Zo’n echte

Drie jaar geleden was ik voor het eerst in Aardenburg, een stadje aan de onderkant van Nederland. Op een literaire avond speelde ik liedjes en droeg ik voor de eerste keer twee gedichten voor – ik was net gedebuteerd in Meander, en had me voorgenomen om me op de poëzie te storten.

In de boekwinkel zat ik voor het eerst naast echte dichters, in het wild. Ik kon ze aanraken, zelfs. Het waren echte mensen. Ze dronken wijn, praatten over het schrijven en droegen voor. Philip Hoorne las ook voor, en toen ik wat rozig in mijn bed lag, dacht ik: later, als ik groot ben, wil ik Philip Hoorne worden.

Nu was ik terug. De treinreis leek korter dan drie jaar geleden. Bij Vlissingen hield het spoor op. Zo ziet het einde van het land er dus uit, dacht ik: een stootblok op het spoor. Voordat ik de boot nam naar Breskens – Vlissingen bleek niet het einde van de wereld – waaide de wind twee regels van Wigman voor me uit:

Ik hoor hoe Zeeland zucht: bewoners, kom terug.

Maar zelfs de zee nam hier de vlucht.

De boottocht verliep voorspoedig: we zonken niet, botsten niet op een andere boot, en niemand sloeg overboord. Toen ik in Breskens weer met mijn voeten op het vasteland stond, lag er een uitgestrekt landschap voor me, leeg en groen. Er liep één vrouw met één hond. Er kwam één auto aanrijden, van Ron, een van de organisatoren die me op kwam halen.

De boekwinkel lag er nog onveranderd bij, gelukkig. Het is vreemd hoe een plek waar je maar een keer eerder bent geweest een thuiskomst in zich heeft. Monica, de gastvrouw, omhelsde me, alsof ik gisteren was weggegaan en nu weer terugkwam. De drie jaar drukten in elkaar als de muizentrappetjes die ik vroeger vouwde.

Het voorlezen was heerlijk – een week eerder had ik voorgelezen in een kroeg, waar het publiek vooral bestond uit dronken Engelsen, verdwaalde pubers en een bejaarde vrouw die het twee gedichten volhield om enigszins te luisteren, maar Aardenburg was een en al oor. Ze klapten zelfs na een gedicht.

Na afloop luisterde ik gebiologeerd naar de verhalen van Job Degenaar, die ook had voorgelezen, en hoe. De wijn en de kaas waren op de tafel gezet, er was een haardvuur aangestoken en de ramen zagen mistig van de condens.

Toen ik buiten als enige een sigaret opstak, ik was de laatste roker in het gezelschap, besloot ik niet weer drie jaar te wachten. In de zomer zou ik teruggaan. Monica had verteld dat je prachtig in de omgeving kon fietsen, en dat zou ik gaan doen.

Om twaalf uur was het feest gedaan. Ik lag in hetzelfde bed en was weer wat rozig. Ik was groot nu, dacht ik, en Philip Hoorne was ik niet geworden, niet helemaal. Een beetje. Misschien, dacht ik, toen ik het licht uitknipte, was ik nu een dichter. Zo’n echte.

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

In de Oorshop

Hawaii, a crying shame

Voor wie wel eens een globe heeft vastgehouden is het een bekend gegeven. Je kunt de aarde zo draaien dat je vrijwel uitsluitend zee ziet. De Blue Marble, de foto die in 1972 genomen werd uit de Apollo 17 op 29.000 kilometer draagt niet voor niets die naam. 71% van het oppervlakte van de aarde is het niet. Maar is water. Wij zouden Earth beter Ocean kunnen noemen. Vanuit de verte dus blauw en op kaarten en globes blauw. ‘In de oceaan duiken is de grootste habitat op de planeet binnengaan – een rijk met ruim 160 keer méér leefruimte dan alle ecosystemen op het oppervlak samen.’* Dus 71% van deze stukjes zou over de zee moeten gaan.

Dat aangezicht van de globe toont nog een aantal dingen. Het randje land dat je dan nog ziet komt overeen met de ‘pacific ring of fire’. In een hoefijzervorm zie je dan dat er vulkanisme aan drie zijden van de grote oceaan te vinden is, de zuidkant blijft vrij omdat de Pacifische plaat daar niet onder een andere plaat kan duiken.

Maar eerst nog die globe van half water. In de meeste globes staat in die plas water even iets over waar de globe vandaan komt, plaats genoeg. De oceaan is er dus voor tekst en uitleg. De mijne is een Räth, Staatkundige globe uit april 1987, met geplakte papieren stroken, zodat je meteen ziet hoezeer mijn opgeknipte poster vertekent: de Mercatorprojectie, (waarover later meer). En als je goed gaat kijken zie je dat vrijwel in het midden van dat grote azuren vlak het eilandenrijkje Hawaii ligt. Er zijn nauwelijks plekken te noemen die geïsoleerder liggen, niets is zover van alles af als Hawaii.  En het moet er mooi en aantrekkelijk zijn. Aloha!

De bloemenslinger die je omgehangen krijgt geeft in zijn paradijselijkheid volgens Edward Wilson** echter meteen iets pijnlijks mee. De bloemen zijn niet inheems, ze hebben waarschijnlijk veel mooiere bloemen verdrongen.

Want achter de intense schoonheid die je je bij Hawaii voorstelt gaat volgens deze bioloog een tragedie van formaat schuil. In werkelijkheid, schrijft hij, is Hawaii een veld des doods van biodiversiteit. ‘Toen de eerste Polynesische reizigers er in het jaar 400 landden, benaderde deze archipel het paradijs zo dicht als nooit enig land had gedaan. In de weelderige wouden en vruchtbare valleien kwamen geen muggen, stekende wespen, gifslangen of gifspinnen voor en slechts weinig planten met doorn of gif.’ Dat is mooi om je voor te stellen: alle geneugten van de wildernis zonder enig ongemak. Hawaii is daarmee natuurlijk een schoolvoorbeeld van eiland biogeografie: waar vind je welke dieren en waarom? Het was niet alleen voor mensen lastig op Hawaii te komen, de afstanden zijn zo groot dat de archipel het heel lang zonder contact met de buitenwereld heeft kunnen stellen. Er ontwikkelde zich een ecosysteem dat toegespitst was op de omgeving, dieren pasten zich erop aan en het geheel leek op niets elders. Varkens, ratten, mieren, muggen, slangen hebben daar sinds 400 na chr. en versneld na 1492 een einde aan gemaakt. Het moet er mooi zijn en er is een aardige biodiversiteit, maar niet te vergelijken met hoe die was.

Niet teveel sombermannen, dat doen Wilson en David Quammen ook niet. Hoewel de grote Jack Johnson er wel wat van kan.

It is such a tired game
Will it ever stop
How will this all play out
of sight, out of mind now […]
It’s such a crying shame.

En toch wil ik ernaartoe…

Lezen

* Ed Yong Een immense wereld. Hoe dierlijke zintuigen de dimensies om ons heen onthullen.
**Edward O. Wilson De toekomst van het leven.
David Quammen The Song of the Dodo. Island Biogeography in an age of extinction.
Luisteren: Jack Johnson.
Kijken: The White Lotus, Seizoen 1.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Scholen kijken

De grote stoelendans is aangevangen. Wekelijks doen we vier middelbare scholen aan met onze zoon.

Nadim heeft een lijstje met punten waarop hij die scholen scoren kan, en omdat zijn lijstje op de eettafel ligt, kijk ik regelmatig naar zijn uitdijende aantekeningen.

God, wat houd ik van die jongen. Van zijn gebogen hoofd wanneer hij schrijft, wanneer hij leest – na Schaduw van de wind is hij nu aan mijn werk begonnen. Hij is daar te jong voor, maar als hij Het jasje van Luis Martín straks uitheeft zal hij zijn vader zien, zijn ouder kennen op een manier die niet zo vanzelfsprekend is. Het maakt me even huiverig als blij.

Ik houd van zijn lange dunne vingers, zijn altijd vuile, iets te lange nagels, van het litteken boven zijn wenkbrauw dat hij opliep toen hij in volle vaart tegen een picknicktafel klapte. Ik houd van zijn geur, als verse spekkies uit zo’n grote zak, maar dan net minder zoet.

Ze zeggen me, de ouders met kinderen op de middelbare, dat hij snel zal gaan stinken omdat alle pubers stinken. Ik kan me dat niet voorstellen omdat dit zijn geur is. Als hij straks anders ruikt dan moet hij ook iemand anders zijn.

B en mijn schoonfamilie zijn nagenoeg geurloos. Mijn ouders ook. Misschien blijft mijn jongen wel naar spekkies ruiken.

Er staan kringetjes en uitroeptekens op Naadjes lijst, gekrabbelde aanvullingen en cijfers. Ik heb nooit veel gehad met school, en het is dan ook een wonder voor me hoe anders hij in de materie staat.

Oudergesprekken op zijn basisschool leken altijd meer op een collegiaal overleg tussen hem en de juf. Ik zat ernaast en werd terloops geïnformeerd, mocht aan het eind patat gaan eten met mijn man.

Het verwerven en inzetten van kennis voedt hem, Nadim gedijt erbij. De afgelopen jaren zag ik hem steeds meer ontvouwen – een torretje dat ontdekt dat er vliezen onder zijn rugplaten zitten, transparante vleugels. Ik durf niet uit te spreken dat hij op een dag zal vliegen, bang en bijgelovig als het me maakt zoveel van iemand te houden.

Een melancholischstemmend iets, te lopen door de gangen van zo’n middelbare school. Gekleurde kluisjes, boekenkasten, lessenaars en digiborden, het berghok van de schoolband en het kunstlokaal met al die spatten op het raam – zoveel ruimte midden in de stad, een plek voor opstartende levens, voor onrust, doldrieste* ontwikkeling.

Hoewel de taakverdeling soms anders uitpakt, wandel ik liever een uur rond door die hoge gangen dan dat ik naar het praatje van de rector ga. Plek is voor mij belangrijk, daarnaast let ik op de lichaamstaal van leerlingen en onderwijzers, juist als ze even níét met werving bezig zijn.

Uiteindelijk zoek ik een gevoel dat me vertelt dat dit de plek is waar mijn kind een jonge man zal worden. Zie ik hem hier lachen, huilen, kussen, vechten, verzoenen, dansen – worden wie ik voel dat hij kan zijn?

Hoewel de lat dan erg hoog ligt: soms wel, en ik doe dan mijn best om zijn beleving niet te sterk te kleuren. Zijn keus hoeft de mijne niet te zijn.

Met elke stap die een kind zet komt er een complexer soort loslaten bij, met op het oog steeds grotere implicaties.

Het ouderschap is om te janken.

* Ja, ik heb het woord doldriest gebruikt. Het leek het enige kloppende, en dus heb ik het gedaan.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

Het wonder van de 64 velden

Mijn vader en ik stonden laatst in de keuken voor mijn laptop te juichen. Het halfuur daarvoor hadden we in enorme spanning voor het beeldscherm gestaan, terwijl we keken naar twee mannen die tegenover elkaar aan een tafel zaten met een schaakbord tussen hen in. Anish Giri en Magnus Carlsen. Giri stond gewonnen, volgens de computeranalyse boven in beeld. Dit soort spanning is vele malen erger dan de spanning die je voelt als je naar een voetbalwedstrijd kijkt. Wij weten namelijk meer dan de spelers zelf. Wij zien die analyse. De computer schaakt tegenwoordig veel beter dan de mens, dus wij weten welke zet Giri moet doen. En wij weten dus ook meteen of de zet die Giri doet goed is of niet. Giri stond dus gewonnen tegen Carlsen, de wereldkampioen. Als doorgewinterde Giri-fans weten wij echter ook dat Giri een gewonnen stelling nog wel eens weet te verkloten. Dus, iedere keer dat Giri zijn hand uitstak naar het bord om een stuk te verplaatsen, sloegen we hem gespannen gade. Hij ging toch wel dat paard pakken? Zou hij het zien? Ja! Hij ziet het! Hij doet het! Kijk, de analyse schiet verder omhoog. Wat doet Carlsen nu? En zo gaat dat door.

Een relativerende gedachte bij dit schaaktoernooi, het Tatasteel-schaaktoernooi in Wijk aan Zee (bijgenaamd het Wimbledon van het schaken), is dat de zetten en de live-camerabeelden dit jaar een kwartier op de werkelijkheid achterlopen. Dat is gedaan om valsspelen met hulp van een handlanger op afstand (die de computeranalyse kan zien) te bemoeilijken. Alles wat er gebeurt is al gebeurd! Niet dat dit de spanning minder maakt, maar toch.

Het commentaar van de twee grootmeesters op de livestream deed niet onder voor het sportcommentaar dat op de televisie en de radio te horen is. Ze waren reuze-enthousiast en zaten helemaal in de wedstrijd. Het grappige was dat ze volledig op de hand van Giri waren, net als wij. Zoals bij het commentaar bij voetbalwedstrijden moest ik me soms bedwingen om niet tegen hen te gaan schreeuwen als ze zeiden dat Giri op het punt stond te winnen (‘Dat weet je helemaal niet! Roep het nou niet over hem af!’). De varianten die ze op hun analysebord toverden volgde ik met interesse. De varianten die Carlsen een ontsnappingsmogelijkheid boden deden mijn zenuwen de pan uitrijzen, terwijl de varianten die lieten zien dat Giri huizenhoog gewonnen stond, mij rustiger lieten ademhalen. Een andere factor die de spanning verhoogde, was dat Giri nog maar weinig tijd had: slechts tien minuten voor tien zetten en het werd er niet beter op. Het is algemeen bekend dat men, en zelfs topschakers, fouten maakt onder tijdsdruk. (Carlsen had misschien wel minder tijd dan Giri, maar dat vond ik vanzelfsprekend niet erg…) 

Gelukkig won Giri. Hij deed steeds de beste zet en Carlsen maakte nog ergens een kleine fout, waarna hij de handdoek in de ring gooide.

Ik ben door Tonke Dragt aan het schaken verslingerd geraakt. Ik was dertien, veertien en terwijl ik bouwwerken maakte met Kapla en die vervolgens in grote veldslagen met soldaatjes liet instorten, luisterde ik naar luisterboeken: soms was dat Harry Potter, ingelezen door Stephen Fry, maar vaak was het De geheimen van het wilde woud, ingesproken door Victor Löw (tot mijn ergernis hadden we De brief voor de koning niet als luisterboek). Ergens halverwege het boek schaakt Tiuri met de vorst van Eviellan op leven en dood. Zeer spannende passages, maar wat mij echt tot het schaakspel aantrok was een gedicht, een mijmering. Een mijmering in dichtvorm over het schaakspel dat voor hem op tafel stond. Ik denk nog wel eens aan dat gedicht. Vooral de zinsnede: ‘Zwart-wit, wit-zwarte velden.’ Prachtig woordspel.

Gek genoeg was het pas bij de derde of vierde keer luisteren dat dat gedicht mij begon te intrigeren en ik bedacht mij dat we in de huiskamer een schaakspel hadden staan en dat mijn broer mij ooit de beginselen van het spel had bijgebracht. (Ik had verder eens op een lagereschooltoernooitje een aantal kinderen verslagen omdat ik als enige het herdersmat kende, maar daarna was de belangstelling verpieterd.) Die avond ging ik aan de slag. Gewapend met het boek Schaken voor Dummies, maakte ik mij het spel eigen. Toen ik dat boek uithad ging ik op zoek naar andere schaakboeken in onze kast – mijn broers hadden ooit enige jaren op een schaakclub gezeten en mijn opa was ook een fervent amateurschaker. Met mijn vader nam ik ondertussen Jan-Hein Donners De koning. Schaakstukken en een paar boeken van Jan Timman door, wat inhield dat mijn vader de verhaaltjes eromheen voorlas en we samen de partijen naspeelden. Ondertussen leerde ik Giri’s My Junior Years in 20 games uit het hoofd (ik heb zelfs bij het NK een handtekening van hem gescoord!).  

In de boekenkast stond ook een boekje van een zekere Peter van Foreest, over een schaaktoernooi in Groningen in 1946, geschreven voor amateurs (hij zal wel familie zijn van de huidige schakers Van Foreest). Het boek heeft zo’n heerlijk ouderwetse titel: Grote denkers binnen Neerlands grenzen. Het was een verjaardagscadeau voor de achttiende verjaardag van mijn opa. Ik heb dat boek met veel plezier van a tot z doorgenomen. Het boek ademt de sfeer van de schaaktoernooien van die tijd uit: sigaren- en sigarettenrook, drank en analoge schaakklokken. Bovenal spat het enorme plezier dat Van Foreest heeft in het vertellen over het schaken en het vertellen van anekdotes over de diverse schakers van de pagina’s af. 

Een ander toernooiboek dat wij hadden was het toernooiboek van het AVRO-schaaktoernooi van 1973, samengesteld door Max Euwe. Dat boek is zowaar nog leuker om te lezen. Per ronde worden er een paar partijen volledig geanalyseerd, maar iedere partij wordt van een korte omschrijving voorzien. Zo loop je, als was het een roman (op de achterflap noemt Euwe het zelf ‘een film’), met de gebeurtenissen in het toernooi mee. Wat aan het filmische bijdraagt is dat er ook enkele niet-toernooi-gerelateerde stukjes instaan, zoals een stukje van Hans Böhm, dat beschrijft hoe de schakers in het hotel elkaar zelf-gecomponeerde eindspelpuzzels laten zien en elkaar uitdagen om ze op te lossen. Het is eigenlijk net literatuur.

Wat mij eraan herinnert dat ik tot mijn schande Stefan Zweigs Schaaknovelle nog niet gelezen heb. Hij ligt al jaren op mijn bureau. Binnenkort ga ik hem lezen. Echt.

En nu ga ik weer voor Giri juichen.

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.

Een nieuwe brief

 Amersfoort, 19 januari 2023

Lieve Helene,

Het is vreemd om te beginnen aan een brief die je nooit zult lezen. De laatste brief die je aan me schreef heb ik wel honderd keer gelezen – ik kan ieder woord dromen. Mijn laatste brief aan jou, deze kleine, gevleugelde brief, zul je niet eens één keer lezen. Anderen zullen dat voor je moeten doen.

Laatst was je een jaar dood. Ef had een herinneringsbijeenkomst georganiseerd met al jouw dierbaren. Iemand verzuchtte dat het even leek of je er weer bij was, en eigenlijk was je dat ook: in onze verhalen, in onze gedachten, in de kamer, even. Ef heeft een prachtig monumentje voor je gemaakt, in het midden van die kamer. We stonden voor je foto en proostten op je, zo luid, omdat we hoopten dat je het ergens zou horen.

Zijn nieuwe liefde, Het, was er ook bij, en hij hield haar stevig vast. Het ontroerde me, hoe hij dapper zijn blik weer op het leven heeft gericht, en een nieuwe liefde heeft gevonden, zonder de oude liefde kwijt te raken. Ik dacht aan de momenten waarop jij hem door het leven hebt gedragen. Nu draagt hij jou, zijn hele leven lang.

Een jaar is niet samen te vatten in één brief. Er is te veel gebeurd. Ik ben al tien keer aan een nieuwe brief begonnen, als ik de behoefte voelde om je toch te schrijven. Om te vertellen over nieuwe gedichten, nieuwe liefdes, nieuwe gebeurtenissen. Om te vertellen over kleine onbenulligheden in mijn bestaan. Om je grote levensvragen te stellen. Om gewoon te zeggen dat ik je mis, en dat het nu wel lang genoeg heeft geduurd. De ijzige stilte die zou volgen op die brieven weerhielden me om ze af te maken.

Als ik naar de Kruiskamp fiets, om Ef te bezoeken, verwacht ik je nog steeds in de deuropening. Bij het binnengaan denk ik soms nog dat je boven zit te werken. Als Ef koffie zet of bier inschenkt, hoop ik altijd dat je naar beneden komt, met je hoofd nog in een boek of een stuk tekst, en hoor ik je bijna verontschuldigend de kamer binnenkomen. Het gebeurt nooit.

Als ik in Van Zanten zit, ben je er bij. Je zit aan de bar, of aan een tafel, en krijgt nooit een biertje. Soms draaien ze jouw lievelingsmuziek, vertelt iemand die je heeft gekend een verhaal over je dat ik nog niet ken, of wordt er op je geproost.

Als ik vertel over mijn leven, praat ik je weer een beetje tot leven. Met mensen die je hebben meegemaakt haal ik herinneringen op, maar meer nog vertel ik de mensen die je niet hebben gekend over het feit dat je bestond. Het voelt als iets wat ik moet doen, omdat ze je niet meer kunnen ontmoeten. Ik weet zeker dat je ze had gemogen, en zij jou.

Nu, een jaar later, heb ik pas een beetje het gevoel dat het echt tot me doordringt dat je weg bent. Rouw is een onvoorspelbaar, onpeilbaar en haast onmogelijk iets, en dat de tijd niet alle wonden heelt, heb ik nu wel geleerd. Er hoeft ook eigenlijk helemaal niets geheeld, want dat zou betekenen dat je een gemis kunt genezen. Dat er een pleister kan op het gat dat je achterliet. Ik heb nog geen pleisters gevonden van dat formaat.

Ik wil deze brief niet eindigen. Nu ik dit schrijf, heb ik het gevoel dat ik niet meer zo dicht bij je ben geweest sinds het moment waarop ik je voor de laatste keer zag. En ik ben bang dat dit gevoel ook niet meer terug zal komen. Ik wil niet weg uit deze woorden. Maar: het moet. Ik heb nog tijd, en tijd is kostbaar, tijd is alles wat we hebben, zei je altijd: ik moet daar zorgvuldig mee omgaan. Het leven wacht, buiten deze brief. Ik ben er nog. En ik moet door, of ik nu wil of niet.

Het is vreemd om te beginnen aan een brief die je nooit meer zult lezen, maar het is nog vreemder om een brief die je nooit meer zult lezen af te ronden. Ik heb een jaar lang gedacht dat ik het niet zou kunnen.

Maar kijk, lieve Helene, kijk: het leven weet me nog altijd te verbazen. Zelfs nu. Ik sluit deze brief af, maar jou niet. Er waren twaalf maanden, zeshonderdnegentig woorden en duizend tranen nodig om dat in te zien.

Een laatste, lieve groet,


T.

Voetnoot: Dit stuk droeg eerst de titel ‘Een laatste brief’, omdat ik dacht dat deze brief de afronding van ons schrijven zou zijn, een laatste, geschreven groet aan een vriendin. Maar: het schrijven hoeft niet te stoppen, weet ik nu, dankzij een nieuwe vriend, die kwam nadat Helene vertrok. Hij schreef me: ‘Je kunt haar nog houden, als je wilt. Als je schrijft dan wordt het waar.’ En: ‘Je kunt zo veel inhalen door te schrijven aan iemand die er niet meer is.’

Het is waar. Hij kan het weten, want hij doet het ook. In zijn stukken, in een roman, in een gedicht. Dit is geen laatste brief, maar een nieuwe brief. Ik blijf haar brieven schrijven. Ik weet nog niet wanneer, en waar, en zelfs waarover, maar dát ik zal schrijven, dat weet ik wel. Dat is eigenlijk ook al terug te lezen in de brief, al wist ik het zelf toen nog niet. De brief wist het wel. En Helene misschien ook.

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Sranan Tongo

Lobi, feti en libi. Bekende Sranan Tongo woorden die sinds enkele jaren onderdeel zijn van het algemeen taalgebruik in Nederland. Met het Sranan Tongo, ook wel het Sranan genoemd, heb ik een haat-liefdeverhouding. Ik kan de taal spreken en verstaan, maar kan nog steeds bepaalde woorden en zinnen niet zo goed uitspreken, wat soms klungelig overkomt. Dan druk ik mij uit in het Nederlands. Desondanks praat ik ook toch vaak Sranan Tongo met vrienden, familie en collega’s. In bepaalde situaties kan je jouw gevoelens het best uitdrukken in het Sranan Tongo, omdat ik vind dat de zinnen wat meer lading hebben in die taal. Het komt sterker over. A wroko broko mi skin tide, het werk heeft me vandaag gesloopt. In het Sranan tongo is de tekst veel krachtiger.

Net als bij vele Surinamers het geval was, werd mij ook thuis verboden Sranan Tongo te praten. ‘Ontwikkelde en beschaafde’ personen spraken namelijk geen Sranan Tongo, punt. Algemeen Beschaafd Nederlands was de norm en dat moest je zo goed mogelijk proberen te spreken. Op de Froweinschool, school voor meer uitgebreid lager onderwijs, werd ik geconfronteerd met klasgenoten die Sranan Tongo spraken en mij ook stimuleerden (lees hebben verplicht) dat ik met hen Sranan Tongo sprak. Ze lachten mij vaak eerst uit als ik een fout maakte en corrigeerden mij daarna. Hierdoor leerde ik de taal beter beheersen. Voor mijn werk in de media kwam het me kunnen uitdrukken in die taal, me goed van pas. 

Op een heleboel plekken is het praten in het Nederlands een drempel: velen schamen zich namelijk als ze het niet goed kunnen spreken en sluiten zich af wanneer je hen aanspreekt in het Nederlands. Praten in het Sranan Tongo opende deuren voor mij en zorgde ervoor dat de afstand tussen mij en anderen verdween. De taal is ook nauw verbonden met het Surinamerschap, de Surinaamse identiteit. Dat zag ik ook in Nederland. Het spreken van de taal is voor Surinaamse Nederlanders een uiting van waar hun roots liggen. De taal is door de jaren heen bijna mainstream geworden in Nederland, niet alleen Surinamers praten het. Een aantal woorden zijn zelfs toegevoegd aan het Nederlands en ook in series in Amerika kom je de taal tegen. Een aantal films en series die zijn uitgebracht in Nederland dragen zelfs Surinaamse namen zoals De Libi en Kofi’s Tori. Een mooi voorbeeld en een hoogtepunt was de deelname van zanger, componist Jeangu Macrooy aan het Eurovisie Songfestival met het lied Birth Of A New Age, met daarin Sranan Tongo teksten: Yu no man broko, broko mi (mi na afu sensi).

Voor de korte docuserie Wi Kondre, over het immaterieel erfgoed van Suriname, die ik samen heb geproduceerd met het Nationaal Archief Nederland, het Nationaal Archief Suriname en Beeld en Geluid, wijdde ik een aflevering aan de ontwikkeling van het Sranan Tongo in de literatuur. Volgens linguïst Renata de Bies is Sranan Tongo een contacttaal geweest van de tot slaafgemaakten met als basis woorden in de talen Portugees, Engels en Nederlands. Bij het Winti geloof zijn veel Sranan Tongo woorden intact gebleven om bepaalde rituelen te benoemen. De taal heeft een mooie ontwikkeling doorgemaakt, onder meer dat woorden met ‘oe” erin nu worden geschreven met u zoals luku, kijk, yuru, tijd en buku, boek. Tijdens de researchperiode van deze productie ben ik de taal meer gaan waarderen. Een mooie activiteit in Suriname waar er liederen worden gemaakt met het Sranan Tongo is tijdens het tweejaarlijks componisten festival Suripop. Elke editie heeft weer aantal composities met prachtige Sranan Tongo teksten. 

In de planning is de productie van een lange documentaire over de ontwikkeling van het Sranan Tongo in Suriname en waarom deze lingua franca spreekt tot het gevoel van de Surinamers. Ik wil met dit product vastleggen hoe deze verboden taal uiteindelijk een belangrijke taal voor de Surinamer werd. Ik wil met dit product ook de grote Surinamers Julius Gustaaf Arnout Koenders (Papa Koenders), Henri Frans de Ziel (Trefossa), Hein Eersel en Eddy van der Hilst eren aangezien zij hun leven hebben gewijd aan het onderzoeken en ontwikkelingen van de taal. 

Al met al, het is belangrijk deze taal levendig wordt gehouden, niet alleen door het te praten, maar ook door deze vast te leggen voor volgende generaties. Het is belangrijk nu te beseffen dat taal onze identiteit bepaalt.  Mijn beheersing van het Sranan Tongo is niet perfect, ik maak nog steeds taalfouten, ik maak nog steeds fouten, maar is dat erg? Het is een leerproces, dat ik met alle liefde aanga.

Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Meer blogs

  • A Giant Leap for Mankind - de Beringstraat

    Dit is waar het gebeurt. Wanneer is nog wel een punt van discussie*. Tussen de 16.500 en 25.000 jaar geleden loopt een clubje Homo Sapiens over een drooggevallen vlakte, waarschijnlijk achter een groep grote landdieren aan, voor de jacht, grote ossen of reuzenherten. Wandelend of rennend zoals homoniden doen achter prooidieren aan, om ze uit...
    Lees verder
  • In it to Guinness 4

    Sinds hij in Los Angeles woont lukt het Col niet vaak om hierheen te komen, maar vorige week had ik geluk: weinig is zo fijn als een van je oudste vrienden op je stoepje treffen. Ik kwam mijn huis uit en daar stond hij, ontspannen leunend tegen mijn geparkeerde fiets. Ik keek achterom naar de...
    Lees verder
  • Sorry

    Na een ruzie met een jeugdvriendin besloot ik naar de boekwinkel te gaan om een poëziebundel te kopen. Het een had niet veel met het ander te maken, maar ik was gefrustreerd, wilde er even uit en baalde van het feit dat ik nooit excuses kon maken: ik had iets venijnigs gezegd over haar nieuwe...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Jos Versteegen

    Jos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

  • Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.

  • Julien Ignacio

    Julien Ignacio (1969) is schrijver en blogger. Hij is redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen. Bij Van Oorschot verscheen in september zijn debuutroman Kus.