Joseph Roth – Leviathan – slot

(Lees vanaf het begin)

Acht dagen later stierf ze, voorzeker als gevolg van de hersenschudding! En niet geheel ten onterecht meende Nissen Piczenik dat zijn vrouw niet alleen aan een hersenschudding was overleden, maar ook omdat haar leven van geen enkel ander leven van wie ook maar op de wereld afgehangen had. Niemand had gewild dat ze zou blijven leven, en dus stierf ze.

Nissen Piczenik de koraalhandelaar was nu weduwnaar. Hij rouwde op de voorgeschreven wijze om zijn vrouw. Hij kocht een van de duurzaamste grafstenen voor haar en liet er een tekst op aanbrengen. En hij zei ‘s ochtends en’ s avonds het begrafenisgebed op. Maar hij miste haar beslist niet. Hij kon zelf eten en thee bereiden. Hij was niet eenzaam zolang hij maar alleen was met de koralen. Het enige wat hem zorgen baarde, was het feit dat hij het koraal bedrogen had met haar valse zuster, het celluloidkoraal, en aan zichzelf verraad gepleegd had met de koopman Lakatos

Hij verlangde naar de lente. En toen die eindelijk kwam, besefte Nissen Piczenik dat hij tevergeefs verlangd had. Andere jaren kwamen zijn klanten elk jaar vóór Pasen, als de ijspegels rond het middaguur begonnen te smelten, in hun krakende karren en rinkelende sleeën. Ze hadden koralen nodig voor Pasen. Maar nu was het lente, de zon straalde warmer en warmer, de ijspegels aan de daken werden korter en de smeltende sneeuwhopen langs de weg kleiner – maar klanten kwamen er niet. In zijn eikenhouten kast, in zijn koffer op wielen, die enorm was en voorzien van ijzerbeslag op de vier wielen naast de kachel stond, lagen de kostbaarste koralen in hopen, bundels en kettingen. Maar geen klant te zien. Het werd warmer en warmer, de sneeuw verdween, de zachte regen daalde neer, de viooltjes ontsproten in het bos en de kikkers kwaakten in de moerassen: maar geen klant verscheen.

Het was rond deze tijd dat een zekere vreemde verandering in de aard en het karakter van Nissen Piczenik voor het eerst werd opgemerkt in Progrody. Ja, voor het eerst begonnen de mensen in Progrody te vermoeden dat de koraalhandelaar een rare, een excentriekeling was – en sommigen verloren hun aloude respect voor hem, en sommigen lachten hem zelfs in het openbaar uit. Veel goed volk uit Progrody sprak niet meer van: kijk hier heb je de  koraalhandelaar – ze zeiden: daar heb Nissen Piczenik – hij was een groot koraalhandelaar.

En dat was zijn eigen schuld. Omdat hij zich niet gedroeg hoe het een weduwnaar het in zijn rouw betaamt. Zijn wonderlijke vriendschap met de matroos Komrover had men geaccepteerd, en zijn bezoek aan Podgorzevs beruchte herberg eveneens, maar men kon zijn huidige cafébezoek niet zomaar voor kennisgeving aannemen. Want Nissen Piczenik zat sinds de dood van zijn vrouw bijna iedere dag in Podgorzevs café. Hij raakte met overgave aan de honingwijn. En daar die op zeker moment wat te zoet gaat smaken, mengde hij het met wodka. Soms zat een van de lichte meisjes naast hem. En hij, die nooit een andere vrouw had gekend dan zijn overleden vrouw, hij die nooit een ander verlangen had gekend dan zijn eigen vrouwvolk – zijn koralen dus – te strelen, te sorteren en aaneen te rijgen, voelde zich nu bij tijd en wijle in de troosteloze herberg van Podgorzev aangetrokken tot het goedkope, blanke vrouwenvlees, de prachtige hete vergetelheid die de lichamen van de meisjes uitstraalden, zijn eigen bloed dreef de spot met de waardigheid van zijn burgerlijk en gerespecteerd bestaan. En hij dronk, en hij streelde de meisjes die naast hem zaten, en trok ze soms op schoot. Hij verlustigde zich in hen, op dezelfde wijze als wanneer hij met zijn koralen speelde. En met zijn sterke, roodharige vingers beroerde hij minder vaardig, zelfs idioot onhandig de tepelhoven van de meisjes, die zo rood waren als koraal. En hij verslonsde – zoals men zegt – snel, steeds sneller, bijna van dag tot dag. Hij voelde het zelf, zijn gezicht werd dunnetjes, zijn magere rug kromde, hij maakte zijn jas en laarzen niet meer schoon, hij kamde niet langer zijn baard. Hij sprak zijn gebeden elke ochtend en avond mechanisch uit. Hij voelde het zelf: hij was niet langer de grote koraalhandelaar, hij was Nissen Piczenik, ooit een groot koraalhandelaar.

Hij voorvoelde dat over jaar, over zes maanden, de risee van de stad zou zijn – en wat moest hij hier? Niet Progrody, de oceaan was zijn thuis. Dus op een dag nam hij het dodelijkste levensbesluit. Maar eerst vertrok hij op een dag naar Sutschky – en kijk: in de winkel van Jeno Lakatos uit Boedapest zag hij al zijn oude klanten, en ze luisterden eerbiedig naar het gebrul uit de grammofoon, en ze kochten celluloïd koralen voor vijftig kopeken per ketting.
‘Nou, wat heb ik je een jaar geleden verteld?’, riep Lakatos tegen Nissen Piczenik. ‘Wil je nog tien poed, twintig, dertig?’ Nissen Piczenik zei: ‘Ik wil geen nepkoralen meer. Wat mij betreft, heb ik nog uitsluitend met echte van doen.’

8

En hij ging terug naar huis, naar Progrody, en ging stilletjes en in het geheim naar Benjamin Broczyner, die een reisbureau runde en scheepstickets verkocht aan emigranten. Het waren vooral deserteurs en straatarme joden die naar Canada en Amerika moesten emigreren van wie Broczyner leefde. In Progrody was hij de vertegenwoordiger van een Hamburgse rederij.
‘Ik wil naar Canada!’, sprak koraalhandelaar Nissen Piczenik  ‘zo snel mogelijk’.
‘Het eerste schip, de ‘Phoenix’ vertrekt over veertien dagen uit Hamburg. Voor die tijd zullen we je de papieren bezorgen,’  zei Broczyner.
‘Dat is goed’, antwoordde Piczenik.  ‘Hou het onder ons.’
En hij ging naar huis en stopte alle koralen, de echte, in zijn rolkoffer.
Maar hij legde de celluloid koralen op de koperen voet van de samovar, stak ze aan en keek toe hoe ze blauwachtig en stinkend verbrandden. Dat duurde lang, hij had meer dan vijftien poed aan nepkoraal. Daarna lag er  een enorme berg zwart en grijs gekruld as. En rond de petroleumlamp in het midden van de kamer kronkelde grijsblauwe rook van het celluloid.

Zo nam Nissen Piczenik afscheid van zijn vaderland. Op 21 april ging hij in Hamburg aan boord van de stoomboot Phoenix als tussendeks passagier. Het schip was vier dagen onderweg toen de catastrofe plaatsgreep: misschien herinneren sommigen van jullie het zich nog. Meer dan tweehonderd passagiers gingen met de Phoenix ten onder. Zij verdronken natuurlijk. Maar wat Nissen Piczenik betreft, die destijds ook ten onder ging, kun je niet beweren dat hij gewoon maar verdronk zoals de anderen dat deden. Hij is veeleer – kun je met een gerust hart zeggen – teruggekeerd tot het koralal, naar de bodem van de oceaan waar de machtige Leviathan zich krult. En als we het bericht willen geloven van een man die door een wonder – zoals ze zeggen – destijds aan de dood ontsnapte, moeten we melden dat Nissen Piczenik lang voordat de reddingsboten vol waren al overboord ging naar zijn koraal, zijn echte koralen.

Wat mij betreft, ik wil dat wel geloven. Omdat ik Nissen Piczenik kende, en ik weet zeker dat hij tot de koralen behoorde en dat de bodem van de oceaan zijn enige thuis is geweest.

Moge hij daar in vrede rusten naast Leviathan tot de komst van de Messias.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop
  • Nr. 482, 2020
    Op de plank. 75 jaar Uitgeverij Van Oorschot Tirade, in 1957 opgericht als het ‘blaadje’ van Uitgeverij Van Oorschot en nog altijd onderdeel van de uitgeverij, viert met dit nummer het 75-jarig bestaan van de uitgeverij. We gaven een batterij schrijvers de opdracht om te kijken welke boeken van Van Oorschot zij op de plank...
    Lees verder
  • Nr. 481, 2020
    Tirade stuurt haar afgezonderde lezers met nummer 481 een pak brieven toe, zoals altijd in de vorm van nieuw en bijzonder literair werk. De onlangs gedebuteerde Jack de Boer beschrijft in een indrukwekkend essay hoe het coronavirus zijn werk als schoolmeester in de war schopte. Redacteur Anja Sicking herlas Mary Shelley’s Frankenstein en reflecteert op...
    Lees verder
  • Nr. 480, 2020
    In Tirade 480 sprankelende nieuwe poëzie van Tonnus Oosterhoff en van schrijfster en beeldend kunstenares Maria Barnas, en van Twan Schenkels, Merlijn Huntjens en Hanz Mirck. De kersverse Libris-winnaar Sander Kollaard schreef een essay over Onderdak, de tweede roman van Elisabeth van Nimwegen. Andere essays zijn er van Guido van Hengel, over straathonden in voormalig...
    Lees verder
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder
  • Nr. 450, 2013
    Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden. Met bijdragen van: Joop Goudsblom P.F. Thomése Franca Treur A.H.J. Dautzenberg Gilles van der Loo Tomas Lieske Marita Mathijsen Frits Abrahams Detlev van Heest Henk Broekhuis Binnert de Beaufort Roos van Rijswijk Walter van den Berg Maria Barnas Marko...
    Lees verder

De dood van Misha Meijer

Sinds de scholen dicht zijn, fietst Nadim op maandagochtenden mee op mijn hardlooprondje door het Westerpark. Hij doet het met plezier, wat ik niet had verwacht omdat mijn jongen een geboren bankhanger is.

Onder het rennen doen we rekensommen of praten we Engels, wat hij veel leuker vindt. Toen we eergisteren langs het oude Sloterdijk kwamen was de wind er bij mij een beetje uit. Om mezelf af te leiden vertelde ik Nadim over mijn nieuwe boek: Dorp speelt zich af in een nogal persoonlijke versie van dit dijkdorp, en ik wees de huizen aan waar mijn personages wonen.

Gevangen in de verhaallijn vertelde ik verder, en kwam zo bij de dood van Misha Meijer, een fictieve jongen die door klasgenoten dun ijs op gejaagd wordt en verdrinkt. Terwijl ik praatte merkte ik hoe diep Nadim in mijn verhaal kroop. Aan het einde was zijn energieke ochtendbui omgeslagen in een droef zwijgen, het soort mist dat geen geluiden draagt.

‘Wat is er?’ vroeg ik. Hij schudde zijn hoofd, zijn gezicht nog witter dan het van nature ziet.

‘Naadje?’

‘Ik snap het niet,’ zei hij uiteindelijk. ‘Ik snap gewoon niet dat mensen zoiets doen. Als je ziet dat een kind geen vrienden heeft, ga je hem toch nooit zomaar doodmaken? Kun je nog een hoofdstuk schrijven, waarin Misha dan weer leeft?’

Ik probeerde uit te leggen dat mensen die anderen kwaad doen daar meestal een reden voor hebben, ook al kennen ze die zelf niet. Ik zei dat Dorp maar een verhaal is, dat Misha Meijer niet écht heeft bestaan. Nadim bleef stil, zijn ogen groot en vochtig. Toen we thuiskwamen en B vroeg wat er aan de hand was, begon hij te huilen. Echt troosten konden we hem niet.

Bij de laatste kus van de dag, voordat ik zijn leeslampje uitdeed, vroeg ik of er toevallig nóg iets aan de hand was. Of hij niet alleen boos was op die pestkoppen van Misha Meijer.

Hij knikte. ‘Misschien.’

‘Vraag je je ook af hoe je eigen vader zoiets heeft kunnen schrijven?’

‘Nou,’ zei hij, ‘het is toch helemaal niet nódig? Je hoeft die jongen toch niet dood te laten gaan?’

Ik drukte mijn voorhoofd tegen de plank die moet verhinderen dat hij uit zijn hoogslaper kukelt, en zei: ‘Zonder Misha Meijer en dat wak is er geen echte reden voor dit verhaal, staat de situatie niet onder druk. Sprookjes zijn toch ook vaak zielig? Het meisje met de tondelstokjes?’

Sinds een paar weken veegt Nadim zijn mond niet meer af na mijn kussen. Ik dacht altijd dat zoons die beginnen met het afvegen van hun mond dat blijven doen. Terwijl ik de deur van zijn slaapkamer achter me sloot dacht ik aan Misha Meijer, en voor het eerst in bijna vijf jaar werk aan dit boek voelde ik me schuldig aan zijn lot.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Joseph Roth – Leviathan 9

(hier lezen vanaf het begin)

7

En zo bracht de duivel koraalhandelaar Nissen Piczenik voor de eerste maal in verzoeking, en de duivel heette Jenö Lakatos en kwam uit Boedapest, en hij introduceerde nepkoralen in Rusland, de celluloïdkoralen die als je ze aansteekt blauwachtig branden, als de kringen van de hel.

Toen Nissen Piczenik thuiskwam, kuste hij zijn vrouw onverschillig op beide wangen, begroette de rijgsters en begon met ietwat ontredderde, door de duivel ontredderde ogen naar zijn geliefde koralen te kijken, het levend koraal, dat er niet zo perfect uitzag als de nepstenen van celluloid van zijn concurrent Jenö Lakatos. En de duivel bracht de eerlijke koraalhandelaar Nissen Piczenik ertoe om de valse koralen door zijn echte heen te strooien.

Op een dag ging hij dus naar het postkantoor en dicteerde een brief aan Jenö Lakatos in Suchky aan de openbaar schrijver, dat hij hem een paar dagen later niet minder dan twintig poed valse koralen moest sturen. Celluloid is zoals bekend een licht materiaal, en twintig poed nepkoraal, dat is een hele samengebonden zooi bij mekaar. Verleid en verblind door de duivel, mengde Nissen Piczenik de nepkoralen met de echte en pleegde zo verraad aan zichzelf en aan het ware koraal.

De oogst was overal in het land al begonnen en er waren bijna geen boeren meer om koraal te komen kopen. Maar op de paar die hier en daar verschenen, verdiende Nissen Piczenik nu meer dankzij de nepkoralen dan hij eerder had verdiend met heel veel klandizie. Hij mengde de echte met valse – en dat was nog erger dan als hij uitsluitend valse verkocht zou hebben. Want dit is wat er gebeurt met wie door de duivel wordt verleid: ze overtreffen in al het duivelse de duivel zelf. En zo overtrof Nissen Piczenik Jenö Lakatos uit Boedapest. En alles wat Nissen Piczenik verdiende, bracht hij gewetensvol naar Pinkas Warschawsky. En de duivel had de koraalhandelaar zo in zijn macht dat hij een enorm plezier voelde bij de gedachte dat zijn kapitaal zich vermenigvuldigde en groeide.

Plots stierf de woekeraar Pinkas Warschawsky, en Nissen Piczenik was geschokt en ging onmiddellijk naar de erfgenamen van de woekeraar en eiste zijn geld met rente op. Hij kreeg het ook meteen niet minder dan 5.450 roebel en zestig kopeken. Met dit geld betaalde hij zijn schuld aan Lakatos, en hij vroeg om nog eens twintig poed nepkoralen. Op een dag kwam de rijke hopboer naar Nissen Piczenik en vroeg om een koraalketting voor een van zijn kleinkinderen, tegen het boze oog. De koraalhandelaar reeg een ketting uit louter nepkoraal, celluloid, en hij zei: ‘Dit zijn de mooiste koralen die ik heb.’ De boer betaalde hem de prijs voor echt koraal en reed terug naar zijn dorp. Zijn kleinkind stierf een gruwelijke dood door difterie, ze stikte een week nadat het nepkoralen kettinkje haar om de hals gehangen was. En in het dorp Solowetzk, waar de rijke hopboer woonde (maar ook in de omliggende dorpen), deed het bericht de ronde dat de koralen van Nissen Piczenik uit Progrody ongeluk en ziekte zouden brengen – en niet alleen aan wie bij hem hadden gekocht. Want difterie greep om zich heen in de naburige dorpen, eiste zijn tol in kinderlevens en het gerucht verspreidde zich dat de koralen van Nissen Piczenik ziekte en vernietiging brachten.

Hierdoor kwamen er in de winter geen klanten meer naar Nissen Piczenik. Het was een strenge winter, die in november begon en voortduurde tot eind maart. Elke dag bracht opnieuw onverbiddelijke vorst, de sneeuw viel zelden, zelfs de raven leken te bevriezen op de kale takken van de kastanjebomen. Het was erg stil in het huis van Nissen Piczenik. Hij stuurde de ene vrouw na de andere weg. Op marktdagen ontmoette hij soms een paar van zijn oude klanten. Maar ze groetten hem niet. Ja, de boeren die hem die zomer nog gekust hadden, deden alsof ze de koraalhandelaar niet meer kenden. Het vroor tot veertig graden. Het water in de blikken van de waterdragers bevroor onderweg van de put naar huis. Een dikke laag ijs bedekte Nissen Piczeniks zodat hij niet meer kon zien wat er op straat zoal gebeurde. Grote, zware ijspegels hingen aan de ijzeren spijlen en maakten de raampjes nog kleiner. Van het wegblijven van zijn klandizie gaf hij niet de valse koralen maar de strenge winter de schuld.

Ondertussen was de winkel van meneer Lakatos in Sutschky altijd goed gevuld, en van hem kochten de boeren de onberispelijke goedkope celluloidkoralen en niet de echte koralen van Nissen Piczenik. De straten en steegjes van het stadje Progrody waren ijzig en spiegelglad. Alle inwoners zochten met stokken met ijzeren punten hun weg. Toch vielen sommigen en braken hun nek en benen. Zo viel ook op een avond Nissen Piczeniks vrouw. Ze bleef lange tijd bewusteloos voordat sympathieke buren haar vonden en naar binnen droegen. Ze begon al snel hevig te braken en de medische hulp van Progrody zei dat het een hersenschudding was.

De vrouw werd naar het ziekenhuis gebracht en de dokter bevestigde de diagnose van de feldsjer. De koraalhandelaar ging elke ochtend naar het ziekenhuis, ging aan het bed van zijn vrouw zitten, luisterde een halfuur naar haar verwarde geklets, keek in haar koortsige ogen en zag het dunne haar op haar hoofd, herinnerde zich de paar tedere uren die hij haar geschonken had, rook de penetrante geur van kamfer en jodoform en keerde terug naar huis en stond bij de kachel en kookte borsjt en boekweit en sneed zijn eigen brood en schraapte de radijs eigenhandig en zette zijn eigen thee en stookte zelf de kachel. Daarna gooide hij al het koraal uit de vele zakken op een van zijn vier tafels en begon het te sorteren. De celluloidkoralen van meneer Lakatos legde hij apart. De echte koralen kwamen op Nissen Piczenik niet langer over als levende dieren. Sinds die Lakatos zich in de buurt gevestigd had en hijzelf, koraalhandelaar Piczenik, was begonnen de lichte celluloidkoralen te mengen met de zware en echte stenen, waren de koralen die in zijn huis lagen opgeslagen doodgegaan. Nu maken ze koralen van celluloid! Van dood materiaal maakte men koralen die er uitzien als levende en zelfs nog mooier en perfecter waren dan echte en levende! Wat was zijn vrouws hersenschudding vergeleken met dit?

(verderlezen)

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Joseph Roth - Leviathan - slot

    (Lees vanaf het begin) Acht dagen later stierf ze, voorzeker als gevolg van de hersenschudding! En niet geheel ten onterecht meende Nissen Piczenik dat zijn vrouw niet alleen aan een hersenschudding was overleden, maar ook omdat haar leven van geen enkel ander leven van wie ook maar op de wereld afgehangen had. Niemand had gewild...
    Lees verder
  • De dood van Misha Meijer

    Sinds de scholen dicht zijn, fietst Nadim op maandagochtenden mee op mijn hardlooprondje door het Westerpark. Hij doet het met plezier, wat ik niet had verwacht omdat mijn jongen een geboren bankhanger is. Onder het rennen doen we rekensommen of praten we Engels, wat hij veel leuker vindt. Toen we eergisteren langs het oude Sloterdijk...
    Lees verder
  • Joseph Roth - Leviathan 9

    (hier lezen vanaf het begin) 7 En zo bracht de duivel koraalhandelaar Nissen Piczenik voor de eerste maal in verzoeking, en de duivel heette Jenö Lakatos en kwam uit Boedapest, en hij introduceerde nepkoralen in Rusland, de celluloïdkoralen die als je ze aansteekt blauwachtig branden, als de kringen van de hel. Toen Nissen Piczenik thuiskwam,...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).