Schrijfles

Zeven jaar geleden begon ik met lesgeven aan de Schrijversvakschool. Dit was na de publicatie van mijn tweede boek; ik was net onderweg als schrijver en daar stond ik, voor tien eerstejaarsstudenten.

‘We zullen elkaar acht keer zien,’ zei ik aan het begin van die eerste les, ‘en ik ga onze tijd samen optimaal gebruiken. Jullie moeten het me maar vergeven als ik er de vaart in zet.’

Alles wat ik geleerd had over, en belangrijk vond in het schrijven van een kortverhaal gooide ik eruit. Het werk van mijn studenten corrigeerde ik meteen al met de fijne pen; ik stelde hoge eisen aan mensen die net begonnen waren. Elke student herinner ik me nog, elk verhaal. Terugdenkend voelde dat lokaal aan de Herengracht als een bubbel sterk verhitte lucht, de wanden en ruiten bolden naar buiten door de druk.

Inmiddels snap ik dat ingrijpen in iemands werk pas zin heeft als de student er klaar voor is, er iets mee kan – dus geef ik de één feedback op een ander niveau dan de ander. Ik snap ook dat die fijne pen pas door een tekst moet als de verhaallijn staat.

Je wilt de modus waarin een verhaal tot stand komt niet verstoren met de modus die daarop hoort te volgen: die van het met kritische bril lezen en dan straktrekken van een volschreven lijn.

Elke maker heeft recht op een veilige ruimte, een atelier in haar hoofd waar ze zich vrij voelt om wegen te verkennen, om te keren, te spelen zonder dat een externe of interne kritische blik haar lamlegt. Feedback is onmisbaar als je de stap wilt maken naar schrijven voor een publiek, maar in de eerste fase, de periode waarin je schept en onderzoekt, moet er vooral vrijheid zijn. Je moet je hoofdpersoon en diens wereld leren kennen, zijn belangrijke ander(en), zijn streven en bovenal zijn stem.

Soms hoor je die stem al bij het schrijven van de eerste zinnen, soms vind je hem pas vlak voordat je verhaallijn rond is. Mijn eigen Dorp is daar een voorbeeld van. Dat is pech, want dan moet je het hele boek herschrijven, maar ook mazzel, want zonder die stem heb je geen écht verhaal.

Schrijvers helpen in hun werk, zorgen dat wat ze te vertellen hebben gelezen wordt zoals ze het bedoelen, vind ik bijna fijner dan het schrijven zelf. Omdat je het sámen doet, omdat hun verhaal er mede dankzij mij komt.

Vorige week zat ik met een nieuwe student – iemand die ik buiten de school begeleid – in een café aan de Nieuwmarkt. Ruim een uur hadden we het we over het verhaal waaraan ze is begonnen. Toen onze tijd erop zat zei ze dat ze ons werk als meditatief ervaren had, dat ze de hele tijd nergens anders aan had gedacht.

‘Same here,’ zei ik, en nam afscheid van haar. Ik bestelde een koffie, mailde de rest van mijn opmerkingen na en staarde een tijdje uit het raam. Mijn volgende afspraak zou zich vanzelf wel melden en in de tussentijd zat ik daar prima, met mijn lege hoofd.

In de bijna vijfendertig jaar dat ik nu voor geld werk heb ik veel dingen aangepakt – barman, poelier, psycholoog, ober, kok, ghostwriter, afwasser, dakwerker, copywriter, redactie, winkelbediende, psychodiagnosticus, manager, cateraar – maar kennelijk laat werk dat écht bij me past me alles om me heen vergeten.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

In de Oorshop

In rotsen grijs: Busreis (I)

Het is een van die dubbeldekkerbussen die in de koloniale tijd van Londen naar Hongkong zijn overgewaaid. Ze gaat achterin zitten, beneden. Haar koffer zet ze naast zich neer. Ze legt haar linkerhand erop. Het is zomer. Buiten is het warm en vochtig. De lucht trilt. Toch lopen er veel mensen op straat. En er is nog meer verkeer. Auto’s toeteren en rijden veel te hard. De buschauffeur trekt snel op, zoals het een Hongkongse chauffeur betaamt. Hij zal straks ook krachtig in de remmen gaan bij de volgende halte.

Hoge gebouwen trekken voorbij. De glazen ruiten glinsteren in de middagzon. Ze is een van de weinigen in de bus die naar buiten kijkt. Ze heeft haar telefoon wel vast, maar ze werpt er slechts af en toe een blik op, als er nieuwe berichten binnenkomen.

De bus stopt bij een halte. Alles schokt door elkaar, maar niemand lijkt het te merken; zo gaat het immers altijd. Er stappen twee jongens in. Eentje heeft een bril op. Allebei dragen ze een mondkapje, zoals iedereen in Hongkong. Ze hebben rugtassen om, de ene een zwarte, de ander een blauwe. Witte T-shirts met Engelse teksten. De jongen met de bril en de zwarte rugtas knikt haar toe en steekt zijn hand op. Zij tikt met haar hand tegen de zijkant van haar hoofd. Hij heet John. De naam van de andere jongen kent ze niet. De twee gaan voorin de bus zitten, naast elkaar.

Heeft John haar koffer gezien? Kan niet anders. Wat denkt hij? Hij liet niets blijken. Ze kijkt naar de achterkant van zijn hoofd. Ze hoort ze praten, maar ze zit te ver weg om te verstaan wat ze zeggen. De prachtige klanken van het Kantonees. Iedereen in Hongkong spreekt Kantonees. Hoe lang nog? Dat vervloekte Mandarijn.

Ze kijkt weer uit het raam. Auto’s en taxi’s passeren de bus en ze herinnert zich twee andere jongens.

Het was net zo’n dag als nu: zonnig, warm, maar veel vrolijker. Ze kwam met de lift naar beneden. Mark en Edward hadden haar gebeld en gezegd dat ze beneden in de hal op haar stonden te wachten. Ze zag hen meteen staan toen ze de lift uitstapte. Zwarte T-shirts. Allebei een petje op. Rugtassen. Maar ze zagen haar niet; er waren veel mensen in de hal. Ze zaten met elkaar te dollen; ze lachten. Ze maakte een omtrekkende beweging om hen van achteren te kunnen verrassen.

‘Boe,’ zei ze.

‘Hé!’ zei Edward. Hij draaide zich naar hen toe.

‘Klaar?’ vroeg Mark.

‘Absoluut.’

‘Laten we dan gaan.’

Ze liepen met zijn drieën naar buiten en volgden de grote groepen mensen die dezelfde kant uitging. Het waren vooral jonge mensen. De menigte zwol aan naarmate ze verder liepen. Algauw hadden ze links en rechts, voor en achter weinig ruimte meer.

‘Wauw, wat een mensen,’ zei ze.

‘Ja, geweldig,’ zei Mark.

‘Faan sung zung!’ riep Edward. ‘Geen uitlevering naar China! Weg met de wet!’

Sommige mensen hadden spandoeken bij zich.

‘Dat hadden wij ook moeten doen,’ zei ze.

‘Ah nee joh, gedoe!’ zei Mark.

De massa groeide en werd steeds dichter en bewoog zich langzamer. Ze liepen langs wolkenkrabbers waarin zich kantoren en restaurants bevonden. Vanaf de grond was niet te zien of er mensen voor de ramen stonden te kijken. Hier en daar begonnen mensen leuzen te roepen, die geestdriftig werden herhaald. Zij schreeuwden mee. 

Ze legt haar hoofd tegen het raam. Ze voelt de trillingen van de bus. Op helikopterbeelden zag ze later pas hoeveel mensen er door die straten waren getrokken. Tienduizenden, het merendeel in het zwart gekleed. Er was optimisme, hoop en euforie: al die jonge mensen die de straat opgingen. Zij waren een tegen China.

In het begin was er geen agressie, in ieder geval niet van hun kant. De politie trad wel hard op: charges, arrestaties en traangas. Eerst af en toe, maar langzamerhand steeds meer. Mark, Edward en zijzelf begonnen zich te tooien in die nu zo karakteristieke kledij: helm, veiligheidsbril, mondkapje. Onherkenbaar. Ze was overal bij geweest. Ze kende het sissen van de traangasgranaten die naar hen werden toegeschoten en door hen werden gedoofd met flesjes water. Waterkanonnen die hen van hun sokken bliezen. De harde klappen van de politie. Ze had vele mensen opgepakt zien worden. Hoe de politie met twee, drie man op een demonstrant doken. Een ging op de benen zitten en een ander op de onderrug om de handen op de rug te binden. De derde zat of stond erbij.

‘Ik ga rustig mee! Ik geef me over!’ schreeuwde een jongen. ‘Jullie hoeven niet op mijn benen te zitten! Ik ga rustig mee!’

De agenten antwoordden niet en drukten het gezicht van de jongen tegen de grond. Ze trokken aan zijn armen.

‘Ik ben een student! Ik ga rustig mee! Die knie hoeft daar niet–’ Weer werd zijn hoofd tegen de grond geduwd.

‘Ik geef me over! Mijn armen!’ Wederom ging zijn hoofd naar de grond.

Deden de agenten expres zo lang over een arrestatie? Was het een tactiek om iemand alvast te breken? Was het om angst in te boezemen bij de omstanders? Toen ze de jongen eindelijk omhoog hesen, huilde hij alleen maar. Hij miste zijn beide voortanden. Er droop bloed uit zijn mond. Het lopen was hij niet langer machtig; ze sleepten hem naar het busje. Zij had de jongen toegeschreeuwd zijn naam te zeggen, zodat ze hem kon wissen uit de verschillende appgroepen. Dan had de politie minder bewijs tegen hem. Maar hij had niet geantwoord.

wordt vervolgd: het tweede deel van ‘Busreis’ zal volgende week op het Tirade-blog worden gepubliceerd

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Dapperen en bangen

Ik vond mezelf terug op een borrel met kookboekenschrijvers. Gilles had me meegenomen, al had ik opgebiecht dat ik mijn maag regelmatig mishandelde met opwarmmaaltijden, bestond bij de gratie van Thuisbezorgd en voor een deel leefde op de restjes van anderen die zich om mij en mijn eetgewoontes bekommerden. Toch mocht ik komen.

Even had ik getwijfeld: een grote groep onbekende mensen, die ontweek ik als het kon. Ongemakkelijk werd ik, angstig, paniekerig zelfs, als ik me in een ruimte bevond met bijna alleen maar mensen die ik niet kende. Ondanks dat had ik toegezegd: het leek me leuk om Gilles weer te zien en ik was toch al bezig met wat angsten te lijf te gaan – niet de grote angsten, maar de kleine, neurotische angsten die me iets te vaak belemmerden. Ik vond mezelf steeds meer een bange, muisachtige man de laatste tijd.

Toen Gilles me even onbeheerd achterliet op de borrel, sloeg de lichte paniek toe en ik voelde die klamme hand om mijn glazen hart toen iemand een praatje met me aanknoopte. De wereld bleek echter niet te vergaan – integendeel, zelfs: het werd een aangenaam gesprek waarin ik maar één keer iets doms uit mijn mond liet ontsnappen. Na een tijdje durfde ik van mijn strategisch gekozen ankerplaats te komen, haalde ik wat drankjes en volgde ik Gilles niet meer als een tragische, irritante labrador met verlatingsangst.

Later werd er tot mijn schrik gedanst – de laatste keer dat ik had gedanst, was een paar jaar geleden. Sinds de barman van de tent waarin ik was had opgemerkt dat ik eruit zag als een standbeeld dat uit zichzelf probeerde te ontsnappen durfde ik niet meer te dansen. Dansen, had ik besloten, was voor de dapperen der aarde en niet voor de bangen.

Toch stond ik na een paar drankjes op en schuifelde naar de dapperen toe. Eerst tikte ik met mijn voet op de maat mee als een verdwaalde muzikant, daarna maakte ik voorzichtige bewegingen met mijn handen als een licht spastische dirigent, en uiteindelijk wiegde ik heel lichtjes met mijn tachtigjarige heupen, maar toch. Het leek verdacht veel op dansen.

Nadat de borrel afgelopen was vroeg Gilles met de fonkeling die altijd achter zijn ogen lijkt te wonen of ik nog naar de Pels wilde voor een afzakkertje. Hij had een fiets met een zitje op de voorstang, drukte me op het hart dat fietsen echt veel sneller was dan lopen én dat hij zwaardere en grotere objecten op die stang had vervoerd – ik betwijfelde het. Zijn kinderen zou hij makkelijk kunnen vervoeren op dat zitje, dat geloofde ik meteen, maar mijn lijf? Dat moest een bijzonder riskante onderneming zijn. Bovendien: ik had al jaren niet meer bij iemand achterop de fiets gedurfd, laat staan voorop.

Ondanks de driedubbele botbreuken, de hersenschudding en de gekneusde ribben die ik in gedachten al had opgelopen, vouwde ik mezelf als een onhandige origami op de voorstang en zette Gilles koers naar het bier. Hij trapte ons behendig door de straten van Amsterdam, alsof hij nooit iets anders had gedaan. We haalden heelhuids de Pels. Ik was buiten adem, al had hij al het zware werk verricht – ik had bijna de hele weg mijn adem ingehouden.

Eenmaal binnen drong het pas goed tot me door dat ik gedurende één avond meer dingen had gedaan die ik eerder niet had gedurfd, dan de weken daarvoor bij elkaar opgeteld. Ik diepte de foto die op de borrel van ons geschoten was uit mijn zak op en zag dat ik er vrolijk, ontspannen en vooral niet bang opstond. Twee dappere, gelukkige, gerustgestelde mannen. Misschien was er nog hoop. Als dit zo door zou gaan, dacht ik bijna angstig, had ik straks niets meer om bang voor te zijn.

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn werk werd gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort.

Cooligan

Op een terras aan de Nieuwmarkt praatte ik met Laura over haar nieuwe boek. Ik had de eerste versie ervan te lezen gekregen en was enthousiast – de best mogelijke uitkomst wanneer een bevriende schrijver om je mening vraagt.

De kritiekpuntjes die ik had sloten aan bij Lau’s eigen vermoedens – de best mogelijke uitkomst voor een schrijver die een vriend om zijn mening vraagt, dus onze afspraak was vooral gezellig.

Toen de serveerster vroeg of we nog iets wilden drinken keek ik op mijn horloge: tijd om de metro te pakken naar Duivendrecht, waar Marisca me zou oppikken om naar Friesland te rijden. Het verdriet van de Zuiderzee, ga erheen als je nog iemand van zijn kaartjes kunt beroven, want de voorstelling is strak uitverkocht.

Op station Nieuwmarkt was het rustig, lijn 54 beloofde er binnen drie minuten zijn. Ik verheugde me op de rit, zocht een muziekje uit voor in mijn oordoppies. Marisca zou broodjes halen bij die fijne Surinaamse zaak naast de Makro; ik hoopte op kippenhart en levertjes, bakkeljauw, zoutvlees met kousenband.

Toen de metro aankwam en vertraagde werd ik een zijwaarts schommelen in de treinstellen gewaar, alsof een groot gewicht zich daarbinnen van de ene naar de andere kant verplaatste. Het piepen van wielen op rails nam af en een gebulder werd waarneembaar. Ik nam mijn audiodopjes uit en deed een stap terug van de rand. De deuren schoven open; niemand stapte uit. Ik liep naar de ingang en keek naar een wand van mannenvlees. Ajaxshirtjes spanden om bovenlijven als condooms om lome strandpikken.

Ritmisch gebrul bulkte door de hal. Ik geloof dat de fans zongen, maar ik kon er geen taal van maken. Omdat ik niet wist wanneer de volgende 54 zou komen en of het daarin rustiger zou zijn, omdat Marisca op me wachtte en die heerlijke broodjes ongetwijfeld al aan het afkoelen waren, stapte ik in. De deuren sloten achter me en smeerden me over twee bezwete ruggen uit.

Ik had nog nooit tussen voetbalfans gestaan. Hoewel het metrostel steeds harder wiegde, het gebrul luider werd en de mannen maat hielden door tegen de ruiten te beuken, voelde ik geen angst. Ook de twee Rangersfans die tussen de Ajacieden stonden leken zich niet bedreigd te voelen, ze zongen eigen clubliederen tegen die van de Amsterdammers in en werden geinend door de meute heen en weer geduwd.

In al die beweging kwam ik steeds verder naar achter te staan. Toen Duivendrecht werd omgeroepen, besefte ik dat mijn halte vóór die van de Bijlmer Arena lag. Hoe zou ik ooit op tijd de deur bereiken? Ik zuchtte, overwoog Marsica te appen dat het toch iets later werd, maar kon mijn armen niet bewegen.

Ik zou hier tussen de marshmallowmannen moeten hangen – mijn voeten raakten de grond niet meer, ik werd hooggehouden in een vleesbankschroef – tot we bij de Arena waren en daarna een metro terug moeten nemen, als station Arena nog geen oorlogszone was geworden. Er zaten barsten in het glazen schot waartegen mijn rug gedrukt werd en de aardman met de sloopkogelknuist naast me was erin geslaagd een diepe afdruk van zijn knokkels over te brengen op het plafond.

De metro vertraagde al voor mijn station toen ik voelde dat er iemand naar me keek. Wat schichtig maakte ik oogcontact met de aardman. Kilootje of 140; het puntje van zijn kale kruin maakte een perfecte gelijkbenige driehoek met zijn schouderkoppen, en ik besefte hoezeer ik de versmalling die een nek heet altijd voor lief genomen had. De pupillen van de man waren verwijd en spierkabels leken te worstelen onder de stoppels op zijn kaken.

Het voelde onverstandig om oogcontact te houden, maar er gebeurde iets achter die zwarte schijven: daarbinnen werden berekeningen gemaakt. De deuren schoven open en de aardman kantelde zijn kop. Zijn wenkbrauwen gingen omhoog, zijn mondhoeken krulden op en ik kreeg de zachtaardigste knipoog die ik ooit van een man ontvangen heb. Een van zijn graafmachineklauwen landde op mijn schouder en met zijn andere hand maakte hij een doorgang vrij tussen zijn stamgenoten, waardoor ik nét op tijd uit de wagon kon stappen.

Op het perron draaide ik me om. Ik wilde hem bedanken, tenminste naar hem zwaaien, maar de deuren gleden toe, de metro trok op, een sleep koele lucht voortrekkend die met me opging tot ik de trappen naar beneden nam. Ik bliepte mijn ov-kaart tegen een poortje en ging buiten op een betonblok zitten. Een minuut later draaide de zwarte Mazda van mijn vriendin de Kiss & Ride op.

Marisca leunde over de passagiersstoel heen en duwde het portier voor me open. Ik rook kippenlever, als ik me niet vergiste ook bakkeljauw. Als die broodjes koud geworden waren, dacht ik, dan zou ik ze vanaf hier nooit kunnen ruiken. Met een huppeltje stapte ik in.

Terwijl we de Kiss & Ride uit reden wenste ik voor het eerst in mijn leven dat een voetbalteam zou winnen. En dik ook. Vier-nul, als zo’n score een mogelijkheid was, bij voetbal.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

In rotsen grijs: Trotse ouders (II)

Bij een grote flat in de New Territories stopte een politieauto. Twee agenten stapten uit. Ze gingen het gebouw binnen en ze namen de lift naar boven. Ze hadden een huiszoekingsbevel bij zich, maar ze hadden van hun chef te horen gekregen dat ze het papier waarschijnlijk niet hoefden te gebruiken; de ouders schenen hen goedgezind te zijn.

Ze liepen de gang in en ze stopten bij een deur. Even wisselden ze een blik: wie van hen zou aanbellen?

Kevins moeder deed open. Zijn vader was niet thuis. Ze nam de agenten zwijgend op. 

‘Mevrouw Ho,’ begon een van de agenten. Maar Kevins moeder had al een stap naar achter gedaan. Ze gebaarde dat ze haar moesten volgen. De agenten keken elkaar opnieuw aan. Ze stapten over de drempel heen en sloten de deur achter zich. Ze veegden hun voeten op de deurmat. Voor hen lag een lange gang met hier en daar een deur. De vloer was van hout. Kevins moeder stond in een van de deuropeningen. Ze liepen naar haar toe. Links van hen was de eetkamer en keuken. Rechts een klein washok. De moeder stond daartegenover, half in Kevins kamertje. Achterin de gang was nog een deur. De slaapkamer van de ouders waarschijnlijk.

‘Dit was zijn kamer,’ zei ze. ‘Ik heb thee. Willen jullie een kopje?’
‘Nee hoor dank u wel,’ zeiden ze vrijwel gelijktijdig. ‘Wij redden ons wel.’
De vrouw knikte en liep naar de eetkamer.

De agenten stapten de kamer binnen. Het was een kleine ruimte. Er stond een eenpersoonsbed en in het verlengde daarvan een kledingkast. Op het nachtkastje lag een laptop, een MacBook Air. Aan de muren hingen posters. De popband Beyond, hun laatste concert. En enkele filmaffiches: Infernal Affairs, In the Mood for Love en Comrades: Almost a Love Story. Ze zaten met plakband aan de muur vast.

Een van de agenten pakte de laptop en stopte hem in een tas. De ander opende de kledingkast. Met de zaklamp op zijn telefoon keek hij wat erin lag. Op het oog alleen maar kleren. Hij tilde de stapel T-shirts op en rommelde tussen de sokken maar vond niks. Hij schoof de kleerhangers met overhemden en nette broeken opzij en hij bevoelde de achterwand van de kast. Hout; er zat niks opgeplakt. Hij draaide zich om naar zijn collega en hij haalde zijn schouders op.

‘Is dit alles?’
‘Mobiel ligt op het bureau.’ Zijn collega haalde ook zijn schouders op en voor de vorm keek hij nog even onder het kussen en onder het dekbed. Daarna schudde hij zijn hoofd.

Ze liepen de gang weer in. De vloer kraakte. De moeder verscheen op de drempel van de eetkamer.

‘Hebben jullie alles?’ vroeg ze.

Ze knikten.

‘Laptop? iPad? Mobiel?’

‘iPad?’ zei een van de agenten. ‘Waar ligt die?’
Ze ging hen voor de kamer in. Ze keek om zich heen. Ze rommelde wat in de kledingkast, maar ook zij vond niks.

‘Dan moet hij hem meegenomen hebben.’
‘Weet u waar hij verbleef?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Oké, dank voor uw hulp.’
Ze liet hen uit. De deur viel in het slot. Ze liep terug naar de eetkamer. Op het aanrecht stond een theepot. Op het vuur stond water te koken.

Ze hoopte dat ze wat aan die laptop hadden. Dat het hen de leiders van de oproerkraaiers bracht. Ze was altijd trots op hem geweest. Hoe hij zijn middelbareschooldiploma kreeg, als een van de besten van zijn klas: heel hoge cijfers. Podium. Kort dankwoord. Applaus. Zij ging lachend met hem op de foto. Hij in zijn eerste pak – wat zag hij er ineens volwassen uit. Hoe hij wel eens meehielp met koken. Uien sneed, dumplings vouwde. Hoe hij rechten ging studeren aan de beste universiteit. Ieder mens maakt fouten. Maar Kevin maakte nooit fouten. Hij was door die terroristen gehersenspoeld en hij moest nu geholpen worden. De overheid zou hem helpen. En alle onruststokers zouden worden opgepakt. Daarna zou hij terugkomen. En ze zou weer trots op hem zijn.

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.

En niet verdwijnen

Ik schrijf een boek waarin ik wegga. Niet ik, mijn hoofdpersoon, maar toch. Een verhaal waarin ik onderzoek wat er met iemand zoals ik aan de hand zou moeten zijn eer hij alles achterliet.

Het wordt een boek over niet bij anderen kunnen horen. Elke bladzijde doet pijn.

Guillaume, die naar een stad in een ander land vertrokken is, stopt met schrijven en keert terug naar de horeca, neemt een oud café in het centrum over omdat ik dat ook zou doen als ik ergens opnieuw beginnen moest, nergens meer aan wilde denken. Natuurlijk heeft zijn vertrek niets opgelost, haalt wie hij is hem in.

Ik onderzoek hoe eenzaamheid door generaties heen werkt, hoe een alleenzijn dat in de oorlog van Guillaume’s grootmoeder begon werd overgedragen op zijn vader en daarna op hem – een afstand tot de wereld waarin alle anderen leven, maar die afstand is ook een kier waardoor een licht naar binnen kan dat de vorm van woorden kiest.

Guillaume’s oma vertelde verhalen aan zijn vader, die liedjes schreef, zelf werd Guillaume dus schrijver.

In eerdere boeken beschreef ik levens die ik al miste bij het tikken van het laatste woord; het was verdrietig om niet meer op die plekken en bij die personages te kunnen zijn. Dat verwacht ik bij Guillaume’s verhaal niet.

Onze zoon Nadim (10) gaat steeds vaker zelf op pad. Hij doet boodschappen voor zijn moeder of voor mij, zoekt vrienden op die in de buurt wonen, haalt kauwgomballen in de Jordaan. Soms zie ik hem op straat, op de blauwe fiets die lang te hoog voor hem was maar waarvan het zadel nu maximaal is opgekrikt. Aan zijn grote voeten draagt hij hagelwitte gympen. Hij kijkt dromerig en hoopvol als hij denkt dat niemand hem ziet.

Mijn hart veert op als hij voorbijkomt maar soms roep ik hem juist niet, wil ik alleen maar naar hem kijken. Wanneer hij om de hoek verdwijnt is er een zoet verdriet, een missen dat mijn longen vult, naar mijn kop stijgt, me een tijdje overneemt. Dit is alles wat Guillaume nog van zijn zoontje heeft.

Even later, als ik thuis aan het werk ben, hoor ik mijn jongen binnenkomen. Hij hangt zijn sleutels altijd aan hetzelfde haakje. Nooit is hij iets kwijt. Hij doet zijn gympen uit, zijn sokkenpassen klinken in de gang.

‘Hier,’ roep ik vanuit het kantoortje. ‘Hier ben ik.’

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Meer blogs

  • Wie nu alleen is

    Ik stond alleen in de Kleine Komedie, terwijl de regen als een slak trieste strepen op het raamwerk trok. Mijn gezelschap had op het laatste moment afgezegd, toen ik al in de trein zat naar de hoofdstad. Voor veel mensen zou dat geen probleem zijn geweest, maar voor mij wel: ik doe eigenlijk zelden iets...
    Lees verder
  • De zee en alles wat daarin is

    Wat een fijne formule is het toch: veertig mensen zitten lekker te eten en te keuvelen en tussen de gangen door vertellen een paar boeiende schrijvers iets over een onderwerp en is er een muzikaal intermezzo. Dinsdag jl. waren de schrijvers Tijs Goldschmidt en Alexander Nieuwenhuis, die spraken over navigatie bij dieren, exoten en de...
    Lees verder
  • De goede reis

    Het was feest. In het mensenaquarium waar vriend Thomas werkt zouden we afscheid nemen van mijn broer die feitelijk mijn zwager is. Thomas haalde ons één voor een op met de lift en liet ons binnen. Zo groot was het kantoor, zo verpletterend het uitzicht over de havens, dat ik niet anders kon dan naar...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.

  • Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.