Onze voorouders

In Karel Weeners Steinharts biecht. Zielenstrijd op de Batoe-eilanden speurt de historicus naar de achtergrond van een verzameling voorouderbeeldjes die op een zolder in Den Haag aangetroffen werden. Een mooie start van hoe het moet: ‘ongemakkelijk erfgoed’ heeft een herkomst en een verhaal. Dat is een verhaal dat niet makkelijk verteld wordt, noch makkelijk gevonden, want het vereist gedegen archiefonderzoek.

In dit boek gaat het dan speciaal om de Lutherse Missie, die vanuit Duitsland en Amsterdam eind 19e en begin 20e eeuw hun best doen op een aantal eilanden nabij Sumatra’s westkust de plaatselijke bevolking te kerstenen. Het is een subtiel boek, dit van Weener. Hij tracht niet al te oordelend te beschrijven wat hij vindt, en eindigt bij een missionaris die zo dicht mogelijk bij enig begrip van de situatie komt. Dat is de Steinhart van de titel, die zich specialiseert in de Niasse taal en zangen optekent uit de monden van de bewoners. Het is voor een deel ook de geschiedenis van de zending: je ziet bleke Duitse en Nederlandse missionarissen met een wisselend begrip voor hun omgeving kort leven, en vooral sterven, op de eilanden die veel vergen van jonge gezinnen met vast goede bedoelingen.

Meer nog dan het de komende jaren noodzakelijk en terecht terugbezorgen van meegenomen erfgoed, gaat het om onderzoek naar de omstandigheden waarin het verworven werd. Dat toont Weener goed, de hoeveelheid beeldjes verbindt hij met decennia aan zending, gefrustreerde pogingen tot contact, goede en kwade bedoelingen, morele superioriteit en handelsgeest, inzet en lapzwanserigheid: ons koloniaal verleden.

Heel terzijde komt de Nederlandse kunstenaar Rudolf Bonnet langs, die waarschijnlijk slechts een bijrolletje heeft omdat hij doet wat Weener tracht te vermijden: oordelen. En dus heel fraai te zien hoe deze bakkerszoon, die een goed deel van zijn leven op Bali doorbracht en schilderde, ook met de bevolking, op een reis naar Nias vrij adequaat waarneemt wat we verkeerd aan het doen zijn. Inzicht, spot on, in 1930. Het was er wel. Over Bonnet had ik wel meer willen lezen. Over de elkaar opvolgende zendingsgezinnen misschien wat minder.

Weener schrijft: ‘Verontwaardigd vraagt Bonnet zich af hoeveel harmonische schoonheid en levensvreugde er op Nias niet behouden had kunnen blijven als de zendelingen in de godsdienstige bijeenkomsten de Ni­asse traditie hadden gevolgd: een kerk in Niasse bouwstijl, door de eigen beeldsnijders versierd met christelijke motieven; gemeentele­den die naar de kerk komen in hun traditionele feestkleding, zittend op hun eigen matten; geen klok, maar het volle klankenspel van de Niasse gongs. Het ware waarschijnlijk zelfs niet heel moeilijk ge­weest om hier met de Niasser zelf aan zijn gezangen een Christelijke richting te geven, daar de tekst meestal van een soepel veranderlijke vorm is, waarbij dikwijls geïmproviseerd wordt. Had men verder de voorouderverering niet tot een voorouderherdenking kunnen her­leiden?’

Is het wetmatigheid dat hoe beter we ons inleven in een cultuur, hoe minder we willen veranderen? En dus hoe slechter je kijkt, hoe evangeliserender je wordt?

Intussen zijn al die artefacten in de musea een mooi blijk van wat vaak in weerwil van de bedoelingen zal hebben plaatsgevonden: verzamelwoede, door fascinatie voor de ander. En daarmee zijn de voorouderbeeldjes onbedoeld precies wat ze waren. Ze helpen ons te communiceren met en na te denken over wat onze voorouders deden en hoe ze leefden. Ze hebben mij geholpen iets nauwkeuriger naar mijn voorouders te kijken. En dat geldt voor de Batoers vast evenzeer.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Presenteren

Boekpresentaties dragen voor zover ik weet niet bij aan de verkoop van het gepresenteerde boek. De meeste mensen die zo’n middag of avond bezoeken kopen het ter plekke, maar zouden dat toch wel bij een boekhandel gedaan hebben omdat ze bekenden van de schrijver zijn.

Tot dusver heb ik van mijn presentaties altijd een feestje gemaakt. Ik nodigde iedereen uit die ik graag wilde zien, en nam de hele dag vrij. Een cliché is natuurlijk de parallel met een geboorte: iets wat heel lang in je heeft gegroeid, ga je nu aan de wereld laten zien, te beginnen bij de mensen om wie je het meest geeft.

Wegens de Omstandigheden mag ik voor Dorp (23-06) geen kroeg ramvol vrienden en collega’s regelen, en ik heb besloten ook geen alternatieve wegen te bewandelen. Ik accepteer signeersessies waarvoor één fan komt opdagen als horend bij het vak, maar een livestream van een interview in een verder lege zaal kan ik niet aan.

Ik hoor de stoel van mijn aspirant-interviewer al kraken, zie de kabel van haar microfoon vastraken onder het buizenframe van het wiebelige tafeltje met rookglazen blad tussen ons in. Iemand heeft een spotje bijgedraaid, dat hard in mijn ogen schijnt als ik in de camera wil kijken. Die lichte feedback als mijn interviewer op haar cuecards kijkt en haar microfoon, topzwaar, van zich weg laat zakken.

Het zou voelen alsof ik mijn baby in de etalage bij de Knaakland legde.

Vrijnemen zal ik wel, de 23e. Ik hoop dat het een zonnige dag is, want dan loop ik extra langzaam over de gracht naar Van Oorschot om mijn kind er op te pikken. Ik drink een glaasje met de verloskundigen aldaar en neem Dorp dan mee naar huis om er een paar dagen heerlijk mee te cocoonen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Benul

Mijn vrouw en ik waren in Deurne. Waarom doet er niet toe. We waren er en ik dacht: Jan Hanlo. Dit was, zo zou blijken, een unieke gedachte.

Buiten Deurne denk ik ook wel eens aan Hanlo. Verwantschap is een groot en ijdel woord in dit geval – laat ik het houden op herkenning. Onze common ground: jeugd. Zoals hij jeugd als ‘normgevende instantie’ ziet, om te weten hoe te leven, zo wil ik dat ook graag zien. Hoewel dit beginsel in mijn werk voor de klas regelmatig onder druk komt te staan, houd ik me er toch aan vast. Het is een mooi beginsel, licht en hoopvol. Noodzakelijk.

Volwassenen doen er verstandig aan naar kinderen op te kijken. Doen we daarmee iets tegennatuurlijks? In de postuum uitgebrachte bundel Mijn benul (1974) scherpt Hanlo zijn ideeën over de omkering aan. Blijkt dat hij niet zozeer het kínd de baas wil laten zijn – dat is hem al te gortig – maar de volwassene, ‘die ernstig probeert zoveel mogelijk de opvattingen, de visie, de mogelijkheden, de ongeborneerdheid, de zuivere maar toch reeds duidelijke ethiek, van het jonge kind te kennen en te aanvaarden.’

Zulke volwassenen zijn er maar weinig. Die er zijn, horen we amper. Ja, in Hanlo’s tijd, vlak na de oorlog, waren er een paar luidruchtige omkeerders. Voor een groep kunstenaars was het toen duidelijk dat, om de beschaving weer op te bouwen, kínderen gids moesten zijn. Het was helaas een besef van korte duur. We hadden moeten inzien dat we jeugd blijvend nodig hebben: om ergens aan te beginnen, om op te krabbelen, om toekomst te willen, om – inderdaad – te leven.

Hanlo en de kindertijd – van alle psychologie die hem aan deze thematiek verbindt, is het geluk in zijn eigen jeugd de wortel. Hier is een schrijver die nou eens niet verhaal wilde halen op wat hem vroeger was aangedaan, hij kon juist putten uit een fijne jeugd. En die jeugd vond plaats in dit Peeldorp. Gevolg: op Deurner bodem ontkiemde een singuraliteit in de Nederlandse letteren. Maar welke turfsteker had oog voor de orchidee die daar bloeide en welke turfstekernazaat weet nú dat er ooit een orchidee op hun veengronden stond?

Mijn eerste gang was naar de plaatselijke boekhandel, die – joechei! – weer open was. Ze hadden een paar schappen Toon Kortooms, voor Hanlo moest ik maar naar boekwinkeltjes.nl. Mijn tweede gang: het vvv-kantoor – ook open! – maar helaas: nooit van Jan Hanlo gehoord. Toen naar Stationsstraat 51, een groot wit herenhuis, villa Rozenberg, waar Jan woonde, met zijn moeder, bij zijn grootouders, van zijn nulde tot zijn vijftiende, waar hij in de prachtige tuin Robinson Crusoë was. De tuin is nu een parkeerterrein, het herenhuis een tandartsenpraktijk. Op zoek naar een plaquette: ‘voormalig woonhuis Jan Hanlo, dichter, schrijver (jaartallen)’ – ik zocht vergeefs.

De zon scheen, de heropende terrassen aan De Markt zaten vol. Mijn vrouw en ik luisterden naar de gons die over het plein golfde. Het was een geluid dat we lang niet gehoord hadden, een aanzwelling van belofte, van zin, van leven. De mensen waren herboren, oud was weer jong, jong was eeuwig. Dit keer was het een kwaad virus dat ons terugbracht naar de kindertijd. Nu het weer kon, en mocht, dronken we bier als moedermelk. Massaal, helemaal volgens onze natuur. En nu we dit ontij te boven lijken te komen, dan graag ook de volgende stap, langdurig als het kan: ‘De moraal uit onbeïnvloede kinderhandelingen en -opvattingen af te lezen.’ (Uit Moelmer, 1967.) In de geest van ons toekomstwillende kroost draai ik daar deze punt aan: turfsteken (en aardgaswinnen en olieboren en coltan delven) doen we voortaan niet meer. Laat de orchideeën bloeien. Leg Hanlo in je boekwinkel.

Beekman & Beekman heet het café op de hoek – vooruit, met een beetje goede wil zijn zij ook representanten van ongeborneerdheid en zuivere ethiek. Maar het café ernaast draagt de naam De Potdeksel. Dat kan heus anders. Ik suggereer: Drie Koninkies. Of, voor een wat ouder publiek: Stock Of The Varnished.

Jack de Boer

Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.

 

De Duivelsberg (Geschiedenis van een landschap II)

Iedereen die in of rondom Nijmegen woont is wel eens gaan wandelen op de Duivelsberg. Waar de naam Duivelsberg vandaan komt weet niemand, maar er doen verschillende verhalen de ronde. Het aannemelijkste verhaal is dat het een verbastering is van ‘Duffelt’. Tot 1949 hoorde de heuvel namelijk bij het Duitse dorpje Wyler, en vanaf daar keek je uit op de Duffelt, de streek tussen Nijmegen en Kleef. Maar er gaat ook een ander verhaal rond: over een meertje midden in het bos, verbrande heksen en verschillende mystieke gebeurtenissen.

De heuvel en het natuurreservaat om de Duivelsberg liggen in de gemeente Berg en Dal, pal tegen de Duitse grens aan. De heuvel is 75,9 meter hoog, bevindt zich op de stuwwal ten oosten van Nijmegen en wordt omringd door tamme kastanjes met gedeeltelijk bovengrondse wortels.

Ik ging op een koude middag wandelen in het gebied rondom de heuvel. Toen wist ik nog niets over de berg of over alle mythen en sagen die erover verteld worden. Ik wandelde een route van zes kilometer, dwars door de bossen, door Beek, en langs kleine boerderijtjes met scheve muren van het optrekkende vocht. Aan het einde van de wandeling kwam ik bij het meertje, dat ook wel de Heksendans genoemd wordt.

Ik bleef staan en las aandachtig het informatiebord. Waarschijnlijk was er in de Romeinse tijd op deze plek leem gewonnen. Door bladeren en takken kon het water na het stoppen van deze industrie niet meer weglopen, en zo ontstonden er verschillende waterbekkens. Voordat het Christendom Europa overspoelde werden er hier water- en natuurgoden aanbeden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hier hevig gevochten. In de middeleeuwen werden hier tientallen heksen verdronken.

Ik schrok op van een groep wandelaars die me in windjacks voorbijliepen en ik besloot achter ze aan te gaan, zodat ik niet langer alleen was. De geschiedenis van dit landschap drukte ineens zo zwaar op me dat ik het gevoel had dat ik door mijn benen zou zakken.

Eenmaal thuis probeerde ik niet meer aan de plek te denken. Ik mocht niet denken aan de vermoorde heksen, al het geweld, het leed, de pijn die de plaats in zich droeg. Ik besloot de rest van de dag Gilmore Girls te kijken, die avond eten te bestellen en vroeg naar bed te gaan. Wist ik veel dat het die nacht alleen maar erger zou worden.

Ik ben erg gevoelig voor geluid, en ik heb een strikt avondritueel om in slaap te kunnen komen. Als er iets anders gaat dan normaal, word ik angstig. Ieder geluid klinkt dan extra hard. Zelfs geroezemoes van buren klinkt dan als geschreeuw voor mij. Deze avond was al anders verlopen omdat ik ’s avonds nooit televisiekijk, dus ik was extra alert toen ik de afwas opruimde en mijn tanden ging poetsen. Ik voelde mijn hart achter mijn ribben bonken en probeerde mezelf te kalmeren door ondertussen op TikTok te kijken.

Toen ik in bed ging liggen, klonk er een zacht getik. Het begon boven me, dus ik dacht dat het de bovenbuurman was die iets afklopte, maar het ging zo lang door dat ik me niet kon indenken wat hij aan het doen was. Waarom was hij zo lang aan het tikken? Moest ik hem een bericht sturen?

Ik had zulke erge hardkloppingen dat ik besloot een slaappil in te nemen. Als ik zo’n pil inneem, ga ik precies zeven uur knock-out. Ik deed mijn nachtlampje uit en mijn oordoppen in, wachtte tot ik mijn ledematen zwaar voelde worden.

Toen ik wakker werd had ik het ijskoud, en ik lag niet langer in mijn bed, maar in ondiep water. Ik probeerde mijn armen en benen zo te bewegen dat ik op kon staan, maar het lukte niet. Het was alsof een kracht mij horizontaal wilde houden. Het was zo donker dat ik niet wist of ik mijn ogen open of dicht had, maar toen zag ik ineens de maan. Er waren een paar wolken weggeschoven en de lichtgevende bol zorgde ervoor dat ik iets kon zien.

Ik was in het bos. Ik dreef in de Heksendans, en boven me zag ik talloze entiteiten zweven. Langgerekte figuren met grimmige gezichten. Ze zongen een lied waarvan ik de tekst niet kon verstaan. Ik probeerde weer op te staan, maar het lukte nog steeds niet. Ik kreeg het kouder en kouder, en het leek alsof ik langzaam aan het bevriezen was. Mijn hele lichaam tintelde, en ik denk dat ik toen opnieuw outgegaan ben.

Toen ik wakker werd was ik nog steeds in het bos. Ik lag aangekleed en verkleumd op de rand van het meer, de zon was net opgekomen. Verward liep ik naar huis. Ik verlangende naar een hete douche. Toen ik aangekleed op de bank zat, zocht ik naar informatie over de Duivelsberg. Dit is wat ik vond: https://www.theghosthunter.nl/duivelsberg.htm.

Willemijn Kranendonk

Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

OMG

Vanwege een aanhoudende hoofdpijn bij Nadim belde ik de assistente van onze huisarts voor een afspraak. Hoewel mijn jongen geen enkel ander symptoom van Covid had, stond zij erop dat we eerst voor een coronatest gingen.

Ik maakte een afspraak om elf uur bij de teststraat naast Station Sloterdijk en appte Nadim, die sinds een paar weken een telefoon heeft en thuis op me wachtte. Dit alles deed ik vanaf de fiets, met haast op weg om les te gaan geven in Oost. Even later, toen ik in een lokaal wachtte op het binnenklossen van mijn leerlingen, piepte mijn telefoon.

Coronatest? schreef Nadim. OMG. Nee.

Gast. Schreef ik terwijl ik de deur sloot achter de laatste puber. Ada kan het ook.

Ada is een temperamentvolle sloper van vier, en liet zich vorige week zonder slag of stoot bewattenstaven.

Mijn leerlingen verrasten me met de kwaliteit van hun werk, en de les vloog voorbij. In gierende vaart trapte ik terug naar huis om een lijkbleke jongen op te halen, die nog allerlei vragen had over wat hem nou precies te wachten stond.

In de teststraat deden ze alleraardigst. Mijn jongen kreeg een plaktattoo mee die zou getuigen van hoe stoer hij was geweest, en op weg naar huis aten we een ijsje. Het viel me op dat er wat kleur terug in zijn koppie kroop.

Ik dacht aan de ochtend, nog vóór het bellen van de huisarts, toen ik Otis de Hond uitliet op Het Stenen Hoofd en aan de praat raakte met Merijn, die nieuw is in de buurt. Merijn is 32 en heeft een eigen zaak, maar nog geen kinderen. Ik raadde hem ongevraagd aan daar zo lang mogelijk mee te wachten.

‘In feite is het alsof je er een bedrijfje bij neemt,’ zei ik.

Merijn knikte en liet zijn hond Taxi voor zich uit naar huis draven. Otis hing hijgend in zijn riem, hij wilde achter Taxi aan. Toen we afscheid van Merijn en Taxi hadden genomen, voelde ik me schuldig over wat ik had gezegd.

Negatief doen over het ouderschap mag eigenlijk alleen onder ouders; de positieve kanten kun je dan bekend veronderstellen. Ik nam me voor Merijn de volgende keer op koffie te trakteren en daar dan heel breed over uit te varen.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Mijn Indonesische jaren: Sitor Situmorang

Toen ik medio 1982 werd uitgezonden naar Indonesië had ik al twee jaar colleges Indonesisch gevolgd aan de University of Michigan, maar mijn beheersing van de taal was nog beperkt. Niet lang na mijn aankomst in Jakarta ging ik naar de Pasar Senen, het oudste winkelcentrum.

Ik schuimde de boekwinkels op de eerste verdieping af en zag de laatste dichtbundel van Sitor Situmorang liggen, Angin danau (Wind over het meer), met op het omslag een immens meer aan de voet van blauwige bergen. Dat was het Tobameer, in de Bataklanden van Noord-Sumatra. Sitor was geboren op het eiland Samosir, dat aan de rand van het meer ligt. Het beeld intrigeerde mij en ik raakte onder de indruk van de manier waarop in obsessieve korte regels de Batakse natuur werd opgeroepen. Met behulp van een woordenboek vertaalde ik enkele verzen.

Mijn interesse in Sitor Situmorang werd versterkt door wat ik te weten kwam over zijn levensloop, die hem naar vele landen had gevoerd. Toch keerde hij, de ‘verloren zoon’, altijd weer terug naar het Tobameer, naar zijn eiland, naar de grond van zijn ouders en voorouders. Sitors vader Ompu Babiat (1850-1963) was de leider van een voorname Batakse clan die was overgegaan tot het christendom, maar die tevens de voorouderlijke tradities in ere hield.

Sitor verliet Samosir al op zesjarige leeftijd om in grotere plaatsen onderwijs te volgen. Op 21-jarige leeftijd werd hij journalist – eerst in Sumatra, daarna in de hoofdstad Jakarta. Hij bleef daar tot 1950, toen hij op uitnodiging van de Stichting voor Culturele Samenwerking naar Amsterdam ging, waar hij twee jaar voor de stichting werkte. Anders dan Pramoedya, die in 1953 op uitnodiging van Sticusa naar Nederland kwam maar het er slechts zes maanden uithield (‘het was alsof ik er in een doodkist terecht kwam’), hield Sitor het administratieve baantje vol.

In zijn vrije tijd ontmoette hij jonge Nederlandse dichters zoals Lucebert en Bert Schierbeek en begon zelf ook gedichten te schrijven. In 1952 ging hij naar Parijs, waar hij ook twee jaar bleef. Hier raakte hij onder de invloed van het existentialisme. In zijn gedichten identificeert hij zich vaak met verloren zielen, zoals een man die van de Eiffeltoren sprong. In de vorm van zijn gedichten werd hij beïnvloed door het surrealisme van Paul Éluard, en door Lorca’s experimenten met traditionele dichtvormen als balladen.

Sitors eerste dichtbundel kwam uit in 1953 en werd in 1955 gevolgd door twee omvangrijke bundels. In die eerste drie bundels komen diverse thema’s naar voren: het verlangen van de zwerver die de wereld wil verkennen, schuldgevoelens over een verlaten geliefde en over de vervreemding van de eigen cultuur, en ten slotte de eenzaamheid van een anoniem bestaan in de stad.

In 1954 keerde Sitor terug naar Indonesië. Hij vertaalde essays van Du Perron uit De smalle mens (1934) onder de titel Menentukan sikap (‘Een houding bepalen’, 1956). Zelf meende hij dat schrijvers niet in een ivoren toren moesten blijven zitten, maar een keuze moesten maken, in die revolutionaire tijd waarin politiek werd gezien als de ‘commandant’. Hij werd voorzitter van de socialistisch georiënteerde Stichting voor Nationale Cultuur. Intussen had hij ook enkele verhalen geschreven waarin zijn jeugd op Samosir en de tijd van de Indonesische Revolutie centraal stonden.

Wegens zijn sterke affiliatie met de regering van Soekarno en zijn boek Sastra revolusioner (Revolutionaire literatuur, 1965) werd Sitor in 1967 gearresteerd en geïnterneerd in de Salemba-gevangenis in Jakarta. In 1975 werd hij vrijgelaten. Zijn gedicht ‘Daerah Bumi Hangus’ (‘Verzengd gebied’) gaat over de jaren 1965-1967, de periode van de stille genocide, zoals de historicus Lambert J. Giebels die heeft genoemd. In zijn boek met die titel (2005) beschrijft Giebels hoe er, in de tijd na de mislukte coup van 30 september 1965, waarbij zes generaals werden vermoord, een massaslachting plaatsvond onder (vermeende) communisten die circa een half miljoen Indonesiërs het leven heeft gekost.  

In 1981 vestigde Sitor, inmiddels gescheiden van zijn eerste vrouw en hertrouwd met Barbara Brouwer, zich in Nederland, waar hij medewerker werd van het Koninklijk Instituut van Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden. Ik heb Sitor leren kennen in 1984, toen hij in de 2e Schuytstraat in Den Haag woonde. Hij vertelde me dat hij wat was ingedut door het comfort van de westerse consumptiemaatschappij. We hebben toen mijn eerste vertalingen van zijn gedichten besproken. Later hebben we een zomer van huizen geruild: ik zat in Den Haag en hij in mijn huis in Jakarta, waar hij zijn vrienden van vroeger ontving.

In 1987 verraste hij mij  met een reeks sterk ritmische gedichten met een mystieke inslag, waarin hij in de geest terugkeerde naar zijn eiland van herkomst. Maar er zaten ook kritische gedichten bij, over de Japanse tijd en over een hedendaagse Japanse triplexmolen op een van de eilanden, waar geronselde Javaanse arbeidsters werken:

Verhaal, exemplarisch voor de 20ste eeuw,
Verhaal van het bos van de Amazone, van Kalimantan, van Sumatra:
Verhaal van gevelde woudreuzen,
naakt, op hun zij, als gestrande walvissen.

Sitor was een pezige zestiger die niet veel at maar de hele dag sterke koffie dronk. Als hij door een onderwerp werd gegrepen, uitte hij zijn enthousiasme in een staccato betoog, dat ondersteund werd door levendige gebaren en vriendschappelijke stompen waarmee hij zijn geestdrift uitleefde op zijn gesprekspartner.

In 1990 verscheen bij uitgeverij De Geus in Breda mijn bloemlezing uit Sitors poëzie, in een tweetalige editie, onder de titel Bloem op een rots. Het had een prachtig omslag van de grafisch ontwerper Robert Nix, geïnspireerd op een Bataks textiel. In 2004 publiceerde uitgeverij Komunitas Bambu in Jakarta een uitgebreide bloemlezing van mijn vertalingen, met uiteraard de originele gedichten voorop: Lembah Kekal / Eeuwige Vallei.

In 1996 was bij De Geus De oude tijger uitgekomen, mijn vertaling van een aantal autobiografische schetsen en verhalen van Sitor, wederom met een fraai omslag van Robert Nix op basis van tijgertapijten uit het Tropenmuseum. Op 20 december 2014 overleed Sitor in zijn woonplaats Apeldoorn. Een week later vond zijn afscheid van Nederlandse en Indonesische vrienden plaats in het mortuarium van Schiphol. Hierna werd hij begraven op het eiland Samosir. In 1998 had hij in Parijs een gedicht geschreven over zijn laatste rustplaats met – in mijn vertaling – de volgende regels:

Als straks mijn einde komt
leg dan op mijn graf
geen grafsteen maar een kei uit de bodem
zonder inkervingen zonder versiering

behalve de allerheiligste boodschap –
de zegen van Moeder gebeiteld in steen:
De Verloren Zoon is teruggekeerd!
Ik ontvang hem in mijn schoot!

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in de VS (Michigan), Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verschijnt Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Meer blogs

  • Mark Rutte en de (steeds minder) schone schijn

    De Teeven-deal, de datsja van Poetin, de burgerslachtoffers in Hawija, het memo over de dividendbelasting en meest recent ‘de functie elders’ voor Omtzigt: het lukt VVD-leider Rutte maar niet om eerlijk te zijn over de feiten. Het geritsel, geblunder en gekonkel in deze kwesties wordt eerst glashard door hem ontkend, en wanneer hij moet toegeven...
    Lees verder
  • Moddergat

    Er was meer dan een jaar voorbij sinds we met zijn allen aan één tafel aten, en bijna twee jaar sinds de laatste keer dat we met dit gezelschap de stad uit waren geweest. Voorheen gingen we vaak naar het huis van Noors moeder op Terschelling, maar sinds de extra kinderen, partners en honden ons...
    Lees verder
  • 08:46

    Al meer dan een jaar drukt de realiteit zich lelijk en onderdrukkend in onze gezichten als de knie van een boosaardige witte man in de nek van een onschuldige zwarte man. Toen ik die zin schreef, doelde ik op de pandemie. Maar precies een jaar geleden gebeurde wat als beladen maar passende metafoor werkt, letterlijk....
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Machiel Jansen

    Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

  • Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in de VS (Michigan), Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verschijnt Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • Roos van Rijswijk

    Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).