De omslag

Heel onverwacht konden we naar het huisje in Zeeland. Ik nam het aanbod meteen aan en merkte dat mijn gezin nog even moest wennen aan de verrassing. B en Nadim houden er niet van als je hun planning omgooit, maar niet lang na onze aankomst in Zuidzande bleken ze zich daar wel overheen te kunnen zetten.

We reden naar de duinen en liepen daarna over het verdronken land, waar dit jaar geen plukje lamsoor of zeekraal te vinden was. Aan de vloedlijn, waar het normaal stikt van de broze strandschelpen met zoete weekdieren erin, was niets lekkers te vinden. Terwijl Ada, Nadim en B steeds vrolijker over het zand raceten, op de voet gevolgd door een keffende Otis de Hond, werd ik steeds stiller.

Op de treden naar de strandtent stond een lange rij gezinnen. Omdat er maar 50 man op het terras mocht, liepen de wachttijden op tot een halfuur. We besloten ijsjes te kopen en weer naar het huisje te gaan. Ik wilde geen ijs, ik wilde koud bier en een bitterbal. Terwijl de kinderen tevreden likten, bromde ik met grote passen over de duinen naar de parkeerplaats.

‘Heb je haast?’ vroeg B.

Ik kon alleen mijn schouders optrekken. De natuur is machtig mooi, maar als er niks te foerageren valt, verveel ik me er te pletter. ‘Sorry,’ zei ik, en wilde me omdraaien, glimlachen, maar mijn oog viel op een lange, bleekgroene stengel naast het pad. De stengel had een forse, donkergroene knop.

‘Asperges,’ zei ik. Ik liet me op mijn knieën vallen en plukte er een pond van, dat ik teder in het rugtasje van Ada vleide. Haar knuffels en make-upsetje moesten maar even in de zakken van mijn jas.

Thuis liet ik een pan loeiheet worden; ik coatte de asperges in olie en bestrooide ze licht met zout voor ik ze op het plaatstaal roosterde. At er de helft van op en legde de rest op een bord voor mijn gezin.

Ik bracht het bord naar de tafel, die mooi in licht en donker werd verdeeld dankzij een lage, gele zon. Een paar dagen Zeeland was – bleek nu uit alles – een heel goede beslissing. Wie het zien wil, vindt altijd bekrachtigingen van zijn keuzen, hoewel het omgekeerde ook geldt.

Ik zou mezelf niet als een rasoptimist omschrijven, maar een zegen is wel dat ik alles wat me overkomt duid als punten in een stijgende lijn. Ik zie dus ook nare gebeurtenissen als een onderdeel van opbouw.

De laatste tijd vraag ik me vaak af hoe dat komt, want ik geloof niet in een master plan dat buiten me bestaat. Misschien is het iets biologisch, een predispositie tot voorwaarts streven. Alle organismen evolueren tenslotte, er is – als je het grote plaatje erbij pakt – alleen maar groei.

Toen we uitgegeten waren, wandelden we over het pad met de populieren naar het oude huis van Anne en André. Anne is nu weduwe en woont in Amsterdam. Het huis werd verkocht aan Belgen die er een heel smaakvolle verbouwing op loslieten. Ik dacht aan André, die in zijn laatste jaren bijna alles wat er om hem heen gebeurde in een afbouwend kader leek te plaatsen. Zou dat iedereen overkomen die zich niet lang verwijderd weet van de dood?

Was het omslaan van die predispositie een noodzakelijke stap naar het accepteren van een einde?

We liepen door de tuin van André, en daarna weer naar huis. De zon ging onder aan het einde van de dijk, en ik besefte dat ik die omslag meer vreesde dan ouderdom en ziekte, dan de dood zelf misschien.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

In de Oorshop
  • Nr. 483, 2021
    ‘Darwin speculeerde dat taal voortkwam uit zingen en stelde zich voor dat zij die met Elvis-achtige talenten gezegend waren, makkelijk partners konden aantrekken en daarmee overvloediger het zaad zaaiden van een opeenvolgende generatie begenadigde zangers. Na verloop van tijd zouden hun melodieuze geluiden in woorden zijn veranderd,’ aldus natuurkundige Brian Greene. Voor u hebben wij...
    Lees verder
  • Nr. 482, 2020
    Op de plank. 75 jaar Uitgeverij Van Oorschot Tirade, in 1957 opgericht als het ‘blaadje’ van Uitgeverij Van Oorschot en nog altijd onderdeel van de uitgeverij, viert met dit nummer het 75-jarig bestaan van de uitgeverij. We gaven een batterij schrijvers de opdracht om te kijken welke boeken van Van Oorschot zij op de plank...
    Lees verder
  • Nr. 481, 2020
    Tirade stuurt haar afgezonderde lezers met nummer 481 een pak brieven toe, zoals altijd in de vorm van nieuw en bijzonder literair werk. De onlangs gedebuteerde Jack de Boer beschrijft in een indrukwekkend essay hoe het coronavirus zijn werk als schoolmeester in de war schopte. Redacteur Anja Sicking herlas Mary Shelley’s Frankenstein en reflecteert op...
    Lees verder
  • Nr. 480, 2020
    In Tirade 480 sprankelende nieuwe poëzie van Tonnus Oosterhoff en van schrijfster en beeldend kunstenares Maria Barnas, en van Twan Schenkels, Merlijn Huntjens en Hanz Mirck. De kersverse Libris-winnaar Sander Kollaard schreef een essay over Onderdak, de tweede roman van Elisabeth van Nimwegen. Andere essays zijn er van Guido van Hengel, over straathonden in voormalig...
    Lees verder
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder

Navalny moet vrij!

Volgens de Andalusische denker Avempace (1085-1138) is vrijheid een voorwaarde voor geluk. De Britse denker Timothy Garton Ash haalt in zijn alomvattende werk Free Speech. Ten Principles for a Connected World Nina Simone aan, zij zingt:

I wish I knew how
It would feel to be free
I wish I could break
All the chains holding me
I wish I could say
All the things that I should say
Say ’em loud say ’em clear
For the whole round world to hear

Rusland kent een lange traditie van tirannen en dictators. De laatste in die reeks is Poetin, die is gestopt te doen alsof hij nog enig fatsoen heeft, en een absoluut heerser is geworden die alle oppositie uitsluit. De angst die Poetin voelt voor oppositieleider Aleksej Navalny is bijna voelbaar. Een staat functioneert niet als er geen controle op de macht is. Als de macht alle tegenstand monddood maakt is dat slecht voor het hele land, voor alle inwoners. Je kunt het over veel staatsrechtelijke zaken oneens zijn, maar dit is een wet: fatsoenlijk bestuur faciliteert oppositie.

De afgelopen weken is er op de uitgeverij hard gewerkt aan het boek De boom van de hoop. Navalny in de traditie van onrecht in Rusland. Het boek doet drie verschillende dingen. Het laat deskundigen aan het woord over wat er aan de hand is met Navalny en, bij uitbreiding, in Rusland: Hubert Smeets, Egbert Myer, Hella Rottenberg, Sergei Guriev, Mikhail Kazakchov en Michel Krielaars spreken zich er ferm in uit. Daarnaast scharen schrijvers als Arnon Grunberg, Maxim Osipov, Sana Valiulina en Lev Rubinstein zich onder hen die het vrije woord krachtig ondersteunen.

Uitgeverij Van Oorschot heeft een traditie waar het ondersteuning van het vrije woord aangaat. De Russische Bibliotheek is ontstaan uit de gevoelde noodzaak de grote negentiende-eeuwse schrijvers onder de beperkende redactie van de communisten uit te halen. Later voegden wij daar nog grootheden als Daniil Charms, Isaak Babel, Andrej Platonov en Boris Pasternak aan toe. Schrijvers die leden onder de dictatuur. Karel van het Reve zette zich in zijn tijd al in voor Russische dissidenten als Andrei Amalrik en Anatoli Martsjenko. In deze bundel wordt ook deze historische band gelegd, met teksten van Van het Reve, Martsjenko, Daniil Charms, Osip Mandelstam, Alexander Solzjenitsyn en Varlam Sjalamov. De onderdrukking van Navalny staat in een traditie die bestreden werd en wordt.

En tenslotte bevat de bundel teksten van Navalny zelf, die de moed heeft te spreken waar het echt levensgevaarlijk is dat te doen.

Dit boek was er niet geweest als vertaler Yolanda Bloemen het idee niet had gelanceerd en ze er zich er niet zo compleet voor had ingezet. De opbrengst van het boek gaat naar een Russische organisatie die zich inzet voor politieke gevangenen. De titel is ontleend aan een verhaal van Sjalamov, ook in deze bundel te lezen, dat de Russische dwergden tot symbool van de hoop maakt. Het boompje lijkt dood in de lange strenge Russische winters, maar verheft zich op miraculeuze wijze, en leeft…

Verspreid de hoop! Schaf dit boek aan bij uw boekhandel en noem de naam Navalny, tegen elke poging die te verzwijgen in. Navalny moet vrij!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Mijn Indonesische jaren: Pramoedya Ananta Toer (II)

In de periode dat ik in Jakarta woonde (1982-1990) kwamen er diverse delen uit van Pramoedya’s tetralogie Aarde der mensen. Ik ging dan altijd zo snel mogelijk naar de eerste verdieping van het winkelcomplex Pasar Senen, waar uitgeverij Hasta Mitra een boekwinkel had. Dan kocht ik meerdere exemplaren, voordat het boek wegens zijn vermeend marxistisch-leninistische strekking zou worden verboden; dit gebeurde vaak al na enkele weken. Pramoedya was soms bitter over de geringe verspreiding van zijn boeken in Indonesië: ‘Het is als schrijven in het zand.’ In Maleisië konden zijn romans echter ongehinderd verschijnen en die exemplaren werden door zijn aanhangers ook in Indonesië verspreid.

Mijn contract met het Ministerie van O&W liep af in augustus 1990 en ik verliet Indonesië, maar een klein jaar later was ik terug op uitnodiging van Novib[1]. Samen met regisseur Wil van Neerven van de IKON bracht ik een hele dag door in het gezelschap van Pramoedya en diens uitgever Joesoef Ishak (1928-2009), ook een voormalig politiek gevangene.

Ik interviewde Pramoedya met het oog op het festival Indonesia Nu, dat in september 1991 werd georganiseerd door Novib en het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Het gesprek vond plaats op vrijdag 26 juli, in Pramoedya’s studeerkamer. Wil van Neerven werkte samen met twee Indonesische cameramannen van wie de namen niet bekend mochten worden. Aan het einde van elke band brak even de spanning die zich langzamerhand had opgehoopt. Mijn uitwerking van het interview is samen met een essay van August Hans den Boef over de Buru-tetralogie terechtgekomen in een boekje van uitgeverij De Geus, dat in 1991 in grote oplage verscheen. In 2008 publiceerde uitgeverij Komunitas Bambu in Jakarta een Indonesische vertaling. 

Op de eerste avond van het festival Indonesia Nu werd de documentaire ingeleid door Rudy Kousbroek (1929-2010), die ook in de montage van het portret figureerde met commentaar op Pramoedya’s leven en werk. Kousbroek had op 24 november 1987 met Pramoedya kennisgemaakt. Ik had hem en de dichter Remco Campert begeleid op het grillige taxiritje naar Pramoedya’s woning. Het was een hartelijke ontmoeting: toen het tot Pramoedya was doorgedrongen dat de man tegenover hem Rudy Kousbroek was, sprak hij verheugd zijn naam uit en omhelsde hem. Remco maakte een foto van hun ontmoeting, die gewoonlijk wordt afgedrukt met de vermelding ‘rond 1990’, maar het was in het Multatuli-jaar, 1987, toen beide schrijvers waren uitgenodigd voor een congres van de afdeling Nederlands op de nieuwe campus van de Universitas Indonesia in Depok.

In mei 1998, na het aftreden van president Soeharto, werd Pramoedya’s stadsarrest opgeheven. Hoewel zijn uitreisverbod nog niet was opgeheven, lieten de autoriteiten hem vertrekken omdat de Amerikaanse overheid hem officieel had uitgenodigd. Na een maand in de VS bezocht hij Nederland en Frankrijk. Op 19 juni 1999 ontving hij in Parijs de onderscheiding Chevalier de l’Ordre des Arts et de Lettres. Hij was samen met zijn vrouw Maemunah Thamrin gekomen.

Ik was vanuit Straatsburg, waar ik toen doceerde, naar Parijs gegaan om hen te ontmoeten en dit heuglijke moment mee te maken. Ik logeerde bij de dichter Sitor Situmorang (1924-2014) en zijn tweede vrouw Barbara Brouwer, die als diplomaat op de Nederlandse Ambassade werkte. Wij namen de metro naar de Maison des Écrivains, waar Pramoedya de versierselen kreeg opgespeld. Omdat hij nogal doof was, klonken de woorden van de Indonesisch-Franse tolk galmend door de zaal. In zijn dankwoord trok Pramoedya een parallel tussen de Franse en de Indonesische Revolutie.

Na de ceremonie werd hij bestormd door journalisten, ook uit het buitenland, die speciaal voor deze gelegenheid naar Parijs waren gekomen. Op een vraag of hij het niet jammer vond om de verkiezingen in Indonesië, die rond die tijd werden gehouden, te moeten missen antwoordde hij dat deze verkiezingen voor hem geen betekenis hadden, want degenen die ze hadden uitgeschreven behoorden nog steeds tot het oude regime, dat van de Nieuwe Orde (de Orde Baru, of Orba). Pramoedya geloofde niet erg in de geproclameerde Reformasi en zou later spottend naar het nieuwe regime verwijzen als de Orbaba: de nieuwe nieuwe orde.

Na de Franse plechtigheid reisden Pramoedya en zijn vrouw nog door naar Duitsland. Ik heb hen na Parijs niet meer gezien. Pramoedya overleed op 30 april 2006 aan complicaties veroorzaakt door zijn suikerziekte. Zijn vrouw stierf op 8 januari 2011. 


[1] sinds 2006 Oxfam Novib

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in de VS (Michigan), Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verschijnt Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Meer blogs

  • De omslag

    Heel onverwacht konden we naar het huisje in Zeeland. Ik nam het aanbod meteen aan en merkte dat mijn gezin nog even moest wennen aan de verrassing. B en Nadim houden er niet van als je hun planning omgooit, maar niet lang na onze aankomst in Zuidzande bleken ze zich daar wel overheen te kunnen...
    Lees verder
  • Navalny moet vrij!

    Volgens de Andalusische denker Avempace (1085-1138) is vrijheid een voorwaarde voor geluk. De Britse denker Timothy Garton Ash haalt in zijn alomvattende werk Free Speech. Ten Principles for a Connected World Nina Simone aan, zij zingt: I wish I knew howIt would feel to be freeI wish I could breakAll the chains holding meI wish...
    Lees verder
  • Mijn Indonesische jaren: Pramoedya Ananta Toer (II)

    In de periode dat ik in Jakarta woonde (1982-1990) kwamen er diverse delen uit van Pramoedya’s tetralogie Aarde der mensen. Ik ging dan altijd zo snel mogelijk naar de eerste verdieping van het winkelcomplex Pasar Senen, waar uitgeverij Hasta Mitra een boekwinkel had. Dan kocht ik meerdere exemplaren, voordat het boek wegens zijn vermeend marxistisch-leninistische...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Twan Vet

    Twan Vet (1998) publiceerde eerder gedichten op o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote. Dit jaar is hij Ambassadeur van de Vrijheid van het Bevrijdingsfestival Utrecht.

  • Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

Waarom is Erdogan kwaad op Macron en Wilders? Zijn de Turken dat ook? (III)

Biedt het binnenlandse krachtenveld in Turkije voldoende borg voor concentratie van macht? (3)

De centrale vraag in deze reeks is: hoe komt het dat de binnenlandse politiek Erdogans AKP de ruimte biedt voor concentratie van macht? In de vorige blogs heb ik twee factoren behandeld: de oppermachtige rol van de staat in de democratische driehoek, en het belang van patronage om van oudsher kiezers aan politieke partijen te binden. In dit blog sta ik stil bij de twee andere factoren, onschendbaarheid van de staat en de leiderschapscultus, die verklaren waarom Erdogans partij al 19 jaar ononderbroken aan de macht is gebleven.

De onschendbaarheid van de staat ligt besloten in de verheven statusdie de Turkic (Turkssprekende) volkeren aan de staat toedichten. De eerste sporen hiervan gaan terug tot de zesde eeuw na Christus, toen de Turkic volkeren Centraal-Azië bevolkten en nog niet massaal op de islam waren overgegaan. Het ging om een onschendbaarheid die niet ter discussie mocht worden gesteld. Men dichtte de staat immers een heilig karakter toe, dat omgeven was door diverse mythen en koste wat kost behouden moest blijven. Deze traditie leeft heden ten dage nog steeds en bewijst van tijd tot tijd haar kracht bij actuele kwesties zoals de terreurbedreiging door de PKK en ISIS.

De sociologische lijn die loopt van gezin en gezinshoofd (vader) naar stam en stamhoofd ligt tevens aan de basis van de verheven status van de staat voor de Turkic volkeren. De staat is één groot gezin en heeft de taak van het gezinshoofd overgenomen: hij beschermt de gezinsleden én mag ze straffen en belonen, het liefst op een rechtvaardige manier. De uitdrukking Devlet Baba (Vader staat) is in de Turkse politieke jargon stevig verankerd. 

Het Turkse verleden staat vol voorbeelden waarbij machthebbers de verheven status van de staat gebruikten ten gunste van hun bewind, hetzij door te benadrukken dat zij de staat van de ondergang hadden gered, hetzij door te beweren dat de voortgang van de staat in het geding was. In het geval van Erdogan zien we beide: toen hij in 2002 met een absolute meerderheid aan de macht kwam zei hij dat hij een ruïne had overgenomen. Dat was terecht: een jaar eerder had een ongekend grote crisis de inwoners van het land zwaar getroffen en een lege schatkist achtergelaten. Erdogan bleef daarna, gedurende acht jaar van zijn bewind, trouw aan een hervormingsprogramma dat Turkije een voorspoedige economie bezorgde en hemzelf in binnen- en buitenland veel krediet bracht.

Gedurende de laatste tien jaar, terwijl het slechter gaat met de economie, zeker in verhouding tot wat hij heeft beloofd, houdt hij het volk voor dat de Turkse staat (en natie) verwikkeld is in een overlevingsstrijd. In een land waarvan de meeste inwoners het Verdrag van Sèvres[1] en de opdeling van Anatolië in hun geheugen hebben geprent, vindt dit nog altijd gehoor.

Allianties
De afgelopen twee jaar is de aanhang van de AKP in snel tempo geslonken. Als gevolg van de dalende inkomsten van de staat door de aanhoudende recessie, en het verlies van de grootste steden aan de oppositiepartijen – de CHP en de IYI – bij de laatste burgemeestersverkiezingen, heeft patronage zijn grenzen bereikt. Voorts maken de stijging van het opleidingsniveau van de bevolking, en de afnemende steun voor islamisering onder de jeugdige aanhang van de AKP, de manoeuvreerruimte van Erdogan steeds kleiner.

Velen houden het erop dat alleen zijn leiderschap de AKP nog staande houdt. Erdogan is er met zijn charisma in geslaagd de leiderschapscultus die in de Turkse cultuur ingebakken zit negentien jaar levendig te houden. Dit is geen van zijn voorgangers gelukt, met uitzondering van Atatürk, de stichter van de Turkse Republiek.

De leiderschapscultus is eveneens verbonden met staatsvorming en de mythen eromheen. De geschiedenis van de Turkic volkeren kent veel voorbeelden waarbij een stamhoofd opstaat en het volk in nood van ondergang redt, of het bevrijdt van het juk van heersers. De volgende stap is het vormen van een staat, als het belichaamde symbool van onafhankelijkheid. De laatste leider die in dit stramien past is Atatürk. Hij erkende het Verdrag van Sèvres niet en bevrijdde het land na een onafhankelijkheidsoorlog tegen de geallieerden en het Griekse leger.

De invoering van het presidentiële systeem twee jaar geleden, waarbij de president rechtstreeks door het volk kan worden gekozen en Erdogan de eerste president werd, heeft in de Turkse politiek een totaal nieuw fenomeen ingeluid: allianties. Omdat geen enkele partij in staat is 50% van de uitgebrachte stemmen te halen is krachtenbundeling tussen de politieke partijen noodzakelijk geworden. Bijna 90% van het electoraat is verdeeld tussen twee gelijkwaardige kampen.

Of de alliantie die de AKP met de rechtse Nationale Bewegingspartij (MHP) is aangegaan Erdogan bij de eerstvolgende presidentsverkiezingen in 2023 opnieuw aan de macht helpt is maar de vraag. Hij heeft de steun van de Koerdische HDP nodig. De samenwerking met deze partij heeft hij in 2015 vanwege haar banden met de PKK verbroken. De alliantie van de twee oppositiepartijen heeft eveneens de steun van de HDP nodig, maar wil om dezelfde reden als de AKP niet openlijk met deze partij in zee gaan. De HDP neemt niet openlijk afstand van de PKK-terreur. De oppositiepartijen zijn om deze reden bang een deel van hun aanhang van zich te vervreemden.

De komende twee jaar zal blijken of het Turkse politieke systeem zich uit deze impasse, die gepaard gaat met voortdurende polarisering, zal kunnen redden.

De foto is van het Mausoleum van Atatürk. Atatürk (letterlijk: de vader der Turken) ligt hier begraven en zijn graf wordt nog altijd dagelijks bezocht door Turken. Op zijn sterfdag (10 november) ligt om 9.05 het hele land een minuut lang stil.


[1] Het Verdrag van Sèvres was een van de verdragen die de geallieerden na de Eerste Wereldoorlog sloten met de verslagen landen, waaronder Turkije.

Kerim Göçmen

Kerim Göçmen werd in 1957 geboren in Izmit, een stad ten oosten van Istanbul. Hij bracht zijn jeugd door in diverse plaatsen in Turkije, waar zijn vader het ambt van rechter uitoefende. In 1974 begon hij met de studie werktuigbouwkunde in Ankara. Drie jaar later kwam hij op uitnodiging van zijn tante naar Nederland. Hij veranderde van studie en koos voor politicologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.  Het geheim van de kromme neuzen was zijn debuut, daarna verschenen Rode kornoeljes en Kroniek van mijn schoolvakanties.

Weer

Met een warm brood onder mijn arm liet ik Otis de Hond uit op het eiland. Het regende zoals het deze dagen altijd regent, en bij gebrek aan paraplu stopte ik het brood maar in mijn jas.

Bij het veldje op de hoek stond Paul. Hij had de capuchon van zijn jas over zijn hoofd getrokken en volgde de bewegingen van zijn zwarte hond aandachtig. ‘Hé,’ zei hij toen hij me in het oog kreeg.

‘Hé,’ zei ik. We zeiden niet dat het kutweer was. Ik hoor dat eigenlijk niemand meer zeggen.

Paul leek bedrukt, ik vroeg hem wat er was en hij vertelde. Veel kan ik daarover niet melden, maar hij bleek in een conflict verwikkeld. Uit hoe iemand praat over een ruzie kun je veel afleiden over zijn persoon.

Uit Pauls verhaal leidde ik af dat hij een goeie is, maar mijn blik kan ook gekleurd zijn door de ervaring die ik al met hem heb opgedaan. Paul werkt op het water, draagt weerbestendige kleding en maakt steevast ruimte voor een gesprek, zonder je ooit aan te klampen. Als hij ziet dat je het nodig hebt, brengt hij je gereedschap. Een paar dagen later vraagt hij het dan op subtiele wijze terug, maar beslist zonder een onderhuids verwijt.

‘Is het nog gelukt met die bougies?’ kan hij dan zeggen. ‘Pasten mijn dopsleutels?’

Een buurman is comfortabeler dan een vriend omdat hij er altijd is, en je minder van het contact met hem verwacht. Omdat je een buurman spreekt als het zich aandient – terwijl je met iets anders bezig bent – duurt elk contact precies zo lang als je wilt. Ik vind Paul een getalenteerd buurman, omdat onze gesprekken nooit helemaal klaar voelen.

Leave them wanting more, om met Bobby Womack te spreken.

Met de knauw die onze actieradius krijgt als we aan kinderen beginnen, groeit het belang van contact met buren. Tel daar een pandemietje bij op, en we zien vrienden vooral op social media, wijn drinkend op het pleintje voor hun deur met mensen over wie we nog nooit gehoord hebben. Onze vrienden zien er ontspannen uit op Facebook, tevreden en misschien een pondje dikker.

Hoewel ik nog elk jaar nieuwe vrienden maak, heb ik bij lange na niet genoeg tijd om die contacten te onderhouden. Met nieuwe mensen afspreken voelt daarom vaak onverstandig: als het contact leuk is, kan ik het vervolg ervan dan waarmaken?

Toen Paul halverwege zijn verhaal was, kakte zijn hond in een bloemperkje. Paul raapte de drol op met een zakje, knoopte dat dicht en zuchtte terwijl hij weer naast me kwam staan. ‘Laat ook maar,’ zei hij, doelend op zijn lopende conflict. ‘Ik ga je er verder niet mee belasten.’

Als mensen zeggen dat ze je ergens niet mee willen belasten, denk ik altijd dat ze geen zin hebben om het hele verhaal uit de doeken te doen bij een nieuw persoon. Het zou ze meer moeite kosten dan dat het ze oplucht.

Omdat Paul en ik buren zijn, besloot ik niet aan te dringen. Ik ritste mijn jas open, trok het brood tevoorschijn dat ik die ochtend had gebakken en hield het voor zijn neus.

‘Wat is dit?’ zei hij.

‘Voor jou. Ik maak er elke dag een extra. Dat geef ik dan weg op straat.’

Paul keek van het brood in zijn handen naar mij en weer terug. Hij trok een mooi donker stuk van de korst en stak het in zijn mond; kauwde, slikte en glimlachte. ‘Dit is het keerpunt,’ zei hij. ‘Dit is het keerpunt in mijn dag.’

Natuurlijk was het maar een brood, en was het Pauls eigen beslissing het tot keerpunt te benoemen, maar terwijl ik mijn rondje met Otis vervolgde leek ook mijn dag er anders bij te liggen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Hoe doen ze het?

Rabih en Kirsten ontmoeten elkaar als ze 20 zijn. Hij is van Duits/Libanese afkomst, zij is een Britse. Ze gaan in Engeland wonen, krijgen twee kinderen en best veel problemen. Ze spelen een bijzondere hoofdrol in Alain de Bottons The Course of Love (vertaald als Weg van liefde).

Je kunt een hekel aan De Botton hebben, maar ik behoor tot de categorie die hem mateloos bewondert. Een twintigtal boeken over velerlei onderwerpen en allemaal echt leerzaam: ook als je denkt dat je heus wel het een en ander weet. De Botton is een specialist in toegepaste filosofie: hij denkt over onderwerpen na en legt ze onwaarschijnlijk goed uit. Meesterbrein in onderwijzersgedaante. Dat kan over reizen gaan, over het nieuws, over architectuur, over werk, over status, over arbeid, over vliegverkeer. En over de liefde.

In dit boek gaat hij een stapje verder in zijn techniek. Het is het levensverhaal van deze twee mensen met hun hang-ups en problemen, steeds onderbroken door een uitleg over wat er aan de hand is. Dat kan ook na dertig jaar liefde nog handig zijn. Wat een soort van opluchting geeft in het boek is dat er van alles mis is met deze mensen, en dat De Botton heel duidelijk maakt dat dat de universele uitgangssituatie is: liefde is instabiel, de beide betrokkenen zijn instabiel en we maken er het beste van. Zo klinkt dat te plat: als je het boek leest voel je echter hoe precies en geaccidenteerd dat eigenlijk is.

Toen stuurde dichter LV mij haar ‘kunstenaar van de week’, Siân Davey. Bij deze Britse fotografe zie ik iets gelijkwaardigs gebeuren. Haar werk speelt zich grotendeels af binnen gezin, familie en gemeenschap en er hangt een heel wonderlijke zweem van fraaie verbondenheid en tegelijkertijd van kwetsbaarheid overheen: deze mensen zijn transparant in het geluk dat ze ervaren, en je ziet hoe dat ook kan omslaan: tegelijkertijd. En daarom kun je naar de hele reeksen op haar website wel blijven kijken. Want hoe doet ze het? Hoe speelt zij het voor elkaar, net als De Botton dat zo aanschouwelijk te doorzien? Hoe kan haar waarneming, haar lens, net als de wijze waarop De Botton kijkt, zoveel onthullen over de menselijke staat? En toen vond ik heel eenvoudig de sleutel tot haar werk in een uitspraak die het ook heel precies aan dat van De Botton lijkt te raken:

‘One of the biggest truths is to realise that we’re all suffering in some way. When we can acknowledge that, then we can start making sense of why that is and who we are.’

En verderop:

‘This series is an illustration of family life – all the tensions, joys and ups and downs that go with the territory of being in a family. My family is a microcosm for the dynamics occurring in many other families. We are no different. As a psychotherapist I have listened to many stories. It is interesting that what has been revealed to me after fifteen years of practice is not how different we are to one another but rather how alike we are. It is what we share that is significant. The stories vary but we all share the same emotions, we are all vulnerable to feelings of anger, grief, depression and so on.’

Dit voelt bij Davey en bij De Botton geenszins als een open deur, maar gek genoeg als een levensveranderend inzicht.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.