Black Achievement Month

Dit jaar kreeg ik de eer om ongeveer tweehonderd woorden, geschreven door Oprah Winfrey voor het gedicht van Amanda Gorman, te vertalen. (Het klinkt nog steeds behoorlijk bizar.) Naar aanleiding van de ophef over de vertaling van Gorman’s The Hill We Climb stuurde ik de uitgever ervan een mail waarin ik mezelf aanbood als mogelijke medewerker. Ik noemde natuurlijk mijn literaire opleiding en tweetalige opvoeding, maar ik benoemde ook dat ik van gemengde Afro-Amerikaanse en Nederlandse afkomst was.

Nooit eerder had dit expliciet in mijn voordeel gewerkt. Nooit eerder was het iets waarvan ik dacht dat het nuttig zou kunnen zijn, waarvan ik dacht dat het een kwalificatie was. Hoe en waar je geboren bent zou in een ideale meritocratische wereld ook helemaal geen kwalificatie zijn. Maar daar leven we niet. En nu heb ik dit voorwoord vertaald.

Ik werd uitgenodigd voor een borrel toen het boek verscheen. Daar werd ik omringd door vrouwen, waarvan het grootste deel vrouwen van kleur, en voelde me tegelijkertijd thuis en… niet thuis. Waar ik me meestal bewust ben van mijn ‘gekleurdheid’ – op school, op feestjes, op werk – was ik me nu bewust van het gebrek daaraan. Wist ik wel genoeg over discriminatie om hier te zijn? Om de woorden te vertalen van een vrouw die against all odds bereikt had wat ze bereikt had? Was het niet beter geweest om het aan iemand over te laten met meer ‘ervaring’ met racisme, en relatief minder kansen in de Nederlandse literaire wereld?

Voor ik dit vraag: ik weet dat ik in een geprivilegieerde bubbel leef. Maar hebben mensen van kleur in dit vak nog wel zo weinig kansen als een paar jaar terug? 

Naast sporadisch vertaalwerk en mijn scriptie – die gaat over gemengd witte en zwarte mensen in literatuur, waarvoor ik ook het concept essentialisme heb onderzocht – beheer ik deze Tirade-blog. (Toen ik daar tijdens mijn stage aan begon, schreef mijn begeleider, Menno Hartman, een mooi stuk over het vertalen van schrijvers van kleur.) En behalve aan schrijvers uit het Van Oorschot-fonds wil ik hier ook een plek bieden aan andere schrijvers. Jonge en beginnende schrijvers, schrijvers met een non-heteronormatieve identiteit, zowel mannen als vrouwen als (geen van) beiden en, dus, schrijvers van kleur.

Ik ken er inmiddels wel wat. Helaas moet ik stellen dat het me nog niet gelukt is om een schrijver uit de Atlantische diaspora voor een stuk te strikken. Velen van hen waarderen mijn toewijding aan deze kwestie. Maar ze hebben het – ja, allemaal – te druk. En hoewel ik dat jammer vind, vind ik het natuurlijk tientallen keren mooier dat ze het druk hebben. Met schrijven. Maken. Uitgenodigd en gewild en gehoord worden.

Wel moet ik er nog aan wennen dat ik misschien zelf die persoon uit de Atlantische diaspora ben die voor deze blog schrijft. Er bestaat natuurlijk niet zoiets als ‘zwart genoeg’ zijn. Dat is dat essentialisme dat ik eerder noemde: de aanname dat bepaalde mensen van een bepaalde afkomst door hun uiterlijk of privileges minder goed weten wat het betekent om van die afkomst te zijn. Dat is, om met Audre Lorde te spreken, een master’s tool: een wapen van uitsluiting en onderdrukking. Een groep mensen die de wereld anders wil zien, zou dat niet moeten willen.

Ik heb Oprah Winfrey mogen vertalen. In haar tekst heb ik mijn eigen woorden, mijn eigen ervaring verwerkt. Omdat ik het wel weet: als niet ik, dan wel mijn oma, mijn tante, mijn zusje. Ik blijf volhardend zoeken naar mensen van kleur die willen schrijven. Maar voor nu ben ik hier.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

In de Oorshop

Lucht

Voor een buitensportwinkel aan de Haarlemmerdijk bond ik Otis de Hond aan een paaltje. Binnen begeleidde een opgewekte man met een volle baard me in het kiezen van een regenjas; hij spaarde me niet toen een gewatteerd model van 900 euro een barbapappa van me maakte.

‘Dit moet jij niet doen,’ zei hij vrolijk. ‘Jij wilt je vorm niet benadrukken.’

Door zijn botheid ontspande ik volledig: weg was het ongemak dat ik altijd voel als ik met een vreemde voor een spiegel sta. We praatten zoals normale mensen bij het klerenkopen doen, zoals ik praat bij de slager, bij de groenteboer. De derde jas die hij me aanreikte was de juiste, en viel binnen mijn budget. Ik hield hem aan, rekende af en zette mijn wandeling met Otis voort.

Terwijl we door de stad liepen begon het te regenen en de jas deed het uitstekend: druppels rolden van mijn schouders en mouwen, binnenin bleef ik droog en warm. De hemel leek te spannen om een massief van grijze wolk; naar boven turend ontweek ik andere voetgangers en fietsers, stapte stoepen op en af en slalomde door rijen paaltjes.

Kon het veranderende klimaat gevolgen hebben voor de vorm van onze wolken? Ze leken zoveel meer aanwezig dan voorheen.

Ik dacht aan Suriname, aan massieve cumulussen die uit de aarde zelf op leken te stijgen. Aan hoe ik daar geen regenjas nodig had omdat de regen warm was, en mijn kleding toch snel weer zou drogen. Hoelang zou het duren voor ik weer op Pengel landde? Zou ik er ooit nog komen, en zou Paramaribo dan wel hetzelfde zijn?

Bij de beurs die ik afgelopen week van het Letterenfonds kreeg zat een deel opleidingsgeld, een extra bedrag om expertise in te kopen, maar terwijl Otis en ik van het Westerdok overstaken naar Het Stenen Hoofd, vroeg ik me af of een reis niet beter voor mijn schrijverschap zou zijn. Of ik niet terug moest naar Nickerie om een dag op Bigi Pan te drijven, of naar Pikin Slee in het binnenland om in de rivier te staan terwijl die warme regen op me landde.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Pabo-bureaucratie

Waarom kampen we in Nederland toch met zo’n lerarentekort? Worden docenten te weinig betaald? Is de werkdruk te hoog? Is het lastig om dertig kinderen zes uur per dag in bedwang te houden en ze ook nog iets te leren? Het antwoord op al die vragen is ja, maar in alle discussies en stakingen lijkt er een groot punt over het hoofd gezien te worden. De pabo is, volgens mij, waar het aan schort.

Hoe komt het anders dat in een groep gemotiveerde, opgeleide mensen de een na de ander afhaakt? Ik volg momenteel zelf het verkorte deeltijdtraject aan de pabo, wat betekent dat ik in een groep zit met mensen die al een opleiding in het hoger onderwijs hebben afgerond. Ik sta daarnaast met liefde vier dagen per week voor de klas. Deze zomer ben ik met goede cijfers afgestudeerd bij mijn master Mediastudies. Omdat ik freelancewerk en een vaste baan wil combineren ben ik mijn andere passie achternagegaan: lesgeven in het basisonderwijs. Op de basisschool waar ik werk zijn ze hartstikke blij met me. Ik functioneer goed, heb een goede band met de kinderen en sta bovendien met heel veel plezier voor de klas. Toch sta ik op het punt ermee te stoppen – lerarentekort of niet, het leed wat de pabo heet is niet te overzien.

Het is woensdagavond en je staat met je goede gedrag op je sokken in een gymzaal. Je krijgt les over het geven van kleutergym. Nadat je braaf hebt staan springtouwen en met een badmintonracket een ballon hebt hooggehouden loop je naar de docent toe met de vraag of je, gezien je al officieel erkende diploma’s hebt in het geven van sportlessen aan kinderen, je voor dit vak dispensatie kan krijgen. ‘Nee, absoluut niet,’ is het antwoord, dus ga je met je racket terug in het hoekje staan, waar je blijkbaar hoort.

Zo gaat het met alles. Mijn medestudente met een afgeronde master pedagogiek krijgt geen vrijstelling voor pedagogiek, de wiskundedocent die op basisonderwijs wil overstappen krijgt geen vrijstelling voor wiskunde. Er wordt niet gekeken naar voorkennis en geleverde prestaties – je wordt verwacht je mond te houden en te doen wat er van je wordt gevraagd.

Dat laatste is ook zo eenvoudig nog niet. Zo moet je, voor alle vakken, elke les die je geeft minutieus en gedetailleerd beschrijven op zogeheten lesbeschrijvingsformulieren. Het is bijvoorbeeld erg belangrijk om vóór een bord-les al te noteren dat je een stift nodig zal hebben. Er zijn formulieren voor grote groepen, formulieren voor kleine groepen, formulieren ter voorbereiding, formulieren ter evaluatie. Tot slot moet je vooral niet vergeten het EDI-model correct toe te passen, anders kan je hele dossier direct de vuilbak in. Dit doe je voor elk vak, elke les, twee tot vier jaar lang. Terwijl je ernaast ook onbetaald stageloopt en de meesten ook fulltime werken. Je wordt overspoeld door een zee van pabo-bureaucratie, die nergens in meegeeft.

Als het je al lukt om je berg vakdossiers op tijd in te leveren krijg je ze terug met zure commentaren. Dat hetgeen je op je voorbereidingsformulier had ingevuld niet is uitgewerkt in je verslag, of andersom, of zelfs dat ze twijfelen of je de les überhaupt hebt gegeven. (Wat helemaal bizar is gezien het feit dat er een beoordelaar van de pabo naast je zat toen je de les gaf.)

Getalenteerde mensen die het goed doen voor de klas raken dusdanig gefrustreerd en overbelast dat ze ermee stoppen. Dan laten we de lessen met handpoppen, de schrijflessen waarbij er met een liniaal de krullen van je letters worden opgemeten en het om de haverklap moeten zingen van kleuterliedjes nog buiten beschouwing. In mijn groep vallen ze bij bosjes weg. Halverwege het eerste jaar waren er al zes mensen gestopt.

Als we het lerarentekort op willen lossen zullen we leraren anders op moeten gaan leiden. De pabo is, ironisch genoeg, de meest infantiele opleiding die er bestaat. In plaats van het angstvallig invullen van talloze formulieren moet er veel meer gekeken worden naar het reeds aanwezige potentieel en het daadwerkelijke functioneren van een groep. Er moet, waar het kan, individueel opgeleid worden. Er moet niet geprobeerd worden mensen door een pasvormpje te drukken waar alleen een zeventienjarige die net van de havo komt doorheen past. Als we dat veranderen hebben we er binnen de kortste keren een hele schare aan gemotiveerde leerkrachten bij.

Anne Steenhoff

Anne Steenhoff (1996) schrijft fictie en voor films. Ze studeerde in 2019 af aan de master Beroepsspecialisatie Film aan de UvA. Ze werkt momenteel als parttime leerkracht en schrijfster van kortverhalen bij Ella Global. Eerder verscheen haar werk bij De Optimist, Writenow en het NRC.

Schaam me

De studiemiddag ging deze keer over ouders. Ouders die hun bril vergeten zijn of klagen over een zere hand. Ouders die zeggen: ‘Dat vullen we thuis wel even in’, of die geen e-mailadres hebben. Die kijken naar een tekst zonder hun ogen te bewegen, die een uur te vroeg of te laat zijn op een afspraak, die helemaal niet komen opdagen. Onze studiemiddag ging over laaggeletterde ouders. Nederland-breed: achttien procent. Oprukkende nullen en enen duwen hen steeds verder naar de rand. Als school moeten we hen bijstaan, vinden we. Kinderen van laaggeletterde ouders zullen daar baat bij hebben.

We leerden dat veel van deze ouders zich schamen en meer of minder geraffineerd hun gebrek verbloemen. Ze zullen niet willen dat wij ons ergens mee bemoeien. Het was geen moeilijke theorie – het kwam die middag aan op de praktijk. We moesten leren signalen op te vangen – Stichting Lezen en Schrijven had die voor ons op papier gezet – en ons inleven in de verlegenheid die daarachter schuilgaat. We gingen vooral moeilijke gesprekken oefenen, met technieken waarmee we ouders ertoe brengen dat ze hun schaamkleed wegtrekken en zich openstellen voor hulp. Daarvoor waren trainingsacteurs aangerukt.

‘We gaan vanmiddag lekker veel oefenen,’ zei de vlotte coach. Ze stelde de vijf verschillende personages voor die de acteurs ten beste zouden geven, opklimmend in moeilijkheidsgraad. De acteurs switchten met het grootste gemak van een nerveus type, dat vooral zichzelf kleineert, naar iemand die agressief of juist vlak en emotioneel onpeilbaar de school en de maatschappij en de klerezooi in Den Haag overal de schuld van geeft. We keken toe vanuit een kring – ‘Met wie willen jullie als eerste oefenen?’ – die voor mijn gevoel steeds wijder werd.

Wat gebeurde daar? Niemand stak zijn vinger op. De alerte coach bood vliegensvlug een alternatief: ‘Jullie mogen ook zeggen hoe ík het moet spelen, regisseer me maar.’ De kring was een arena geworden, de acteurs stonden ons als tegenstanders op te wachten, we vreesden elkaars blik. Nu zouden we door de mand vallen. Achteraf had ik het pas door: om ons in te leven in de faalangst van laaggeletterden was niets zo effectief als een confrontatie met een eigen gebrek. In dit geval een gebrek aan acteerkunst – en misschien wel, veel erger, aan gespreksvaardigheden.

De literatuur bestaat uit eenzelfde soort confrontaties. Gerrit Krol meent dat deze bepalen of een schrijver goed is of niet. ‘Wie schrijft, beschrijft zichzelf,’ stelt hij in zijn essay De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels (1982). De kwaliteit van zijn schrijven wordt in Krolse termen beter ‘naarmate hij verder doordringt tot de kern van zijn persoonlijkheid en deze blootlegt – voor anderen.’ Om je rot te schamen. Maar dan komt de zegening van de goede schrijver: hij heeft zijn techniek. ‘In de letteren heet dat stijl.’ Daarmee hoopt hij een boek af te leveren dat ‘een goed boek genoemd wordt zodat de schaamte voor zijn-gevoelens-op-papier plaatsmaakt voor een soort van blijdschap omdat hij met zijn boek blijkbaar ook de gevoelens van een ander beschreven heeft. Er is sprake van herkenning en vertrouwen.’

Wij waardeloze toneelspelers, wij met onze vast niet volmaakte gesprekstechnieken, wij zeggen voortaan tegen onze bril vergetende en te laat komende ouders dat we hun problemen begrijpen en we gaan vooral niet de betweter uithangen. We gaan vliegensvlug zeggen: ‘Heb je liever dat ík het even met je invul?’ Om te beginnen. Na verloop van tijd, wanneer het vertrouwen er is, omdat ze ruiken dat wij ook gebreken hebben en ons niet verheven voelen, zullen er misschien, net als bij ons in de kring, dapperen zijn die het durven op te nemen tegen hun angsten.

Ik stak mijn vinger niet op. Hoewel iedereen dat door-de-grond-zak-signaal van mij ongetwijfeld had opgepikt, durf ik pas hier, getikt, ruiterlijk toe te geven dat ik in de lafhartigheid deelde. Maakt dit van mij een goede schrijver? Het is maar een bescheiden angst, gemarginaliseerd raak ik er niet door, na half vijf die middag had ik er geen last meer van, dit opschrijven is een koud kunstje. Het wordt een ander verhaal als ik af zou dalen naar de kern van mijn persoonlijkheid. Durf ik dat? Ben ik met voldoende stijl gezegend of ben ik als schrijver ten diepste, zoals dat heet in het echte leven, laaggeletterd?

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

Werk van anderen

Steeds vaker lees ik op hun verzoek boeken-in-wording van bevriende schrijvers. Ik vind dat wie zelf schrijft tegen zo’n verzoek geen nee mag zeggen, en hoewel vierhonderd bladzijden met je volle aandacht meelezen veel tijd kost, doe ik het met liefde.

Het is een grote eer en een vorm van voyeurisme. De actrice oefent voor de spiegel in haar ondergoed, onopgemaakt. Ik heb overspannen mensen geholpen met het verbouwen van hun huis en me daarbij van minder nut gevoeld dan wanneer ik feedback mag geven op een manuscript.

Wat het óók is, is eng. Stel dat zo’n boek er niet in slaagt me te raken, dat het na vier jaar werk op me overkomt als een vingeroefening: dat moet je dan tegen die bevriende schrijver zeggen.

Mijn eigen Dorp liet ik aan tien collega’s lezen voordat de laatste versie terug naar Van Oorschot ging. Als ik dit aan mensen vertel dan krijg ik reacties die tussen moedig en waarom zou je dát nou doen in zitten. Misschien wat kort door de bocht, maar onder die schijnbare extremen zie ik dezelfde bron: ik heb me kennelijk (te) kwetsbaar opgesteld.

Ik leef geen dag zonder faalangst, zonder angst voor de ziekte of dood van een geliefde of de angst voor het instorten van wat ik heb opgebouwd.

Hoe graag ik daar ook vrij van zou zijn, het zal wel niet meer gebeuren. Mijn krassen sleten in tot sporen en verdiepten zich tot loopgraven. De enige vrijheid ligt bovenaan die ladder: erop, omhoog, erover, waar vijandig vuur dan meestal zonlicht blijkt.

Foto: Birgit Bijl / Het Parool

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Niks

Ik figureer in een afstudeervoorstelling van de Theaterschool als bediende, of beter gezegd: bewegend meubilair. Het stuk is Edward II, geschreven door Christopher Marlowe, een tijdgenoot en tevens schaduw van Shakespeare.

Een vriendin heeft me ervoor gevraagd. Met dit project hoopt ze haar opleiding aan de Amsterdamse Toneelschool af te ronden, en zo’n gelegenheid wordt niet klein georganiseerd: naast ouders en vrienden zitten er docenten in de zaal, die op basis van het optreden bepalen of het diploma wel of niet is verdiend. Voeg daarbij de druk om te presteren voor potentiële toekomstige werkgevers – in de vorm van casting-directors en prominente regisseurs – en je hebt een tamelijk hysterische vriendin.

Edward II gaat over een Engelse koning die bekritiseerd wordt om zijn homoseksuele verhouding met zijn favoriet Gaveston en die, wanneer deze door hofintriges aan zijn einde komt, zich ontpopt tot tiran. De mannenrollen worden vertolkt door actrices, de vrouwenrollen door acteurs.

Sanne Vosch, mijn vriendin, krijgt de rol van Edward de Tweede zelf. Dat was aanvankelijk niet de bedoeling, maar de regisseur – zijn bijnaam is de Grote Boze Wolf – heeft zijn e-mail naar de verkeerde Sanne gestuurd. Sanne Everts zou Edward spelen, Sanne Vosch juist Gaveston. Nu is het andersom uitgevallen omdat de artistiek leider dit een veel logischere keuze vindt: Sanne Vosch staat bekend om haar timide verschijning, het ‘muurbloempje’, dus het uitstralen van gezag lijkt voor haar een mooie uitdaging. Conclusie: de ene Sanne boos, de andere in paniek.

De taak van een regisseur is begeleiden, maar zo nu en dan tref je er een van het soort: ‘Ik ben de regisseur, dus ik bepaal’. De Grote Boze Wolf is hier bij uitstek een voorbeeld van. Binnen de kortste keren maakt hij Sanne Vosch helemaal gek. Haar eerste tekst, ‘Ik ben de koning van Engeland,’ ontbeert iedere lading als ze het zegt.

De regisseur: ‘Macht hoef je niet te spelen, lieve kind, macht wordt je gegeven door je medespelers. Deze jongens en meisjes…’ – dit zijn wij, de figuranten die de koninklijke entourage vertegenwoordigen, hoewel de naarling het vertikt ons aan te kijken als hij over ons spreekt – ‘…buigen voor je zodra je de ruimte binnenschrijdt.’ Ineens staat hij achter mij, met zijn pelvis tegen mijn achterwerk. Zijn stinkadem slaat tegen mijn nek terwijl hij mij behoedzaam voorover duwt met zijn kleine worstenvingers.

‘Wat bent u van plan?’ sis ik tussen mijn tanden door.

Mijn belager spuwt vuur uit zijn varkensoogjes van achter een rond brilletje. ‘Ik kijk of u bevattelijk bent voor regie.’

‘Hoe teleurgesteld zou u zijn als ik zou zeggen dat dít soort regie me te lichamelijk is?’

Hij negeert me. ‘Kijk, zij buigen, zoals deze jongeman nu doet, en jij hoeft slechts te incasseren. Appeltje eitje.’

De repetitiedagen verstrijken. Ik ben niet op alle dagen nodig. Gedetailleerd verslag krijg ik wel van Sanne: ‘Die dubbel belegde boterham maakt me knettergek. De gevoelige en intieme gedeeltes lukken prima, maar de scènes waarin ik moet domineren…’ Ze houdt even op. ‘Laatst gooide hij een stoel naar me. Vloog dwars door de repetitieruimte.’

Op de dag van de generale repetitie heeft de Wolf tompoezen meegenomen, ‘voor na afloop, als jullie me hebben laten zien hoe mooi het wordt.’ Tijdens de laatste scène opent hij de doos en begint hij te vreten; tegen de tijd dat we klaar zijn en wachten op zijn eindoordeel, zit zijn arrogante smoel vol met room en stukjes koek.

‘Sanne Vosch,’ smakt hij. ‘Gister had ik nog iets van: “Ze haalt het, maar met de hakken over de sloot.” Vandaag denk ik: “Daar gaat je diploma.” Je gaat totaal voor schut staan als je geen majesteit uitstraalt, dat noemt zich actrice! De weinige hoop die ik had, dat wellicht in de laatste repetitieweek het lampje zou gaan branden, heb je de bodem ingeslagen. Proficiat!’

Sannes ogen tranen.

‘Ach, meisje, ben je nu zo verdrietig?’ sneert de dictator met volle mond, waarop de hoofdrolspeelster huilend de zaal verlaat.

Ik heb niets te verliezen of te bewijzen. ‘Meneer de regisseur,’ zeg ik, kijkend naar die viezige halflange haren en dat zwarte gat waar nog een tompoes in verdwijnt, ‘heeft mevrouw uw moeder u niet geleerd dat praten terwijl men eet een onsmakelijk gezicht oplevert?’

‘Brutale snotaap,’ klinkt het tussen de happen door.

‘Pardon, dat verstond ik niet,’ laat ik weten, waarop hij een wegwuifgebaar maakt.

Die avond is de première. Ik probeer Sanne zo goed mogelijk te troosten, samen met mijn medespelers. ‘Wat Holle Bolle Gijs ervan denkt, daar veeg ik m’n gat mee af,’ snikt ze, ‘maar het oordeel van mijn leraren, de professionals, mijn ouders…’ Nooit eerder heb ik haar gebroken gezien; ik voel me volslagen machteloos. Dan krijg ik een idee. Een erg goed idee.

De kleine zaal is aardedonker geworden, de toeschouwers transformeren in zwijgende silhouetten. Spotlights aan, het stuk begint. Wij, dienaren van de koning, staan op een kluitje. Edward de Tweede komt op, en iedereen zakt synchroon door de knieën.

Behalve ik.

Sanne kijkt me verdwaasd aan, de stilte snijdt dwars door het moment heen. Ik zoek oogcontact, wat ten strengste verboden is, want een knecht kijkt zijn meester niet als een gelijke aan. Stokstijf sta ik op mijn vierkante millimeter. Dan zie ik haar veranderen: de schouders schuiven naar achter, de rug trekt recht, een vonkje danst in de pupillen. Uiterst beheerst en majesteitelijk komt ze naar me toe. ‘Ík ben de koning van Engeland,’ beklemtoont ze zacht en streng. Ik buig mijn hoofd en dan de rest van mijn lijf. Val aan haar voeten, wentel me in het stof. Leve de koning!

Op de afterparty gloei ik van trots dat ze haar diploma heeft. Ik wens geen hinderlijke vlieg te zijn die rondzwemt in haar lichtbanen, dus ik gun haar alle ruimte om te genieten van de welverdiende aandacht. En ja, ze bedankt me in de kleedkamer voor het vuur dat ik haar gaf.

In de massa zie ik de Grote Boze Wolf in gesprek met de artistiek leider. Hij ziet mij.  

‘Wat deed die figurant nou eigenlijk?’ vraagt hij wijzend.

De Wolf draait zich om, neemt mij kritisch op, wendt zich tot zijn gesprekspartner en zegt: ‘Niks.’

Ik loop langs, hef mijn glas, en laat ze achter met de boodschap: ‘En dat is moeilijker dan je denkt.’

Tim Veeter

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

Meer blogs

  • Een labyrint als het leven

    ‘Het leven is elders,’ schreef Milan Kundera. En het veelgebruikt verzuchten van de tragische John Lennon wil dat ‘Life is what happens while you’re busy making other plans.’   Hoe we ook draaien en keren, de mens heeft haar leven verdubbeld met kunst en cultuur, met verhalen, met een geheugen. We leven een aantal levens,...
    Lees verder
  • Nieuwe broek

    Terwijl ik met Ada (4) op mijn stang over de Bilderdijkstraat fietste, besefte ik dat we voor het eerst in twee jaar samen naar een kledingwinkel gingen. Zo lang geleden was het, dat de zingende kleuter tussen mijn armen het niet eens meer wist. Die laatste keer was ook bij Leg-Inc, en Aad koos toen...
    Lees verder
  • Tunneltjes

    Ik moest laatst aan mijn vorige onderbuurvrouw denken. Ik weet niet meer waarom, maar ik weet wel nog dat ik me afvroeg of het de laatste keer zou zijn. Of ze nog een keer in mijn gedachten zou bovendrijven – en zo ja, wanneer weer? Toen ze nog onder ons woonde spraken we elkaar hoogstens...
    Lees verder