit 1935 in mijn geheugen gegrift, als met een dikke permanent marker: een meisje, niet ouder dan acht, staat haast proestend te kijken naar een zwarte man (Rubin Stacy) die in een nabije boom is opgehangen. (Hij werd gelyncht voor het ‘bang maken van een witte vrouw’.)

Lynchen ging vaak gepaard met buurtpicknicks. Dit was zo’n widespread fenomeen dat er lange tijd twijfel bestond over de etymologie van het woord ‘picknick’. Het martelen en vervolgens vermoorden van zwarte mensen was een gezellig familie-evenement voor witte mensen.

In de roman The Stone Face (1963) van William Gardner Smith – een tijds- en Parijsgenoot van James Baldwin en Richard Wright – beschrijft de protagonist het gezicht waarvoor hij naar Frankrijk is gevlucht, het gezicht van de racistische mensen in Amerika. ‘…the jaw was clamped tight, the mouth was a compressed bitter line, […] the eyes were flat, fanatic, sadistic and cold. It was an inhuman face, the face of un-man’. In Frankrijk komt hij hetzelfde gezicht tegen: hier is het niet op hem gericht, maar op de Algerijnen.

In Baldwin’s If Beale Street Could Talk (1974) beschrijft de jonge, zwangere Tish eveneens het voorkomen van de witte politieman die haar onschuldige vriend arresteerde. Ze komt hem op straat tegen en kijkt voor het eerst goed naar hem. ‘I was beginning to learn something about the blankness of those eyes. […] If you look steadily into that unblinking blue, […] you discover a bottomless cruelty, a viciousness cold and icy. In that eye, you do not exist: if you are lucky. If that eye, from its height, has been forced to notice you, […] you are marked, marked, marked, like a man in a black overcoat, crawling, fleeing, across the snow.’

85, respectievelijk 57, respectievelijk 46 jaar later ziet haast de hele wereld een witte politieman met een nietszeggende uitdrukking en zijn hand in zijn zak op de nek van een zwarte man knielen tot die sterft. Is dit echte nonchalance, of is die geveinsd? Is die aangeboren of aangeleerd? Waar leer je zulke onmenselijkheid? (Asking for an enemy.) En wat is er onmenselijker: haat en walging, of pure onverschilligheid over andermans lijden?

Dit is óók het gezicht van racisme. Mensen denken al snel aan haat, maar er is ook leegte, onverschilligheid, soms grenzend aan vermaak. Je komt het niet alleen tegen in het nieuws uit de VS en andere verre oorden. Dit is ook het gezicht van mensen die ik ken, die zeggen: ‘Ik ben geen racist, maar…’ en vervolgens apen-en-bananengrappen maken. Dit is ook het gezicht van de oude dansdocent van mijn zusje, die ervan overtuigd was dat zij goed ‘urban’ kon dansen, nog voor de les was begonnen. Of het iemand pijn doet, hen voor altijd bij blijft – daar denken ze niet aan. Dat doet ze niets.

In Going to Meet the Man stelt Baldwin zich voor wat er in de hoofden van de witte mensen omgaat die een lynch-picknick bijwonen: ‘“we’re going on a picnic,”’ zegt de vader van jonge Jesse. ‘“You won’t ever forget this picnic!”’ Vervolgens kijkt de jongen, zittend op de schouders van zijn vader, toe hoe er een zwarte man levend wordt verbrand. ‘He began to feel a joy he had never felt before.’ (Als Jesse later in zijn leven aan de lynching terugdenkt, raakt hij opgewonden. Is dát misschien wat Chauvin’s hand in zijn zak deed…?) Na de verbranding gaat de familie snel richting de tafel waar het eten is uitgestald, voordat het op is.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Participatiegevangenis

In de greep van de taal van Antoine Mooij is een boek dat niet verstoft. Dat is omdat je het op twee manieren kunt lezen: het bevat een gestructureerd overzicht van de filosofie van Jacques Lacan en Ernst Cassirer. Maar het is tegelijkertijd zo geschreven dat de teksten je laten nadenken over je eigen ervaringen en je uitdagen met de concepten aan de haal te gaan.

Mensen zitten gevangen in taal. Taal bepaalt hoe we denken over de wereld, onszelf en anderen; en hoe we ons daarover uiten.

Schrijvers en dichters kunnen misschien wel niets anders doen dan de grenzen van die taalgevangenis oprekken, haar zo ruim maken dat ze niet als gevangenis voelt. Je zou critici in de wereld van politiek en het bedrijfsleven kunnen zien als mensen die de taal juist beschieten. Ze richten hun pijlen op het taalgebruik van leiders om ‘het volk’ weer vrij te laten denken. Dat is een eervolle taak, waarvoor ze soms – helaas – het loodje moeten leggen.

Deze taalgevangenis is niet alleen een abstracte weergave van de menselijke conditie, ze is ook zichtbaar en voelbaar, zoals in bijna elk overleg dat ik de afgelopen maanden voerde over participatie. De situatie is meestal als volgt: er moet een bijeenkomst worden georganiseerd over een nieuw plan. Dat plan gaat bijvoorbeeld over de aanleg van warmtenetten, over nieuwe woningen of over de nieuwe inrichting van een plein. De vraag waar participatie om draait is: kan er nog wat aan het plan worden veranderd, en wie mag dat doen?

Zodra de vraag gesteld is, merk je opeens dat alle deelnemers aan een overleg taalgevangenen zijn. Ze beginnen vaag te sputteren, zich te uiten in woorden die ze niet op een berisping zal komen te staan: ‘Dat hangt er vanaf, een stukje verwachtingsmanagement is belangrijk, mensen moeten begrijpen dat niet alles kan, er is natuurlijk ook een regionale agenda waar het bij moet passen, dit is vooral een principe-stuk op hoofdlijnen.’

De presentaties die hieruit voortkomen worden volledig gedicteerd door een zwartboek waarin foute en goede woorden staan. Niet burger maar bewoner, niet groen maar duurzaam, niet beste maar meest voor de hand liggende, enzovoorts.

Het doet me weleens denken aan mijn eerste interview – 1994, schoolkrant van het Murmellius Gymnasium: lekker vrij schrijven met veel pretentie en wars van regels – met televisie-icoon Ted de Braak die vertelde dat hij op televisie niet mocht spreken van slecht weer omdat de Heer, volgens de Christelijke omroepvereniging, geen slecht weer creëerde.

Het effect van die taalgevangenis is dat bijeenkomsten vooral draaien om het voorkomen van versprekingen. Ambtenaren, politici en professionals zijn eindeloos bezig om in uitnodigingsbrieven, presentaties en interactie met bezoekers te voorkomen dat ze iets zeggen dat tegen de gevangenisregels ingaat. Ze leren zichzelf een taal aan waarmee ze genoegzaam in de ontspanningsruimte kunnen blijven zitten.

Als er bijvoorbeeld wordt gevraagd naar de concrete plannen voor een wijk, verwijzen ze routineus naar eerdere stukken, onderzoeken die nog op stapel staan en toekomstige bijeenkomsten. Het liefst sluiten ze af met de uitsmijter: ‘…en we zien er naar uit dat samen te doen en kijken zonder vooringenomenheid naar elk initiatief.’

Na afloop prijzen ze elkaar ‘omdat het niet mis ging’. ‘Een of twee versprekingen misschien, maar verder ging het goed.’ Maar het is natuurlijk wel mis: een taalgevangenis die mensen reduceert tot spreekbuizen stompt die mensen af, creëert boosheid en cynisme onder de deelnemers aan bijeenkomsten, en (uiteindelijk, denk ik) woede onder de bevolking.

Hoe ontsnappen we uit die taalgevangenis? Nou, helemaal ontsnappen lukt natuurlijk niet. Maar we zouden wel kunnen streven naar bijeenkomsten waarin niet de angst voor verspreking, maar de wil om plannen te veranderen voorop staat. Laat sprekers een bijeenkomst maar eens beginnen met de verzuchting: ik zit vast in een taalgevangenis die we met elkaar maken en in stand te houden, help me de muren te verplaatsen. Beschiet me als een criticus, verleg grenzen als een schrijver of een dichter.

Ik noem die opstelling een radicale participatiehouding.

Bezoekers zullen waarschijnlijk verbaasd opkijken, maar ik denk niet dat ze zich daarna gaan misdragen. Integendeel, ik reken op een fascinerende uitwisseling van ideeën. En betere plannen!

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten.

Lente

B ging erg vroeg naar haar werk en daarom bracht ik Ada en Nadim naar school; meestal doe ik dat niet op dinsdag omdat ik dan om negen uur moet lesgeven in Oost.

Ergens op een vaste tijd verschijnen geeft me na al die jaren freelancen achter de laptop stress. Ik kuste mijn zoon en dochter, zwaaide naar de juf en trapte als een gek door de klamme ochtend naar de Derde Oosterparkstraat, om er voor de deuren van het IVKO achter te komen dat ik vijfentwintig minuten te vroeg was.

Ik besloot koffie te halen en fietste in de richting van het Beukenplein, waarbij ik langs het huis van Gijs kwam. Gijs is nu tien jaar dood, maar voordat hij doodging waren we de beste vrienden. In zijn appartement op de Derde Oosterparkstraat 146 ben ik praktisch opgegroeid. Hij had weinig meubels, geen kussentjes of andere ‘zachte’ elementen in zijn interieur, maar spartaans als het daar was: het voelde als mijn eigen huis.

Met Gijs’ dood is die plek verdwenen, een thuis minder om heen te gaan. Nu valt me sowieso op dat het aantal thuizen krimpt naarmate ik ouder word, en dat zal zijn omdat ik nooit meer tijd heb om echt bij mijn vrienden te hangen. Meestal zie ik ze (onder oud-normale omstandigheden) in de kroeg, en zo niet daar dan in een restaurant. Hangen wordt het nooit. Kennelijk is er een zekere ledigheid nodig om van een huis een thuis te maken.

De jongen met het mondkapje bij Coffee Bru klonk gastvrij en vriendelijk. Ik bestelde en besefte dat mijn portemonnee thuis lag. Gelukkig was er nog geen boon gemalen.

‘Ho,’ zei ik. ‘Sorry, maar ik heb geen geld bij me. Ik moet die koffie cancelen.’

‘Dan betaal je me toch de volgende keer?’ zei de jongen. ‘Als je daar tenminste niet mee zit.’

‘Wat heel erg aardig,’ zei ik, beseffend dat de schuld die ik bij hem zou hebben staan me de hele week zou achtervolgen.

Ik dronk mijn koffie op een bankje voor de deur en bedacht dat het aanvaarden van het vertrouwen van een ander zwaarder mocht wegen dan mijn eigen rust. Deze jongen zou gesterkt worden in zijn positieve kijk op het leven. Hoewel zijn citroencake best lekker was, kreeg ik de plak niet op. Ik loosde mijn bekertje, vouwde het zakje van de cake weer dicht en fietste naar het IVKO.

Terwijl ik mezelf voor een verrassend lege klas hoorde praten over het belang van ritme in de taal, en over wat volgens mij goed en minder goed werkt in een verhaal, dacht ik weer aan Gijs. Toen ik voor het eerst op nummer 146 kwam, was ik maar een paar jaar ouder dan mijn leerlingen hier waren.

Was het ook lente toen ik voor het eerst bij Gijs thuis was? In een verhaal zou dat goed werken.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Meer blogs

  • Moe van toeschrijven

    Ali Smiths Summer (2020) opent met een discussie over een citaat. Sacha is een schoolopstel aan het schrijven en heeft daarvoor een vermeende uitspraak van Hannah Arendt van het internet gevist. Haar moeder leest mee over haar schouder en wijst erop dat de bronvermelding ontbreekt. Sacha toont haar een pagina met zoekresultaten: ‘Brainyquote. Quotehd. Azquotes....
    Lees verder
  • Onze voorouders

    In Karel Weeners Steinharts biecht. Zielenstrijd op de Batoe-eilanden speurt de historicus naar de achtergrond van een verzameling voorouderbeeldjes die op een zolder in Den Haag aangetroffen werden. Een mooie start van hoe het moet: ‘ongemakkelijk erfgoed’ heeft een herkomst en een verhaal. Dat is een verhaal dat niet makkelijk verteld wordt, noch makkelijk gevonden,...
    Lees verder
  • Presenteren

    Boekpresentaties dragen voor zover ik weet niet bij aan de verkoop van het gepresenteerde boek. De meeste mensen die zo’n middag of avond bezoeken kopen het ter plekke, maar zouden dat toch wel bij een boekhandel gedaan hebben omdat ze bekenden van de schrijver zijn. Tot dusver heb ik van mijn presentaties altijd een feestje...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.