DE MENS ALS BIOPIC Vincent van Gogh en de anderen 1

Afwezigen behoren tot de meest aanwezige karakters in verhalen. Ze zijn er niet, maar beheersen alle fictie en non-fictie van sprookjes tot nieuwsfeiten, van mythe tot cult movie, van Homerus tot Harry Potter.

Favoriet in de categorie der afwezigen zijn God en Allah, maar wat te denken van een nog steeds rondlopende seriemoordenaar, een verdwenen geliefde, de ondergedoken dictator, een onvindbare erfgenaam, de al te stille buurvrouw, de slimme veelpleger, de geheime aanbidder, Dr. Livingstone, de geest van vader, Bolle Jos?

Het zijn de niet-aanwezigen die spanning en dynamiek genereren. AMBER Alert! 

Dit dramaturgisch gegeven gebruikte ik in de achtdelige dramaserie Langs de Kant van de Weg. De serie gaat over mensen die tijdelijk een rol speelden in het leven van Vincent van Gogh. Mensen die straal vergeten – niet aanwezig – zouden zijn wanneer zij niet kort beschenen werden door het licht en het genie van Vincent van Gogh. Zij vormen de acht hoofdrollen in deze tv-serie.

*

Deel 1 VROUW MET KIND

Clasina (Sien) Maria Hoornik (1850–1904)

De serie begint met een hoogzwangere vrouw in een ziekenhuisbed. Haar dochtertje Willemien – vijf jaar – tikt as van een sigaar die haar moeder daar rookt. Sien Hoornik werkte als prostituee en hoogstwaarschijnlijk hebben Van Gogh en Hoornik elkaar op die manier ontmoet. Ze woonden twee jaar samen. Vincent timmerde een wiegje voor de baby – niet de zijne – en hij tekende alles wat los en vast zat in hun Haagse buurtje. Van trouwen kwam het niet.

Dat er over de aard van hun samenleven niet veel bekend is, maakte het mij voor makkelijk scènes te bedenken over Vincents artistieke ambities en hoe die ten slotte het samenzijn met Sien onmogelijk maakten.  

SIEN:

‘Jij bent geen kunstschilder, want die zijn rijk.’

‘Die rotzooi van jou, daar kan ik nog geen kachel van stoken.’

‘Ik ben ook niks, maar ik heb wel twee kinderen.’

VINCENT:

‘Als jij niks bent, zou ik je niet kunnen tekenen!’

Vincent wil weg. Naar Drenthe.

SIEN:

‘Ga dan! Ik zit niet verlegen om die Jezuïeten-smoel van je.’

Vincent vertrekt, op 11 september 1883. Op 22 september 1904 wordt aan rand van de Provenierssingel in Rotterdam het lichaam van een vrouw gevonden, ‘zeer vermagerd en met loshangend haar’. Sien.

*

Deel 2 DIE VERREKTE VAN RAPPARD

Anthon Gerard Alexander van Rappard – vijf jaar jonger dan Vincent – is ook zo’n naam die alleen genoemd wordt in relatie tot Van Gogh. Is dat jammer?

Zijn werk is opvallend vergelijkbaar met dat van George Hendrik Breitner, maar Van Rappard lijkt meer betrokken bij de mensen die hij schilderde en dat verbond hem dan weer met Van Gogh, met wie hij veel optrok.

De twee mannen werden goede vrienden, kameraden zelfs. Ze schilderden de watermolen van Nuenen, markante koppen van boeren, wevers, drukkers en arbeiders in hun werkplaatsen.

Anthon van Rappard was ook de eerste mens op aarde die oog in oog stond met De Aardappeleters.

Daar ging, zoals vaker bij Van Gogh, een ruzie aan vooraf.

VINCENT:

‘Anthon… Jij denkt schilderen te leren zoals je dansen leert, of eten met bestek. Ga weg van die academie, een ijzige, kouwe hoer.
De zucht naar harmonie is de dood!’

Hierna zagen de twee vrienden elkaar een tijd niet. Maar dan gaat Anthon toch onaangekondigd naar Nuenen. Vincent is daar niet, zo blijkt.

Anthon staat ten slotte achter de pastorie in het atelier/de schuur van zijn kunstbroeder.

Het is er doodstil.

Voorzichtig trekt hij uit een tiental onaffe doeken een nogal groot schilderij tevoorschijn. Hij bekijkt eerst de achterzijde, draait het dan om en ziet een boerengezin rond een tafel. Bij lamplicht prikken ze aardappelen uit een grote schaal.

ANTHON:

‘Dit is…
Dit is verschrikkelijk.
Een vloek. Een vloek is ‘t.
Ik kan jou hierin niet volgen.’

Zonder op Vincent te wachten, vertrekt Anthon van Rappard uit Nuenen.

*

Deel 3 DIRECTEUR IN ANTWERPEN

Michiel Karel Verlat (1824–1890)

Karel Verlat was een groot kunstenaar, maar werd te laat geboren. Dat was tragisch, althans zo portretteer ik hem in Langs de Kant van de Weg.

Verlat maakte tableaus met dieren in actie en verbleef een paar jaar in Jeruzalem om daar Bijbelse taferelen te schilderen. Hij werd gerespecteerd, maar Verlat komt ook de eer toe een van onze allergrootste kunstenaars van zijn Antwerpse academie geschopt te hebben met teksten als: ‘Kunst is moeder en dienares van het volk, maar zij is ook mannelijk, stoer en strijdbaar. Indien nodig is kunst vernietigend, streng en onbarmhartig.’

En tegen Vincent persoonlijk:

‘Uw boer Theo heeft in Parijs een… kunsthandel. Daar verkoopt hij kinderlijke uitsmeersels gemaakt door hasjies-gebruikers, absintdrinkers, impressionisten!’

En als Vincent nota bene een sigaret rokende schedel heeft geschilderd:

‘Er is in onze academielokalen geen plaats voor primitieve, onbeschaafde gemoedsuitstortingen, geen… verf-ophopingen! Ons monument van Schone Kunsten zal niet aangevreten worden door… charlatans.’

Het was voor mij een wellustig genoegen om de academievorst Verlat – prachtig gespeeld door Julien Schoenaerts – te zien vechten tegen het aanstormend modernisme. Ik had met hem te doen en dus zegt Verlat ten slotte ook tegen Vincent:

‘Mogelijk is er enig genie in u, Vincent van Gogh. Maar u zult begrijpen dat nabijheid van genie voor mij onverdraaglijk is.’

*

Deel 4 BROER IN PARIJS

Theodorus van Gogh (1857–1891) steunde zijn broer Vincent in elk opzicht, een aangrijpende broederliefde die legendarisch werd.

Als je zielsveel van iemand houdt, hoelang verdraag je dan diens kuren, diens stapels door iedereen afgewezen tekeningen en schilderijen? Hoe rekbaar is Theo’s geloof in zijn broer, met wie hij ook nog eens samenwoont: Rue Lepic 54.

Kunsthandel Boussod Valadon aan Boulevard Montmartre, najaar 1887. Theo is daar bedrijfsleider, maar heeft het moeilijk.

VALADON:

‘Hoe vaak heb ik u al gezegd dat ik nooit meer die rommel van uw broer in mijn zaak wil. Wanneer u nog eenmaal die smerigheid durft op te hangen, dan vliegt u eruit!’

Theo geeft toe, waarna het tussen de broers opnieuw hoog oploopt.

VINCENT:

‘Je stagneert een evolutionair proces, Theo. De generaties die na ons komen zullen je met de vinger nawijzen.’

Nu glimlacht Theo toch even. Hij herkent door alle teleurstellingen heen het vermogen van Vincent om de schilderkunst, zelfs het hele begrip ‘afbeelden’, te vernieuwen. Theo weet zich overigens wel gesteund door tijdgenoten als Claude Monet, Edgar Degas, Paul Gauguin, Toulouse Lautrec en Paul Signac.

Het was voor regisseur Jan Keja, voor mij en het hele productieteam een feest om al deze kunstenaars te laten leven en om te horen hoe zij lacherig op het werk van Vincent reageerden.

En dat allemaal in de schaduw van een nog half gebouwde Eiffeltoren.

Aan het eind van de aflevering wordt de situatie tussen de broers aan de Rue Lepic onhoudbaar.

THEO:

‘Je bent bloeddorstig. Elke kruimel brood die je eet, elke vezel textiel aan je lichaam komt uit mijn zak. Ik wil me niet schamen voor jou. Ga weg uit Parijs.
En eh…
Ik ga trouwen.’

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

In de Oorshop

Dingen kwijtraken

Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp.

Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet aanspraken. Het verbaasde me hoe weinig duurzame spullen ze in zestig jaar samen hadden verzameld. Ik nam een schilderij van mijn grootvader mee, B draagt nu mijn moeders ringen.

Een paar praktische spulletjes waren er natuurlijk wel, waaronder een vulpotlood van Jos en een e-reader die ik in haar laatste maanden nog voor Ine heb gekocht. Nadim (14) wilde graag de kristallen snoeppot die altijd bij zijn opa en oma had gestaan. Een paar maanden geleden sneuvelde die pot, schijnbaar vanzelf. Opeens was hij gebarsten.

Nadim tilde het deksel eraf en de onderkant viel uiteen in twee doodenge scherpe ringen. Hij was verdrietig, onze jongen. ‘Nu heb ik niets meer van opa en oma,’ zei hij, en probeerde alles weer zo te stapelen dat het overeind zou blijven, maar ik gooide de scherven weg. Te gevaarlijk.

Het vulpotlood van mijn vader raakte ik ergens in de stad kwijt; het had in mijn binnenzak gezeten tot het daar na een late avond in het café opeens niet meer in zat.

Je hechten aan spullen is onverstandig omdat ze uiteindelijk altijd stukgaan of kwijtraken; toch voelde ik het verlies van dat potlood sterk. Het was van zilver en ik had het aan mijn vader gegeven als dank voor al zijn jaren hulp bij mijn boekhouding en belastingaangiften. Hij was duidelijk ontroerd door het cadeau en de nieuwe autonomie van zijn zoon waar het voor stond (ik was net vijfenveertig geworden).

Gisteren is mijn moeders e-reader kwijtgeraakt – ergens in huis, want niemand heeft hem mee naar buiten genomen; hoe dan ook is hij onvindbaar. Een modern apparaatje zonder patina, los van herinneringen, maar wél een van de laatste dingen die ik van haar had. Mijn moeder heeft altijd veel gelezen en vertrouwde in haar laatste jaren op mijn smaak: die e-reader was ingelogd op mijn account.

Ik wil geen nieuwe kopen. Ik wil mijn moeders Kobo terug, met dat oranje hoesje met die barst erin.


beeld: mijn vader, voor zijn ouderlijk huis in Eindhoven, circa 1946

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

‘Met een nog net coherent “goedenavond” eindigen,  dat is een ongeschreven wet’* – Over het café

De encyclopedie van het geluk 27

In een café rijg je drankjes aan elkaar.

Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De bestelling van de eerste borrel ontvalt hem vijf minuten later als een achteloosheid. Maar met die eerste begint een ketting, waaraan hij ‘s avonds om 10:00 uur nog staat te rijgen.’

Wanneer wij rustig bij elkander zaten
in de een of andre Amsterdamse kroeg,
wisten wij eigenlijk niet meer te praten
dan wat de dagelijkse dag ons vroeg.

Want, waar de één de late lucht gelaten,
de ander slechts de wilde meeuwen droeg,
schiepen drie zielen tijdens de hiaten
het zingend lied, en dat was ruim genoeg.

[…]

(Gerard den Brabander)

En even goed rijg je in je leven, cafés aan elkaar. Er is een eerste, er is een laatste en afhankelijk van je dorst zal daar van alles tussen zitten.

Mijn vader kieperde vroeger na zijn werk en voor het eten even twee jenevertjes naar binnen, ingeschonken op de ijskast. Daar bleef het dan ook bij.

De Reiger, Oorlam, Het Blaauhooft, De Ooievaar, Café Krom, Het Loosje, Bloemers, De Engelsche Reet, Brandon, het Molentje – het zijn enkele van de mooie Amsterdams kroegen waar ik heb zitten rijgen, en waar dat nog steeds kan.

En dus heb ik een beeld van wat een mooi café is. Uit de vaste elementen kun je je ideaal samenstellen: in mijn café is een L-vormige bar, met erachter een ruimte met voorraad, een keukentje. Spiegels in de drankkast, zodat je tussen twee Schotse whisky’s naar een bezoeker kunt staren. Er zijn tussen de vier en tien tafeltjes. De vloer is van houten planken met schelpenzand erop gestrooid. Hoge ramen in een hoge ruimte. Het is een hoekpand. Je moet kunnen uitkijken over een gracht en een straatje. Er is een donker hoekje voor wie daar behoefte toe voelt. De kastelein heeft een speciale kwaliteit. Hij of zij is een filosoof. Laconiek, zwijgzaam. Niet te jong. Geen pusher maar steeds aanwezig als het nodig is. Dat is een vak. Geen student beheerst dat vak. De kastelein is meester in het uitspreken van korte zinnen waar je alle kanten mee op kunt, geen gemeenplaatsen, maar vreemd filosofische meesterwerken die toch uit heel gewone woorden bestaan.

Er is een posterwand, die is zo dik als een dijbeen: decennia posters over elkaar heen geplakt. Het culturele leven in de hoofdstad maakt het café jaarlijks een paar millimeter kleiner. De vaste klanten zitten als een parlement uilen in hun glas te loeren. ‘Making love to his tonic and gin’ zong Billy Joel.

Gister zat ik in een café met een vrouw van 78 die fijntjes twee jonge klaren dronk terwijl ik mutsig aan mijn nulprocentje zat. ‘Zij smikkelde even uit haar kelkje op zo’n manier die tijdelijk geheelonthouders als ik het vuur aan de schenen legt,’ heet het bij Carmiggelt. En achter haar een man, eveneens uit Carmiggelt die ‘ouder was dan ik, maar miste de chagrijnigheid waarmee veel oude mannen hun niet langer gehonoreerd gelijk door het leven vervoeren.’

Ja het bestaat nog. Het Amsterdams café, en je mag het zelf vormgeven. Geen tapijtjes op de tafels, wel een bareitje voor 50 cent graag.

Het rijgen valt mij het meest op in een café: elk kroegbezoek vervolgt gewoon het vorige: het is een eigen universum met de tien vaste elementen in eindeloze afwisseling. De tijd staat niet stil maar gaat verder daar waar hij bij het vertrek uit de vorige kroeg gebleven was. Kroegtijd.

Die scharniert tussen de andere tijden, werktijd, vakantietijd, gezinstijd, kindertijd, relatietijd. Over of alcohol noodzakelijk is voor kroegbezoek ben ik nog niet uit. Een koffie of een thee kan ook. Maar enige beneveling helpt, al kan die goed opgedaan worden door traagheid van denken. Traagheid überhaupt. Een dromerige wereld is het eigenlijk. Daarom werkt gelijkvormigheid: god verhoede een ‘vormgegeven’, café, een nadrukkelijke omgeving weerhoudt het brein van doorrijgen in de stroom van Eerdere Cafés. En een overtreffende trap van wijze afwezigheid is een boek lezen in een café. Een binnenwereld in een binnenwereld. Een kroeg is een dromerige herhaling.

Het café moet zichzelf voegen naar het archetype van het café, zodat de bezoeker kan afdalen in alle cafébezoeken van zijn leven. En dromen van een wereld die heel even alleen maar dat is.

Een goed meisje droomt

Zij droomde, zij trof hem in een café.
Hij las en zat te eten
en keek haar aan en zei tot haar:
e hebt het boek vergeten!

Toen knikte zij en keerde om
en lachte verstolen en stralend.
En zij ging de late straten op
en dacht: ik zal het halen.

De weg was lang. Zij liep en liep
en neuriede een liedje teder.
Zij klom in de woning en bleef er een tijd
en eindelijk ging zij weder.

En toen zij het café betrad
zat hij nog altijd te eten.
Hij zag haar komen en riep haar toe:
Je hebt het boek vergeten!

Toen stond zij lang en geschrokken stil
en kon het maar niet verstaan.
Dan knikte zij weer en ging naar de deur
om de weg nog eenmaal te gaan.

Zij was zo moe en ging en kwam
en zij had toch zo gaarne gezeten.
Hij zag nauwelijks op en hij zei alleen:
Je hebt het boek vergeten!

Gerard den Brabander

lezen:

Patrick Modiano, alles, geen boek zonder uitgebreid café bezoek.
Gilles van der Loo Café Dorian
*uit S. Carmiggelt Gedundrukt

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Er geen vrij voor nemen

Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin.

Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was om begrijpelijk te maken waarom Ioannis en Ilse op het moment van hun ontmoeting zo sterk ontvankelijk waren voor elkaar.

Een niet gering aandeel in de bereidheid om de ware in een ander te zien ligt in het gevoel zonder die ander niet compleet te zijn, wat best op een probleem in de ontwikkeling kan wijzen. Maar ik wilde niet cynisch worden in dit proces – die twee verhalen moesten zo geschreven worden dat het er allebei kon zijn: geloof in ware liefde én een verleden dat hen daarvoor ontvankelijk maakte.

Gisteren belde uitgever en redacteur Menno. We vroegen hoe het met de ander ging en gaven antwoord op die vraag. Daarna zei hij dat hij wilde weten of mijn nieuwste mee zou kunnen in de najaarsaanbieding van dit jaar.

‘Nee,’ zei ik vrijwel meteen. ‘Dat lijkt me niet.’

Voorheen zou ik ja hebben geantwoord en daarna grote druk op mijn project hebben gezet, maar de haast die ik sinds het begin van mijn schrijverschap in 2010 gevoeld heb is weg. Ik had kennelijk iets in te halen, al die tijd – dacht dat ik méér moest maken, moest presteren. Mijn debuut Hier sneeuwt het nooit kwam ook pas op mijn achtendertigste.

Een reden voor het wegvallen van die haast zal in de erkenning liggen die ik voor mijn laatste boeken kreeg, en misschien helpt het dat ik sinds een paar jaar kan leven van mijn schrijverschap (wat betekent dat ik mijn inkomen haal uit optredens, lesgeven, manuscriptbegeleiding, royalties en projectsubsidies van het Letterenfonds).

Ik ben benieuwd of mijn afgenomen werkdruk tot betere boeken zal leiden. In 2010 heb ik een halfjaar vrij genomen om me volledig aan een paar korte verhalen voor mijn debuut te wijden, maar ik zou dat iedereen afraden: het kostte al mijn spaargeld en leidde niet tot meer of beter werk.

Sinds Ivo Victoria en ik als manuscriptbegeleiders samen verder gingen onder de noemer Victoria & Van der Loo, bespreken we binnengekomen werk eerst altijd even met zijn tweeën. Laatst schreef iemand in haar aanvraag dat ze een sabbatical genomen had om deze roman nu eindelijk eens af te kunnen maken. Ze had wat spaargeld, dus het was oké.

‘Wie van ons zal het haar zeggen?’ zei Ivo in die lichte toon van hem.

Don’t quit your day job is een Amerikaanse uitdrukking bedoeld om hoopvolle kunstenaars te wijzen op hun zeer magere kansen. Binnen het moderne schrijverschap hoor ik mezelf vaak Neem er vooral geen vrij voor zeggen.

Als je het echt meent, bedoel ik daarmee, dan kun je beter meteen beginnen met verdienen naast je schrijverschap.

–––––––––––––––––––––––––––––––––

beeld: Rob Waumans

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg

‘Een koe laat elke 90 seconden een scheet, een mens 18 keer per dag. Het aantal scheten van een walvis kan alleen maar geschat worden.’

Zo ongeveer begint het toneelstuk Emily, of het geheim van Huis ten Bosch. De drie zonen van koningin Beatrix en prins Claus von Amsberg zitten in de centrale salon van Huis ten Bosch en bladeren in tijdschriften over watersport en diepzeeduiken. Hun ouders zijn voor een officieel bezoek in Israël.

Wapvo (Willem-Alexander, Prins Van Oranje) en broer Constantijn zijn geïnteresseerd in onderwaterfotografie, prins Friso grijpt naar de roddelbladen, waarmee het gesprek al snel gaat over het dreigend gevaar van damescontact. De prinsen zijn 23, 22 en 21 jaar, dus wordt het wel ’s tijd voor erfopvolging, voortplanting en verantwoordelijkheden.

*

Samen met collega Dick van den Heuvel schreef ik over ene Emily op wie Willem-Alexander verliefd was geworden en die dus koningin zou kunnen worden. Dick en ik achtten de tijd rijp om bij de Oranjes de ramen open te gooien, om het gezin Von Amsberg te tonen als buren waarvan de oudste zoon met een verkeerd meisje aan komt zetten.

De onsmakelijke heiligheid, de hardnekkige hersenloosheid rond zo’n koninklijke familie onteren, dat was de bedoeling. Dat lukte, enigszins.

Uit heel Europa stroomden cameraploegen toe. De voorstelling werd geregistreerd en uitgezonden op tv door de Vara, het theaterseizoen 1995-96 opende ermee en de minister-president acteerde diepe verontwaardiging. Toch kwam deze aandacht niet in de eerste plaats door de kwaliteit van die voorstelling zelf, maar doordat staatssecretaris Aad Nuis hoogst persoonlijk en ingefluisterd door koningin Beatrix subsidie weigerde.

Een rel was geboren.

*

Op Huis ten Bosch blijkt, tot grote ontzetting van Willem-Alexander, dat broer Constantijn al eerder de bewuste Emily heeft benaderd, ook lichamelijk.

‘Yes!’ kraait Friso vrolijk. ‘Die burgerjuf is een mol die bij onze troonopvolger bovengronds komt!’

Willem-Alexander is woedend, maar onmiskenbaar verliefd en zelfs bereid de troonopvolging aan zich voorbij te laten gaan als zijn voorgenomen huwelijk met…

‘Huwelijk??? Wapvo!!’

als zijn voorgenomen huwelijk met Emily niet door mag gaan.

Daar waren Friso en Constantijn al bang voor: ‘Wij hebben geen zin om dit ondemocratisch gekkenhuis op onze nek te nemen, hoor.’

Ze gaan pal voor die arme Willem-Alexander staan.

‘Jij zorgt, één dat je blijft leven, twée, dat je zes kinderen krijgt van een willig, goodlooking Moldavisch prinsesje en dríe… Jij bent niet kieskeurig! Dat staat in de Grondwet.’

De ruzie wordt onderbroken door de onverwachte thuiskomst van vader prins Claus. Hij kreeg in Jeruzalem een paniekaanval, heeft abrupt de koninklijke delegatie verlaten en is in ’t geheim teruggevlogen.

‘Wat is er gebeurd, pa?’

‘Eh… Yad-Vashem. In Jeruzalem. Dat monument van de Tweede Wereldoorlog. Er is daar een… een soort kelder waar namen… Namen, namen, namen… op zwarte stenen. Op vier mei in Amsterdam vind ik het nooit zo zwaar. Daar zit, als we over de Dam lopen, iets optimistisch in de lucht, voorjaar. Ik ben naar buiten gerend. Maar daar zag ik ook overal stenen, met namen erin gebeiteld. Ik keek of mijn eigen naam ook…’

In Emily, of… zien we verder ook koningin Beatrix en haar ouders, de sussende Juliana en de botte Bernhard, maar het belangrijkst blijven de broers, want deze drie jongemannen zijn verbaal lekker dynamisch, bovendien staat hun toekomstige status op het spel.

*

Ik veronderstelde ooit dat monarchieën en mythologieën met argumenten bestreden konden worden. Dat lukt nooit. Dus kozen we met Emily, of… voor het ondermijnende wapen van de humor. Gewoon uitlachen, zoals dat jongetje in het sprookje De Nieuwe Kleren van de Keizer.

Toch moet ik nu constateren dat ook humor of regelrecht afzeiken geen antimonarchistisch wapen meer is. Denk aan het cartoonachtige Lucky TV.

Blijft over: het verspreiden van een niet te verifiëren roddel. Zo wordt van president Trump gezegd dat hij incontinentiepampers draagt. Tegen zo’n bericht kan geen politiek- of juridisch onderbouwde Trumpkritiek op. Ik kan de man niet zien of ik denk aan luiers.

Emily, of… werd geen tragedie, geen melodrama, geen whodunit, geen klucht, geen satire, maar light-drama in een well-made play.

*

Aan het slot zijn Claus en Beatrix alleen in de salon.

CLAUS:

‘Ze zeggen dat mijn hersenen een bepaalde stof niet aanmaken. Dat is niet waar. Hier in m’n hoofd zit iets dat… passie heet. Het is een kiezel, een steen met namen erop.’

BEATRIX:

‘Wij respecteren de keuze van onze oudste zoon en wij zullen hem en die … die Emil… of hoe ze dan ook gaat heten, in slechte en voorspoedige tijden blijven steunen.’

Ze knielt, vouwt de handen en zegt: ‘God zij met ons.’

EINDE

"Foto van Ger Beukenkamp"
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Een scherp verlangen – over zakmessen

De encyclopedie van het geluk 26

Het begon ongetwijfeld met een Zwitsers legermes. Rood plastic met een wit kruisje erop. Een hoeveelheid functies: een mes, een klein mesje, een zaag, een nagelvijl, priem, blikopener, flessenopener, een kurkentrekker. Misschien was ik tien jaar toen ik er de eerste keer uiteindelijk eentje kon kopen. Het is eveneens een haptische sensatie: het gevoel van de intens gladde buitenkant in contrast met het gevoel van het scherp van de snede van het mes. Een uiterste eenvoudig mechaniek en er is een wezenlijk verschil met een normaal mes: je kunt hem inklappen, het is een veilig instrument. Het draagt duidelijk een mogelijkheid in zich: in je zak een glad ding, maar opengeklapt iets bedreigends. Een potentie, een zakmes kan iets, maar kan eveneens letterlijk in zichzelf gekeerd in rust zijn.

Ik heb toen ik me minder goed voelde eindeloos zakmessen geslepen: een repeterende beweging met een aangenaam geluid, met als resultaat dat er iets beter wordt, scherper. Het mooie is dit: als je een oud zakmes slijpt, van niet zo hard metaal, verzamelt zich ijzervijlsel op het scherp van de snede. Dat ijzervijlsel kun je fotograferen en uitvergroten en wanneer je dat uitvergroot, lijkt het een bos in de verte, aan de einder: een landschap. Een functie van het zakmes die ik nog niet kende: het kan verte suggereren. Een mes is een symbool, het biedt mogelijkheden, het is geïmplodeerde kracht, verwachting en met zijn talige associaties als ‘scherpte’ en ‘lossnijden’, ‘aansnijden’ beweegt het. Mijn slijplandschapjes tilden me uit de misère naar elders.

Ik kocht twee kleine zakmesjes met een houten heft. Ze kwamen uit Polen. De fabrikant heette Gerlach. In 1760 opgericht door Filip Szaniawski, in 1846 zat de eerste Gerlach in het bedrijf – Samuel – en hij opende een fabriek in Warschau. In de oorlog werd het natuurlijk door de nazi’s onteigend. De mesjes ogen zo oud dat het lijkt alsof ze de Tweede Wereldoorlog nog meegemaakt hebben als stille getuigen van ongelukkige mensen die het tijdperk misschien niet overleefd hebben. Deze mesjes tonen niet alleen een landschap, mogelijkheden maar ook een geschiedenis.

Ik vond een ander zakmes met een benen heft, het is een Sardijns mes: Pattada.  Meer dan een nieuw mes sleept een oud, een geschiedenis met zich mee. Het mes uit Sardinië heeft zo stel ik me voor aan een boer toebehoord. Zo droom ik me de wereld van Salvatore Satta in, met zijn op het Sardijns platteland spelende meesterwerk De dag des oordeels. Ik loop mee door een zonovergoten dal, wijnranken alom, met een wijnboer die hier en daar een wilde loot afsnijdt. Of die voor bij de lunch een tros kleine druiven los snijdt, uit zijn tas een droge worst haalt en een stuk brood. Het Poolse mes heeft een minder bucolisch verleden. Er is misschien wel brood mee gesneden, maar ik situeer het in minder gelukkige tijden. Zo blijkt een mes een sleutel naar historie.

Ik heb er ook met veel recentere geschiedenis. In een kookwinkel kocht ik een knaloranje keramisch zakmesje. Ik had het tot mijn verbazing nog in mijn tas zitten toen ik een maand terug in Parijs naar het Fondation Louis Vuitton ging. Een beter beveiligd museum ken ik niet, maar ik liep met een loeischerp zakmes naar binnen. Plastic en keramiek hadden de metaaldetectors bedot en de beveiligers ervan overtuigd dat ik niet alleen zeer onschuldig was, maar vooral geen instrument tot verwoesting op zak had.

Herinnering aan zakmessen in mijn jonge jaren zijn verbonden met het schillen van takken. Lopend door het bos de bast van een stevige stok afsnijden zodat je een mooi blankhouten wandelstok hebt. Punten snijden aan pijlen, het opensnijden van baguettes, schillen van een bloedsinaasappel, de onthoofding van een eitje. Het ontkurken van een flessen rode wijn naast je tent.

Dit is dus het mes: herinnering, landschap, geschiedenis, mogelijkheid, symbool, taal. Zoveel functies als een Victorinox, en heel andere. Maar er komt er nog een bij: een mes als een symbool van wat je in het hart snijdt, een scherp inzicht waardoor je getroffen wordt, als door een bliksem. Zoals hier in Mary Olivers schitterende gedicht:

Mes

Iets
schoot zojuist
door mijn hart
als het dunste lemmet
toen de roodstaartbuizerd
zijn grote vleugels sloeg
en over de grijs gebarsten
rots wiekte.
Het ging niet
over de vogel, het ging
over de wijze waarop
steen stil
en zichzelf blijft, wat er ook
voorbij vliegt.
Soms als ik zo zit, stil
lijken alle dromen in mijn bloed
en alle buitensporige stukjes tijd
te willen verdwijnen,
uit me wegglijden.
Dan, stel ik me voor, zal ik nooit meer bewegen.
Intussen
heeft de buizerd acht kilometer gevlogen
minstens,
Wie verder nog maar omhoog
keek verbijsterend.
Ik was verbijsterd, maar dat
was het mes niet
Het was de steile, vulkanische wand
van blind gesteente
zonder een greintje hoop
of maar een onvervuld verlangen
inzuigende en weerkaatstend
schitterend
zoals het al eeuwen deed
het vuur van de zon.

Lezen: Salvatore Satta De dag des oordeels, vertaling Frida Vogels

Naar Larousse 27

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Theater

    Theater

    Tot tien jaar geleden had ik weinig met toneel, maar heel geleidelijk ben ik er toch in gerold. Het begon met Nita, die me vroeg om mee te werken aan een experimenteel stuk over mannelijkheid. Ik ontmoette haar in Paramaribo en ze zal daar iets in me gezien hebben, maar ik ben te ongemakkelijk op...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Lezers

    Lezers

    ‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’ We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op...
    Lees verder
  • tirade blog Menno Hartman

    Blauwbehoefte

    De encyclopedie van het geluk 25 Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gregor Verwijmeren"
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.

  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.