Thuiswerken

‘Kun je garanderen dat er geen extremisten bij zijn?’

De vraag verscheen als titel van een e-mail op hun computerschermen. Ze zaten tegenover elkaar aan de eettafel. Martha keek uit op de muur met foto’s van hun gezin, Bas op het wandtapijt dat ze tien jaar geleden in Kenia hadden gekocht. Tussen hun schermen stonden een pot thee en een gedeukte koektrommel.

‘Kunnen we dat?’ vroeg Bas.

‘Daar moeten we achter komen,’ zei Martha zakelijk. Dat was een van de vreemdste elementen van thuiswerken vanwege de coronamaatregelen: de werktoon die ze voor het ministerie reserveerden klonk nu opeens aan de eettafel.

Ze typten zoektermen in databases en openden een gezamenlijke map voor rapporten en artikelen.

‘Ik ga even krentenbollen smeren,’ zei Bas, ‘voor als de kinderen zo thuiskomen.’

‘Hmm,’ zei Martha. Ze was verdiept in een rapport over rekrutering van extremisten in asielzoekerscentra.

Bas smeerde acht krentenbollen, legde ze op de grote broodplank die ze van hun vrienden hadden gekregen toen ze tien jaar waren getrouwd en nam weer plaats tegenover Martha.

‘Zou jij nog wat journalistieke stukken willen zoeken?’ vroeg ze.

Bas ging aan de slag. Hij bladerde door Nederlandse kranten, door internationale kranten, zocht overzichten van televisiereportages en tijdschriftartikelen.

‘Wat komt erbij jou uit?’ vroeg hij aan Martha.

‘Hetzelfde als bij jou denk ik, je kunt niets garanderen.’

‘Kun je de kans verkleinen?’

‘Je kunt de kans wel verkleinen,’ zei Martha beslist, ‘maar niet als je haast hebt en het overal chaos is. Als je duizend mensen hiernaartoe laat komen, kan er zomaar een tussen zitten die oorlogsmisdaden op zijn geweten heeft of die in Europa een aanslag wil plegen.’

‘En als je er tien toelaat?’ vroeg Bas.

‘`Dan kun je die kans tot bijna nul reduceren?’

‘Vijftig?’

‘Ook, bijna nul.’

‘Tweehonderdvijftig?’

‘Dat is zo’n beetje de grens.’

‘Dan moet ons advies zijn dat we het tot tweehonderdvijftig mensen kunnen garanderen?’

‘Ja.’

Hun kinderen kwamen binnen. Ze renden af op de krentenbollen en maakten ruzie over de televisie en de tablets.

‘Je moet even ingrijpen,’ zei Bas tegen Martha.

Ze stond op: ‘Lily, Willemijn, klaarmaken voor hockey. Stef, jij gaat zo met je vader naar turnen. We kijken nu geen televisie.’

De kinderen renden naar hun kamers. Hun schaduwen vielen over het toetsenbord van Bas.

‘Ik schrijf nog even snel dat bericht voor de minister,’ riep hij tegen Martha.

Nu scheen de zon opeens op zijn scherm en schreef hij: ‘Bij 22250 Afghaanse vluchtelingen is de kans dat er extremisten bij zitten verwaarloosbaar.’

Hij verstuurde het bericht, klapte zijn scherm dicht en liep naar de gang om zijn schoenen te zoeken.

‘Bas!!’ riep Martha vanuit hun slaapkamer.

‘Ja?’

‘Er staat tweeëntwintigduizendtweehonderdvijftig?’

‘Wat?’

‘Je hebt twee tweeën te veel getypt.’

‘Oh, verdomme! Ik pas het aan.’

‘Wat?!’

‘Ik typ een nieuwe mail als ik daar ben, ik heb nu geen tijd meer!’

‘Hoeft niet,’ riep Martha, ‘heb ik al gedaan!’

En daarna riepen ze tegelijk. ‘Stef! Nu! Opschieten! We komen te laat!’

Stef kwam naar beneden, maakte een radslag in de gang en hief bij de voordeur zijn handen in de lucht.

‘Niet schieten,’ zei hij lachend. ‘Ik kom al mee.’


Foto: Mohammad Rahmani (Unsplash)

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

In de Oorshop
Insel Hombroich

Rijk

Aan het lijstje van rijke weldoeners die kunst beschikbaar maken voor het volk voeg ik er zes toe: in Parijs zag ik de Collection Pinault, een prachtig op de kunst die het toont toegesneden oude graanbeurs die een formidabele collectie herbergt die zo schitterend samenvalt met zijn omgeving dat je er niet weg te slaan bent. Je ademt vrijer in een goed gebouw. In Duitsland net over de grens vind je er twee naast elkaar: het Insel Hombroich, een schitterend verwilderd park met wonderlijke bomen als de Anna Paulowna boom en de moerascypres waar in een tiental paviljoens prachtige werken bijeen zijn gebracht van heel wisselende afkomst, van Rembrandt tot Oceanische kunst. Je ademt nog beter in een goed park. Een kwartiertje onder vermoeid namiddaglicht over nazomers stoppelvelden sjokken daarvandaan de Langen Foundation, waar in en door Tadao Ando gebouwd museum een overzichtstentoonstelling over Daniel Spoerri te zien was.

Want het schone is niets
dan het juist nog door ons te verdragen begin der verschrikking,
en wij bewonderen het zo omdat het, onaangedaan, versmaadt
ons te vernietigen.

Het zal het ‘schuldig landschap’ waarover we liepen zijn geweest die deze associatie losbikte. De vierde is die waarop dit Rilke citaat uit de eerste Elegie van Duino (vert. W.J.M. Bronzwaer) ook zo op van toepassing lijkt te zijn, het is een boek: Brieven aan Camondo van Edmund de Waal, die in een helaas wat precieus en met teveel ontzag geformuleerde hoeveelheid brieven aan de naamgever van het museum in Parijs dat Camono ter ere van zijn vader en zoon oprichtte de lezer meeneemt naar de kunst en de rijkdom maar vooral ook de verschrikkingen in het leven van deze joodse familie.

Verzamelen. En dan tonen. Walter Benjamin wordt geciteerd in dit boek: ‘Het plezier van de verzamelaar, het plezier van de eenling: alleen zijn met de dingen. Is dat niet het geluksgevoel waarmee onze herinneringen zijn overgoten? Dat we daarbinnen alleen zijn met bepaalde dingen, die ons in hun stilte omringen, en dat dan zelfs de mensen die zeer aanwezig zijn in onze gedachten, deelnemen aan die onwrikbare, gezamenlijke stilte van de dingen. De verzamelaar brengt zijn lot tot stilstand. En dat betekent dat hij in de wereld van de herinnering verdwijnt. […]

En dat houdt sterk verband met de volgende verzameling die op zijn beurt een heel rijk boek vormt: Levensvormen van Lex ter Braak, zojuist verschenen, een verzameling verhalen en kunstwerken in een bezield verband bijeengebracht die je in de gelegenheid stellen – als elk van deze verzamelingen – alleen te zijn met de dingen en deel te nemen aan de gezamenlijke onwrikbare stilte ervan.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Heuvels

Gisterenochtend lag er een band bewolking zo laag in het oosten dat het een beboste heuvel leek. Misschien, dacht ik, konden we straks op onze stadsfiets die bossen in, boleetjes zoeken en dan op een omgevallen boomstam worst eten, waarvan ik met mijn zakmes plakken sneed. Ik riep B en de kinderen erbij, maar die leken alleen een lage wolk te zien.

Toen ik Ada en Nadim op school had afgezet, wist ik dat ik op deze dag niet meer zou werken. Niksen is nieuw voor me en ik moet er nog aan wennen, maar ik wil vaker dingen doen omdat die zich in me aandienen, minder vaak omdat ik of iemand anders vindt dat ze moeten gebeuren.

Met Gibraltar van Renske Jonkman zat ik een tijdje op het dak. De zon was donkergeel en warm en leek te kleven aan mijn huid. Renskes hoofdpersoon was zwanger; toen ik naar beneden ging om koffie te zetten, opende ik mijn laptop en zocht de oudste foto in mijn iCloud op. Het is er een die ik zelf maakte: Nadim (toen 5) zit naast B op bed in ons oude huis. B en ik zijn net thuisgekomen na de geboorte van zijn zus.

Ik herinnerde me dat mijn schoonouders hem afzetten, maar zelf nog even beneden bleven. Zijn lichte, trage stappen op de trap naar onze kamer. Hoe soepel hij het bed op klom.

Alles aan hem was voorzichtig, alsof wat daar in zijn moeders armen lag zomaar weer kon verdwijnen. Hij keek zoals je kijkt als iets na eindeloos wachten erg goed lijkt te gaan komen, als je iets prachtigs is voorspeld.

Met de laptop zette ik me aan tafel en scrollde door vijf jaar aan foto’s heen, weer eens beseffend dat een leven is wat je het met terugwerkende kracht noemt. Geluksgevoel blijft zelden langer hangen dan het moment waarop zo’n foto wordt gemaakt. Gelukkig zijn is het beschouwen van een periode en die bestempelen als gelukkig. Het is een besluit, het is welke beelden je besluit te houden.

Ik scrolde verder, wiste hier en daar een foto. Op bijna alle beelden stonden vrienden; zelf kwam ik er nauwelijks op voor. Ik keek naar de maanden voor corona, glimlachte om alle etentjes bij ons thuis. Een afgeladen tafel, vet glaswerk, vrienden huilend van het lachen. Sinds maart vorig jaar: veel foto’s van de lege stad, van kades en parkjes, de voorjaarszon die op verlaten straten valt.

De anderhalve meter gaat nu bijna overboord. Na eindeloos wachten lijkt het weer goed te komen, en het wordt een schitterende herfst in de nieuwe heuvels ten oosten van de stad.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ongehoord

Afgelopen weekend was ik bij een protest aanwezig. Alhoewel ik er bij nader inzien niet trots op ben, was dat niet het woonprotest, maar ‘dat andere’: Unmute Us. Voordat ik de schrijfwereld betrad was ik muzikant. De laatste tijd maak ik niet veel muziek meer. Niet alleen omdat ik andere bezigheden heb, maar ook omdat het uitvoeren ervan erg moeilijk is gemaakt. Dus ik besloot om mee te lopen, uit protest: waarom arena’s wel vol zwetende voetballers en hun fans, maar niet vol spelende muzikanten en die van hen?

Er waren veel mensen. Maar ik kwam niemand tegen die ik verwacht had: mede-muzikanten, producers, creatievelingen die al een tijd niet hebben kunnen creëren. Wel: ongevaccineerden, corona-ontkenners, en twintigers die al een tijd niet hebben kunnen raven. Ik liep mee, probeerde de gele paraplu’s en vlaggen met doorgekraste injectiespuiten te vermijden. Op zondag was ik niet in voor nog een mars, maar misschien had ik toch moeten gaan. 

Schrijver, muzikant, maar eigenlijk op de eerste plaats Amsterdammer. Met weinig hoop op een woonruimte na mijn afstuderen in december. Een vriendin van mij (ook 27) heeft zich nog net voor een jongerenwoning kunnen inschrijven: na een wachttijd van bijna 10 jaar op Woningnet zat ze nog een half jaar onder de leeftijdsgrens voor zo’n appartement. Een andere kennis is opnieuw bij haar moeder gaan wonen: die woont in een grachtenpand, en hoewel dat een luxe is stipt het tegelijkertijd aan waar onze generatie sowieso géén kans op krijgt. Drie jaar terug woonde ik in een antikraakpand in Noord, waar mij en mijn toenmalige huisgenoot werd beloofd dat we er minimaal een jaar mochten zitten. Na drie maanden moesten we eruit: het werd gerenoveerd. Het huis ziet er, in ieder geval aan de buitenkant, nog hetzelfde uit.

In de tussentijd schieten er wel ontelbare, onbetaalbare high rises als paddestoelen uit de grond.

Ik heb Amsterdam nog nooit zo erg als een thuis beschouwd als nu. Nu ik er zo lang ‘vast’ heb gezeten en alle onbekende hoekjes en gaatjes onverstoord heb kunnen bezoeken. Nu er weer toeristen zijn die ik vanuit een fietsende machtspositie wel of niet over kan laten steken. Nu de kans groeit dat ik hier straks niet meer terecht kan. Ik wil graag geloven dat iedereen zich ergens op aarde genoeg thuis voelt om dit besef van privilege te herkennen. Maar hoe kan ik zoiets geloven na al dit nieuws, niet alleen over de woningnood van ons, de locals, maar ook die van de talloze vluchtelingen die hier heil zoeken? 

Ik gun iedereen het gevoel van ergernis wanneer er weer een verwarde toerist voor je wielen struikelt. Het gevoel van trots wanneer je vrienden en familie de weg naar de wc wijst in je eigen huis. Huis-, tuin- en keukenprivilege. Un-move us.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Afgemeten praterig

Afgelopen week lag het Verzameld werk van Carl Friedman naast mijn laptop. Het was mijn ‘pauzeboek’. Steeds als ik even afgeleid was, vastliep in een alinea of geen zin meer had om te werken, las ik er een stukje in. Nadat haar debuut Tralievader (1991) vorig jaar veel indruk op me maakte nam ik van de lente de prachtige roman Twee koffers vol (1993) ter hand, en nu begon ik maar aan de columnbundel met de nieuwsgierig makende titel Dostojevski’s paraplu (2001). Korte stukjes lenen zich natuurlijk goed voor het lezen tussen de bedrijven door, maar ik was ook benieuwd hoe deze verschillende genres zich binnen Friedmans oeuvre tot elkaar verhielden. Ook haar romans bestaan immers uit reeksen korte hoofdstukjes die de lengte van een column zelden overschrijden, dus wellicht was het cursiefje wel haar natuurvorm.

Het definitieve antwoord op die vraag heb ik nog niet, maar wel is me inmiddels duidelijk dat Carl Friedman een columnist van formaat was. De bonte stoet aan onderwerpen die in deze bundel voorbijkomt – eenden, onrechtvaardig vluchtelingenbeleid, Isaac Bashevis Singer, papegaaien, Vladimir Nabokov, historische voorbehoedsmiddelen, Wim Kok, de Rivierenbuurt, vrouwelijkheid, Rudyard Kipling en politieseries, om er maar een paar te noemen – wordt bijeengehouden door Friedmans kenmerkende informele, lenige stijl, die ik als ‘afgemeten praterig’ zou willen typeren. Op het papier is ze aanwezig maar bescheiden; ze presenteert haar vondsten nooit als vondsten, vestigt nooit bevallig de aandacht op haar briljante zinnen, hoewel die er wel degelijk zijn. Neem de opening van haar column over de Russische Bibliotheek, die van een prachtige eenvoud is: ‘Ik heb in mijn leven maar weinig verstandige dingen gedaan, en zelfs die deed ik zonder mijn verstand te gebruiken.’

In hetzelfde tekstje laat ze zich ook gelden als polemist; een kant van haar persoonlijkheid die in de romans niet naar voren kwam, maar in de columns alle ruimte krijgt. Hier moet Dostojevski het ontgelden:

‘Zijn romans zijn me te melodramatisch, te luidruchtig, te vroom. Het is Christus na en Christus vóór, met veel Christus tussendoor. Hoeveel godvrucht in één boek kan een lezer verdragen? Dostojevski was er op uit zijn publiek te verheffen. Daarmee is hij bij mij aan het verkeerde adres. Als ik me wil verheffen, sta ik gewoon uit mijn stoel op.’

Scherpheid gaat in deze tekstjes vaak samen met droge humor. Verreweg de grappigste column vond ik ‘Gerrit’, een Carmiggelt-waardig verslag van een poezenreddingsactie die ik iedereen zou aanraden als voorproefje.

Ook in Dostojevski’s paraplu komt Friedmansbuitengewone interesse voor het jodendom regelmatig aan het licht. Ze schrijft met veel gevoel en woede over de Shoa, over de kampervaringen van haar vader en over de familie van de joodse man. Haar belangstelling sloeg volgens velen om in onrechtmatige identificatie, al zal je haar in deze bundel nooit op toe-eigening betrappen.

Die merkwaardige evenwichtsact tussen sympathie en vereenzelviging lijkt me een centrale paradox in dit oeuvre en schrijversleven. Daar is al iets meer over gezegd door Wouter van Oorschot, wiens fraaie in memoriam wij publiceerden in Tirade, en door schrijver en oud-redacteur Mirjam van Hengel, die in De Groene Amsterdammer overtuigend pleitte voor de herwaardering van deze schrijver, maar ik hoop niet dat het daarbij blijft. Over het verscheurde karakter en het innemende schrijverschap van Carl Friedman is volgens mij nog veel meer te zeggen; er moet uitstekend materiaal klaarliggen voor een biografisch essay of een studie. Nu is het alleen nog wachten op de juiste kandidaat.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Elders koffie drinken

Omdat het de daagjes wel geweest zijn, gaf mijn geliefde B me vrij. Ik ben nergens in dienst en beschik daarom over mijn eigen tijd, maar echt vrij geef ik mezelf nooit.

Met Nadim op de stang van mijn fiets – hij wordt daar echt te groot voor – trapte ik naar De Pijp, waar ik hem afleverde bij toneelles. Nu had ik bijna twee uur te doden.

Bij de ijverige meneer in het souterrain aan de Albert Cuijp kocht ik zoutvlees en cassave, bij de slager verderop haalde ik wat rund. Ik zette mijn tas neer, keek om me heen en krabde op mijn kop. Het merendeel van mijn vertrouwde plekken is inmiddels weg en op de terrassen van cafés waarmee ik niet ben opgegroeid zaten vooral Insta-twintigers. De nieuwe bewoners van de wijk kwamen wat verwend op me over.

De Pijp lijkt steeds minder Amsterdams, dacht ik, maar misschien hoorde ikzelf inmiddels bij een oude versie van de stad.

Tussen de conceptzaakjes aan de Eerste Van der Helst trof ik een wat stoffig Italiaans deli-barretje. Amaretti op goudkarton, gedroogde pasta, bleke gare rigatoni in tomatensaus. De recensent in me wilde rechtsomkeert maken, maar het samengeraapte interieur stond de echte Gilles aan. Ik stapte door naar binnen en nam plaats op een laag krukje voor het raam. Even later bracht een jonge vrouw met een opvallend grote bril een cappuccino zonder latte art.

Ik had net een paar bladzijden gelezen – Jaguarman, Raoul de Jong – toen een beweging op straat mijn aandacht trok. Een man van mijn leeftijd zette een duidelijk nieuwe racefiets tegen een struik voor het barretje en kwam naar binnen.

‘Vind je het erg als ik hier ga zitten?’

‘Zeker niet,’ zei ik, en schoof mijn boek van me af. De man nam plaats op het krukje naast me, en zat daardoor dichterbij dan een vreemde in lange tijd gezeten had.

‘Heb je jezelf een fijne fiets kado gedaan?’ vroeg ik.

‘Dat is een gewetensvraag,’ zei hij. ‘Ik fietste vroeger heel hard, maar dat gaat eigenlijk niet meer. Die fiets kocht ik om mezelf te helpen daar oké mee te zijn. Om desondanks van het fietsen te genieten.’

Ik keek naar zijn kalme, vriendelijke gezicht. Zijn ogen glommen en hij leek op de rand van tranen. ‘Mag ik vragen wat er met je is?’

Alleen zijn mond glimlachte. ‘Nierfalen,’ zei hij na even. ‘Bij het spinnen in de sportschool zie je de energie die je opwekt als je fietst, en dat wattage liep steeds verder terug. Zo kwam ik erachter.’

Ik wilde vragen of dit kort geleden was, maar wist het antwoord al.

‘Arme jongen,’ zei ik, en merkte dat het niet raar voelde zoiets te zeggen tegen een onbekende van mijn leeftijd.

De man kreeg ook een cappuccino en wilde daar net een slok van nemen toen er een vrouw naar binnen stapte. Ze had een rond gezicht en zachte bruine ogen. ‘Ik ben er hoor!’

‘Heb je je fiets niet bij je?’ vroeg de man. ‘Ik dacht dat we zouden gaan fietsen.’

‘Ik wil hem nu wel halen?’ zei ze, en keek naar mij. ‘Dan kun je nog even kletsen met je nieuwe vriend.’

Maar ze ging zitten, bestelde ook een koffie. Onder de opgeruimdheid waarmee ze hem bejegende klonk haar zorg om zijn gezondheid door. Ze hield van hem als van een broer, wist ik. Als van een hele oude vriend, zo iemand die je niet kunt missen.

Ik pakte mijn boek weer op en trok me erin terug totdat het tijd was om Nadim te halen. Toen ik de twee een fijne dag gewenst had stond ik op om over de markt terug te lopen naar mijn fiets.

Ik kwam Adriaan tegen, die al zijn hele leven op de Cuijp werkt, en we kletsten even. Hij was dikker geworden, had een bootje gekocht en zou daar zaterdag mee varen.

‘Dag gabber,’ zei hij toen het praatje klaar was.

Ik keek hem na, dacht aan mijn eerste jaren in de oude Pijp. Aan hoeveel indruk deze wijk toen op me maakte. De nieuwe bewoners zagen er vooral uit alsof niets nog indruk op ze maakte, maar misschien speelden ze dat beter dan ik het destijds spelen kon.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Meer blogs

  • Weten in zwart-wit

    (Klik hier voor deel 1 van deze blogserie) Recent zag ik A German Life uit 2016 van Christian Krönes. Het is een sober gefilmde documentaire waarin Brunhilde Pomsel (1911-2017) vertelt over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ziet zichzelf als een doodgewone Duitse vrouw die toevallig werkte voor een van de hoogste nazi’s (Joseph...
    Lees verder
  • De duivenkoning

    De duiven op de Dam vroegen Moeder Natuur om een koning. ‘Als enigen in het dierrenrijk ontberen wij leiding,’ koerden ze tot vervelens toe. ‘Stuur ons een koning die bij ons past, waar we tegenop kunnen kijken.’ Dus Moeder Natuur, moe geworden van de aanhoudende ontevredenheid, vervulde hun wens. Ze schonk de duiven in haar...
    Lees verder
  • De grote vlucht naar buiten

    Vakantie. Een wandeling onder een uitgestrekte hemel, een vervallen huis van gestapeld steen. Raamkozijnen waarvan het hout tot streepjes is weggerot en ingedroogd. Over al die heuvels kijken en denken: wat als vandaag de eerste dag was? Waarmee zou ik dan beginnen? Het dak, misschien. Als eerste wil je toch een dak dat regen buitenhoudt....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

     

  • Twan Vet

    Twan Vet (1998) publiceerde eerder gedichten op o.a. Tijdschrift Ei en Ooteoote. Dit jaar was hij Ambassadeur van de Vrijheid van het Bevrijdingsfestival Utrecht.