Samen werken

In het schrijven groei je door veel te lezen, door na te denken over wat een schrijver gedaan heeft en waarom. Je groeit door zelf veel te schrijven en dan na te denken over wat jij doet en waarom, maar het meest belangrijk vind ik het vragen en krijgen van feedback.

Bij schrijven is dat lastig omdat het maken van werk aan het laten zien ervan voorafgaat. In het proces zelf sta je alleen, pas als je alles op papier hebt vraag je wat een ander ervan vindt. Al zou het kunnen: iemand die je real time bijstuurt haalt je daarmee alleen maar uit je inspiratiebubbel.

Omdat een maker onmogelijk kan weten hoe haar werk overkomt, moet ze dat zo nu en dan bij lezers ijken. De ideale persoon om feedback aan te vragen is iemand van wie je weet dat hij je werk snapt en een warm hart toedraagt. Een kritische lezer, die goed onder woorden kan brengen wat hij vindt en niet bang is om zijn band met jou daarbij te schaden. Een collegaschrijver is vaak ideaal omdat collega’s snappen dat hun eerlijke en volledige feedback van levensbelang is.

Als eerste lezers voor mijn nieuwe manuscript vroeg ik een klinisch psycholoog, een collegaschrijver en mijn uitgever Menno, eerste lezer van het eerste uur. De kritiek van de psycholoog en schrijver zijn inmiddels binnen: er is overlap en er zijn verschillen. Vrijdag spreek ik Menno. Met zijn opmerkingen erbij zal ik mijn boek herschrijven, daarna zoek ik nieuwe meelezers.

Ik ken een hoop schrijvers die alleen met hun redacteur aan boeken werken. ‘Anders krijg je al die meningen,’ zeggen ze dan, ‘en moet je je afvragen welke kritiek je volgt of naast je neerlegt. Daar kom je niet uit, en dan ga je met iedereen mee en wordt het één grote bende.’

De stap van schrijven voor jezelf naar schrijven voor een publiek kun je niet maken zonder feedback, en hoe meer feedback je krijgt, hoe sneller je je ontwikkelt. Door steeds weer te horen hoe je zinnen (verkeerd) begrepen worden, krijg je door waar je communicatie te wensen overlaat. Waar je de lezer verliest.

Als je honderd mensen om hun mening vraagt, krijg je geen honderd meningen. Je krijgt een paar grote kritiekpunten aangereikt en een hoop perifere problemen waarover groepjes mensen het eens zijn. Die grote punten verdienen sowieso je aandacht, van de kleine kun je bedenken of ze je op een of andere manier raken.

De juiste feedback voel je, alsof zo’n lezer rommelt aan een splinter die je uit luiheid veel te lang hebt laten zitten. Is hij negatief over iets wat jij als het onwrikbare hart van je verhaal ziet, dan leg je zijn mening terzijde.

De kritiek van sommige recensenten op de stem van de ijsvogel in mijn laatste roman Dorp raakte me niet, omdat ik over die stem nooit getwijfeld heb. Zonder die vogel (die natuurlijk geen echte vogel was, maar dat terzijde) was er voor mij geen boek. Het was alsof ze schreven: Gilles is een rossige Amsterdammer van achtenveertig en dat vinden we maar niks. Achtenveertig werkt voor ons totaal niet, en ook nog rossig, zeg. Nee!

Ik snap dat het voor een beginner lastig kan zijn om te scheiden welke kritiek hout snijdt en welke niet. Je moet daar gevoel voor krijgen, ervaring mee opdoen. Je moet kinderen met het badwater weggooien, die fouten inzien en je kinderen weer opdreggen.

Mensen die me voor begeleiding benaderen hebben heel vaak een roman in de maak. De vraag is dan of ik wat er al ligt wil lezen, kan aangeven wat er beter kan. De derde vraag is altijd of ik – áls ik iets in het werk zie, uiteraard – een uitgever voor ze weet.

Een beginnend schilder, die een voorstudie laat zien en hoopt op een expositie bij een dikke galerie. Maar ik vind dat nooit erg, omdat ze nog niet weten hoe het werkt. Daarnaast komt het natuurlijk voor: een eerste poging die wordt opgepikt, groeit tot een roman die iedereen bij de echte boekhandel kan kopen.

Ik moet vaak aan dat stuk van literair agent Willem Bisseling in De Volkskrant denken, waarin hij onder meer zegt: “Goed schrijven kost jaren van training, verdieping en toewijding. […] Via literaire lezingen, schrijfopleidingen en -wedstrijden verdiep je je in het vak. En door heel veel (goede) boeken te lezen, zie je dat schrijven meer behelst dan een verhaaltje vertellen. Een echte schrijver beoefent een vak en is kritisch over zijn werk.”

Nu ik het herlezen heb, geloof ik dat de negatieve reacties die het stuk opriep minder te maken hadden met wát er stond dan met hóé het er stond. Willem had het meer aanmoedigend kunnen zeggen. Je wilt schrijver worden? De markt is kut, maar het kan nog steeds! Dít is hoe het tegenwoordig werkt…

Een aspirantschrijver moet niet vragen of haar verhalen goed zijn en welke uitgever ze moet hebben, maar hoe ze het best kan groeien in het ambacht en zó goed wordt dat niemand meer om haar stem heen kan.

beeld: Jess Witte

disclaimer: de man naast me op het bankje is Jan van Mersbergen. Hij kan al heel goed schrijven.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

In de Oorshop

In rotsen grijs: Nocturne (I)

De borrel-annex-buffet aan het eind van de dag was druk bezocht; ik schatte het gezelschap op zo’n vijftig man. Het zaaltje lag op een van de hoogste etages van een wolkenkrabber. Door de ramen kon je het water zien dat Hongkong verdeelde in Hong Kong Island en Kowloon, dat op het vasteland lag en via de New Territories verbonden was met China. Ik wilde op mijn vrije dag naar Kowloon. Zou het daar erg verschillen van Hong Kong Island?

Het was niet het beste moment voor een conferentie in Hongkong; buiten op straat liepen in het zwart geklede mensen met spandoeken: ‘Free Hong Kong! Revolution Now!’ Op de dag dat ik in de stad aankwam stapte ik moe de metro uit en ineens was er overal traangas. Rennende mensen. Oproerpolitie. Geschreeuw. Ik stond daar met mijn koffer. Van het Nederlandse nieuws wist ik dat er protesten waren, maar ik had er eigenlijk geen moment rekening mee gehouden dat ik er iets van zou merken. Maar ze waren er echt en ik stond er middenin. Iemand duwde me ruw opzij. Hij droeg een gele helm en een gasmasker. Ik verloor even mijn evenwicht, maar door te leunen op mijn koffer kon ik overeind blijven. 

‘Sorry,’ mompelde ik.

Meer mensen renden langs me heen. Ik probeerde me te herinneren waar de protesten om draaiden. Iets met een uitleveringswet? En iets met meer democratie? Ik liep een stukje terug het metrostation in, weg van het traangas en de rennende mensen.

Op de vloer van het zaaltje lag rood tapijt. Er stonden ronde statafels en een paar lange lage tafels met stoelen eromheen. Tegen de muur tegenover de ingang stond een brede tafel met eten. Rijst met ei. Kip. Eend. Tofu met ui. Vis. En nog veel meer. Ik vroeg me af of het eten pittig was. Er lagen eetstokjes en plastic kommetjes naast. Voor de Westerse gasten die niet met eetstokjes konden omgaan, zoals ik, waren er ook borden, messen, vorken en lepels.

De meeste mensen stonden te praten. Ik was moe en ging zitten. Naast me zat een jongetje van een jaar of tien, korte mouwen en korte broek, verdiept in een boek. Een vrouw kwam op hem toegelopen met een vestje. Ze legde het vest om de schouders van het kind. Zonder van het boek op te kijken stak hij zijn armen in de mouwen. Het was hier inderdaad vrij fris; je kon ook doorslaan in aircogebruik.

‘My son,’ zei ze vergoelijkend. ‘School was out early, today.’

Ik knikte en glimlachte begrijpend.

‘I really liked your talk,’ vervolgde ze.

‘Thank you very much.’ Ik knikte dankbaar.

‘Sara Leung.’ Ze stak haar hand uit. ‘Je ziet er moe uit.’

‘Ik ben ook moe.’

‘Jetlag ha? Eet wat, dan gaat het beter.’

Ik lachte. ‘Zal ik doen.’

‘En wat vindt u van Hongkong?’ vroeg ze.

‘Mooi, maar druk.’

‘Ja, dat heb je niet in Amsterdam.’

‘Nee, gelukkig niet,’ zei ik, terwijl ik mijn ogen door de ruimte liet gaan. ‘Is dat David Wong?’ Ik knikte in de richting van een grote groep die zich om een oude man met een bril had verzameld.

‘Ja,’ zei ze. ‘Je moet zeker even met hem gaan praten.’

‘Iedereen wil met hem praten.’

‘Natuurlijk, hij is beroemd én hij heeft mooie verhalen. Wat wil je nog meer?’

‘Eten!’ zei ik lachend.

Later stond ik met een kopje koffie bij het raam. David Wong werd nog steeds door mensen omringd. Ik keek uit over de stad. Het was donker buiten. Overal lichtjes, van straatlantaarns, stoplichten en auto’s, zoals wanneer je tijdens een nachtvlucht het laatste stuk van de daling door het raampje de verlichte snelwegen, straten en huizen ziet, met af en toe een donker weiland. Ik dacht aan Wong Kar Wai en het jachtige nachtleven van Hongkong in zijn films Chungking Express en Fallen Angels. De stad was zo gigantisch en zo modern. Neonlichten als ik op straat liep. Er kwam iemand naast me staan. David Wong. Hij knikte naar me. In stilte keken we door het raam. 

‘Mooi praatje,’ zei hij.

‘Dank u wel.’

‘Stuur me wat van uw werk. Ik heb daar ook wat ideeën over. Misschien kunnen we samen wat doen?’

‘Wat een eer. Heel graag!’

David Wong glimlachte. Hij had dikke brillenglazen. Hij wees. ‘Kijk, daar ben ik geboren, waar nu die grote toren staat. Ik was de derde van drie broers.’ Hij keek me aan. ‘Ooit stonden daar slechts kleine huisjes en ander laagbouw. Nauwelijks voor te stellen hè? Soms denk ik dat ik mijn jeugd gewoon gedroomd heb, dat het altijd was zoals het nu is.’ Hij grinnikte. ‘We zijn net als Amerikanen. Het New York van Edith Wharton zal je vergeefs zoeken. Ook daar zijn al die statige huizen met die prachtige balzalen allemaal afgebroken.’

‘De vooruitgang,’ mompelde ik.

‘Inderdaad. Er was woonruimte nodig. Meer en meer mensen kwamen hier wonen. En veel andere ruimte is er niet.’

Ik keek naar de toren. ‘Wat deden uw ouders?’

‘Mijn vader werkte op de scheepswerven.’

‘Zwaar werk.’

‘Nou, hij was meer een van de coördinatoren die ervoor zorgde dat alles een beetje goed verliep bij het slopen, het bouwen en het repareren van schepen. Mijn oudste broer is daar ook gaan werken.’

‘Hongkong was een belangrijke haven toch?’

Hij knikte. ‘Hongkong was de sweatshop van Europa, van de wereld. Veel speelgoed en textiel kwam hier vandaan. Hongkong was rijk en een toevluchtsoord voor mensen die niet meer in China wilden of konden leven tijdens de Culturele revolutie en daarna. Al die nieuwe huizen waren voor hen.’ Hij wees weer. ‘Dáár woonden er heel veel. Hun kinderen zijn nu eerste generatie Hongkongers. Er zijn niet veel families zoals de mijne die hier al meerdere generaties wonen.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Er waren zo ongelofelijk veel vluchtelingen. China was arm en er was van alles verboden. Dus men kwam hierheen.’

‘Iedereen mocht gewoon binnenkomen?’

‘In het begin wel, maar Hongkong raakte overspoeld. Dus na een tijdje werden ze tegengehouden. Je kreeg toestanden die je nu bij jullie ziet, aan de randen van Europa.’ Hij keek me aan. ‘Mensensmokkelaars en vluchtelingen die werden teruggestuurd.’

Ik knikte. ‘Vreselijk.’

Hij wees weer. ‘Vroeger ging ik altijd met mijn broers naar de waterkant, kijken hoe de schepen binnenvoeren. En soms gingen we naar mijn vader op de werf en dan was er altijd wel een hooggeplaatste Brit die ons wat snoep toestopte.’

‘Oh ja, het was een Britse kolonie.’

‘Jazeker, daarom spreekt men hier ook zo goed Engels.’ Hij zweeg.

‘Wat vindt u van de protesten?’ vroeg ik.

wordt vervolgd: deel twee van ‘Nocturne’ zal volgende week op het Tirade-blog worden gepubliceerd

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Wie nu alleen is

Ik stond alleen in de Kleine Komedie, terwijl de regen als een slak trieste strepen op het raamwerk trok. Mijn gezelschap had op het laatste moment afgezegd, toen ik al in de trein zat naar de hoofdstad. Voor veel mensen zou dat geen probleem zijn geweest, maar voor mij wel: ik doe eigenlijk zelden iets alleen buiten mijn eigen huis. Dagen kan ik doorkomen in mijn eigen vissenkom, maar zodra ik een stap buiten de deur moet zetten, heb ik liever iemand bij me. De wereld lijkt minder gevaarlijk met iemand aan je zijde.

Ondanks de afzegging had ik toch besloten door te reizen: Patrick ging in première met zijn nieuwe voorstelling, Hoogtij, en dat wilde ik absoluut niet missen. Sinds ik hem het lied hoorde zingen waarvoor hij volkomen terecht de Annie M.G. Schmidtprijs kreeg, was ik een onvervalste bewonderaar. Ik geloofde het daarom ook amper toen ik wat kleine, simpele en bescheiden bijdrages mocht leveren aan de voorstelling.

Het was erg bijzonder om het script van de voorstelling te zien groeien. Ik kreeg een kijkje in de gaarkeuken van het cabaret, in het hoofd van Patrick zelf en in zijn manier van werken. Het was een onvergetelijke ervaring. Jaren geleden had ik het hoogmoedige voornemen om zelf cabaretier te worden, maar dat werd ik niet en dat is beter voor iedereen. Nu ik flarden van het werkproces van een echte cabaretier heb mogen inzien, heb ik allesbehalve spijt – cabaret moet je overlaten aan de mensen die het écht kunnen, zoals Patrick.  

In het voorjaar bezocht ik een try-out in Utrecht. Later streken we neer op een terras, bespraken we mijn notities, dreunden we onze favoriete liedteksten op en dronken we bier. In de snikhete, verzengende zomer mailden we heen en weer, wisselden we spraakmemo’s uit en mocht ik zien hoe het script als een beloftevolle kameleon nieuwe vormen aannam.

Op die druilerige dinsdagavond kon ik eindelijk zien hoe de voorstelling was geworden. Ik bewoog me als een hond zonder baasje door de foyer en probeerde weg te vallen tegen het interieur. Vlak voordat het ongemak en het meerkoppige monster van de onbekende menigte me aan kon zetten tot vluchtgedachtes, stapten Conny, de grand dame van Amersfoort, en Donata, haar theaterdochter, binnen. Bekenden! Mijn hart maakt altijd een klein sprongetje als ik Conny zie, maar het sloeg nu bijna over.

De voorstelling was zonder omhaal prachtig geworden. Alles klopte: het spel van Patrick, de grote lijn, de liedjes, het decor, het verpletterende einde. Ik lachte meer dan goed is voor een iemand die gedichten schrijft, voelde weer die brok in mijn keel bij het liedje over zijn zoon en was geraakt door het moois dat Patrick had neergezet.  

De avond liep uit tot een naborrel met Conny en Donata, terwijl ik eerder van plan was meteen weer huiswaarts te keren, naar mijn vissenkom. Ik kwam nog een vage bekende tegen, werd door Donata voorgesteld aan Sanne (zij als de bekende cabaretière, ik als de onbekende dichter – het had het concept van een tragisch duo kunnen zijn) en praatte nog wat na met Patrick, die er geheel terecht ruim een uur over deed om van de ene kant naar de andere kant van de ruimte te komen.  

Ik was al bijna vergeten hoe ik een paar uur eerder verloren en alleen in de foyer had gestaan als een verdwaald kind bij de ballenbak, wachtend op ouders die opgeslokt waren door de IKEA. De dichter Rilke heeft wat mij betreft onomstotelijk gelijk, behalve op die avond, dacht ik. Terwijl de trein me weer veilig naar Amersfoort reed, dacht ik aan die bekende regel, en hoe het tegendeel was bewezen: wie alleen was, hoefde dat niet lang te blijven. Zelfs niet op een herfstdag.                

Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en muziek. Zijn gedichten werden gepubliceerd door De Revisor, DW B, Het Liegend Konijn en Deus Ex Machina. Tot 2024 is hij stadsdichter van Amersfoort. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

De zee en alles wat daarin is

Wat een fijne formule is het toch: veertig mensen zitten lekker te eten en te keuvelen en tussen de gangen door vertellen een paar boeiende schrijvers iets over een onderwerp en is er een muzikaal intermezzo. Dinsdag jl. waren de schrijvers Tijs Goldschmidt en Alexander Nieuwenhuis, die spraken over navigatie bij dieren, exoten en de geluiden die de bio-akoesticus Bernard L. Krause opnam. Saskia Meijs (altviool) en Leo Bouwmeester (piano) speelden een paar dieren uit het bestiarium van Francis Poulenc – gedichten van Guillaume Apollinaire.

Wat wil je nog meer? Nou ja, je zou wel willen dat dergelijke onderwerpen minder geproblematiseerd waren. Halverwege de avond dacht ik aan Rachel Carsons Silent Spring, het boek uit 1962 waarin ze opmerkt dat de vogels opeens minder zongen daar waar zij woonde in Amerika en ze tot de conclusie komt dat dat wel eens te maken zou kunnen hebben met pesticides die de boeren gebruiken om hun gewassen te beschermen. Als dat zo doorgaat dacht ze, leidt dat ooit tot een volstrekt stille lente. Een angstbeeld dat me iedere zomer als de vogels zwijgen – omdat ze in de rui zijn (en zeer vermoeid van kinderen opvoeden -) naar de keel grijpt.

Daags ervoor las ik toevallig Carsons The Sea Around Us uit, een eerder boek, 1951, waarin Carson, die maritiem biologe was, haar gehele kennis over de oceanen over de lezer uitstort. Fijnzinnig, eloquent, wetenschappelijk, maar voor een groot publiek. ik heb toevallig de eerste Britse uitgave uit datzelfde jaar die ik prachtig vind, inclusief boekenlegger:

Ik heb veel geleerd van deze vrouw over de zee, over de winden en de golven, de gebergten, het fascinerende idee dat het op aarde net nadat de aardkorst voldoende was afgekoeld zodat water niet sissend zou verdampen, het vermoedelijk millennia aan een stuk door geregend heeft, wat de oceanen vulde, nog ver voor dat er leven ontstond, voor planten en dieren verschenen, een baaierd met een gestage stroom van onophoudelijke regen op een levenloze planeet. Een vrolijke gedachte waardoor elke depressieve februari een lachertje wordt.

Mij roepen de wateren,
Mij roepen de zeeën.

Mij roepen, een lijfelijke stem verheffend, de verten,
Alle tijdperken op zee, gevoeld in het verleden, roepen mij.

(uit: ‘Ode van de zee’, Fernando Pessoa, vert. August Willemsen)

Er komen er nog meer, van die fijne Van Oorschot Schrijversdiners bij de Roode Bioscoop. 2 november een avond met Maxim Osipov naar aanleiding van zijn nieuwe verhalenbundel Kilometer 101, en 29 november met Marjoleine de Vos over lekker eten in haar boek Een dolgelukkig Montessorivarken. Over lekker eten. Dat kort daarvoor verschijnt. Houdt deze website in de gaten!

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De goede reis

Het was feest. In het mensenaquarium waar vriend Thomas werkt zouden we afscheid nemen van mijn broer die feitelijk mijn zwager is. Thomas haalde ons één voor een op met de lift en liet ons binnen. Zo groot was het kantoor, zo verpletterend het uitzicht over de havens, dat ik niet anders kon dan naar die glaswand lopen en een weids gebaar maken.

‘ONE DAY, SON, THIS WILL ALL BE YOURS,’ schalde ik in mijn beste ringmeestersstem. En tegen Thomas: ‘Mogen we straks racen met kantoorstoelen?’

Al het wit, al het gebogen glas in die goudstalen sponningen, al het matte zwart. Omdat ik zelden in kantoren kom, laat staan kantoren in moderne gebouwen, is mijn eerste associatie nog steeds American Psycho. Ik kan op zo’n plek geen verhaal situeren zonder een seksmoord erin.

Pim zou naar Colombia met vriend Sven. Voor Sven een motorreis van drie maanden voordat hij terugkeert naar Lauren en zijn aanstaande vaderschap; broer Pim wilde geen terugkeer vastleggen.

Pim is flink wat jonger dan ik, maar in de zeventien jaar dat we elkaar kennen zijn veel van zijn vrienden de mijne geworden, een aantal van hen zie ik ook zonder hem. Het zijn – net als hijzelf – ondernemende mensen met een groot hart en een geweldig gevoel voor humor. Dankzij hen is mijn eigen jeugd met zeker tien jaar opgerekt.

Ouder worden betekent je vorm en werk vinden, je plek vinden, iemand vinden om die plek mee te delen, iemands ouder worden. Werk, plek en iemand bleven voor Pim lang ingewikkeld, vandaar ten dele Colombia. Het grote elders lonkte, en daar kun je van alles over vinden, maar dat hoeft natuurlijk niet.

Zonder hoop geen leven, en als een verre reis zonder retourticket iets uitdrukt dan is het wel hoop. Wat doe je als er niets meer schittert aan de horizon? Precies, je kijkt de andere kant op.

Ouder worden is mensen kwijtraken. Grootouders en ouders verliezen, daarna je vrienden, één voor een. Wie ervoor openstaat kan nieuwe vrienden maken, contacten aangaan in een jongere generatie. Je kunt je op je kinderen richten, maar als het goed en heel verdrietig is komt er een dag waarop mijn kinderen me niet meer nodig hebben. In andere woorden: ik snap mijn broer.

Het feestje liep vol, als je dat kunt zeggen over een ruimte waarin ook duizend man zou passen. Toen het eerste bier gedronken was zei Pim een paar woorden tegen de verzamelde vrienden. Hij hield van ons, wilde hij maar zeggen. Wij waren zijn echte fortuin, en zo voelden we ons ook. Er waren jointjes en meer blikkies bier. Binnen de kortste keren had ik pijn in mijn zij van het lachen.

De kantoorstoelrace kwam er. Ik had Niels als duwer en vreesde minder voor mijn leven dan ik had gehoopt, wat misschien te maken had met de perrongrote bank die we als finish gebruikten. Wie gelanceerd werd landde zacht. Het werd een uur of twee. Men overlegde over een vervolgplek, maar omdat ik die week al twee afscheidsetentjes met Pim had bijgewoond besloot ik de after even te laten voor wat die was.

Terwijl ik naar huis fietste dacht ik aan het citaat van Hilary Mantel dat Manon Uphoff op Instagram gedeeld had: “You don’t know how you got here, but suddenly you’re staring fifty in the face. […] When you think you’re pregnant and you’re not, what happens to the child that has already formed in your mind? You keep it filed in a drawer of your consciousness, like a short story that never worked after the opening lines.”

En opeens wist ik wat ik had moeten zeggen terwijl ik met Pim proostte op een goede reis.

Here’s to opening lines, broer. To opening lines.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).

In rotsen grijs: Busreis (II)

In de verte ziet ze de volgende halte liggen. Nog een paar te gaan, en dan is ze bij het station. Ze moet denken aan Beyond, die oude legendarische Hongkongse band. Een van hun nummers werd het volkslied van de protesten in 2014. En ook nu werd het lied gespeeld. Houd vast aan je idealen, zingen ze.

Idealen. Ze was erbij toen ze de universiteit bezetten. John was daar ook. Samen liepen ze door de lege universiteit en spoten leuzen op de muren: ‘Geen relschoppers, alleen tirannie!’ en ‘Vijf eisen, geen een minder’. De politie probeerde binnen te komen, maar ze hadden barricades opgeworpen en ze gooiden stenen en Molotovcocktails. De politie belegerde de universiteit. Hoe kwamen ze nu weer buiten? De politie beloofde hen een vrije doortocht, maar de mensen die daar gebruik van wilden maken werden opgepakt. Het riool bood uitkomst, maar wat hadden ze nu eigenlijk met deze bezetting bereikt? Hun afval bleef achter.

Idealen. Mark is gearresteerd en zit nu in een cel. Edward is gevlucht en nu neemt zij ook de benen. Ze hoopt dat ze niet wordt gezocht.

De bus stopt bij de halte. Mensen stappen in, mensen stappen uit. Ze let er niet op. Ze leunt met haar hoofd tegen het raam, haar ogen halfgesloten. Vlak voordat de bus vertrekt stappen er drie agenten in. Ze ziet ze pas als de bus wegrijdt. Gelukkig heeft ze een mondkapje op en valt de schrik niet van haar gezicht af te lezen. Ze recht haar rug. Haar hart klopt in haar keel. De agenten staan voorin de bus. Ze vragen de passagiers om hun identiteitskaart te laten zien. Haar handpalmen beginnen te zweten. Ze wrijft ze tegen elkaar. Eerste bankje. Een agent kijkt toe terwijl de andere twee aan weerszijden van het gangpad de passagiers afgaan.

‘Mevrouw… Dank u wel.’

‘Meneer… Dank u wel.’

Elke pas scannen ze, om te zien of de persoon op een of andere lijst voorkomt. Ze zijn bij Johns bankje.

‘Meneer…’ De agent scant de pas en kijkt op. Hij wenkt de agent die toekijkt. Ze legt haar hoofd weer tegen het raam. Foute boel. Haar hartslag versnelt en ze wrijft haar handpalmen weer tegen elkaar. Het zal toch niet? 

‘Meneer, komt u mee?’ zegt de agent. ‘U staat onder arrest. Verweert u zich alstublieft niet.’ Hij gebaart dat John moet opstaan.

John kijkt hulpeloos om zich heen. Daarna staat hij op. Zij vangt zijn blik op. Ze reageert niet, maar ze probeert zijn blik zo lang mogelijk vast te houden zodat hij begrijpt dat zij weet wat ze nu moet doen. John loopt met de agenten mee. Ze stappen bij de volgende halte uit. Zijn reisgenoot blijft alleen achter. Hij kijkt achterom naar haar. Ze knikt hem toe. De bus rijdt verder.

Idealen. Een vrij Hongkong. Ze voelt zich een verrader. Maar ze heeft geen andere keus. Als John niet voorin had gezeten, was zij misschien wel de klos geweest.

Er rest haar nog een taak. Ze pakt haar telefoon en begint John en Johns berichten te wissen uit de verschillende appgroepen. Daarna wacht ze even, werpt een korte blik naar buiten en verwijdert zichzelf en haar berichten ook. Ze stopt haar telefoon weg. Onwillekeurig kijkt ze even achterom en ze ziet Mark en Edward die haar lachend opwachten in de hal, een mensenmenigte op straat met spandoeken, een pianorecital dat zij ooit als klein meisje gaf in het huis van haar grootouders, haar ouders om de tafel met de hele familie, dim-summend, lachend, pratend, zingend, John die de bus uitstapt, geflankeerd door agenten. Ze draait zich langzaam weer terug.

Bij het station stapt ze uit en neemt de sneltrein naar het vliegveld.

Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Zijn moeder komt uit Hongkong. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Momenteel studeert hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. In juli werd een Friestalig essay van zijn hand gepubliceerd in het Fries literair tijdschrift Ensafh.

Meer blogs

  • Het mooiste wat er is

    de één zegt ruiters de ander zegt infanterieeen derde zegt een vloot is op de zwarte aardehet mooiste wat er is – maar ik zeg dat het iswaar je van houdt Zo luidt de eerste strofe van Sappho’s fragment 16. De hier geponeerde stelling wordt in het vervolg van het gedicht onderbouwd aan de hand...
    Lees verder
  • Dag, Dottie

    Dottie kwam bij ons wonen toen ik in de eerste zat. Als ik met mijn fiets door de poort kwam, stormde ze blaffend op me af, haast klaar om me als een inbreker te verscheuren. Het leek altijd alsof ze een paar meter voor me tot de realisatie kwam dat ik het was en dat...
    Lees verder
  • Schrijfles

    Zeven jaar geleden begon ik met lesgeven aan de Schrijversvakschool. Dit was na de publicatie van mijn tweede boek; ik was net onderweg als schrijver en daar stond ik, voor tien eerstejaarsstudenten. ‘We zullen elkaar acht keer zien,’ zei ik aan het begin van die eerste les, ‘en ik ga onze tijd samen optimaal gebruiken....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

  • Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.