Mijn Indonesische jaren: Rendra

Tijdens mijn werk aan de universiteit had ik behalve met Pramoedya Ananta Toer en Sitor Situmorang, beiden behorend tot de Angkatan 45 (Generatie 1945), ook contact met de geëngageerde dichter, acteur en toneelregisseur Rendra (1935-2009), die wordt gerekend tot de Angkatan 66. De in Yogyakarta geboren Rendra, spraakmakend om zijn dramatische voordracht, had in 1971 en 1979 opgetreden op het Rotterdamse festival Poetry International. De Leidse hoogleraar A. Teeuw publiceerde in 1979 zijn vertalingen van Rendra’s poëzie in de bundel Pamfletten van een dichter. In eigen land was het Rendra echter verboden zijn protestgedichten voor te dragen.

Rendra liet zich in zijn poëzie inspireren door de Javaanse traditie en de wereldliteratuur. Evenals Sitor had hij de invloed ondergaan van Federico Garcia Lorca, getuige zijn Balada Orang-orang tertjinta (Balladen van geliefde mensen, 1957), een plastische verbeelding vol metaforen over de tijd van de Indonesische Revolutie. Na een verblijf in de VS (van 1964 tot medio 1967) werden getuigenissen de drijvende kracht van Rendra’s poëzie.

Toen het Erasmus Huis in 1981 verhuisde naar een terrein naast de Nederlandse ambassade, zette toenmalig directeur Roel Verstrijden de opening van het gebouw luister bij met een poëziemanifestatie, waaraan vijftien Indonesische en vijf Nederlandse dichters deelnamen. De Nederlanders waren Remco Campert, Bert Schierbeek, Edgar Cairo, Jules Deelder en Rutger Kopland. Aan Indonesische zijde deed ook Rendra mee. Verstrijden vertelde mij dat de politie Rendra was komen zoeken, maar dat de organisatie hem snel had weggeleid naar Nederlands grondgebied: de ambassade, die een geheime verbindingsgang had met het Erasmus Huis.

Anders dan Pramoedya en Sitor werd Rendra niet beïnvloed door Nederlandse schrijvers. Hij las Multatuli’s Max Havelaar pas in de vertaling van H.B. Jassin, die in 1972 uitkwam. Niettemin wilde het Multatuli Genootschap in 1987 graag vernemen wat Rendra van Multatuli vond. Ik kreeg het verzoek om hem te interviewen. Ik vroeg Poncke Princen, die tijdens de Revolutie als Nederlandse soldaat de Indonesische kant had gekozen, om met mij mee te gaan.

We werden ontvangen in Rendra’s woning in Depok, naast de repetitieruimte van zijn Theater Bengkel. Hij had voor deze gelegenheid een Javaanse kokkin laten komen, die een met kruiden gevulde geitenkop had bereid, een soort tête de veau, maar dan van geit. Het was verrukkelijk. We praatten wat over koetjes en kalfjes en tussen Poncke en Rendra vlogen de grappen heen en weer.

Op een gegeven moment moest er ernst worden gemaakt van het doel van onze komst. Rendra ging rechtop zitten, sloot zijn ogen, mediteerde een minuut lang en begon toen te spreken. Naar zijn inzicht had Multatuli in het op machtsdenken georiënteerde Java gestalte gegeven aan een moreel bewustzijn, aan hak azazi – fundamentele rechten voor het individu – wat iets nieuws was in die tijd.

Ik heb Rendra’s verhaal onder het pseudoniem Joop Huisman gepubliceerd in het tijdschrift Over Multatuli. Waarom dat pseudoniem? De Universitas Indonesia, met een brigadegeneraal als rector, had het niet zo op dissidenten, dus ik vond het verstandiger om niet met mijn eigen naam naar buiten te treden. Maar toen ik in november 1987, in het kader van ons congres ‘Nederlandse studiën in Indonesië’, een literaire avond organiseerde in het Erasmus Huis, nodigde ik ook Rendra daarvoor uit. De titel van die avond, De vogel vliegt in mijn borst, was ingegeven door het gedicht ‘Borstvogel’ van Leo Vroman en het gedicht Burung terbakar (Vuurvogel) van Rendra, waarvan de laatste regels luiden: ‘Met brandende vleugels en zonder illusie / vliegt hier de rampzalige vogel: in mijn borst!’

In 1988 verhuisde Rendra met zijn Bengkel Theater naar Bojong Gede, een plaatsje ten zuiden van Depok. Hier had hij een groot stuk land gekocht, in de verwachting dat de grondprijzen daar zouden stijgen door de sterke groei van Depok (hij kreeg gelijk: 240.000 inwoners in 1982 tegen 2,4 miljoen in 2021). Hier woonde hij met zijn laatste echtgenote Ken Zuraida en wijdde hij zich, behalve aan literatuur en theaterproducties, ook aan ecologisch duurzame landbouw.

In augustus 1989 bezocht ik hem daar samen met Leonore van Prooijen en Karin Evers, die hem in opdracht van de NCRV interviewden voor een serie portretten van Indonesische schrijvers. Zoals gewoonlijk was de ontvangst hartelijk en ontspannen. We zaten op gevlochten matten in de zon en kregen Indonesische lekkernijen geserveerd.

Sinds 1985 mocht Rendra van Soeharto’s Nieuwe Orde weer optreden, wat hij altijd met veel verve deed. Vooral zijn gedicht over de mastodonten van het militair-bureaucratische regime was indrukwekkend. Als hij met nadruk op elke lettergreep het meervoud ‘mastodon-mastodon’ uitsprak, stampte hij tegelijk met zijn voet op het podium. Niettemin kwam het ook voor, dat hij door het regiem werd teruggefloten en bepaalde gedichten niet mocht voordragen. Zo werd zijn opzwepende gedicht ‘Namens de mensen van Rangkas Bitung’ (1990), geïnspireerd op Max Havelaars toespraak tot de hoofden van Lebak, verboden. Op Poetry International bleef hij een favoriete gast, met vervolgoptredens in 1991 en 1995.  

Intussen had ik mij voorgenomen uit Rendra’s poëzie een bloemlezing samen te stellen. Ik streefde ernaar om niet alleen de langere protestgedichten op te nemen, waar Rendra zijn faam als performer aan te danken had, maar ook kortere gedichten, waarin we meer van zijn innerlijk zien. Zo was er in Depok anno 1985 een bundeltje Nyanyian Orang Urakan (Liedjes van Bandelozen) verschenen, slechts zestien pagina’s dik, met gedichten van Rendra in zijn karakteristieke zwierige handschrift. Hierin poseert hij als een zwerver, maar één die voortdurend de weg naar zijn eigen innerlijk terug weet te vinden, naar de krachtbron van zijn energie.

In 1991 publiceerde uitgeverij De Geus mijn vertalingen van Rendra’s poëzie onder de titel IJzeren wereld, bestaande uit negen afdelingen, met als laatste vers ‘Getuigenis van Saïdjah’s vader’. Weer tekende Robert Nix voor het omslag, waarvoor hij – zoals hij mij verklapte – een papier had verfrommeld. Het gekreukte beeld dat hierdoor ontstond paste uitstekend bij Rendra’s kritische visie op de Indonesische werkelijkheid. Bij die visie werd hij niet geleid door enige ideologie, zoals Pramoedya en Sitor begin jaren zestig. In een interview verklaarde Rendra dat zijn ideologie bestond uit het plaatsen van vraagtekens bij elke ideologie. Zijn protest was een protest uit naam van ‘de volheid van het leven’.

De laatste keer dat ik Rendra zag was op Poetry International 1995. Hij gaf tijdens zijn optreden een teken van herkenning toen hij mij in de zaal zag zitten. Na afloop praatten we bij in de bar van zijn hotel, waar we een glas whisky dronken. Rendra was in menig opzicht een spiritueel mens.

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in de VS (Michigan), Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verschijnt Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

In de Oorshop

De kortste nacht

Om vier uur stond ik op omdat de slaap voorbij was, mijn zoon – een en al been, tegenwoordig – lag naast me als kolen na een hele avond haard. Ik verwachtte donker in de keuken, maar zag het blauwen daar in Oost: de torens aan het einde van de stad als uitsneden, verwijderd uit de vroege lucht.

Ik zocht de stoel op bij het raam waar B graag zit, en las in Roos’ bundel De dwaler, die tijdens de lockdown verscheen. Soms is het werk van anderen zo goed dat je aan jaloezie niet toekomt. Ik zag al die bewegingsvrijheid, volgde de schrijfster op haar vlucht en dacht alleen maar mooi. Niet lang daarna: hoe aan de grond gebonden mijn eigen taal geworden is. Misschien was ik tóch jaloers.

Tijdens de lockdown las ik Augustus van Irma Achten, en herinnerde me de vrijheid in mijn eigen debuut. Ik zocht contact met haar en Irma bleek zoals haar zinnen: warm en vertrouwd als rijpende vijgen in de zon. We zaten in haar Friese keuken, twee mensen met een boek ertussen. Ze maakte ree met gekke pasta en ik wilde niet meer uit die keuken weg. Er leek in Amsterdam opeens zo weinig ruimte over.

Een vriendin vertelde gisteren dat ze gaat vertrekken. Een nieuwe baan, een buitenland. Soms is een keus zo goed voor iemand anders dat je vergeet dat hij slecht uitpakt voor jou. Is dat altruïsme, of een sterk inlevingsvermogen dat je de vrijheid van anderen even laat ervaren alsof ze de jouwe is?

Wie schrijft kan vliegen, en hoewel ik dacht een paar weken niet te zullen werken na de afronding van Dorp, trekt er weer een nieuw boek aan me. De kortste nacht staat voor de deur, en het wordt erg warm. Misschien maak ik morgenochtend een beginnetje, terwijl de rest nog slaapt.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Moe van toeschrijven

Ali Smiths Summer (2020) opent met een discussie over een citaat. Sacha is een schoolopstel aan het schrijven en heeft daarvoor een vermeende uitspraak van Hannah Arendt van het internet gevist. Haar moeder leest mee over haar schouder en wijst erop dat de bronvermelding ontbreekt. Sacha toont haar een pagina met zoekresultaten: ‘Brainyquote. Quotehd. Azquotes. Facebook. Goodreads. Picturequotes. Quotefancy. Askideas. Birthdaywishes.expert, she said. All these places come up when you type in bits of the quote. Those are just the top sources. There are masses of sites quoting her saying it.’ De moeder is hier niet tevreden mee en ploegt door de sites heen op zoek naar de brontekst, maar die blijkt onvindbaar: er is alleen een oneindige keten verwijzingen, die nergens aan lijkt te ontspringen.

Socrates zei dat geschreven taal gevaarlijk is omdat ze uit haar context kan worden genomen. Een opgeschreven ‘uitspraak’ zit niet meer vast aan haar spreker en aan de specifieke omstandigheden waarin ze tot stand kwam. Het getypte woord zou hij waarschijnlijk nog enger vinden – niet alleen omdat het met Ctrl-C en Ctrl-V vermenigvuldigd kan worden in een fractie van de tijd die het een kopiist kostte om zijn ganzenveer bij te punten, maar ook omdat de inbedding in beginsel lijkt te ontbreken. Het geschreven woord zit nog vast in het handschrift van de (over)schrijver, zelfs het gedrukte woord is beperkt tot de fysieke oplagen waarin het wordt verspreid, maar het getypte woord is pure data, een ijle instantie die zich via het internet razendsnel en wortelloos kan verspreiden.

Wat is het belang van toeschrijving op het internet? Het is duidelijk dat de lezer niet geacht wordt om het werk van Arendt erop na te slaan en zich te verdiepen in de originele context van het citaat. Maar haar naam voegt iets toe aan de uitspraak – het gaat meer om effect dan om waarheid of traceerbaarheid.

Ik ben tot keurige academicus opgeleid, ik heb waardering voor het bolwerk van gesystematiseerde kennis waarin haarfijn gedocumenteerd ligt wie wat waar en wanneer heeft gezegd, en ik herken me in de frustratie van de moeder van Sacha wanneer ik stuit op een website als Brainyquote. Maar soms, vooral als ik me dagenlang blind heb gestaard op voetnoten en bibliografieën, word ik moe van toeschrijving, en komt het me voor als een vreselijk ijdele onderneming. IJdel omdat het onmogelijk is de kluwen van alles wat ooit is gezegd te ontwarren, omdat taal en kennis inherent collectieve en rommelige fenomenen zijn, en omdat het zo kleinzielig is om claim te willen leggen op een bepaalde reeks woorden.

Daarbij wordt de academische tendens om alles netjes vast te leggen vaak onterecht geprojecteerd op het verleden dat bestudeerd wordt, zodat je het haast als een jammerlijke lacune in onze kennis zou beschouwen dat het patent van de originele uitvinder van het wiel niet bewaard is gebleven. Collectieve en anonieme inspanningen hebben geen gemakkelijke plaats binnen dit archiefsysteem, dat op individualiteit, originaliteit en competitie gebaseerd is. Bovendien wordt in het streven naar correctheid het effect van toeschrijving vaak uit het oog verloren: Kierkegaard zou huiveren als hij wist dat zijn 21e-eeuwse exegeten gedwongen worden om naar zijn hyper-pseudonieme Of/Of te refereren als (Kierkegaard 2007).

In David Marksons experimentele roman Wittgenstein’s Mistress (1988)probeert Kate, de laatste persoon op aarde, zoveel mogelijk beroemde citaten en anekdotes op te rakelen. Ze noemt zichzelf ‘de curator van de wereld’, die nu weinig meer is dan een museum waarin zij als enige ronddoolt. Maar in de loop van het boek gaat het haar meer en meer moeite kosten om de feiten uit elkaar te houden: de individuele toeschrijvingen lossen langzaam op in een maalstroom van associaties en herinneringen. ‘The world is everything that is the case,’ zo luidt een van de zinnen die door Kates hoofd blijft spoken, maar ze kan maar niet bedenken wie dat heeft gezegd, en merkt elders zijdelings op dat ze nog nooit een pagina Wittgenstein heeft gelezen.

Wittgenstein zou dat misschien niet erg hebben gevonden. Hij schrijft in de inleiding van de Tractatus dat ‘wat ik hier geschreven heb, geenszins pretendeert om in het bijzonder nieuw te zijn. Daarom geef ik ook geen bronnen aan, omdat het me onverschillig is of wat ik gedacht heb vóór mij al door een ander is gedacht.’ Zo’n uitspraak getuigt tegelijkertijd van grootheidswaanzin en van bescheidenheid.

Kyrke Otto

Kyrke Otto (1995) studeerde filosofie en klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. Momenteel volgt ze een onderzoeksmaster in geschiedenis van de filosofie aan de Radboud. Ze interesseert zich voor kwesties van genre, stijl en methode en werkt aan een promotievoorstel over het aforisme als filosofische vorm.

Onze voorouders

In Karel Weeners Steinharts biecht. Zielenstrijd op de Batoe-eilanden speurt de historicus naar de achtergrond van een verzameling voorouderbeeldjes die op een zolder in Den Haag aangetroffen werden. Een mooie start van hoe het moet: ‘ongemakkelijk erfgoed’ heeft een herkomst en een verhaal. Dat is een verhaal dat niet makkelijk verteld wordt, noch makkelijk gevonden, want het vereist gedegen archiefonderzoek.

In dit boek gaat het dan speciaal om de Lutherse Missie, die vanuit Duitsland en Amsterdam eind 19e en begin 20e eeuw hun best doen op een aantal eilanden nabij Sumatra’s westkust de plaatselijke bevolking te kerstenen. Het is een subtiel boek, dit van Weener. Hij tracht niet al te oordelend te beschrijven wat hij vindt, en eindigt bij een missionaris die zo dicht mogelijk bij enig begrip van de situatie komt. Dat is de Steinhart van de titel, die zich specialiseert in de Niasse taal en zangen optekent uit de monden van de bewoners. Het is voor een deel ook de geschiedenis van de zending: je ziet bleke Duitse en Nederlandse missionarissen met een wisselend begrip voor hun omgeving kort leven, en vooral sterven, op de eilanden die veel vergen van jonge gezinnen met vast goede bedoelingen.

Meer nog dan het de komende jaren noodzakelijk en terecht terugbezorgen van meegenomen erfgoed, gaat het om onderzoek naar de omstandigheden waarin het verworven werd. Dat toont Weener goed, de hoeveelheid beeldjes verbindt hij met decennia aan zending, gefrustreerde pogingen tot contact, goede en kwade bedoelingen, morele superioriteit en handelsgeest, inzet en lapzwanserigheid: ons koloniaal verleden.

Heel terzijde komt de Nederlandse kunstenaar Rudolf Bonnet langs, die waarschijnlijk slechts een bijrolletje heeft omdat hij doet wat Weener tracht te vermijden: oordelen. En dus heel fraai te zien hoe deze bakkerszoon, die een goed deel van zijn leven op Bali doorbracht en schilderde, ook met de bevolking, op een reis naar Nias vrij adequaat waarneemt wat we verkeerd aan het doen zijn. Inzicht, spot on, in 1930. Het was er wel. Over Bonnet had ik wel meer willen lezen. Over de elkaar opvolgende zendingsgezinnen misschien wat minder.

Weener schrijft: ‘Verontwaardigd vraagt Bonnet zich af hoeveel harmonische schoonheid en levensvreugde er op Nias niet behouden had kunnen blijven als de zendelingen in de godsdienstige bijeenkomsten de Ni­asse traditie hadden gevolgd: een kerk in Niasse bouwstijl, door de eigen beeldsnijders versierd met christelijke motieven; gemeentele­den die naar de kerk komen in hun traditionele feestkleding, zittend op hun eigen matten; geen klok, maar het volle klankenspel van de Niasse gongs. Het ware waarschijnlijk zelfs niet heel moeilijk ge­weest om hier met de Niasser zelf aan zijn gezangen een Christelijke richting te geven, daar de tekst meestal van een soepel veranderlijke vorm is, waarbij dikwijls geïmproviseerd wordt. Had men verder de voorouderverering niet tot een voorouderherdenking kunnen her­leiden?’

Is het wetmatigheid dat hoe beter we ons inleven in een cultuur, hoe minder we willen veranderen? En dus hoe slechter je kijkt, hoe evangeliserender je wordt?

Intussen zijn al die artefacten in de musea een mooi blijk van wat vaak in weerwil van de bedoelingen zal hebben plaatsgevonden: verzamelwoede, door fascinatie voor de ander. En daarmee zijn de voorouderbeeldjes onbedoeld precies wat ze waren. Ze helpen ons te communiceren met en na te denken over wat onze voorouders deden en hoe ze leefden. Ze hebben mij geholpen iets nauwkeuriger naar mijn voorouders te kijken. En dat geldt voor de Batoers vast evenzeer.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Presenteren

Boekpresentaties dragen voor zover ik weet niet bij aan de verkoop van het gepresenteerde boek. De meeste mensen die zo’n middag of avond bezoeken kopen het ter plekke, maar zouden dat toch wel bij een boekhandel gedaan hebben omdat ze bekenden van de schrijver zijn.

Tot dusver heb ik van mijn presentaties altijd een feestje gemaakt. Ik nodigde iedereen uit die ik graag wilde zien, en nam de hele dag vrij. Een cliché is natuurlijk de parallel met een geboorte: iets wat heel lang in je heeft gegroeid, ga je nu aan de wereld laten zien, te beginnen bij de mensen om wie je het meest geeft.

Wegens de Omstandigheden mag ik voor Dorp (23-06) geen kroeg ramvol vrienden en collega’s regelen, en ik heb besloten ook geen alternatieve wegen te bewandelen. Ik accepteer signeersessies waarvoor één fan komt opdagen als horend bij het vak, maar een livestream van een interview in een verder lege zaal kan ik niet aan.

Ik hoor de stoel van mijn aspirant-interviewer al kraken, zie de kabel van haar microfoon vastraken onder het buizenframe van het wiebelige tafeltje met rookglazen blad tussen ons in. Iemand heeft een spotje bijgedraaid, dat hard in mijn ogen schijnt als ik in de camera wil kijken. Die lichte feedback als mijn interviewer op haar cuecards kijkt en haar microfoon, topzwaar, van zich weg laat zakken.

Het zou voelen alsof ik mijn baby in de etalage bij de Knaakland legde.

Vrijnemen zal ik wel, de 23e. Ik hoop dat het een zonnige dag is, want dan loop ik extra langzaam over de gracht naar Van Oorschot om mijn kind er op te pikken. Ik drink een glaasje met de verloskundigen aldaar en neem Dorp dan mee naar huis om er een paar dagen heerlijk mee te cocoonen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Benul

Mijn vrouw en ik waren in Deurne. Waarom doet er niet toe. We waren er en ik dacht: Jan Hanlo. Dit was, zo zou blijken, een unieke gedachte.

Buiten Deurne denk ik ook wel eens aan Hanlo. Verwantschap is een groot en ijdel woord in dit geval – laat ik het houden op herkenning. Onze common ground: jeugd. Zoals hij jeugd als ‘normgevende instantie’ ziet, om te weten hoe te leven, zo wil ik dat ook graag zien. Hoewel dit beginsel in mijn werk voor de klas regelmatig onder druk komt te staan, houd ik me er toch aan vast. Het is een mooi beginsel, licht en hoopvol. Noodzakelijk.

Volwassenen doen er verstandig aan naar kinderen op te kijken. Doen we daarmee iets tegennatuurlijks? In de postuum uitgebrachte bundel Mijn benul (1974) scherpt Hanlo zijn ideeën over de omkering aan. Blijkt dat hij niet zozeer het kínd de baas wil laten zijn – dat is hem al te gortig – maar de volwassene, ‘die ernstig probeert zoveel mogelijk de opvattingen, de visie, de mogelijkheden, de ongeborneerdheid, de zuivere maar toch reeds duidelijke ethiek, van het jonge kind te kennen en te aanvaarden.’

Zulke volwassenen zijn er maar weinig. Die er zijn, horen we amper. Ja, in Hanlo’s tijd, vlak na de oorlog, waren er een paar luidruchtige omkeerders. Voor een groep kunstenaars was het toen duidelijk dat, om de beschaving weer op te bouwen, kínderen gids moesten zijn. Het was helaas een besef van korte duur. We hadden moeten inzien dat we jeugd blijvend nodig hebben: om ergens aan te beginnen, om op te krabbelen, om toekomst te willen, om – inderdaad – te leven.

Hanlo en de kindertijd – van alle psychologie die hem aan deze thematiek verbindt, is het geluk in zijn eigen jeugd de wortel. Hier is een schrijver die nou eens niet verhaal wilde halen op wat hem vroeger was aangedaan, hij kon juist putten uit een fijne jeugd. En die jeugd vond plaats in dit Peeldorp. Gevolg: op Deurner bodem ontkiemde een singuraliteit in de Nederlandse letteren. Maar welke turfsteker had oog voor de orchidee die daar bloeide en welke turfstekernazaat weet nú dat er ooit een orchidee op hun veengronden stond?

Mijn eerste gang was naar de plaatselijke boekhandel, die – joechei! – weer open was. Ze hadden een paar schappen Toon Kortooms, voor Hanlo moest ik maar naar boekwinkeltjes.nl. Mijn tweede gang: het vvv-kantoor – ook open! – maar helaas: nooit van Jan Hanlo gehoord. Toen naar Stationsstraat 51, een groot wit herenhuis, villa Rozenberg, waar Jan woonde, met zijn moeder, bij zijn grootouders, van zijn nulde tot zijn vijftiende, waar hij in de prachtige tuin Robinson Crusoë was. De tuin is nu een parkeerterrein, het herenhuis een tandartsenpraktijk. Op zoek naar een plaquette: ‘voormalig woonhuis Jan Hanlo, dichter, schrijver (jaartallen)’ – ik zocht vergeefs.

De zon scheen, de heropende terrassen aan De Markt zaten vol. Mijn vrouw en ik luisterden naar de gons die over het plein golfde. Het was een geluid dat we lang niet gehoord hadden, een aanzwelling van belofte, van zin, van leven. De mensen waren herboren, oud was weer jong, jong was eeuwig. Dit keer was het een kwaad virus dat ons terugbracht naar de kindertijd. Nu het weer kon, en mocht, dronken we bier als moedermelk. Massaal, helemaal volgens onze natuur. En nu we dit ontij te boven lijken te komen, dan graag ook de volgende stap, langdurig als het kan: ‘De moraal uit onbeïnvloede kinderhandelingen en -opvattingen af te lezen.’ (Uit Moelmer, 1967.) In de geest van ons toekomstwillende kroost draai ik daar deze punt aan: turfsteken (en aardgaswinnen en olieboren en coltan delven) doen we voortaan niet meer. Laat de orchideeën bloeien. Leg Hanlo in je boekwinkel.

Beekman & Beekman heet het café op de hoek – vooruit, met een beetje goede wil zijn zij ook representanten van ongeborneerdheid en zuivere ethiek. Maar het café ernaast draagt de naam De Potdeksel. Dat kan heus anders. Ik suggereer: Drie Koninkies. Of, voor een wat ouder publiek: Stock Of The Varnished.

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Meer blogs

  • De Duivelsberg (Geschiedenis van een landschap II)

    Iedereen die in of rondom Nijmegen woont is wel eens gaan wandelen op de Duivelsberg. Waar de naam Duivelsberg vandaan komt weet niemand, maar er doen verschillende verhalen de ronde. Het aannemelijkste verhaal is dat het een verbastering is van ‘Duffelt’. Tot 1949 hoorde de heuvel namelijk bij het Duitse dorpje Wyler, en vanaf daar...
    Lees verder
  • OMG

    Vanwege een aanhoudende hoofdpijn bij Nadim belde ik de assistente van onze huisarts voor een afspraak. Hoewel mijn jongen geen enkel ander symptoom van Covid had, stond zij erop dat we eerst voor een coronatest gingen. Ik maakte een afspraak om elf uur bij de teststraat naast Station Sloterdijk en appte Nadim, die sinds een...
    Lees verder
  • Mijn Indonesische jaren: Sitor Situmorang

    Toen ik medio 1982 werd uitgezonden naar Indonesië had ik al twee jaar colleges Indonesisch gevolgd aan de University of Michigan, maar mijn beheersing van de taal was nog beperkt. Niet lang na mijn aankomst in Jakarta ging ik naar de Pasar Senen, het oudste winkelcentrum. Ik schuimde de boekwinkels op de eerste verdieping af...
    Lees verder