Samen doen

Hoewel ik toen best vriendjes had, herinner ik me van mijn vroege jeugd vooral de vele uren dat ik rondspeelde in mijn hoofd, al dan niet bijgestaan door huisdieren, knuffels of opstellingen van mijn Playmobil.

Enig kind, was ik, en als er mensen kwamen spelen dan was dat leuk, maar kwamen ze niet, dan was het ook oké. Op de middelbare school werd de binnenkant van mijn hoofd steeds belangrijker. Mijn vrienden waren op één hand te tellen, en bleven jarenlang dezelfde vingers. Ik hield van die vrienden, maar als ze er niet waren dan was dat ook oké.

Wat, zou je zeggen, heeft zo-iemand in de horeca te zoeken?

Soms, zoals ook voor de beste vrienden geldt, geeft het leven je niet wat je denkt te willen, maar wat je nodig hebt.

Mocht ik ooit gedwongen worden te emigreren, dan zal ik – ook op mijn achtenzestigste – een baantje in de bediening zoeken. Binnen drie werkdagen heb je een vriendenkring, binnen een maand een netwerk, binnen een jaar de sleutels tot de stad.

Achter de bar ontdekte ik dat de meeste mensen wél op me zaten te wachten; dat het me weinig moeite kostte om soepel om te gaan met advocaten, muzikanten, toeristen, marktkoopmannen en krakers. Bovenal ontdekte ik een versie van mezelf die geen genoeg kon krijgen van de lichtjes, de drankjes, het tollen van de stad. Omdat het café waar ik werkte een poflijst had, leerde ik om bij een eerste contact meteen de naam van mensen te onthouden. Een vriendenkring, een netwerk, een loper volgde.

Na vijftien jaar achter de bar en in de bediening kwam ik in de keuken terecht, een werkplek waar je op een bijna fysiek niveau met je collega’s vergroeit. Jouw hand is mijn hand is de hare, als dat voorgerecht voor tafel twaalf er maar binnen drie minuten staat. Mijn besluit om schrijver te worden betekende het einde van samen koken, en ik mis het elke dag.

Het zintuiglijke, de manier waarop overzichtelijke taken me volledig in beslag namen, het aanraken en worden aangeraakt. Die lome leegte als de adrenaline na een lange dienst was uitgewerkt. De smaak van bier, op zo’n moment. Hoe vrij mijn vrije dagen voelden.

Dat schrijven, om met vriend-schrijver Richard de Nooy te spreken, is maar alleen. Na tien jaar wilde ik verder groeien in de literatuur, maar dan wél in samenwerking met anderen.

De eerste die ik belde was Wytske, daarna volgden Roos en Richard. Inmiddels hebben we er twee samenkomsten op zitten, en het is de bedoeling dat we elkaar maandelijks blijven zien. Natuurlijk kunnen we onze teksten ook mailen voor feedback, maar het samen zitten met ons werk voelt minstens zo belangrijk.

Wat ik misschien geleerd heb sinds mijn kinderjaren, is dat iets pas echt gaat leven als je het deelt.

Beeld: Koken met Olle, Nathalie Girard

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

In de Oorshop

Mijn Indonesische jaren: De literaire salons

Van de Indonesische deelnemers aan de literaire salon kan ik behalve Toeti Heraty, die haar gedichten in vertaling voorlas, ook Wiratmo Soekito (1929-2001) en Gerson Poyk (1931-2017) noemen. De eerste was actief geweest als theaterdocent, omroeper, journalist, tijdschriftleider, essayist en schrijver, maar zijn grootste bekendheid verwierf hij als opsteller van het Cultureel Manifest dat in mei 1964 werd getroffen door een verbod van Soekarno.

Er waren in totaal negentien schrijvers die het manifest hebben ondertekend, waaronder ook Gerson Poyk, een markante man met een ascetisch voorkomen. Hij werd geboren op Roti, het zuidelijkste eiland van Indonesië, en was een productief auteur van romans en verhalen met een humoristische toets. Zijn verhaal ‘Matias Akankari’, over een Papua die uit het steentijdperk in het moderne Jakarta wordt geworpen, met alle absurde verwikkelingen van dien, verscheen in het Indonesië-nummer van het tijdschrift De Tweede Ronde (Lente 1988). Aan dit tijdschrift hebben allerlei Indonesische en Nederlandse auteurs bijgedragen.

Een van de Indonesische dichters in dat nummer was Joke Moeljono (1925-1998), die werkzaam was als arts in het Borromeus Ziekenhuis in Bandung. Zijn broer Anton (1929-2011) was hoogleraar linguïstiek aan de Universitas Indonesia en directeur van het Indonesische Taalcentrum. Waar Anton Moeljono een ernstige academicus was, had Joke meer weg van een bohemien. Tussen 1946 en 1958 woonde hij in Nederland en sindsdien was hij voorgoed een man van twee werelden, een ontheemde. Hij was een van de weinige Indonesiërs die in het Nederlands schreef. Het volgende gedicht uit 1948 geeft een goed beeld van zijn denkwereld:

Europa zal ik eens verlaten
haar angsten zijn niet de mijne
maar ik zal haar nimmer haten:

Ook ben ik door haar pijnen
vrijgemaakt en heb uit haar wonden
verloren heimwee weergevonden.

In maart 1987 vond de literaire salon plaats bij Toeti Heraty thuis. Op die avond verschenen ook de vooraanstaande dichter en tijdschriftleider Taufiq Ismail (*1935), ook een van de ondertekenaars van het Cultureel Manifest; en Joke Moeljono, die speciaal voor deze avond met zijn auto uit Bandung was gekomen, maar wel met zijn chauffeur. Dat was maar goed ook. Moeljono maakte een geobsedeerde indruk. Hij las enkele eigen verzen voor en dronk gedurende de avond stevig door uit een meegenomen fles 7 Pied Pipers. Dat was een in Bogor gebottelde Schotse whisky, die toen nog volop in de supermarkt te verkrijgen was. Sindsdien is er wat de verkrijgbaarheid van alcohol betreft het een en ander veranderd in Indonesië.

In het najaar van 1987 werd de literaire salon als het ware verplaatst naar het Erasmus Huis: hier organiseerde ik een literaire avond die volgde op het congres ‘Nederlandse Studiën in Indonesië’. Uit Nederland namen deel: Remco Campert, Rudy Kousbroek, Leo Vroman, zijn vrouw Georgine (‘Tineke’) Sanders en Hugo Brandt Corstius. Zij werden aangevuld met Jacob Vredenbregt, zes Indonesische schrijvers – onder wie Rendra en Toeti Heraty – en de vooraanstaande Maleisische dichter Muhammad Haji Salleh (*1942), die ik had leren kennen aan de University of Michigan in Ann Arbor.

Op de avond werd een tweetalig boekje gepresenteerd met alle bijdragen. Ik had mijn bediende de uitgetikte bijdragen meegegeven om die bij een van de vele copy shops te laten vermenigvuldigen en tot een boekje te laten maken. Hugo Brandt Corstius las op die avond een van zijn Piet Grijs-achtige columns voor, maar hij kwam tevens met een pas geschreven gedicht dat niet in het boekje stond, met de telkens terugkerende regel: ‘Het is koud in Indonesië’. Later begreep ik dat die regel was ingegeven door het recente overlijden van zijn vrouw.

In 1988 waren er weer twee literaire salons bij mij thuis, onder meer bijgewoond door Bibsy Soenharjo (1928-2017), de jongste dochter van de staatsman Haji Agus Salim (1884-1954) en voormalig medewerkster van een Australisch radiostation. Zij schreef light verse: puntige gedichten in het Engels, Nederlands en Indonesisch. Een voorbeeld uit 1967:

My heart is like a cobble-stone
Heavy and out of place;
Its only function is to keep
My restless soul in place—

The way a paperweight holds down
A fluttering, empty piece
Of paper, that would fly and leave
At just a little sigh of breeze.

Op 5 juni 1989 stelde de Nederlandse diplomaat Margriet Bot, die werkte bij de afdeling Pers en Culturele Zaken, haar huis beschikbaar. Dat was een ruim, modern huis met een zwembad in de wijk Kemang, waar veel expats woonden. Hierna is er in februari 1990 nog een literaire salon bij mij thuis gehouden, maar dat was meteen de laatste. Ik werkte toen hard aan mijn proefschrift over de Indische jaren van E. du Perron, waarop ik in april van dat jaar promoveerde; in augustus liep mijn contract af en keerde ik terug naar Nederland. In februari 1992 kreeg ik een aanstelling als lector Nederlands aan de University of Auckland in Nieuw-Zeeland.  

De literaire salon werd nog een aantal jaren in een andere vorm voortgezet, met literaire avonden van het na mijn vertrek opgerichte Walraven Genootschap die plaatsvonden in het Erasmus Huis. Jacob Vredenbregt, gestaag bouwend aan zijn oeuvre van romans en verhalen, speelde een belangrijke rol als aanjager van die avonden.  

Een trouwe gast van mijn literaire salon was de weduwe van de eerste premier van Indonesië: Siti Wahjunah Sjahrir (1920-1999), roepnaam Poppy. Zij was een intellectuele vrouw die indruk maakte door haar rustige en elegante uitstraling. Op de avond in Kemang zei ze op een gegeven moment, op het terras aan de rand van het zwembad, dat zij nog diverse ongepubliceerde geschriften had van Sjahrir, maar dat de tijd er nog niet rijp voor was. Ik had er toen nog geen idee van dat ik ooit Sjahrirs brieven aan zijn eerste, Nederlandse vrouw zou uitgeven.

Sinds de Reformasi, die werd ingezet na het gedwongen aftreden van Soeharto, is de tijd meer dan rijp. In augustus verscheen bij Van Oorschot het door mij verzorgde Wissel op de toekomst. Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde. Die brieven worden gevolgd door mijn biografische schets van Sjahrir. Habent sua fata libelli.

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Thuiswerken

‘Kun je garanderen dat er geen extremisten bij zijn?’

De vraag verscheen als titel van een e-mail op hun computerschermen. Ze zaten tegenover elkaar aan de eettafel. Martha keek uit op de muur met foto’s van hun gezin, Bas op het wandtapijt dat ze tien jaar geleden in Kenia hadden gekocht. Tussen hun schermen stonden een pot thee en een gedeukte koektrommel.

‘Kunnen we dat?’ vroeg Bas.

‘Daar moeten we achter komen,’ zei Martha zakelijk. Dat was een van de vreemdste elementen van thuiswerken vanwege de coronamaatregelen: de werktoon die ze voor het ministerie reserveerden klonk nu opeens aan de eettafel.

Ze typten zoektermen in databases en openden een gezamenlijke map voor rapporten en artikelen.

‘Ik ga even krentenbollen smeren,’ zei Bas, ‘voor als de kinderen zo thuiskomen.’

‘Hmm,’ zei Martha. Ze was verdiept in een rapport over rekrutering van extremisten in asielzoekerscentra.

Bas smeerde acht krentenbollen, legde ze op de grote broodplank die ze van hun vrienden hadden gekregen toen ze tien jaar waren getrouwd en nam weer plaats tegenover Martha.

‘Zou jij nog wat journalistieke stukken willen zoeken?’ vroeg ze.

Bas ging aan de slag. Hij bladerde door Nederlandse kranten, door internationale kranten, zocht overzichten van televisiereportages en tijdschriftartikelen.

‘Wat komt erbij jou uit?’ vroeg hij aan Martha.

‘Hetzelfde als bij jou denk ik, je kunt niets garanderen.’

‘Kun je de kans verkleinen?’

‘Je kunt de kans wel verkleinen,’ zei Martha beslist, ‘maar niet als je haast hebt en het overal chaos is. Als je duizend mensen hiernaartoe laat komen, kan er zomaar een tussen zitten die oorlogsmisdaden op zijn geweten heeft of die in Europa een aanslag wil plegen.’

‘En als je er tien toelaat?’ vroeg Bas.

‘`Dan kun je die kans tot bijna nul reduceren?’

‘Vijftig?’

‘Ook, bijna nul.’

‘Tweehonderdvijftig?’

‘Dat is zo’n beetje de grens.’

‘Dan moet ons advies zijn dat we het tot tweehonderdvijftig mensen kunnen garanderen?’

‘Ja.’

Hun kinderen kwamen binnen. Ze renden af op de krentenbollen en maakten ruzie over de televisie en de tablets.

‘Je moet even ingrijpen,’ zei Bas tegen Martha.

Ze stond op: ‘Lily, Willemijn, klaarmaken voor hockey. Stef, jij gaat zo met je vader naar turnen. We kijken nu geen televisie.’

De kinderen renden naar hun kamers. Hun schaduwen vielen over het toetsenbord van Bas.

‘Ik schrijf nog even snel dat bericht voor de minister,’ riep hij tegen Martha.

Nu scheen de zon opeens op zijn scherm en schreef hij: ‘Bij 22250 Afghaanse vluchtelingen is de kans dat er extremisten bij zitten verwaarloosbaar.’

Hij verstuurde het bericht, klapte zijn scherm dicht en liep naar de gang om zijn schoenen te zoeken.

‘Bas!!’ riep Martha vanuit hun slaapkamer.

‘Ja?’

‘Er staat tweeëntwintigduizendtweehonderdvijftig?’

‘Wat?’

‘Je hebt twee tweeën te veel getypt.’

‘Oh, verdomme! Ik pas het aan.’

‘Wat?!’

‘Ik typ een nieuwe mail als ik daar ben, ik heb nu geen tijd meer!’

‘Hoeft niet,’ riep Martha, ‘heb ik al gedaan!’

En daarna riepen ze tegelijk. ‘Stef! Nu! Opschieten! We komen te laat!’

Stef kwam naar beneden, maakte een radslag in de gang en hief bij de voordeur zijn handen in de lucht.

‘Niet schieten,’ zei hij lachend. ‘Ik kom al mee.’


Foto: Mohammad Rahmani (Unsplash)

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

Insel Hombroich

Rijk

Aan het lijstje van rijke weldoeners die kunst beschikbaar maken voor het volk voeg ik er zes toe: in Parijs zag ik de Collection Pinault, een prachtig op de kunst die het toont toegesneden oude graanbeurs die een formidabele collectie herbergt die zo schitterend samenvalt met zijn omgeving dat je er niet weg te slaan bent. Je ademt vrijer in een goed gebouw. In Duitsland net over de grens vind je er twee naast elkaar: het Insel Hombroich, een schitterend verwilderd park met wonderlijke bomen als de Anna Paulowna boom en de moerascypres waar in een tiental paviljoens prachtige werken bijeen zijn gebracht van heel wisselende afkomst, van Rembrandt tot Oceanische kunst. Je ademt nog beter in een goed park. Een kwartiertje onder vermoeid namiddaglicht over nazomers stoppelvelden sjokken daarvandaan de Langen Foundation, waar in en door Tadao Ando gebouwd museum een overzichtstentoonstelling over Daniel Spoerri te zien was.

Want het schone is niets
dan het juist nog door ons te verdragen begin der verschrikking,
en wij bewonderen het zo omdat het, onaangedaan, versmaadt
ons te vernietigen.

Het zal het ‘schuldig landschap’ waarover we liepen zijn geweest die deze associatie losbikte. De vierde is die waarop dit Rilke citaat uit de eerste Elegie van Duino (vert. W.J.M. Bronzwaer) ook zo op van toepassing lijkt te zijn, het is een boek: Brieven aan Camondo van Edmund de Waal, die in een helaas wat precieus en met teveel ontzag geformuleerde hoeveelheid brieven aan de naamgever van het museum in Parijs dat Camono ter ere van zijn vader en zoon oprichtte de lezer meeneemt naar de kunst en de rijkdom maar vooral ook de verschrikkingen in het leven van deze joodse familie.

Verzamelen. En dan tonen. Walter Benjamin wordt geciteerd in dit boek: ‘Het plezier van de verzamelaar, het plezier van de eenling: alleen zijn met de dingen. Is dat niet het geluksgevoel waarmee onze herinneringen zijn overgoten? Dat we daarbinnen alleen zijn met bepaalde dingen, die ons in hun stilte omringen, en dat dan zelfs de mensen die zeer aanwezig zijn in onze gedachten, deelnemen aan die onwrikbare, gezamenlijke stilte van de dingen. De verzamelaar brengt zijn lot tot stilstand. En dat betekent dat hij in de wereld van de herinnering verdwijnt. […]

En dat houdt sterk verband met de volgende verzameling die op zijn beurt een heel rijk boek vormt: Levensvormen van Lex ter Braak, zojuist verschenen, een verzameling verhalen en kunstwerken in een bezield verband bijeengebracht die je in de gelegenheid stellen – als elk van deze verzamelingen – alleen te zijn met de dingen en deel te nemen aan de gezamenlijke onwrikbare stilte ervan.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Heuvels

Gisterenochtend lag er een band bewolking zo laag in het oosten dat het een beboste heuvel leek. Misschien, dacht ik, konden we straks op onze stadsfiets die bossen in, boleetjes zoeken en dan op een omgevallen boomstam worst eten, waarvan ik met mijn zakmes plakken sneed. Ik riep B en de kinderen erbij, maar die leken alleen een lage wolk te zien.

Toen ik Ada en Nadim op school had afgezet, wist ik dat ik op deze dag niet meer zou werken. Niksen is nieuw voor me en ik moet er nog aan wennen, maar ik wil vaker dingen doen omdat die zich in me aandienen, minder vaak omdat ik of iemand anders vindt dat ze moeten gebeuren.

Met Gibraltar van Renske Jonkman zat ik een tijdje op het dak. De zon was donkergeel en warm en leek te kleven aan mijn huid. Renskes hoofdpersoon was zwanger; toen ik naar beneden ging om koffie te zetten, opende ik mijn laptop en zocht de oudste foto in mijn iCloud op. Het is er een die ik zelf maakte: Nadim (toen 5) zit naast B op bed in ons oude huis. B en ik zijn net thuisgekomen na de geboorte van zijn zus.

Ik herinnerde me dat mijn schoonouders hem afzetten, maar zelf nog even beneden bleven. Zijn lichte, trage stappen op de trap naar onze kamer. Hoe soepel hij het bed op klom.

Alles aan hem was voorzichtig, alsof wat daar in zijn moeders armen lag zomaar weer kon verdwijnen. Hij keek zoals je kijkt als iets na eindeloos wachten erg goed lijkt te gaan komen, als je iets prachtigs is voorspeld.

Met de laptop zette ik me aan tafel en scrollde door vijf jaar aan foto’s heen, weer eens beseffend dat een leven is wat je het met terugwerkende kracht noemt. Geluksgevoel blijft zelden langer hangen dan het moment waarop zo’n foto wordt gemaakt. Gelukkig zijn is het beschouwen van een periode en die bestempelen als gelukkig. Het is een besluit, het is welke beelden je besluit te houden.

Ik scrolde verder, wiste hier en daar een foto. Op bijna alle beelden stonden vrienden; zelf kwam ik er nauwelijks op voor. Ik keek naar de maanden voor corona, glimlachte om alle etentjes bij ons thuis. Een afgeladen tafel, vet glaswerk, vrienden huilend van het lachen. Sinds maart vorig jaar: veel foto’s van de lege stad, van kades en parkjes, de voorjaarszon die op verlaten straten valt.

De anderhalve meter gaat nu bijna overboord. Na eindeloos wachten lijkt het weer goed te komen, en het wordt een schitterende herfst in de nieuwe heuvels ten oosten van de stad.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ongehoord

Afgelopen weekend was ik bij een protest aanwezig. Alhoewel ik er bij nader inzien niet trots op ben, was dat niet het woonprotest, maar ‘dat andere’: Unmute Us. Voordat ik de schrijfwereld betrad was ik muzikant. De laatste tijd maak ik niet veel muziek meer. Niet alleen omdat ik andere bezigheden heb, maar ook omdat het uitvoeren ervan erg moeilijk is gemaakt. Dus ik besloot om mee te lopen, uit protest: waarom arena’s wel vol zwetende voetballers en hun fans, maar niet vol spelende muzikanten en die van hen?

Er waren veel mensen. Maar ik kwam niemand tegen die ik verwacht had: mede-muzikanten, producers, creatievelingen die al een tijd niet hebben kunnen creëren. Wel: ongevaccineerden, corona-ontkenners, en twintigers die al een tijd niet hebben kunnen raven. Ik liep mee, probeerde de gele paraplu’s en vlaggen met doorgekraste injectiespuiten te vermijden. Op zondag was ik niet in voor nog een mars, maar misschien had ik toch moeten gaan. 

Schrijver, muzikant, maar eigenlijk op de eerste plaats Amsterdammer. Met weinig hoop op een woonruimte na mijn afstuderen in december. Een vriendin van mij (ook 27) heeft zich nog net voor een jongerenwoning kunnen inschrijven: na een wachttijd van bijna 10 jaar op Woningnet zat ze nog een half jaar onder de leeftijdsgrens voor zo’n appartement. Een andere kennis is opnieuw bij haar moeder gaan wonen: die woont in een grachtenpand, en hoewel dat een luxe is stipt het tegelijkertijd aan waar onze generatie sowieso géén kans op krijgt. Drie jaar terug woonde ik in een antikraakpand in Noord, waar mij en mijn toenmalige huisgenoot werd beloofd dat we er minimaal een jaar mochten zitten. Na drie maanden moesten we eruit: het werd gerenoveerd. Het huis ziet er, in ieder geval aan de buitenkant, nog hetzelfde uit.

In de tussentijd schieten er wel ontelbare, onbetaalbare high rises als paddestoelen uit de grond.

Ik heb Amsterdam nog nooit zo erg als een thuis beschouwd als nu. Nu ik er zo lang ‘vast’ heb gezeten en alle onbekende hoekjes en gaatjes onverstoord heb kunnen bezoeken. Nu er weer toeristen zijn die ik vanuit een fietsende machtspositie wel of niet over kan laten steken. Nu de kans groeit dat ik hier straks niet meer terecht kan. Ik wil graag geloven dat iedereen zich ergens op aarde genoeg thuis voelt om dit besef van privilege te herkennen. Maar hoe kan ik zoiets geloven na al dit nieuws, niet alleen over de woningnood van ons, de locals, maar ook die van de talloze vluchtelingen die hier heil zoeken? 

Ik gun iedereen het gevoel van ergernis wanneer er weer een verwarde toerist voor je wielen struikelt. Het gevoel van trots wanneer je vrienden en familie de weg naar de wc wijst in je eigen huis. Huis-, tuin- en keukenprivilege. Un-move us.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

Meer blogs

  • Afgemeten praterig

    Afgelopen week lag het Verzameld werk van Carl Friedman naast mijn laptop. Het was mijn ‘pauzeboek’. Steeds als ik even afgeleid was, vastliep in een alinea of geen zin meer had om te werken, las ik er een stukje in. Nadat haar debuut Tralievader (1991) vorig jaar veel indruk op me maakte nam ik van...
    Lees verder
  • Elders koffie drinken

    Omdat het de daagjes wel geweest zijn, gaf mijn geliefde B me vrij. Ik ben nergens in dienst en beschik daarom over mijn eigen tijd, maar echt vrij geef ik mezelf nooit. Met Nadim op de stang van mijn fiets – hij wordt daar echt te groot voor – trapte ik naar De Pijp, waar...
    Lees verder
  • Weten in zwart-wit

    (Klik hier voor deel 1 van deze blogserie) Recent zag ik A German Life uit 2016 van Christian Krönes. Het is een sober gefilmde documentaire waarin Brunhilde Pomsel (1911-2017) vertelt over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ziet zichzelf als een doodgewone Duitse vrouw die toevallig werkte voor een van de hoogste nazi’s (Joseph...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).