Lief

Gil omhelsde me, alsof hij er even in slaagde om in vijf seconden zijn hele bestaan om me heen te vouwen.

We stonden in zijn woonkamer en ik was de eerste, omdat ik ook als eerste weer weg moest voor een optreden, al was ik liever als laatste gebleven. Ik liep naar het grote raam, dat openstond en stak mijn hoofd naar buiten. De benauwde lentelucht drukte tegen mijn slapen. Mijn hoofd bonkte van een kater die ik had opgelopen door me de vorige avond te laten verleiden door onverzadigbare kroegvrienden.

Een zomer geleden had ik in datzelfde raam gestaan en naar de zwemmende bikini’s gekeken die in de gracht voor anker waren gegaan. Nu lag het water er leeg en rimpelloos bij.

‘Vanochtend zat er een meisje in het raam aan de overkant,’ zei Gil vanuit de keuken, ‘haar benen bungelden tegen de gevelstenen.’

‘Nu niet meer,’ merkte ik op en keek naar de overkant, waar een meisjesloze leegte me aangaapte. ‘Ik kom altijd te laat voor dat soort dingen, vrees ik.’

Ik liep terug naar de grote keukentafel, legde mijn gitaar erop en ging zitten. Gil stroopte het instrument uit zijn stoffen huid en tokkelde er wat op. Ik keek naar hem, wist toen pas hoe erg ik hem had gemist, dacht aan hoe iemands aanwezigheid bij mij altijd ook de afwezigheid die daar aan vooraf ging oproept.

We praatten wat bij, Gil merkte op dat ik meer levensvreugde achter mijn ogen had dan de vorige keer dat we elkaar zagen en ik beaamde dat. De bel ging, Luuk kwam binnen, Gil zette een biertje voor me neer in een poging om mijn kater op te heffen en de bel ging daarna nog een paar keer, tot het huis vol was met wie er moest zijn.

Jess drukte bij binnenkomst de fles wijn die ik was vergeten mee te nemen in mijn hand (het was een prima fles, oordeelde Gil) en Rosa vertelde me over haar gastdichterschap voor de Willem Wilminkprijs dat ze net achter de rug had. Daarna beklommen we de smalle trap die naar het kraaiennest leidde en keken uit op de kruin van Amsterdam.

Het waaide op het dakterras. De wind morrelde aan mijn gedachten en blies mijn hoofdpijn in flarden uit over de daken van de hoofdstad, waarvan ik steeds iets zekerder weet dat ik er ooit ga wonen.

Ik keek naar mijn vrienden die ik twee jaar geleden in Helmers voor de eerste keer zag, had ze stilzwijgend lief, vroeg me af waar ik hun vriendschap in vredesnaam aan had verdiend. En hoe ik de dagen altijd net iets beter kon verdragen als ik bij ze was geweest.

Nog voordat het hoofdgerecht werd opgedist (Gil, Jess, Rosa en Merlijn lieten in de keuken kundig groenten, kabeljauw en inktvis door hun handen gaan en Luuk en ik bladerden taakontwijkend door de boekenbijlage van de Volkskrant) moest ik weer terug naar die andere stad, hoe lang ik ook had willen blijven.

Ik zegde iedereen vaarwel, omgorde mezelf met de hoes van mijn gitaar, knarste mijn tanden stuk op de heimwee die al voorsorteerde, trok de zware deur achter me dicht en stond weer op straat.

De zon viel schuin op het Prinseneiland, dat lag te blinken als een oester die Gil klaargemaakt had kunnen hebben. Warm was het ondertussen, warm en mooi en goed.

In de tram naar het station miste ik ze al, mijn vrienden. Ik miste ze. En had ze zo stilzwijgend mogelijk lief.

Beeld: Jess Witte

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en het AD. In 2022 verscheen DEMarrage, een uitgave van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina en in 2024 verscheen Dag stad bij uitgeverij Klapwijk en Keijsers.

Van 2021 tot 2024 was Twan stadsdichter van Amersfoort.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

Dat hoeft niet in je stukje

Ze liep naast me, maar leek dat soms al te zijn vergeten, alsof ze al voorbij ons afscheid was. Met elke zorgvuldige stap die ze zette leek ze verder weg.

Ik bracht haar naar het station, dat ze prima wist te liggen, maar toch wilde ik haar het station in zien gaan, toekijken hoe ze op de trein zou stappen, het gevaarte uit mijn stad zien rijden, uit mijn blikveld, uit mijn leven. Alsof ik alleen dan zou geloven dat ze weg was – pas als ik het had gezien, was het onomstotelijk waar.

Dat laatste had ik haar niet gezegd. Ik wilde haar vergezellen en omdat het donker al was gevallen vond ik dat ze niet alleen hoefde te lopen. Dat had ik gezegd en in dat verzwijgen zat mijn hele onvermogen, mijn onmacht, mijn spijt – dat ik nooit goed tegen haar had kunnen zeggen wat ik werkelijk dacht en voelde, zelfs niet toen het er echt op aan kwam, en nu was het te laat. Dus vroeg ik haar of ik tot het station nog even naast haar mocht zijn, tien minuten uitstel van executie. Dat vond ze goed.

Ons zwijgen was oorverdovend. Ik stak een sigaret op, gaf haar er ook een. Onze rook raakte verstrengeld in elkaar, viel achter ons uiteen in het niets.

‘Wat ga je zo doen?’ vroeg ik, om de stilte in te kleuren. Het was een slechte vraag, dat wist ik wel en ik wilde het antwoord eigenlijk ook niet weten, maar nu was het al te laat.

‘De was. En wat lezen. Slapen, daarna.’

‘Ik ook,’ mompelde ik, ‘behalve dan de was, het lezen en dat slapen.’ Ik keek voorzichtig opzij of haar mondhoeken zouden krullen, al was het maar heel licht, een kleine kromming. Ze lachte niet, vertrok geen spier.

Ze zoog net zo lang aan het stompje dat nog over was van de sigaret tot de rode gloed een stuk van het filter op begon te branden.

‘En jij?’ vroeg ze ineens zachter, haar stem bijna zo gedempt als de avonden waarop ze moe was van de dag, in mijn schoot nog wat las en met haar wijsvinger over mijn knokkels wreef alsof ze moesten worden opgepoetst.

Ik schrok van haar herwonnen zachtheid, keek voor me uit, nam haar zwijgbeurt even over.

‘Mijn stukje moet nog af,’ antwoordde ik na een tijdje.

‘Weet je al waar het over gaat?’

Nu niet liegen, dacht ik, niet liegen.

‘Over dit, denk ik.’ Ik wilde vragen of ze dat goed vond, maar deed het niet – ik zou het toch doen, ongeacht haar antwoord.

We luisterden toch al nooit goed naar elkaar en dit leek me niet het moment om dat ineens te veranderen. Dat moment lag al een tijd achter ons. Honderdvijfendertig stappen achter ons, om precies te zijn.

‘Oh,’ hortte ze, ‘oh.’

‘Ja,’ fluisterde ik.

‘Als het maar geen droevig einde heeft,’ sprak ze ineens, nu wat luider, haast stellig, zorgzaam bijna. ‘De werkelijkheid is al verdrietig genoeg zo. Dat hoeft niet in je stukje.’

Daarna drukte ik een zoen die ik niet gaf op haar zachte voorhoofd, spraken we lieve woorden die we allebei vergaten, veegde ze een traan die er niet was van mijn koude wang.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en het AD. In 2022 verscheen DEMarrage, een uitgave van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina en in 2024 verscheen Dag stad bij uitgeverij Klapwijk en Keijsers.

Van 2021 tot 2024 was Twan stadsdichter van Amersfoort.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Dansen

Er stond een bord pasta voor me klaar. Vriend J., die deze avond ook spreekstalmeester was, begroette me even warm en bemoedigend als altijd en schoof naast me aan. In de ruimte galmden de opgewekte stemmen van leden van de organisatie van de Nacht van de Literatuur tot het plafond en weer terug, weerkaatsingen die al snel uitwaaiden naar alle locaties in de binnenstad van Amersfoort, waar schrijvers zouden voorlezen.

Na een paar happen kreeg ik al niets meer door mijn keel, mijn maag legt zich altijd in een knoop als ik moet voorlezen, en ik schoof mijn bord wat beschroomd door naar J., die zich ontfermde over mijn maaltijd en de klus klaarde, terwijl we wat over de avond die voor ons lag praatten en onze eerste biertjes haalden.

Ik dacht aan alle eerdere keren dat ik op dit festival mocht voorlezen: eerst als middelbare scholier, daarna als stadsdichter, en nu als dichter. Het waren warme herinneringen, en vanavond zou niet anders zijn. Dit festival voelde als een thuiskomst, een omhelzing, een oude liefde die je na een jaar weer terugziet en met wie je meteen weer in dezelfde groef kan vallen, alsof tijd iets is dat opgevouwen kan worden, en bewaard.

De eerste keer dat ik tijdens de Nacht van de Literatuur mocht voorlezen, had ik bevend en zwetend afgewacht tot mijn naam werd aangekondigd, alsof ik in de wachtruimte van de huisarts zat en me klaarmaakte voor een onheilspellende diagnose, maar nu wist ik wat ik kwam doen.  Ik was zelfs een beetje opgewekt, vertrouwde ik J. toe, toen we met onze tassen en banners in de hand naar de kroeg slenterden waar poëzie zou samenvloeien met het bier dat daar gebrouwen werd.

In een bovenruimte van die kroeg nam J. nog eens het programma door. Ik praatte wat met Babs Gons en de studenten van de HKU, prees me gelukkig met zulk fijn gezelschap, voelde me even onnoemlijk klein en onbestemd door hun talent, klikte mijn lijf na de doorloop vast aan de toog en bestelde een Vuurvogel.

De studenten van de HKU trapten veelbelovend af. Na nog twee Vuurvogels begon ik aan mijn eerste blokje en vier Vuurvogels later klom ik het podium op voor mijn vierde en laatste blokje. Er werd geklapt, ik maakte een grap over een oude liefde, en bij de lach die daarop volgde had ik meteen spijt. Het gedicht las ik daarna voor met droge ogen.

Na afloop werden er handen geschud, met complimenten gestrooid en bier gedronken en toen de avond overvloeide in de nacht, zei ik iedereen gedag en trapte naar het eindfeest dat net was begonnen. 

Ik trof een zaal aan met knikkebollende zestigplussers en wat verdwaalde dertigers en veertigers die de dansvloer hadden bezet. Mijn hoofd voelde licht en omzwachteld met bijenwas en na tien minuten vond ik mezelf terug op de dansvloer. Ik danste zelfs, en dat doe ik zelden, want dichters dansen niet, zo riep Ruben van Gogh ooit naar een organisator die ons de dansvloer op wilde krijgen tijdens een gala.

Nadat mijn lijf doorhad wat er gebeurde, sputterde het tegen en droop ik af. De kroeg was nog open, ik drukte mijn lijf zo diep mogelijk in het bankje in de hoek en praatte wat met de charmante D. en J., organisatieleden van het festival die ook voor een afzakkertje kwamen, en Lootje, die ook binnen kwam gewaaid.

Rond half drie trapte ik de straat uit, mijn eigen leven weer in. Thuis was alles donker, stil en leeg.

In mijn hoofd danste ik schuifelend door tot het ochtendlicht.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en het AD. In 2022 verscheen DEMarrage, een uitgave van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina en in 2024 verscheen Dag stad bij uitgeverij Klapwijk en Keijsers.

Van 2021 tot 2024 was Twan stadsdichter van Amersfoort.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Vier bier en één cola

Het was nog rustig in de kroeg. De zon wurmde zich door het glas-in-loodraampje en viel op de grote, ronde tafel waar Lootje aan zat. Ze lachte me uit toen ze me zag, omdat ik mijn zonnebril nog op had, mijn mond een grauwe streep was en mijn gezicht nog in de kreukels zat door de kater.

Omdat ik de laatste tijd minder probeer te drinken, vroeger naar bed ga en ’s ochtends soms nog voor het ochtendlicht mijn tanden sta te poetsen, kan ik minder goed tegen de drank – fietsen verleert niemand, zeggen ze, maar zuipen kan je kennelijk wel verleren, en ik ben er nog steeds niet over uit of dat iets goeds is, of iets slechts.

Dat mijn alcoholtolerantie ietwat gedaald is, vergeet ik soms als ik toch weer aan het bier ga en als ik dan op mijn oude tempo door heb gedronken, moet ik de scherven van mezelf in de ochtend bij elkaar vegen en ijskoude plasjes water in mijn gezicht smijten alsof ik mezelf aan het dopen ben.

Ik bestelde een dubbele espresso bij bardame Suus, die me even observeerde en liefdevol vroeg of het wel ging. Lootje en ik kabbelden wat over de boeken die we hadden gelezen, ze noemde me liefkozend een sukkel omdat ik als een ellendig hoopje mens naast haar zat en al drie keer had gezucht dat ik nooit meer ging drinken, en ik vertelde over de optredens, schrijfopdrachten en een talkshow die mijn week in beslag zouden nemen.

Bardame Suus bracht even later een glas water dat ik niet had besteld, maar wel nodig had – ze vroeg zelfs of ik er ook twee paracetamolletjes bij wilde, maar die had ik thuis al ter preventie door mijn grotdroge keel geperst. Mijn hoofd had zo hevig gebonkt op de fiets dat ik even overwoog om af te stappen, maar ik had Van Zanten uiteindelijk toch heelhuids gehaald. Door die paracetamolletjes, denk ik. En het kleine beetje wilskracht dat ik nog in me had.

Omdat ik toch wel iets moest eten, bestelde ik een tosti en een glas jus d’orange – een klassiek katerontbijt. Lootje dronk een cappuccino en at een stuk appeltaart (met ‘geslachtsroom’, zo grapte bardame Suus en ik probeerde zowel niet over mijn nek te gaan, als het niet uit te proesten van het lachen).

Nadat alles op was, trapten Lootje en ik naar de kringloopwinkel, waar we boeken gingen kopen. Ik had haar verteld dat ik niet meer boeken mee mocht nemen dan ik kon dragen en dat ik absoluut van plan was me daar deze keer aan te houden.

Ik voelde hoe mijn kater langzaam smolt, terwijl we met onze vingers langs de ruggen van de boeken gingen die in houten kasten keurig in het gelid stonden, wachtend op nieuwe eigenaren als straatkatten in een asiel. Lootje vertelde ondertussen wat over haar studie en L., haar vriendje dat in Marokko zat, ik raadde het werk van Nooteboom en Modiano aan en mijmerde nog wat over B. die waarschijnlijk al drie nieuwe mannenslaapkamers aan haar interieurlijstje had toegevoegd, en we treurden samen een beetje bij de tegenvallende poëziesectie.

Het was lentewarm toen we weer buiten stonden. Mijn kater was inmiddels gekrompen tot slechts een vederlichte sluier over mijn gedachten. Lootje schoot door naar haar college in Utrecht en ik keerde huiswaarts. De rest van de middag beantwoorde ik wat mailtjes, schreef ik wat, bereidde ik dingen voor en las ik een boek terwijl ik op de bank lag.

Toen ik, terwijl de avond al was gevallen, me meldde in het restaurant waar ik met wat vrienden zou gaan eten, was er niets meer over van mijn kater. Mijn vrienden parkeerden hun lijven op de iets te industriële en daardoor oncomfortabele stoeltjes en bestelden bij de eerste medewerker die langs ons tafeltje stoof.

‘Vijf bier, graag!’ lachte R., en telde voor de zekerheid de groep nog eens na.

‘Maak daar maar vier bier van,’ corrigeerde ik hem met alle kracht, verstandigheid en goede voornemens die ik in me had, ‘en één cola.’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en het AD. In 2022 verscheen DEMarrage, een uitgave van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina en in 2024 verscheen Dag stad bij uitgeverij Klapwijk en Keijsers.

Van 2021 tot 2024 was Twan stadsdichter van Amersfoort.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

Een café

Omdat ze op maandagmiddag streetdance heeft en we na school een uurtje moeten overbruggen gaan Ada (7) en ik elke week naar een café. We hebben er een aantal geprobeerd – dat was een tijdje ons ding: steeds op nieuwe plekken cola en bitterballen halen. Sinds we bij Café Chris kwamen zijn we daar gebleven.

Chris zit op een hoekje van de Bloemstraat en is zo bruin als een sigaar. Op de oude vloer staan zestien stoelen verdeeld over vijf tafeltjes. Elke maandag kun je wachten op dezelfde gezichten, maar ingedut of stug voelt het er niet.

We werkten ons, zoals dat hoort, van de kleine tafels bij het biljart op naar de bar, waarvan we nu het einde mogen bezetten. Voor de ronde hoek, de krukken naast de opening waar de barman in- en uitgaat, moet je minstens zestig zijn en je eigen hondje meenemen. Ik heb de kruk bij het raam; Aad zit naast me, en knoopt praatjes aan met andere stamgasten.

‘Deze week was kantelweek,’ zegt ze dan tegen een oudere dame die heel volle glazen witte wijn drinkt. ‘Dat was met theater. Mijn tante Manoushka kwam langs om over haar werk te vertellen. Manoushka is eigenlijk mijn vriendin en niet een echte tante.’

Altijd, áltijd, ontstaan er dan gesprekken.

Zo simpel is het, denk ik. Je maakt wat geluiden, toont emotie bij je onderwerp en dan loopt het als vanzelf. Natuurlijk weet ik dat mensen anders reageren op kleine meiden met grote ogen en sproetjes, maar ik geloof echt dat deze vlieger voor alle leeftijden opgaat.

De sleutel is te praten voordat je kunt denken, want bij twijfel wordt het onnatuurlijk. Daar is een hele hoop persoonlijke vaart voor nodig, of een ongevoeligheid voor afwijzing – van dat laatste ga ik bij Ada voorlopig niet uit.

Wat een geluk, om vanaf zo jong te leven met het besef dat iedereen in principe op je zit te wachten. Een besef dat zelfverzekerdheid of vaart verhoogt en de kans op nieuwe positieve reacties versterkt.

Afgelopen maandag mochten we niet betalen voor onze bitterballen. Barman Timon kwam achter de bar vandaan om ons uit te laten. Vlak voor de ingang draaide ik me om, en stond daardoor veel te dicht op hem. Toch stapte hij niet achteruit.

‘Ik wil je echt gewoon betalen,’ zei ik.

‘Nee, man,’ zei hij. ‘Zo is het goed. Ik vind het leuk dat jullie elke week voor Ada’s dansles komen.’

Glimlachend zette ik haar op het zitje op mijn stang. Ada hield haar danstas tussen haar hand en het stuur geklemd. Terwijl we de Rozengracht op draaiden besefte ik hoe gezegend ik was met haar, mijn stad, mijn leven. Met een barman in een klein café die onze namen wist en blij werd simpelweg omdat we kwamen.

Hoewel iedereen natuurlijk naar De Druif moet gaan omdat ik daar zelf werk, kan ik Chris van harte aanbevelen.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

Anderhalve kamer. In memoriam Kees Verheul (1940 – 2024)

Kort nadat ik bij Van Oorschot was komen werken, vond ik in de krochten van de uitgeverij een exemplaar van Kontakt met de vijand. Het was een nieuw-oud boek, het had er sinds verschijnen in 1975 in een doos gelegen. Ik begon erin en stopte niet meer. De toon, het avontuur. Kees Verheul was de levende brug met het oude Rusland, en ik ben nooit gewend geraakt aan het gegeven dat hij Joseph Brodsky zo goed had gekend, en Nadezjda Mandelstam. Verheul leerde ik al snel kennen als een uiterst aimabele man die op al onze borrels en etentjes kwam: hij hield intens van gezelschap, was een vrolijk causeur en een uiterst aangename gesprekspartner. Overigens kon hij gelukkig ook goed laten merken als hem iets níet beviel.

Een van de opmerkelijkste boeken die we met hem maakten was het boek Niets heb ik van mijzelf, dat bestaat uit een drieluik terug de tijd in: een meesterlijk abecedarium van Willem Jan Otten over zijn ‘gids’ Kees Verheul, een portret van Verheul over zijn leermeester Clay Hunt, en een schitterend stuk van Clay Hunt over John Donne. Verheul kon uitmuntend bewonderen en was zeer gul in zijn waardering. Des te mooier dat er zo’n ode aan hem geschreven is, respectvoller kan het niet.

Zijn meesterwerk was wat mij betreft de Tutcheffs trilogie Villa Bermond (1992) Stormsonate (2006). We hebben aardig wat afgemaild en gecorrespondeerd over het derde deel. Stukken ervan – heel mooie stukken – verschenen in Tirade. Toen ik doorgaf dat een boekhandelaar ernaar vroeg moest ik haar van Kees dit antwoorden:

‘Kort na het verschijnen van het tweede deel van De Tutcheffs kreeg ik kanker. Terwijl ik hiervoor werd behandeld en genas kreeg mijn levensgezel twee  progressieve ouderdomsziekten. Eind 2018 overleed hij daaraan. Hoewel ik inmiddels bijna tachtig ben geworden (d.w.z. tien jaar ouder dan de dichter Tutcheff) en een stuk van mijn vitaliteit kwijtgeraakt, heb ik allerminst de moed opgegeven om na de noodgedwongen lange werkpauze verder te gaan met de cyclus.’

Dit was waar: de moed gaf hij nooit op. Hij werkte eraan, drie weken geleden ontvingen we weer een stuk van hem. Het begint zo:

‘Een filosofisch middagmaal. Deelnemenden: de gastheer en voorzitter Apollonius von Maltitz; diens vrouw Clotilde, die aan een uiteinde van de tafel zat, het zachte haar golvend in de tocht die de hitte in het vertrek niet vermocht te verdrijven; de overige gasten links en rechts van haar aan de dis. Plaats, het Bertuch Haus in Weimar, begin augustus 1843.

‘Pech, Tutschew, dat je hier bent met deze hittegolf, het lijkt verdorie Brazilië wel.’ Hij wist lachend zijn blonde gezicht af. Met een zucht: ‘Daar heb je ’s zomers tenminste de bergen.’

De lezer is in een paar zinnen al weg. Daar. Ik ben een paar keer in Scheveningen met Kees wezen eten. Daags voor de eerste maal schreef hij: ‘Beste Menno, Dank voor je handgeschreven brief in ouderwetse envelop, die je mij liet bezorgen op instigatie van een droom. Erg aan mij besteed, deze opzet, evenals je verrassende en eervolle plan om mij een “auteursbezoek” te komen brengen, de eerste keer in mijn carrière dat mij, geloof ik, zoiets overkomt.’ Kees Verheul ten voeten uit, een ironiserende toon ten aanzien van zijn eigen schrijverschap, een op vriendschap gerichte reactie. We spraken toen en later vaker ook over de Russische Bibliotheek, waarmee hij zich gelukkig altijd – gevraagd vaak en ongevraagd soms – bleef bemoeien. (Volgend jaar zal nog een onbekende Rus op zijn instigatie bij ons verschijnen. Hij bleef voor ons een gids.) En over zijn laatste Tutcheff-boek, waaraan hij bleef werken.

Maar Verheul werkte aan heel veel, en hij was er voor veel mensen. Zoals hij en zijn man Cees hun leven leidden, naar een voorbeeld van Brodsky, in ‘anderhalve kamer’: een halve in Rome, een halve in Scheveningen en een halve in Amsterdam, verdeelde Kees zijn krachten over schrijven, doceren, vriendschap, sociaal vertier, correspondentie, vertaling, kritiek en wat al niet. Een vol bestaan. Zo is er ook teveel over hem te melden. We laten de prachtige roman Een jongen met vier benen en de zeer veelzijdige essaybundel Een volmaakt overwoekerde tuin maar node verder onvermeld.

Van Oorschot neemt afscheid van de veelzijdigste en vriendelijkste leidsman die we hadden.

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Investeren in het binnenland

    Investeren in het binnenland

    Maripaolie, pindakaas en vruchtensappen. Het bos van Suriname heeft veel meer te bieden dan alleen goud en hout. Het telen van fruit, groenten en de productie van bosbijproducten zijn mogelijkheden die niet alleen voordelen hebben voor de stadsmensen, de inwoners van de hoofdstad Paramaribo, maar ook voor de binnenlandbewoners: Marrons en Inheemsen.  Het telen van...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verstuurde woorden

    Verstuurde woorden

    Voor mijn scriptie onderzoek ik brieven van mijn overgrootvader. Ze stammen uit de jaren 1945-1947. Het zijn er, schat ik, rond de tweehonderd. Soms kattenbelletjes, soms hele lappen tekst. Voor het overgrote deel zijn ze met pen geschreven, een enkele met potlood. De inkt is goed leesbaar, het potlood niet altijd. Een deel van de...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Lentedag

    Lentedag

    De eerste rokjes liepen over straat. Af en toe reed er een auto voorbij. De zon ketste dan af op de raampjes. De bundeltjes licht vielen als morsecode uit elkaar – signalen die ik niet kon lezen, boodschappen die me niet bereikten, berichten die verloren gingen door mijn onvermogen ze te ontcijferen. Een straatkat vlijde...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Inez van de Ven
    Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.

  • Foto van Lodewijk Verduin
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

  • Foto van Mira Aluç
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.