Een lezer

B is beter dan ik in het vinden van de juiste boeken voor onze kinderen. Ze heeft meer geduld en luistert beter.

De meeste kinderboeken vind ik slecht van taal en saai. Aan mij heb je pas iets als ik boeken mag aanraden die ik zelf graag lees.

Groot was mijn geluk toen Nadim deel 3 van Harry Potter grommend van zich af wierp.

‘Wat is er?’ vroeg ik zo neutraal mogelijk. ‘Vind je het niet leuk meer?’

‘Die boeken zijn echt veel te dik. Er staan allemaal dingen in die er niet toe doen en je moet heel lang wachten voor er weer iets gebeurt. En ze leggen echt álles uit.’

‘Interessant,’ zei ik, en probeerde niet te juichen. Onder het voorlezen van het eerste deel was ik bijna gestorven van lamlendigheid; bij een aantal cruciale scènes had ik Nadims woede gewekt met mijn slappe lach.

Je zou kunnen denken dat ik zijn mening heb beïnvloed, maar B en ik lazen hem na deel 1 nog twee delen voor. Daarna begon hij ze zelf te lezen, aanvankelijk met veel plezier. Een Harry Potterverjaardag volgde, we maakten toverstokken van wilgentenen in Normandië.

Toen er nog geen internet was koos ik mijn leesvoer op titel. Ik had uren te slijten in boekwinkels, toen. Na de titel begon ik aan de eerste bladzijde, en als ik merkte dat ik op een van die lage krukjes wilde blijven zitten om te lezen, nam ik het boek mee naar huis.

Boeken hoefde ik als kind niet voor mijn verjaardag te vragen. Ik kreeg ze, alsof ze een eerste levensbehoefte waren. Ik heb daar niet genoeg gebruik van gemaakt.

Voor Nadim en Ada geldt hetzelfde. Ze vragen wel eens boeken aan Sinterklaas of voor verjaardagen, maar als het leesvoer op is gaan we sowieso naar de boekhandel.

Vorige week kocht ik bij de Island Bookstore op de Westerstraat het eerste deel van een magisch drieluik van zo’n vierhonderd bladzijden voor Nadim. Gisteren moesten we wéér. Tijdens onze stadswandeling leek hij zich zorgen te maken over of het volgende deel er nog wel zou liggen.

‘Maar papa, je zei toch dat we naar de Island zouden gaan?’

‘We gáán ook naar de Island, man. Op het einde van de wandeling is beter, anders loop je de hele tijd met dat boek te slepen.’

‘Maar ik vind dat helemaal niet erg.’

Nadim mocht de route bepalen. Ik merkte dat hij steeds kleinere cirkels maakte rond de Westerstraat, en binnen het uur legde ik Otis de Hond vast aan het fietsenrek voor nummer 15.

‘Yes!’ riep mijn jongen bij binnenkomst. Na een minuutje liep hij lezend in deel 2 weer buiten.

‘Naadje,’ zei ik. ‘Laat me dat boek even in de rugtas doen.’

‘Wat?’

‘Dit gaat zo niet. Je loopt nog ergens tegenop.’

‘Het gaat toch prima, zo?’

Ik haalde een hand door zijn stugge haar, maakte een foto van hem en appte die aan B.

“We hebben een lezer,” schreef ik. “Een echte.”

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

In de Oorshop
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder
  • Nr. 450, 2013
    Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden. Met bijdragen van: Joop Goudsblom P.F. Thomése Franca Treur A.H.J. Dautzenberg Gilles van der Loo Tomas Lieske Marita Mathijsen Frits Abrahams Detlev van Heest Henk Broekhuis Binnert de Beaufort Roos van Rijswijk Walter van den Berg Maria Barnas Marko...
    Lees verder
  • Nr. 449, 2013
    Met bijdragen van: Heather BellWalter van den BergWim BrandsNikki DekkerMatthew DickmanAuke HulstFlorian Illichmann-RajchlSander KollaardHalbo KoolDelphine LecompteEva MeijerAki OllikainenZośka PapużankaCarel PeetersStine PilgaardLiz RosenbergBrenda ShaughnessyRichard SikenLize SpitLeo VromanJoost Zwagerman
  • Nr. 448, 2013
    Met bijdragen van: Renate DorresteinRobert VerschurenHannah van BinsbergenA.H.J. DautzenbergPeter SwanbornMarte KaanFlannery O’ConnerAnneke ClausRenske van EnckevortIsaak BabelWouter van OorschotY.M. DangreCarel Peeters
  • Nr. 446, 2012
    Geen slechtere adressant voor de schrijversbrief dan de ambtenaar, de huisbaas of de proleterige bovenbuurman. Alle stilistische artillerie wordt in stelling gebracht, maar de geadresseerde is zelden bij machte om dat te kunnen waarderen. En dus vroegen wij schrijvers: bevindt zich in uw la nog een brief die wij aan de vergetelheid kunnen ontrukken?In dit...
    Lees verder
  • Nr. 445, 2012
    ‘Nathalie verdween in de badkamer en kwam terug met twee bordeauxrode, gewatteerde wanten die op de rug waren gedecoreerd met grote margrieten (witte kroonbladeren, geel hart). Ze stak haar handen erin, legde ze op de plek waar je een tweede kussen zou verwachten en vlijde haar hoofd op klassieke meisjeswijze op de bovenste handschoen.’ Dat...
    Lees verder

Denken in dwarsverbanden

De verhalen van D. Hooijer (1939-2013) vrolijken me altijd op. Een paar jaar terug las ik haar bekroonde bundel Sleur is een roofdier (2007). De volslagen vreemdheid van dat boek was voor mij een verademing. De rare vertelstijl en humor deden me denken aan Gogol, maar binnen de Nederlandse literatuur kon ik weinig adequaat vergelijkingsmateriaal vinden. Hooijer schrijft als een minder narcistische en wijdlopige Brakman, of misschien eerder als een gejaagde Biesheuvel. Maar vooral als zichzelf, natuurlijk. Vanwege die eigenheid kocht ik ook haar Zuidwester meningen (2004), en nu lees ik haar debuut, Kruik en kling (2001). 

Overigens zijn Hooijers verhalen zelf niet bepaald opwekkend. Ze schrijft consequent over wereldvreemde figuren: gokverslaafden, jutters, drankorgels, internetdaters. Haar personages rommelen maar wat aan, blaten en oreren zonder werkelijk nader tot elkaar te komen. Als deze verhalen überhaupt een gedeeld thema hebben, dan is het eenzaamheid. 

De troosteloosheid wordt opgevangen door Hooijers stijl, die altijd even energiek en levendig is. Haar woordkeuze is vaak buitenissig en het verloop van haar verhalen wordt gestuurd door een springerige denktrant. De schrijver lijkt niet een plot, maar de taal zelf als leidraad te nemen. Vandaar dat haar paragrafen vaak geen natuurlijk geheel lijken te vormen: het verband tussen de hoekige zinnen is niet logisch, maar associatief. 

Een voorbeeld uit Kruik en kling:

‘Ik kende de buurman alleen van gezicht. Ik vond dat een aardig gezicht. Mijn kinderen zeiden dat zoiets niet bestond, dat aardige gezichten de grootste ongelukken gaven. Kijk naar Jeltsin, dat heerlijke hoofd. Er waren mannen die van hun open gezicht een broodwinning maakten. Ze liepen in Monaco en op de stranden van Nice te flaneren tot je met je geschutter langskwam.

Ik verbeterde mij en zei: “Een goed gezicht.”’

Iedere zin is een zijtak die terstond verder vertakt, maar de verbindende stam is weggelaten – Hooijer lezen is leren denken in dwarsverbanden. Daarom is er soms paginaslang geen touw aan vast te knopen. Je wordt gedwongen om van de ene inval naar de andere te gaan, en in de tussentijd moet je er zelf maar een coherent verhaal van zien te maken. 

D. Hooijer geeft de gewillige lezer genoeg te doen. Vrijwel iedere tekst lijkt uit een aaneenschakeling grappen, malle observaties en abrupte wendingen te bestaan. Het zijn vertellingen vol verrassingen, waarin je nooit weet wat er achter de volgende hoek of bladzijde schuilgaat.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Dood aan de digital nomad

Hieronder woorden uit tijden die misschien niet simpeler waren, maar wel meer vertrouwd. Ondertussen zit ik vast in Abidjan, waar ik gelukkig een mooie berg Dostojevski’s bij elkaar kon sprokkelen.

Wanneer ik mij al veel te lang niet meer gedoucht heb of nog eens Engels wil praten of mijn libido mij influistert, dat dit een goed idee is, durf ik weleens een jeugdherberg betrekken. Vaak vallen hier uitstekende tijden te beleven of in ieder geval vele bieren te drinken. Wel loop je steeds het risico vriendelijk te moeten doen tegen twee van de ergste soorten mensen die deze wereld te bieden heeft: VS-Amerikanen en zelfverklaarde digital nomads.

Deze laatste zijn “creatieve freelancers” die zich al afstandwerkend laten onderbetalen voor het uitschrijven van banale marketingplannen, ontwikkelen van zwendelapps of vormgeven van jaarverslagen, waarin geen kat geïnteresseerd is. In de bedroevende financiële, inhoudelijke en vormelijke vruchten van hun professionele inspanningen zien zij zelf geenszins graten. Hun blik is immers uitsluitend op de dans gericht, die zij zichzelf meest elegant zien dansen, op het goddelijke koord gespannen tussen een zekere professionele bekwaamheid aan de ene, en wat zij als een diepe zucht om vrijheid ervaren aan de andere kant. Het zou hen, kortom, enkel om het geld te doen zijn. En zolang deze inkomsten hun reisdoelloosheid onderhouden, is er geen vuiltje aan de lucht. Want door de uiterlijke vorm van hun loonarbeid te radicaliseren, dat is: hun arbeidstijd in de geuren en kleuren van Marokkaanse medina’s te versmoren, ontsnappen ze aan de grijze vervreemding van een vaderlandelijk bureaubestaan. Als dat niet geniaal is?

(Pecunia non olet, wisten Romeinse leerlooiers en kleerwassers, maar wat wisten zij van de loonvorm?)

De harde beperkingen van de digital nomad worden weerspiegeld in haar grenzeloze zelfgenoegzaamheid. Terwijl ze op dakterrassen van jeugdherbergen wereldwijd hoogmoedig uiteenzet hoe goed ze het leven wel niet begrijpt en het overbodige leerde loslaten, zien wij de trieste waarheid van haar vloeibaar-moderne heldendom en haar eenzaamheid. Geenszins ontgroeit ze de burgerlijke grond die haar voortsproot, maar is zij net haar meest kleurrijke stinkbloem.

Wat ware nomadologie de moeite waard maakt, is dat het tot een gegrond universalisme uitnodigt. Maar de digital nomad omarmt een omgekeerde praxis. Zich dubbelplooiend voor de god genaamd flexibilisering begrijpt zij zichzelf als een verlichte uitzondering – die in werkelijkheid slechts de wereldsystemische ketens bevestigt. Dit spreekt ontegensprekelijk uit hoe zij voorstaat de wereld van zichzelf te redden: iedereen moet slechts worden zoals zij: blank en rijk en zonder grenzen. Het is te zeggen: haar universalisme is onmogelijk te universaliseren en dus vals. Burgerlijke blindheid op haar best. Dat is: op haar meest hopeloos.

Hegel zegt: aan datgene waarmee een geest genoegen neemt, is de omvang van zijn verval te meten. Agamben leert: de homo sacer heeft van oudsher een Januskop.

In volle oogsttijd fietste ik in Zuid-Spanje dagenlang langs uitgestrekte latifundia, waar groepen zwarte veldwerkers scherp door clichés van booskijkende cowboys werden overschouwd. Wanneer de opzichters even uit het zicht waren, probeerde ik gesprekjes aan te knopen. Ze ontvingen elke avond een briefje van vijf euro, maar stonden zelf in voor hun maaltijden. ’s Nachts werden ze in geruïneerde schuren te slapen gelegd. Mensen die een taal deelden werden zoveel mogelijk over verschillende landerijen verdeeld: een beproefde tactiek uit nooit vervlogen plantatietijden. Wanneer ik naar papieren vroeg, keek men naar de grond.

Ondertussen bevestig ik graag je vermoeden, dat ook ik er wel degelijk op reken voor dit zonnige dakterrasgetokkel te worden betaald, en hoop ook in de toekomst nog vele jeugdherberggesprekken met slimme, knappe en vrije laptopblanken te mogen voeren.

Jan Lodewijckx

Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

Meer blogs

  • Een lezer

    B is beter dan ik in het vinden van de juiste boeken voor onze kinderen. Ze heeft meer geduld en luistert beter. De meeste kinderboeken vind ik slecht van taal en saai. Aan mij heb je pas iets als ik boeken mag aanraden die ik zelf graag lees. Groot was mijn geluk toen Nadim deel...
    Lees verder
  • Denken in dwarsverbanden

    De verhalen van D. Hooijer (1939-2013) vrolijken me altijd op. Een paar jaar terug las ik haar bekroonde bundel Sleur is een roofdier (2007). De volslagen vreemdheid van dat boek was voor mij een verademing. De rare vertelstijl en humor deden me denken aan Gogol, maar binnen de Nederlandse literatuur kon ik weinig adequaat vergelijkingsmateriaal...
    Lees verder
  • Dood aan de digital nomad

    Hieronder woorden uit tijden die misschien niet simpeler waren, maar wel meer vertrouwd. Ondertussen zit ik vast in Abidjan, waar ik gelukkig een mooie berg Dostojevski’s bij elkaar kon sprokkelen. Wanneer ik mij al veel te lang niet meer gedoucht heb of nog eens Engels wil praten of mijn libido mij influistert, dat dit een...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.