Emotie bouwen

In 2018 bezocht ik een planning-congres in de Amerikaanse stad Buffalo. Dit soort congressen kenmerken zich meestal door vrij saaie presentaties, met slides vol cijfers die laten zien hoe demografische trends van de afgelopen 75 jaar in een specifieke regio zich verhouden tot de locaties van winkelcentra. Of over investeringen van 50.000 dollar in een paar struiken, die zichtbaar is in de stijgende prijzen van vastgoed in achterstandsbuurten.

Maar dit keer stond er meer op het spel. De polarisatie had ook in de planning toegeslagen. In een sessie over ‘emoties en planning’ werd ons opeens gevraagd om onze gevoelens te delen. Een van de organisatoren vertelde dat zij haar colleges sinds kort begon met het gedicht van Ross Gay, ‘A Small Needful Fact’, over de dood van Eric Garner. Ze vond het belangrijk dat studenten stilstonden bij het feit dat Garner had gewerkt voor de plantsoenendienst, en daarmee onderdeel uitmaakte van het ‘geplande groen’ in de stad. Als je er zo naar kijkt, staat er inderdaad veel op het spel in het gedicht: niet alleen de wrange ironie dat Garner, die de lucht schoner maakte met zijn werk, stierf omdat hij letterlijk geen lucht meer kreeg.  Het gedicht doet ook denken aan de bestuurlijke stadsprocessen die verschillen tussen bevolkingsgroepen zoals arm en rijk uitvergroten, en die de politie tegenover de mensen zetten die ze zou moeten beschermen.

Tijdens de sessie moesten we onze schoenen uitdoen, in een kring gaan zitten en met aandacht naar elkaar luisteren. Er was geen hiërarchie, geen podium, geen PowerPoint, alleen de tijd opereerde als moderator: anderhalf uur later begonnen de volgende sessies.

In deze ‘safe zone’ vertelde een van de deelnemers hoe de inspraakavonden in zijn stad verliepen. Als er een plan op de agenda stond wat de rechtse, anti-overheid-bewoners niet beviel, dan reden zij met vrachtwagens rondjes om het gemeentehuis. De zware brandstofdampen maakten het bijna onmogelijk voor de mensen in het gebouw om zich nog op de bijeenkomst te concentreren. Soms lieten de protesteerders de vrachtwagens staan en liepen ze de bijeenkomst binnen met revolvers aan hun riem, die ze bij binnenkomst voor zich op tafel te legden. Geef dan nog maar eens je mening over de aanleg van meer groen, of over een verandering van parkeerbeleid.

De bijeenkomst maakte veel indruk op me. Vooral omdat ze iets blootlegde wat hier vaak vergeten wordt, of beter gezegd, irrelevant wordt gevonden: planning is emotie. Ruimtelijke veranderingen raken mensen vaak veel dieper dan je denkt. Boeren huilen om verdwijnende landbouwgrond, volkstuinders huilen als hun complex plaatsmaakt voor een woonwijk, wijkbewoners huilen als de sfeer in hun wijk verandert door nieuwbouw of stijgende prijzen, winkeliers huilen om leegstand in hun straten.

‘Huilie huilie, NIMBY NIMBY’ is hier vaak de reactie op. Planners, politici en ontwikkelaars verschuilen zich achter woorden als ‘noodzaak’ of ‘beleidskeuzes’ en vergeten dat ook voor hen planning vaak emotie betekent. Wethouders willen hun erfenis veiligstellen door woningen te realiseren. Ontwikkelaars dromen van grote gebouwen, architecten van ontwerpen die steden veranderen. Trots en faalangst horen bij stedenbouw.

Toch kom je die woorden niet tegen als je de plannen leest van de grote coalitie van 34 bouworganisaties die beweert dat er binnen tien jaar één miljoen woningen kunnen worden gerealiseerd. Overheid: neem de juridische belemmeringen weg, investeer, werk een beetje mee, en dan kan het. Het antwoord in de plannen van de bouwcoalitie op de emoties van de omgeving: over tien jaar is iedereen blij dat de woningen er staan – mensen moeten een huis hebben.

Die plannen roepen dus al meteen weerstand op, nog voor er ook maar één bouwvergunning is aangevraagd. Een miljoen woningen realiseren binnen tien jaar kan alleen door de wijken in te duiken, naar mensen te luisteren, visies en gevoelens uit te wisselen. Je moet je schoenen uitdoen, in een kring gaan zitten, luisteren naar de emoties die de plannen oproepen en er je eigen emoties tegenover stellen.

Is dat een beetje naïef? Ja, waarschijnlijk wel. Het is moeilijk om je de voorzitter van bouwend Nederland, Maxime Verhagen, voor te stellen op een comfortabel zitkussen in een gezellige kring.

Het zou wel minder tijd kosten dan alle rechtszaken en protesten die ons met deze plannen te wachten staan.

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten.

In de Oorshop
  • Nr. 483, 2021
    ‘Darwin speculeerde dat taal voortkwam uit zingen en stelde zich voor dat zij die met Elvis-achtige talenten gezegend waren, makkelijk partners konden aantrekken en daarmee overvloediger het zaad zaaiden van een opeenvolgende generatie begenadigde zangers. Na verloop van tijd zouden hun melodieuze geluiden in woorden zijn veranderd,’ aldus natuurkundige Brian Greene. Voor u hebben wij...
    Lees verder
  • Nr. 482, 2020
    Op de plank. 75 jaar Uitgeverij Van Oorschot Tirade, in 1957 opgericht als het ‘blaadje’ van Uitgeverij Van Oorschot en nog altijd onderdeel van de uitgeverij, viert met dit nummer het 75-jarig bestaan van de uitgeverij. We gaven een batterij schrijvers de opdracht om te kijken welke boeken van Van Oorschot zij op de plank...
    Lees verder
  • Nr. 481, 2020
    Tirade stuurt haar afgezonderde lezers met nummer 481 een pak brieven toe, zoals altijd in de vorm van nieuw en bijzonder literair werk. De onlangs gedebuteerde Jack de Boer beschrijft in een indrukwekkend essay hoe het coronavirus zijn werk als schoolmeester in de war schopte. Redacteur Anja Sicking herlas Mary Shelley’s Frankenstein en reflecteert op...
    Lees verder
  • Nr. 480, 2020
    In Tirade 480 sprankelende nieuwe poëzie van Tonnus Oosterhoff en van schrijfster en beeldend kunstenares Maria Barnas, en van Twan Schenkels, Merlijn Huntjens en Hanz Mirck. De kersverse Libris-winnaar Sander Kollaard schreef een essay over Onderdak, de tweede roman van Elisabeth van Nimwegen. Andere essays zijn er van Guido van Hengel, over straathonden in voormalig...
    Lees verder
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder

Sommige dingen veranderen nooit

Er was een tijd waarin je door de stad slenterde, er vanuit een café gezelligheid klonk en je spontaan besloot binnen te gaan – een tijd waarin dat gewoon kon. Geen anderhalve meter, geen vragenlijsten over verkoudheidsklachten, geen zorgen over met wie je was en bij wie je aanschoof. De laatste tijd denk ik steeds vaker: was dit het dan, een virus dat even onze realiteit overhoop hoestte en wij, die achterbleven met de stukgewassen handen in het haar? Wie het weet mag het niet zeggen – de wens is de vader van de gedachte.  

Laatst slenterde ik, sinds lange tijd, weer eens door mijn stad. De straten verzuchtten leegte en een bruisende ongeduldigheid. Na een omweg kwam ik in de straat van mijn stamcafé, Van Zanten. Waar voorheen altijd muziek en dronkenmanspraat klonk in de straat, was het nu bijna stil. Een grote vrachtwagen loste meubels tegenover het café, waarschijnlijk van een nieuwe bewoonster van het studentenhuis. Achter de vrachtwagen zou normaal een lange file zijn ontstaan, maar dat was vandaag niet het geval, integendeel. Eén behendige en onbevreesde fietser scheurde langszij, maar dat was alles. Twee kleerkasten van verhuizers sjouwden geroutineerd de meubeltjes naar binnen en een meisje met een plantenbak, met daarin wijlen een plant, volgde.  

Ruim een jaar geleden was er in deze straat wel een bescheiden file ontstaan: ik was met mijn dronkenmansbenen overgestoken en bijna gelanceerd door een uitgerangeerde Citroën, die een noodstop moest maken. Achter de wagen had zich snel een kleine opstopping gevormd van drie automobilisten die kennelijk nog ergens moesten zijn tegen middernacht. Iedereen moet ergens zijn, zoals Tjitske Jansen schreef, maar deze automobilisten vonden duidelijk dat zij nog méér ergens moesten zijn dan anderen, want ze claxonneerden alsof hun leven er vanaf hing.

In het snelle, vluchtige verleden had ik vaak het verlangen om even nergens te zijn: altijd waren we maar ergens haastig naar op weg, nooit naar nergens, zoals Klaas Delrue van de Vlaamse band Yevgueni zong. De laatste tijd heb ik steeds vaker het gevoel dat ik nergens ben – mijn huis, waar ik inmiddels iedere vierkante centimeter van het behang ken, is nergens geworden, een vacuüm van niets. Ik heb heimwee naar de haast, de chaos en de stress die ik vroeger zo graag wilde missen.

Na mijn bijna-doodervaring, waar ik overigens weinig van had meegekregen, stak een oude, kalende man zijn hoofd, dat sprekend op een bowlingbal leek, uit het raampje en toonde mij zijn bijzonder korte middelvinger. Ik verontschuldigde me met mijn eigen, nog kleinere middelvinger en zette in een allesbehalve rechte lijn mijn zoektocht naar mijn fiets weer voort. Het liep – los van mijn trouwe hoopje schroot op uitgerold rubber, dat ik nooit meer heb teruggevonden – goed af.

De ramen waardoor je vroeger mensen van de meest uiteenlopende pluimage zag discussiëren, en bovenal drinken, zijn omgetoverd tot prachtige kijkdozen. Voor de ingang van het café is een hokje geplaatst, dat me doet denken aan het hokje dat altijd voor de ingang van een circus stond en waar ik als kind gespannen mijn kaartje liet knippen. In plaats van anderhalf uur acrobaten, clowns en trapezeartiesten, geeft dit hokje toegang tot eten en drinken dat je af kan halen. De altijd charmante barman zingt een lied op gitaar, maakt een praatje en geeft de bestelling door.

De veerkracht, het enthousiasme en de innovatie van het cafépersoneel is bewonderenswaardig, maar toch klopt er voor mij iets niet. Ik mis het gedempte licht, de muren die bruin waren gekleurd van een ver, rokend verleden en de mensen die als levend behang bij het interieur waren gaan horen. Het café was een wereld apart, een veilige haven, een tweede thuis en ik zou niet meer weten hoe ik daar zou moeten geraken, laat staan hoe ik weer thuis zou moeten komen – en ik had niet eens gedronken. Het micro-universum dat Van Zanten heet is even nergens, opgeslokt door hetzelfde vacuüm van niets dat ook mijn huis al te grazen nam.   

Stiekem hoopte ik dat er nog een tweede werkelijkheid naast de huidige was en dat ik, net zoals in Harry Potter, maar hard genoeg tegen een muur hoefde aan te lopen en dat de ‘ergensheid’, die nu eigenlijk nergens is, me dan zou insluiten. Dat ik dan in een vol café zou staan tussen echte mensen, die niet uit pixels en haperende microfoons bestonden. De kans op een bloedneus, een hersenschudding en een krantenkop (‘Verwarde man raakt bewusteloos na kopstoot aan blinde muur’) leek me groter dan een kans van slagen, dus besloot ik alleen maar wat weemoedig te staren naar de gevel van het café. Ik stond midden op de weg en dacht aan alle mooie momenten die zich hadden afgespeeld in en rondom die ruimte – dat waren er veel, en waarschijnlijk heb ik de helft niet eens onthouden.

Na een tijdje schrok ik wakker van een schelle, agressieve claxon. Een oude, kalende man in een uitgerangeerde Citroën – of het dezelfde man was, weet ik niet, maar het kan bijna niet anders – hing uit het zijraampje en toonde mij zijn middelvinger, die nu wat meer op een dik, klein worstje leek. Het bleek dat ik nog steeds midden op de weg stond. Er had zich zelfs een kleine file van Thuisbezorgd-scooters achter hem gevormd.

Ik lachte vriendelijk, bijna dankbaar terug en knikte. Met een souplesse die ik alleen heb als ik nuchter ben sprong ik op het trottoir en stak ik mijn hand op naar de vijftigplusser in zijn uitstootmonster. Mijn pacifistische reactie leek hem niet te deren, want hij reed in een rotgang langs me heen, zijn braadworstvinger fier tentoonstellend uit het raampje. Zo verdween hij uit het straatbeeld.

Sommige dingen veranderen nooit, dacht ik. En daar klamp ik me maar aan vast.

Foto: Kafé Van Zanten.

Twan Vet

Twan Vet (1998) publiceerde eerder gedichten op o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote. Dit jaar is hij Ambassadeur van de Vrijheid van het Bevrijdingsfestival Utrecht.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Driemaal dood op de Dam

Op een winderige dag stond ik op de Dam met een groot achtkantig bord. Daar stond op: ‘Zolang er systemisch racisme is, staat hier iemand’. Er liep winkelend publiek voorbij – het was juni 2020, toen moest de ‘tweede golf’ nog komen.

Ik stond daar om mij uit te spreken, om de strijd tegen racisme te steunen. Daar ging nog heel wat twijfel aan vooraf. Welke openbare ruimte zoek ik voor mijn steunbetuiging? Ik twijfelde vooral ook over het internet. Luisteren we in de online meningenmachine wel echt naar elkaar? Is de discussie daar niet regelmatig veel te verhit? Ik stuitte op het initiatief #zolanghetnodigis. En dus stond ik met dat bord op de Dam.

Een stel liep langs en stak de duim op. Een vader duwde zijn kortgeschoren zoontje tegen zich aan, alsof ik met dat bord een mep zou uitdelen. Nee hoor, ik stond even stil als het levende standbeeld van de Dood een eindje verderop. Uit zijn mond hing een gigantische joint. Aan de overkant was inmiddels een Palestijnse éénpersoons-demonstratie gestart, gadegeslagen door een man met een Israëlische vlag. De politie arriveerde, evenals een tweede Magere Hein. Verdienen levende standbeelden eigenlijk nog wel wat tijdens een wereldwijde pandemie?

Een man koerste dwars over het plein op mij af. Of ik hem kon uitleggen wat ik met ‘systemisch’ bedoelde. Ik wilde zeggen dat het wat mij betreft gaat over systematische discriminatie vanuit instanties, maar ook over gedragspatronen van mensen in het algemeen, maar de man was al begonnen aan een lang betoog. De kern was dat er op mijn bord ‘endemisch’ had moeten staan. Ik vroeg me hardop af of we de kwestie wel moeten terugbrengen tot een semantisch vraagstuk. Hij riep dat ik closed-minded was en beende weg.

De man met vlag kwam op me af en zei dat hij beter wist dan wie dan ook wat racisme is. En dat we vandaag de dag alles maar op een grote hoop gooien. Ik vroeg hem wat hij daarmee bedoelde; hij antwoordde niet en hernam met wapperende vlag zijn ronde. Een stel met kinderzitjes achter op de fiets stopte met piepende remmen voor mijn neus.

Ik was voorbereid op ongemakkelijke gesprekken, maar niet op deze woede. Het stel schreeuwde mij in het gezicht dat ik een cultuurmarxist was die blanke boeren in Zuid-Afrika aan de boom wilde opknopen. Ik zei dat ik in elk geval anderhalve meter afstand wilde houden. Op luide toon werd mij verweten lid te zijn van de racismegestapo die alles dwangmatig met bruine verf wil overgieten en zelfs koffiedrinken slavernij noemt. Deze twee mensen kwamen niet voor een dialoog.

Aan de overkant werd de man met de vlag weggestuurd door de agenten, en een derde Dood betrad het strijdtoneel. Gemoedelijk knoopte hij een praatje aan met zijn confrères. De man met het kinderzitje op zijn fiets schreeuwde dat de tractorboeren mij, als feministenhoer, maar eens moesten trakteren op een bezoekje. Dan zou ik wel anders piepen. Of helemaal niet meer. Nog beter.

Werd mij hier nu serieus de dood aangezegd? Mijn twijfel en verwarring namen in dat uur op de Dam alleen maar toe. Waarom liepen de emoties zo hoog op? Waarom waren deze mensen zo boos terwijl ze tegelijkertijd leken te ontkennen dat racisme bestaat? Niet alleen online, maar ook in het echt hebben we blijkbaar grote moeite te luisteren naar andere meningen. Hoe voeren we een gesprek over racisme? Ondertussen staat er nog steeds iemand met dit bord op de Dam.

(De foto toont de Engelstalige versie van het protestbord: op de andere kant staat de tekst in het Nederlands. Toen de derde Dood zich aandiende was de sfeer helaas niet meer zo geschikt om nog een foto te nemen.)

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

Meer blogs

  • Ik kwam hier vroeger nooit

    Ik ben een brave jongvolwassene. Ik feest niet, ik shop niet, ik groepssport niet. Nauwelijks ga ik meer bij vrienden langs, en elke keer als ik dan toch thuiskom van zo’n bezoek voel ik een placebo-vernauwing in mijn ribbenkast. Wat is er dan nog? Wandelen. Dus dat doe ik. Ik woon op de NDSM-werf in...
    Lees verder
  • Harmon, Karpov en Kasparov

    In de kerstvakantie doken ze opeens op in huize V, de schaakspelen: een groot bord met officiële Staunton-stukken, een magnetisch miniatuurexemplaar van Sovjet-fabricaat, digitale op phones en tablets. De eerste twee hadden al decennia het levenslicht niet gezien, maar waren dankzij de avonturen van Beth Harmon in de Netflix-serie The Queen’s Gambit afgestoft en opeens...
    Lees verder
  • De ernst

    Een nog nauwelijks beschreven gevolg van de pandemie waar ik de laatste dagen met mijn neus op gedrukt word is toch wel de geleidelijk toegenomen ernst. Alsof er elke dag dat deze ellende voortduurde een klein gewicht in mijn zakken is gestopt, een invers-zakenrollen dat je – zoals bij een echt bedreven zakkenroller – pas...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

Revolusi – Een belangrijk boek

In 1999 heb ik een nacht op een boot doorgebracht die de ‘binnenzee’ van Sulawesi in Indonesië overstak. Ik denk dat de boot van Gorontalo naar Poso voer. Ik had een leuk gesprek met een heel oude man, Alex, die er blijkbaar plezier in had om met een jonge onwetende gozer Nederlands te spreken. Een heel mooi Nederlands vol ‘vermitsen’, ‘mitsgaders’, ‘edochs’ etc. De man zal toen eind tachtig, begin negentig zijn geweest.

In Indonesië heb ik me, de paar keer dat ik er rondgereisd heb, intens thuis gevoeld. Ik heb geen familiale geschiedenis daar maar las altijd graag alles wat los en vast zat over dat land en haar geschiedenis. Nu heb ik Revolusi van David van Reybrouck gelezen en voel ik een lichte afkeer jegens mijn opleiding: dat ik nooit heb geweten wat ik had moeten weten om met die meneer een fatsoenlijk gesprek te voeren. Waarom ben ik in godsnaam een halve specialist geworden in de Hollandse Opstand, het Humanisme, de 17e eeuw, de ‘moedige’ Nederlanders in verzet in de Tweede Wereldoorlog, alleen op mijn middelbare school al… maar ken ik pas heel recent de naam Sjahrir, weet ik maar sinds kort wat er precies gebeurde tussen pakweg 1930 en 1949 in Indonesië?

Ik begon Van Reybroucks boek met zekere reserve, die ik kort samenvat als een angst voor mooischrijverij. En inderdaad: in de uiterste marges van het boek — de eerste en de laatste vijf bladzijden — is het naar mijn smaak iets te mooi. Maar laat ik mij haasten te melden dat die reserve volstrekt verdampte in de overige 98% van het boek. Het is een wonder van gedegen onderzoek. Eindeloos veel gesprekken met oude mannen en vrouwen in verpleeghuizen — in Velzen, in Tokio, op de Molukken, op Java.

Als uitgever vraag ik me af hoe je een dergelijk project hebt kunnen financieren! Dus ik buig heel diep voor Van Reybrouck en voor De Bezige Bij. Ik vind dat we verplicht zijn, aan wat er over is van onze eer, het boek een groter succes te maken dan Congo.

Van Reybrouck heeft zijn geweldige onderzoek ook geweldig neergeschreven. Een paar narratieve trucjes zijn interessant. Je verdwaalt nooit in de getuigenissen, omdat Van Reybrouck bij de eerste verschijning van een getuige hem of haar aan iets koppelt wat we kunnen onthouden, zoals ‘de man die met zijn Japanse buurman had gezwommen’. En steeds wanneer we die getuige weer aan het woord horen herhaalt hij die kleine herinneringseigenschap. Zo weten we van die tientallen getuigen, die tientallen malen aangehaald worden, toch steeds wie wie is. Dat is knap gedaan.

In het begin van het boek vergelijkt Van Reybrouck de standenmaatschapij in Nederlands-Indië met een passagiersschip, waar je eerste, tweede of derde deck bent. Hij blijft hier naar verwijzen door het boek heen, en het werkt heel goed.

Het zijn maar twee technische zaken in een verhaal, over onze geschiedenis, dat zijn weerga niet kent, dat ieder van ons decennia eerder had moeten weten. Maar dat we nu tenminste kunnen weten. Wij zijn thuis een driegenerationele leesclub gestart over het boek. Zo’n boek is het.

Een diepe buiging dus, voor Van Reybrouck en De Bezige Bij!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Zuurzak

In de centrale markthal aan de oever van de Surinamerivier in Paramaribo stond één enkele dame die zuurzakken verkocht. Er is niet veel grootschalige landbouw in Suriname. De meeste verkopers voeren zelfverbouwde groenten en fruit van wat men kostgrondjes noemt. Een soort volkstuinen.

De zuurzak, ook wel bekend onder de naam guanabana, is een fenomenale vrucht. Donkergroen en nogal vijandig ogend, is het een van de dingen die mijn dag een paar tandjes verder de lucht in kunnen tillen, en tijdens mijn dagelijkse ritje naar de markt fantaseerde ik altijd al over wat er voor exemplaren zouden liggen.

Het uitzoeken van een goede zuurzak is een taak voor kenners. In het begin moet je blind varen op het advies van een vertrouwde verkoper – die krengen zijn hartstikke duur – en pas na een heleboel aanschaffen begin je zelf gevoel te krijgen voor wat nou een fantastische vrucht gaat zijn.

Ze zijn altijd groen, en bij de betere kramen mag je ze niet aanraken. Een zuurzak is alleen maar lekker als hij perfect gerijpt is, en dat rijpen begint pas na de pluk. Hoe je de vrucht behandelt terwijl een proces van nobele rotting een zuur en droog vruchtvlees langzaam omzet in iets hemels is van het grootste belang. Idealiter raak je ze niet aan en vervoer je ze niet. De minste buts of beschadiging kan zorgen voor een verschrikkelijk grijszwart soort rotting, die voor de liefhebber die dagenlang geduldig heeft gewacht op het perfecte moment het best te vergelijken is met een klap in het gezicht van een ijskoude, natte en eeltige bouwvakkershand.

Sinds ik lesgeef in de Pijp – waarover later zeker meer – maak ik op de terugweg naar huis altijd een slinger over de Cuyp, die verschrikkelijk veranderd is sinds ik er woonde, maar waar je goddank nog steeds ideale vis kunt vinden, en zo nu en dan een exotische schat. Deze week kocht ik oker bij de overmatig gedienstige man in het souterrain, en liet mijn oog vallen op een bordje dat zuurzakken adverteerde.

‘U heeft zuurzak?’ zei ik, opeens zes jaar oud en jarig.

‘Baas, ik heb zeker zuurzak voor u. Absoluut.’

Het ongemak dat me bekruipt wanneer een nazaat van een door mijn land uitgebuite me zo aanspreekt is als een mes tegen mijn keel: ik kan niet meer normaal bewegen. Mijn kindse geluk en de opgedrongen gêne vertroebelden mijn blik. Lang verhaal kort is dat ik een vrucht van vierentwintig euro kocht. Een schijntje, als je in koloniale restitutie denkt.

Thuis begon de onrust. Zou ik hem nog even laten liggen? Maar wat als Ada erin porde? Als Nadim er met zijn klamme tengels in kneep? Na het eten, na de afwas, na het uitlaten van de hond, besefte ik dat er geen rust zou zijn voordat de vrucht was doorgesneden, leeggehaald met een lepel en geportioneerd voor in de vriezer. Hoewel van invriezen nooit iets komt, dacht ik terwijl ik het juiste mes uitzocht, de zoete snijplank afspoelde.

Ik legde een vochtige doek op de werkbank, drukte de plank erop. Ik bevoelde het scherp van mijn mes en rilde een beetje, zoals dat hoort bij echt scherpe messen. Ik legde het mes terzijde en reikte met twee handen naar de vrucht, die sinds mijn thuiskomst op een bedje van bubbelplastic had gechambreerd.

Heer, sta me bij, ging het in mijn hoofd terwijl ik het lemmet op de groene huid zette. Ik rook de waterkant, hoorde de kooplui roepen in het sranangtongo. Zag de visvrouwen die hele baarzen schoonmaakten met hun bijltjes. Pezig, serieel werk: van een beest van acht kilo naar een hoopje trapoen met een prijsbordje ervoor in minder dan twee minuten.

Maar goed. Rot als een broodje gier, die zuurzak. Deze baas gaat morgen verhaal halen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Stijl en stem

Soms is een enkele bladzijde genoeg om je een glasheldere indruk van een tot dan toe onbekende schrijver te geven. Een dergelijke schokkende kennismaking is een bijzonder, maar zeldzaam genoegen, waar je als lezer op teert of naar kunt verlangen. Op zo’n moment raak je weer doordrongen van het unieke vermogen van literatuur om twee vreemde individuen met elkaar in contact te brengen.

Ik denk daarbij zelf aan de gevleugelde woorden van Lodewijk van Deyssel (1864-1952) uit Over literatuur (1886), die gerust genderneutraal gelezen mogen worden:

‘Ik houd van het proza, dat als een man op mij toekomt, met schitterende oogen, met een luide stem, ademend, en met groote gebaren van handen. Ik wil den schrijver er in zien lachen en schreyen, hooren fluisteren en roepen, voelen zuchten en hijgen. Ik wil, dat zijn taal als een tastbaar en klinkend organisme voor mij opdoeme, ik wil dat, als ik hem lees op mijn kamer, hij mij, uit zijn voor mijn oog bevende letters, een geest doe gewaarworden, die mij nadert en van zijn blad zijden uit in mij op schijnt te varen.’

Een vergelijkbare ervaring had ik toen ik voor het eerst een verhaal van Sofie Lakmaker (1994) las. In 2018 kreeg ik als recensent toevallig de eerste Sampler van Das Mag in handen, waar haar debuut in stond. Ik was meteen getroffen door de aparte toon, de rauwe, persoonlijke inhoud en de wilde bravoure die van de vertelling afspatte. Dat heb ik maar zo direct mogelijk geprobeerd op te schrijven, en via die lofbetuiging raakten we aan de praat. Zo kwam het dat Sofie de afgelopen twaalf maanden tweemaal verhalen instuurde voor Tirade (te vinden in nummer 479 en 483), en dat ik het manuscript las van wat haar debuutroman zou worden: De geschiedenis van mijn seksualiteit (2021).

Het boek verscheen in februari, en dat zal veel lezers niet ontgaan zijn. De roman kreeg een paar lyrische besprekingen, de schrijver schoof aan bij een paar tv-programma’s, de Duitse vertaalrechten zijn al verkocht. Steeds werd – terecht – onderstreept hoe belangrijk en actueel het verhaal is. De geschiedenis van mijn seksualiteit gaat over Sofie Lakmaker, een jonge vrouw die niet goed weet hoevéél vrouw ze wil zijn, en die zich na een twijfelachtige periode van heteroseksualiteit op rommelige, vaak aandoenlijke wijze wereldwijs maakt in de wereld van lesbische seks en liefde.

De psychologische grondlaag van het boek raakt in dergelijke samenvattingen snel buiten beeld. Sofie Lakmaker schrijft namelijk ook om zichzelf te leren kennen en vorm te geven. De worstelingen met seksualiteit, en vooral intimiteit, hangen samen met de kwetsbaarheid van haar persoon. Ze komt naar voren als iemand die simultaan snakt naar erkenning en geteisterd wordt door de veroordelende blikken van anderen, en daarom voortdurend zelfbewust en gespannen is. Daarnaast wordt het verhaal getekend door familietrauma’s en rouw: ze beschrijft bijvoorbeeld hartverscheurend hoe haar moeder, wier Joodse vader blijkbaar in of na de Tweede Wereldoorlog zelfmoord beging, na jarenlange ziekte sterft aan kanker.

Ik wil het in het bijzonder hebben over de persoonlijke stem van de schrijver. Toon, stem, karakter – in literatuur moet het allemaal voortkomen uit de taal, waardoor het altijd het product van stijl is. Voor een recensent is het meestal verrekt lastig om te benoemen hoe dat in zijn werk gaat, waardoor het vaak achterwege blijft, maar als klein eerbetoon aan de stilist die Sofie Lakmaker ook is, wil ik hier toch een poging wagen.

De toon van De geschiedenis van mijn seksualiteit is conversationeel, alsof de schrijver direct tegen je aan zit te praten. Dat komt volgens mij door het veelvuldig gebruik van de directe aanspreekvorm, ook wel de apostrof. Het boek wemelt van zinsneden als ‘Weet je wat het is?’, ‘Geloof mij maar’, ‘hè?’ en ‘snap je?’, waarmee de aandacht op het vertellen zelf wordt gevestigd. De schrijver zakt niet weg in haar verhaal, maar blijft erboven hangen om nadruk te leggen en te sturen.

Dit gebeurt op vergelijkbare wijze in The Catcher in the Rye (1951) van J.D. Salinger (1919-2010), waar Lakmaker mogelijk de mosterd vandaan heeft gehaald. Ze noemt het boek immers meermaals, evenals Blauwe maandagen (1994) van Arnon Grunberg (1971). Grunbergs onderkoelde, aforistische stijl heeft ze echter bepaald niet overgenomen. In De geschiedenis van mijn seksualiteit is er eerder sprake van een talig teveel, van zinnen die almaar over elkaar heen blijven buitelen.

Een belangrijk stijlkenmerk van Sofie Lakmaker is haar ritmische interpunctie. Waar de dubbele punt over het algemeen gebruikt wordt om een toelichting of een citaat in te luiden, wordt het teken hier vaak aangewend om zinnen op te breken en pauzes in te lassen. En hoewel de ronduit anarchistische benadering van leestekens en lettertypes uit het Sampler-verhaal hier enigszins lijkt te zijn ingedamd, worden streepjes, punten, komma’s en cursiveringen ook hier geheel vrijzinnig ingezet om de innerlijke stem van de schrijver zo nauwkeurig mogelijk na te bootsen:

‘En er komt een dag dat ze je inhalen: die spiegels. Ze halen je onvermijdelijk in, en dan zie je wat je eigenlijk bent: net iets te blond, net iets te dun, net iets te fragiel. En ik beloof het je – er is maar één ding dat je op zo’n moment tegen jezelf kunt zeggen en dat is: ‘It’s not your fault, it’s not your fault, it’s not your fault.’ Want het ís jouw schuld niet, maar van al die mensen die het nooit hardop zo hebben gezegd maar wel langzaam maar zeker door je strot hebben geduwd.’

Ritme is de stuwende kracht van dit proza: zoals de humor steunt op uitstekend geplaatste punchlines, zo worden de meest emotionele momenten geïntensiveerd door herhalingen, accenten en onverwachte wendingen:

‘Ik heb bijzonder weinig wijsheden voor jullie in petto, enkel deze: dat dat het ergste is. Niet de dood, die is er niet, er bestaat alleen leven. Het ergste is de eenzaamheid, dat is ook altijd het ergste geweest en er zal nooit iets ergers komen.’

Of dit het resultaat is van noeste oefening of natuurtalent maakt uiteindelijk niet zoveel uit. Het resultaat is een eigenzinnig, oorspronkelijk en energiek relaas, dat middels de taal een levend mens laat zien. Salinger, Grunberg, Wolkers (voeg maar toe: Reve, Meulenbelt, Lanoye, Mizee) – al die vergelijkingen gaan uiteindelijk mank: in dit boek, dat alle lof en aandacht verdient, is het in de eerste en de laatste plaats Sofie Lakmaker die zichzelf toont.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.