Ongehoord

Afgelopen weekend was ik bij een protest aanwezig. Alhoewel ik er bij nader inzien niet trots op ben, was dat niet het woonprotest, maar ‘dat andere’: Unmute Us. Voordat ik de schrijfwereld betrad was ik muzikant. De laatste tijd maak ik niet veel muziek meer. Niet alleen omdat ik andere bezigheden heb, maar ook omdat het uitvoeren ervan erg moeilijk is gemaakt. Dus ik besloot om mee te lopen, uit protest: waarom arena’s wel vol zwetende voetballers en hun fans, maar niet vol spelende muzikanten en die van hen?

Er waren veel mensen. Maar ik kwam niemand tegen die ik verwacht had: mede-muzikanten, producers, creatievelingen die al een tijd niet hebben kunnen creëren. Wel: ongevaccineerden, corona-ontkenners, en twintigers die al een tijd niet hebben kunnen raven. Ik liep mee, probeerde de gele paraplu’s en vlaggen met doorgekraste injectiespuiten te vermijden. Op zondag was ik niet in voor nog een mars, maar misschien had ik toch moeten gaan. 

Schrijver, muzikant, maar eigenlijk op de eerste plaats Amsterdammer. Met weinig hoop op een woonruimte na mijn afstuderen in december. Een vriendin van mij (ook 27) heeft zich nog net voor een jongerenwoning kunnen inschrijven: na een wachttijd van bijna 10 jaar op Woningnet zat ze nog een half jaar onder de leeftijdsgrens voor zo’n appartement. Een andere kennis is opnieuw bij haar moeder gaan wonen: die woont in een grachtenpand, en hoewel dat een luxe is stipt het tegelijkertijd aan waar onze generatie sowieso géén kans op krijgt. Drie jaar terug woonde ik in een antikraakpand in Noord, waar mij en mijn toenmalige huisgenoot werd beloofd dat we er minimaal een jaar mochten zitten. Na drie maanden moesten we eruit: het werd gerenoveerd. Het huis ziet er, in ieder geval aan de buitenkant, nog hetzelfde uit.

In de tussentijd schieten er wel ontelbare, onbetaalbare high rises als paddestoelen uit de grond.

Ik heb Amsterdam nog nooit zo erg als een thuis beschouwd als nu. Nu ik er zo lang ‘vast’ heb gezeten en alle onbekende hoekjes en gaatjes onverstoord heb kunnen bezoeken. Nu er weer toeristen zijn die ik vanuit een fietsende machtspositie wel of niet over kan laten steken. Nu de kans groeit dat ik hier straks niet meer terecht kan. Ik wil graag geloven dat iedereen zich ergens op aarde genoeg thuis voelt om dit besef van privilege te herkennen. Maar hoe kan ik zoiets geloven na al dit nieuws, niet alleen over de woningnood van ons, de locals, maar ook die van de talloze vluchtelingen die hier heil zoeken? 

Ik gun iedereen het gevoel van ergernis wanneer er weer een verwarde toerist voor je wielen struikelt. Het gevoel van trots wanneer je vrienden en familie de weg naar de wc wijst in je eigen huis. Huis-, tuin- en keukenprivilege. Un-move us.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

In de Oorshop

Afgemeten praterig

Afgelopen week lag het Verzameld werk van Carl Friedman naast mijn laptop. Het was mijn ‘pauzeboek’. Steeds als ik even afgeleid was, vastliep in een alinea of geen zin meer had om te werken, las ik er een stukje in. Nadat haar debuut Tralievader (1991) vorig jaar veel indruk op me maakte nam ik van de lente de prachtige roman Twee koffers vol (1993) ter hand, en nu begon ik maar aan de columnbundel met de nieuwsgierig makende titel Dostojevski’s paraplu (2001). Korte stukjes lenen zich natuurlijk goed voor het lezen tussen de bedrijven door, maar ik was ook benieuwd hoe deze verschillende genres zich binnen Friedmans oeuvre tot elkaar verhielden. Ook haar romans bestaan immers uit reeksen korte hoofdstukjes die de lengte van een column zelden overschrijden, dus wellicht was het cursiefje wel haar natuurvorm.

Het definitieve antwoord op die vraag heb ik nog niet, maar wel is me inmiddels duidelijk dat Carl Friedman een columnist van formaat was. De bonte stoet aan onderwerpen die in deze bundel voorbijkomt – eenden, onrechtvaardig vluchtelingenbeleid, Isaac Bashevis Singer, papegaaien, Vladimir Nabokov, historische voorbehoedsmiddelen, Wim Kok, de Rivierenbuurt, vrouwelijkheid, Rudyard Kipling en politieseries, om er maar een paar te noemen – wordt bijeengehouden door Friedmans kenmerkende informele, lenige stijl, die ik als ‘afgemeten praterig’ zou willen typeren. Op het papier is ze aanwezig maar bescheiden; ze presenteert haar vondsten nooit als vondsten, vestigt nooit bevallig de aandacht op haar briljante zinnen, hoewel die er wel degelijk zijn. Neem de opening van haar column over de Russische Bibliotheek, die van een prachtige eenvoud is: ‘Ik heb in mijn leven maar weinig verstandige dingen gedaan, en zelfs die deed ik zonder mijn verstand te gebruiken.’

In hetzelfde tekstje laat ze zich ook gelden als polemist; een kant van haar persoonlijkheid die in de romans niet naar voren kwam, maar in de columns alle ruimte krijgt. Hier moet Dostojevski het ontgelden:

‘Zijn romans zijn me te melodramatisch, te luidruchtig, te vroom. Het is Christus na en Christus vóór, met veel Christus tussendoor. Hoeveel godvrucht in één boek kan een lezer verdragen? Dostojevski was er op uit zijn publiek te verheffen. Daarmee is hij bij mij aan het verkeerde adres. Als ik me wil verheffen, sta ik gewoon uit mijn stoel op.’

Scherpheid gaat in deze tekstjes vaak samen met droge humor. Verreweg de grappigste column vond ik ‘Gerrit’, een Carmiggelt-waardig verslag van een poezenreddingsactie die ik iedereen zou aanraden als voorproefje.

Ook in Dostojevski’s paraplu komt Friedmansbuitengewone interesse voor het jodendom regelmatig aan het licht. Ze schrijft met veel gevoel en woede over de Shoa, over de kampervaringen van haar vader en over de familie van de joodse man. Haar belangstelling sloeg volgens velen om in onrechtmatige identificatie, al zal je haar in deze bundel nooit op toe-eigening betrappen.

Die merkwaardige evenwichtsact tussen sympathie en vereenzelviging lijkt me een centrale paradox in dit oeuvre en schrijversleven. Daar is al iets meer over gezegd door Wouter van Oorschot, wiens fraaie in memoriam wij publiceerden in Tirade, en door schrijver en oud-redacteur Mirjam van Hengel, die in De Groene Amsterdammer overtuigend pleitte voor de herwaardering van deze schrijver, maar ik hoop niet dat het daarbij blijft. Over het verscheurde karakter en het innemende schrijverschap van Carl Friedman is volgens mij nog veel meer te zeggen; er moet uitstekend materiaal klaarliggen voor een biografisch essay of een studie. Nu is het alleen nog wachten op de juiste kandidaat.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Elders koffie drinken

Omdat het de daagjes wel geweest zijn, gaf mijn geliefde B me vrij. Ik ben nergens in dienst en beschik daarom over mijn eigen tijd, maar echt vrij geef ik mezelf nooit.

Met Nadim op de stang van mijn fiets – hij wordt daar echt te groot voor – trapte ik naar De Pijp, waar ik hem afleverde bij toneelles. Nu had ik bijna twee uur te doden.

Bij de ijverige meneer in het souterrain aan de Albert Cuijp kocht ik zoutvlees en cassave, bij de slager verderop haalde ik wat rund. Ik zette mijn tas neer, keek om me heen en krabde op mijn kop. Het merendeel van mijn vertrouwde plekken is inmiddels weg en op de terrassen van cafés waarmee ik niet ben opgegroeid zaten vooral Insta-twintigers. De nieuwe bewoners van de wijk kwamen wat verwend op me over.

De Pijp lijkt steeds minder Amsterdams, dacht ik, maar misschien hoorde ikzelf inmiddels bij een oude versie van de stad.

Tussen de conceptzaakjes aan de Eerste Van der Helst trof ik een wat stoffig Italiaans deli-barretje. Amaretti op goudkarton, gedroogde pasta, bleke gare rigatoni in tomatensaus. De recensent in me wilde rechtsomkeert maken, maar het samengeraapte interieur stond de echte Gilles aan. Ik stapte door naar binnen en nam plaats op een laag krukje voor het raam. Even later bracht een jonge vrouw met een opvallend grote bril een cappuccino zonder latte art.

Ik had net een paar bladzijden gelezen – Jaguarman, Raoul de Jong – toen een beweging op straat mijn aandacht trok. Een man van mijn leeftijd zette een duidelijk nieuwe racefiets tegen een struik voor het barretje en kwam naar binnen.

‘Vind je het erg als ik hier ga zitten?’

‘Zeker niet,’ zei ik, en schoof mijn boek van me af. De man nam plaats op het krukje naast me, en zat daardoor dichterbij dan een vreemde in lange tijd gezeten had.

‘Heb je jezelf een fijne fiets kado gedaan?’ vroeg ik.

‘Dat is een gewetensvraag,’ zei hij. ‘Ik fietste vroeger heel hard, maar dat gaat eigenlijk niet meer. Die fiets kocht ik om mezelf te helpen daar oké mee te zijn. Om desondanks van het fietsen te genieten.’

Ik keek naar zijn kalme, vriendelijke gezicht. Zijn ogen glommen en hij leek op de rand van tranen. ‘Mag ik vragen wat er met je is?’

Alleen zijn mond glimlachte. ‘Nierfalen,’ zei hij na even. ‘Bij het spinnen in de sportschool zie je de energie die je opwekt als je fietst, en dat wattage liep steeds verder terug. Zo kwam ik erachter.’

Ik wilde vragen of dit kort geleden was, maar wist het antwoord al.

‘Arme jongen,’ zei ik, en merkte dat het niet raar voelde zoiets te zeggen tegen een onbekende van mijn leeftijd.

De man kreeg ook een cappuccino en wilde daar net een slok van nemen toen er een vrouw naar binnen stapte. Ze had een rond gezicht en zachte bruine ogen. ‘Ik ben er hoor!’

‘Heb je je fiets niet bij je?’ vroeg de man. ‘Ik dacht dat we zouden gaan fietsen.’

‘Ik wil hem nu wel halen?’ zei ze, en keek naar mij. ‘Dan kun je nog even kletsen met je nieuwe vriend.’

Maar ze ging zitten, bestelde ook een koffie. Onder de opgeruimdheid waarmee ze hem bejegende klonk haar zorg om zijn gezondheid door. Ze hield van hem als van een broer, wist ik. Als van een hele oude vriend, zo iemand die je niet kunt missen.

Ik pakte mijn boek weer op en trok me erin terug totdat het tijd was om Nadim te halen. Toen ik de twee een fijne dag gewenst had stond ik op om over de markt terug te lopen naar mijn fiets.

Ik kwam Adriaan tegen, die al zijn hele leven op de Cuijp werkt, en we kletsten even. Hij was dikker geworden, had een bootje gekocht en zou daar zaterdag mee varen.

‘Dag gabber,’ zei hij toen het praatje klaar was.

Ik keek hem na, dacht aan mijn eerste jaren in de oude Pijp. Aan hoeveel indruk deze wijk toen op me maakte. De nieuwe bewoners zagen er vooral uit alsof niets nog indruk op ze maakte, maar misschien speelden ze dat beter dan ik het destijds spelen kon.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Weten in zwart-wit

(Klik hier voor deel 1 van deze blogserie)

Recent zag ik A German Life uit 2016 van Christian Krönes. Het is een sober gefilmde documentaire waarin Brunhilde Pomsel (1911-2017) vertelt over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ziet zichzelf als een doodgewone Duitse vrouw die toevallig werkte voor een van de hoogste nazi’s (Joseph Goebbels, minister van Propaganda). Na de oorlog zat ze een gevangenisstraf van vijf jaar uit; vervolgens keerde ze terug naar het ‘normale Duitse leven’. Pas vlak voor haar dood gaf Pomsel voor het eerst een interview. Ze was 103 jaar oud.

Van zeer dichtbij, in zwart-wit gefilmd, kijkt Pomsel langs de camera. Ze zucht, frunnikt aan haar ketting, sluit haar ogen. Ze spreekt bedachtzaam, traag. De kijker krijgt alle ruimte om zelf een mening te vormen. Hoe schuldig is ze? Waarom toont ze geen berouw?

Brunhilde Pomsel zegt nooit geïnteresseerd te zijn geweest in politiek. ‘Dat was voor een vrouw niet nodig,’ zegt ze. Ze vindt zichzelf slechts een onbeduidende figuur in de geschiedenis. Maar is dat niet juist het probleem? Eigenlijk schetst zij zichzelf daarmee precies als ‘de banaliteit van het kwaad’ zoals Hannah Arendt dit omschreef.

In Wat maakt een verzetsheld (2021) schrijft Rutger Bregman: ‘Een gezonde samenleving met degelijke wetten en een goed werkende democratie van macht en tegenmacht heeft genoeg aan gewone mensen die gewoon hun best doen, gewoon doen wat van hen wordt verwacht. Maar wat als de samenleving niet gezond is? Wat als “doen wat van je wordt verwacht” precies het probleem is?’

Met gesloten ogen zegt Brunhilde Pomsel: ‘Es ist wie mit alle Dingen, auch das schöne hat Flecken, auch das schreckliche hat Sonnenstellen.’ Dan is het weer stil. Aarzelend zoekt ze naar woorden: ‘Es ist immer… Es ist nicht schwarz-weiss… Es gibt immer ein bischen Grau, in das Gute und in das Slechte.’ Maar wat als we toegeven dat sommige zaken wel degelijk zwart-wit zijn en we eigenlijk allang weten wat ons geweten ons vertelt?

Pomsel legt haar beide handen om haar hals, een gebaar dat het midden houdt tussen een verdediging en een zelfgefabriceerde strop. Dan kijkt ze plotseling recht de camera in: ‘Het is moeilijk (…) aan het einde van de dag denk je toch alleen aan jezelf.’ Is dat echt zo? Is dat wat de mens typeert?

Een van de zeldzame keren dat Pomsel zich opwindt is wanneer ze spreekt over Sophie en Hans Scholl, die pamfletten tegen het nationaalsocialisme verspreidden van verzetsbeweging Die Weiße Rose. Als secretaresse kreeg Pomsel het dossier onverzegeld op haar bureau. Ze veert omhoog, steekt een keurig gemanicuurde vinger in de lucht en zegt met luide stem: ‘Als ze hun mond hadden gehouden, hadden ze nu nog geleefd.’ En doelend op de pamfletten: ‘Alleen maar voor zo’n schijtpapier.’

Sophie Scholl werd geëxecuteerd en naar verluidt waren haar laatste woorden: ‘Hoe kunnen we verwachten dat gerechtigheid de overhand krijgt als er bijna niemand bereid is om zich individueel aan een rechtvaardige zaak over te geven? Zo’n fijne, zonnige dag, en ik moet gaan, maar wat doet mijn dood er toe, als door ons duizenden mensen worden gewekt en tot actie worden aangezet.’

Brunhilde Pomsel werd in elk geval nooit tot actie aangezet. En wij, zo veel jaren later? Hoe zullen wij ooit op ons eigen (niet) handelen terug kijken?

(Met dank aan Liliane Brakema)
Foto: NDSM-werf Amsterdam Noord

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

De duivenkoning

De duiven op de Dam vroegen Moeder Natuur om een koning.

‘Als enigen in het dierrenrijk ontberen wij leiding,’ koerden ze tot vervelens toe. ‘Stuur ons een koning die bij ons past, waar we tegenop kunnen kijken.’

Dus Moeder Natuur, moe geworden van de aanhoudende ontevredenheid, vervulde hun wens. Ze schonk de duiven in haar oneindige genade een vorst.

Aan de achterzijde van het Paleis op de Dam zit hij. Een man met een muisgrijze baard in een lange jas die majesteitelijk rood kleurt. Met lenige, opgetrokken benen en de vingers in elkaar verstrengeld. Een ouwetje, met een tas waarvan de inhoud niet zichtbaar of bekend is, omringd door zijn koninklijke hofhouding van duiven. Het is een absurd gezicht. 

De duiven bezien hun leider met de nodige scepsis.

‘Z’n kop lijkt me leeg, zit er überhaupt iets van wijsheid in?’ vraagt de een zich hardop af.

‘Ik bedoel, die plastic Burger King-kroon geeft onze koning wel iets lulligs,’ fluistert de ander onopvallend.

‘Wat hebben we aan een meester die ons geen raad kan geven, geen inzicht kan verschaffen?’

‘Ik hoop dat er lekkernijen in die tas zitten. Stel je voor: broodkruimels in overvloed,’ jubelt een dikke duif. ‘Nooit meer bedelen op het plein.’  

‘Mensen zijn rovers,’ sneert een vrouwtje. ‘Inhalig als ratten. Let op mijn woorden, kameraad: nog geen kruimel krijgen we!’

‘Er verandert niets aan de kringloop van het leven. Eens bedelaars, altijd bedelaars,’ weet haar echtgenoot te vertellen.

De koning zegt intussen niets. Hij staart glazig voor zich uit en van enige beweging is geen sprake. Het gemor onder het gevogelte neemt toe.  

‘Net een standbeeld, verdomme.’

‘Als het zo doorgaat, kunnen we ’t wel laten.’

‘Verstaat-ie ons wel?’

‘Misschien verroert-ie zich als we op hem schijten.’

De duivenkoning blijft even roerloos als altijd, zittend op de stenen trappen en nagewezen door de voorbijgangers.

‘Volgens mij staan we ontzettend voor lul,’ jammert de duif met de kortste snavel.

‘We zijn de klos,’ concludeert de oudste duif. ‘Geef deze maar aan de meeuwen, die verdienen hem. De meeuw is een foute vogel.’

‘Die jatten altijd het lekkerste vuilnis!’

‘Schorem is het! Geteisem! Weg ermee!’

‘Juist! Naar de meeuwen met dit geraamte!’

‘Wij eisen brood!’  

‘Verwacht hij dat we hier de hele dag rond blijven hangen?’

‘Mooi niet, ik heb wel wat beters te doen.’

‘Ja zeg, het begint langzamerhand ridicuul te worden.’

‘Van het toeristenvolk krijg je meer reactie.’

‘Een stel Japanners heeft een halve hamburger naast de prullenbak gegooid.’ 

‘Ik vlieg ervandoor!’

‘Wacht! Wacht! Kameraden, wacht nou! Volgens mij gaat onze koning iets zeggen.’

En inderdaad, de droge kreukellippen barsten open en er verschijnt een vonkje in de pupillen. Spreek tot ons, nobele heer, spreek tot ons!

Met schorre stem zingt hij: ‘Mááárk… en Róóób… een clóóówn… en een harlekijn.’

Een onbekende en terecht vergeten smartlap op monotone wijze gezongen is waar de duiven het mee moeten doen. Ze vliegen gedesillusioneerd weg, richting de Dam. Daar is het weliswaar druk, maar daar worden ze tenminste gezien en gevoed; al is het door een grillige mensenmeute die het ene moment een vleiend kiekje maakt en etensresten rondstrooit, om het volgende ogenblik dwars door de duivengroep heen te banjeren of ze op een rotschop te trakteren.

De duiven prefereren aandacht boven géén aandacht.

Als mij gevraagd wordt waarom deze bijzondere man, met z’n Burger King-kroon en doffe ogen die niet meer meedoen, op deze merkwaardige plek zit, dan geef ik dit antwoord.

Een betere verklaring heb ik niet, ik ken ook niemand die mij er een kan geven, maar ik sta open voor elke aannemelijke suggestie.

Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

De grote vlucht naar buiten

Vakantie. Een wandeling onder een uitgestrekte hemel, een vervallen huis van gestapeld steen. Raamkozijnen waarvan het hout tot streepjes is weggerot en ingedroogd. Over al die heuvels kijken en denken: wat als vandaag de eerste dag was? Waarmee zou ik dan beginnen?

Het dak, misschien. Als eerste wil je toch een dak dat regen buitenhoudt. Dan verwarming, warm water, elektriciteit, kamers voor de kinderen, internet zodat ook hier gewerkt kan worden. Een bankje voor de deur om al dat uitzicht in je op te nemen.

Ik zou hier kalmer zijn, besef je. Een versie van mezelf waarmee het fijner leven is. Als ik dan op bezoek ging bij vrienden in de grote Nederlandse stad, zouden ze me stil vinden. Ik zou er goed uitzien, ongejaagd en bruin, maar ik zou steeds vroeg naar mijn hotel gaan en een dag eerder vertrekken dan ik had beloofd. Op weg terug in mijn Subaru Forester zou verdriet me overvallen, omdat ik wist dat ik een thuis verloren had.

De afgelopen dagen lees ik I am an Island van Tamsin Calidas. Wie het opzoekt ziet dat het een “waargebeurd verhaal is over het buitengewone vermogen van de natuur om, wanneer je alles verloren hebt, in je behoeften te voorzien. Een magnifiek boek over eenzaamheid, veerkracht en zelfontdekking”.

Ik kocht het omdat ik wilde weten wat nou precies verstaan wordt onder zo’n écht zomerboek, en ben nu halverwege. Dat “magnifieke” weet ik niet zo, want ik heb op de stijl wel wat aan te merken, maar I am an Island is in ieder geval een sloopkogel van een vertelling, die de psychische en fysieke ellende van de hoofdpersoon nauwelijks gefilterd bij de lezer binnenramt. Calidas en partner hoopten – of dit boek helemaal autobiografisch is betwijfel ik – op een ruig eilandparadijs, maar vonden tegenslag en harde buitensluiting.

Wat ik goed snap is de droom, die ik ken en heerlijk vind. Wat ik nauwelijks kan bevatten is de naïviteit die zichtbaar wordt in het volgen ervan. Je moet toch snappen dat je ook op dat eiland jezelf gaat zijn, maar dan onder zwaardere omstandigheden en zonder een sociaal netwerk?

Tot dusver las ik in I am an Island vrijwel niets over het verleden van Calidas. Slechts één keer komt haar broer op het eiland logeren, die al na een paar dagen vertrekt. Dat Calidas’ ouders het zwaar hebben – moeder is dementerende – blijkt tijdens één enkel bezoek, maar er moet nog zoveel meer aan de hand zijn en zijn geweest. Het schijnbare gebrek aan solide banden in Calidas’ verleden is op zijn zachtst gezegd opvallend.

De lezer blijft zitten met het gevoel dat het ‘eilandparadijs’ de hoofdpersoon niet gelokt heeft, maar dat ze er door haar verleden heen gedreven is. Dat ze erheen vluchtte, al voelde ze dat zelf niet.

De eilandbewoners die ze opvoert hebben vrijwel allemaal een hekel aan buitenstaanders. Hoe welkom kon deze plek tijdens haar eerste verkennende bezoek dan overkomen? Hoe komt een mens zo ongevoelig voor afwijzing dat ze besluit zich hier te vestigen? Is ze misschien afwijzing gewend en ervaart ze de houding van de eilanders als normaal?

De eilandmannen zijn seksueel intimiderend. Sinds Calidas’ partner haar op een avond vol huiselijk geweld met twee gebroken handen achter heeft gelaten, komt er zo nu en dan een dronken man langs, midden in de nacht. Calidas laat hem dan binnen en herhaalt een paar keer dat het nu écht te laat is, dat ze écht te moe is voor bezoek. Dit is het gedrag van een getraumatiseerd persoon, die eraan gewend is dat haar grenzen voor anderen niet bestaan.

Een hoofdpersoon als stopverf; deuk na deuk loopt ze op, zonder ooit een tegenbeweging te maken. Ze blijft maar, draagt maar. Het is masochistisch. Ik werd daar ongeduldig van, toen geloofde ik het verhaal niet langer maar bleef toch lezen, nu ben ik vooral boos. Stomme trut, denk ik al lezend. Jezus Christus. Doe normaal.

De woede die de hoofdpersoon moet voelen, gevoeld door de lezer. Ik wilde me in deze column afvragen of dit knap gedaan is van de schrijfster, of dat hier zuivere autobiografie aan de hand is, en het vooral verschrikkelijk is voor de schrijfster. Maar eigenlijk, bedacht ik vanochtend onder het hardlopen, doet dat er niet toe. Het effect is hetzelfde.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Meer blogs

  • Ze moeten wel

    Een regenachtige zomer betekent vooral veel tijd om te lezen. Eindelijk had ik tijd voor Onbehagen: Nieuw licht op de beschaafde mens (2016) van Bas Heijne, waarin hij schetst hoe hij opgroeide ‘in een tijd van vertrouwen en verwachtingen – verwachtingen over groei en gelijkheid’. Het verlichte mensbeeld dus, waarbij het optimisme twee zaken betrof: de in het vooruitzicht gestelde winstmaximalisatie en het idee dat de...
    Lees verder
  • Samen doen

    Hoewel ik toen best vriendjes had, herinner ik me van mijn vroege jeugd vooral de vele uren dat ik rondspeelde in mijn hoofd, al dan niet bijgestaan door huisdieren, knuffels of opstellingen van mijn Playmobil. Enig kind, was ik, en als er mensen kwamen spelen dan was dat leuk, maar kwamen ze niet, dan was...
    Lees verder
  • Mijn Indonesische jaren: De literaire salons

    Van de Indonesische deelnemers aan de literaire salon kan ik behalve Toeti Heraty, die haar gedichten in vertaling voorlas, ook Wiratmo Soekito (1929-2001) en Gerson Poyk (1931-2017) noemen. De eerste was actief geweest als theaterdocent, omroeper, journalist, tijdschriftleider, essayist en schrijver, maar zijn grootste bekendheid verwierf hij als opsteller van het Cultureel Manifest dat in...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Julien Ignacio

    Julien Ignacio (1969) is schrijver en blogger. Hij is redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen. Bij Van Oorschot verscheen in september zijn debuutroman Kus.

  • Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2011 en de Anna Bijns Prijs 2012.

  • Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.