Al het zichtbare gaat open

De sekswerkers gaan de straat op om weer aan het werk te kunnen. Ze zijn de stilstand zat. Ik loop vaak over de Wallen naar mijn werk. Als ik aan sekswerkers denk kom ik snel uit bij twee zaken, nu drie. De eerste is: ik heb altijd in de binnenstad gewoond, toen ik 21 was heb ik met een vriend op een caféterras geklokt hoe lang de mannen meestal binnen waren. Zes minuten. Dat vond ik verbijsterend. Later leerde ik Paul Léautaud kennen die een goed deel van zijn leven in de onmiddellijke nabijheid van heel veel Moulin Rouge meisjes doorbracht en schitterend over hen schreef. Mijn meest recente ontdekking is Aleksandar Tišma, die schrijft over Novi Sad een stad in het voormalige Joegoslavië. Ik las pas twee boeken, maar ze werken als breinwormen: blijven in je denken terugkomen en steeds intensiever. Zijn Die wij liefhebben doet iets wonderlijks: het is een volstrekt van elke erotiek gespeend relaas over verschillende ‘huizen’ in Novi Sad. De meisjes, de klanten, de madames die een kamer regelen. Zoals ook verhalen van Tišma doen ze eerst niet zo bijzonder aan, maar hebben ze de neiging je onbewust weken bezig te houden, een heel mooi vasthoudend soort onnadrukkelijkheid, niet tragisch, maar nauwkeurig waargenomen. Wat gebeurt er precies in dit boek? Ik zou het niet weten, en toch denk ik beter te begrijpen wat er op de wallen plaatsvindt. Met zichzelf verstrengeld zijn. In zijn soort is dit instinctief schrijven, of preciezer: het componeren van langzaam loskomende betekenis, vergelijkbaar met wat Hans Faverey altijd doet: ook hij schrijft op zo’n wijze dat je er dagenlang niet los van komt. deze bijvoorbeeld:

Hetzelfde stukje bos dat ik ben

ingelopen, laatst.
Een kruisbessenstruik

staat daar. Daar is ook

een jonge esdoorn: die ik met zich
had verstrengeld. Al het zichtbare
gaat open, vervolgt mijn weg.
Het ontbreekt mij aan niets;

en ik ben niet ongelukkig.

Niettemin: op wieken wil komen
de stilstand
der dingen in mij.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop
  • Nr. 482, 2020
    Op de plank. 75 jaar Uitgeverij Van Oorschot Tirade, in 1957 opgericht als het ‘blaadje’ van Uitgeverij Van Oorschot en nog altijd onderdeel van de uitgeverij, viert met dit nummer het 75-jarig bestaan van de uitgeverij. We gaven een batterij schrijvers de opdracht om te kijken welke boeken van Van Oorschot zij op de plank...
    Lees verder
  • Nr. 481, 2020
    Tirade stuurt haar afgezonderde lezers met nummer 481 een pak brieven toe, zoals altijd in de vorm van nieuw en bijzonder literair werk. De onlangs gedebuteerde Jack de Boer beschrijft in een indrukwekkend essay hoe het coronavirus zijn werk als schoolmeester in de war schopte. Redacteur Anja Sicking herlas Mary Shelley’s Frankenstein en reflecteert op...
    Lees verder
  • Nr. 480, 2020
    In Tirade 480 sprankelende nieuwe poëzie van Tonnus Oosterhoff en van schrijfster en beeldend kunstenares Maria Barnas, en van Twan Schenkels, Merlijn Huntjens en Hanz Mirck. De kersverse Libris-winnaar Sander Kollaard schreef een essay over Onderdak, de tweede roman van Elisabeth van Nimwegen. Andere essays zijn er van Guido van Hengel, over straathonden in voormalig...
    Lees verder
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder
  • Nr. 450, 2013
    Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden. Met bijdragen van: Joop Goudsblom P.F. Thomése Franca Treur A.H.J. Dautzenberg Gilles van der Loo Tomas Lieske Marita Mathijsen Frits Abrahams Detlev van Heest Henk Broekhuis Binnert de Beaufort Roos van Rijswijk Walter van den Berg Maria Barnas Marko...
    Lees verder

Nectar

Op een van de late feestjes die kennissen van Gijs organiseerden in een loodsvormig café aan de rand van wat IJburg zou worden, kwam Issa Julie weer tegen. Bij wijze van groet stompte ze hem met zoveel kracht op zijn schouder dat de wodka en het bier dat hij vasthield over de rand van hun glas klotsten. In het midden van de dansvloer sprongen Arie en Boris met hun armen over elkaars schouders rond, waardoor hun koppen bij elke beat te zien waren. Rood spotlicht versplinterde op het steile vlak van Aries bezwete voorhoofd.

Julie pakte de wodka van Issa af en nipte, haar heup tegen de zijne gedrukt alsof ze al jaren zo stonden wanneer het uitkwam. Issa had nu een hand vrij en legde die om Julies middel. Boven het ruwe leer van haar spijkerschort raakte zijn wijsvinger haar naakte buik.

Gijs verscheen met een pen in zijn borstzak en het koele aura van de lange fietstocht uit Zeppos om zich heen. Hij kuste Issa en leek te twijfelen hoe hij Julie zou begroeten, maar Julie pakte hem bij zijn oren, trok hem naar zich toe en zoende hem vol op de mond. Daarna stuurde ze hem weg om bier te halen. Julie pulkte iets uit een vakje van haar schort en even later lagen er twee blauwe tabletjes op haar handpalm. Blanke huid, roze lijnen, blauwe stippen als naburige steden op een kaart.

Binnen de kortste keren leek alles van kristal, de vloer onder Issa’s voeten niet meer dan een vierkante millimeter van een wereldwijd woofervel, golvend en vervormend met het beu- ken van de bas in het jaar van Notorious b.i.g.’s Hypnotize. Issa kneep met zijn ogen tegen de overdaad aan licht; wenste vurig een zonnebril, en hoewel hij niet zeker wist of hij die wens hardop had uitgesproken zette Gijs er even later een op zijn neus. Schijnbaar meteen daarna: een kampvuur dat tot aan de hemel reikte. Arie zonder schoenen, zijn voeten wit als waterlijken. Boris met een vaasje bier rechtstandig in zijn mond, zijn lippen gesloten om de rand. Applaus van omstanders. Een graspol met een hilarische kleur groen. Een meisje met witte donsveertjes in plaats van wimpers. Dan: zonsopkomst op een overwoekerde pier die ver het IJmeer in leidde.

Julie liep voor Issa uit en met zijn handen op haar schouders volgde, volgde, volgde hij tot de begroeiing lager werd, uitdunde en hen alleen liet op een zandbakgroot strandje. Een absurde roodwitte dwergvuurtoren waakte met zijn laatste slagen over verlaten water. Issa koos een betonblok aan de voet van het torentje en liet zich zakken tot hij zat. Met grote moeite maakte hij zijn veters los. Toen zijn schoenen van zijn voeten waren en zijn sokken als ontzielde handpoppen op het zand lagen, bleek de nagel van zijn grote teen uit het bed gescheurd. Issa vroeg zich af wanneer de pijn hem in zou halen en pulkte verwonderd aan het korstige klepje.

‘Kom je nog?’ riep Julie.

Een meter of dertig van de kant zag hij haar hoofd boven het water, omringd door kleine schitteringen. Julie zwom verder, een V trekkend in de kalme spiegel. Naast Issa, op een ander betonblok buiten het bereik van de landende kabbelingen, lag een hoopje kleren. Terwijl hij zich uitkleedde kwamen er andere zwemmers in beeld: zwarte schaduwbolletjes dobberden in de brede gouden baan die de zon uitrolde. Julie crawlde naar ze toe terwijl Issa twijfelde, zijn voeten om beurten dopend in het ijzige meer totdat iemand hem van achter duwde en hij zijn evenwicht verloor. Toen hij proestend en brullend bovenkwam stond Arie op het strandje, in zijn handen wrijvend ter voorbereiding op een duik. Een verbleekte groenkatoenen boxershort hield zich ondanks het lubberende elastiek hoog aan zijn heup.

––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Een fragment uit de horeca uit Het jasje van Luis Martín, verschenen bij Van Oorschot in 2013.

Beeld: Tijn de Boer.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Café do Brasil

Vandaag werk ik in mijn eentje. Ik zoek de zwakke plekken in het stalen dek, slijp ze uit en las er nieuwe platen over. De zon is bijna even heet als de vlam van de brander. Vanuit het open raam van de stuurhut boven mijn hoofd klinkt calypso, reggaeton en soms zelfs samba. Dat betekent dat de kapitein slaapt en dat er iemand anders achter het roer zit. Jorge, waarschijnlijk. Of Rico, zijn jongere broer.

De avond dat ik je zag was ik niet in Café do Brasil voor de meisjes. Ik was gekomen voor de achterplaats vol dansende mensen, voor de slingers met gekleurde lichtjes en de rum die dik als olie in bevroren glazen glom. Ik kwam om te dansen, vergat zelfs te drinken, waardoor ik weet dat ik nuchter was toen ik je zag.

Je zat tussen de kinderen die altijd op de lage muur zaten die het plaatsje van de straat scheidt, en keek naar boven alsof er aan de hemel meer te zien was dan op de dansvloer. Als vergeten viel de dame waarmee ik danste uit mijn armen. Ik hielp haar overeind, bood haar wat te drinken aan, maar ze volgde mijn blik en spuugde op de grond. Toen ik naar je toe liep was het alsof de vloer kantelde. Alsof ik jouw kant op viel. Ik tikte op je knie en wachtte tot je blik was afgedaald.

‘Samba is voor oude mensen,’ zei je toen we dansten.

‘Je bent licht. Ik zou je kunnen optillen en meenemen waar ik ook heen ga, zonder je ooit neer te zetten.’

‘Ik zou geen schoenen meer aan hoeven?’

‘Nooit meer.’

‘Te gek,’ zei je. ‘Want deze dingen doen zeer.’

Het leer van je ballerina’s was ingeknipt om ruimte te maken, maar nog zaten ze te krap. Je zei dat je dorst had. Ik bracht je een cola en hielp je weer op het muurtje, waar je meteen je schoenen uitdeed.

‘Herken je me niet?’ zei je.


‘Je bent de dochter van Lillian.’


‘Dat is niet haar echte naam.’


Samen keken we naar de dansende mensen. Omdat ik niet goed wist wat ik moest zeggen, vroeg ik of je honger had. Even later aten we een pan schelpjes bij Ernesto’s Seafood. Nu nog kan ik die schelpen proeven, de maan boven de baai zien hangen. Ik wilde je niet laten gaan. In het ochtendlicht, op weg naar je moeders huis, zou je beseffen hoe verkeerd het was dat je met een van haar klanten gedanst en gegeten had. Dat je je door hem had laten kussen op het strand.

Het is te warm geworden om te werken. In de schaduw van de brug, mijn schoenzolen bijna smeltend op het dek, wacht ik het einde van de middag af. Niets dan water in het oosten: de kromming van de aarde staat tussen ons en Guatemala in. Morgen varen we Nicaragua voorbij.

___________________________________________________________

Dit fragment over de horeca komt uit de roman Het laatste kind, verschenen bij Van Oorschot in 2013

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Meer blogs

  • Al het zichtbare gaat open

    De sekswerkers gaan de straat op om weer aan het werk te kunnen. Ze zijn de stilstand zat. Ik loop vaak over de Wallen naar mijn werk. Als ik aan sekswerkers denk kom ik snel uit bij twee zaken, nu drie. De eerste is: ik heb altijd in de binnenstad gewoond, toen ik 21 was...
    Lees verder
  • Nectar

    Op een van de late feestjes die kennissen van Gijs organiseerden in een loodsvormig café aan de rand van wat IJburg zou worden, kwam Issa Julie weer tegen. Bij wijze van groet stompte ze hem met zoveel kracht op zijn schouder dat de wodka en het bier dat hij vasthield over de rand van hun...
    Lees verder
  • Café do Brasil

    Vandaag werk ik in mijn eentje. Ik zoek de zwakke plekken in het stalen dek, slijp ze uit en las er nieuwe platen over. De zon is bijna even heet als de vlam van de brander. Vanuit het open raam van de stuurhut boven mijn hoofd klinkt calypso, reggaeton en soms zelfs samba. Dat betekent...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • Berthe Spoelstra

    Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.