Gewichtloos

What will you miss the most on Earth?

I will miss swimming the most.’

Dit fragment uit een interview met een potentiële Marskolonist komt uit Weather (2020), die nieuwe roman van Jenny Offill (1968). Deze minuscule inkijk in het gevoelsleven van een geharde, rücksichtslose avonturier ontroerde me: dat iemand die bereid is om vrienden, familie, dierbare plekken en zelfs de aardse zwaartekracht achter zich te laten, toch hecht aan de gewichtloze toestand van de zwemmer. 

Na drie maanden voornamelijk binnen te hebben gezeten, ben ik voor het eerst weer baantjes gaan trekken. Buiten, in het Brediusbad; de eerste keer in de ochtendzon, de tweede keer in de kou. Aanvankelijk viel die gewichtloosheid me wat tegen. Sterker nog: ik merkte er vrijwel niets van. Mijn lijf leek log en slap te zijn geworden. Ik sleepte mezelf zo goed als het ging vijfentwintig meter op en neer, happend naar adem en proestend van weer een mondvol chloorwater.

Later die week las ik het meest recente boek van L.H. Wiener (1945): Zeeangst. Een logboek (2020). Het is een verslag van een bootreis naar Engeland en terug, vergezeld door vriendin Ant en poes Loes. De schrijver legt minutieus de koers en voortgang vast, en fileert onderwijl het gedrag en taalgebruik van de Britse medemens. Het is een relatief luchtig geheel, dat af en toe wordt opgeschud door calamiteiten, die de tocht (gelukkig) niet definitief dwarsbomen. 

Meer dan de reis zelf zijn het de terloops genoteerde anekdotes en herinneringen van Wiener die dit boek zo onderhoudend maken. Zo brengt hij een prachtig saluut aan de tragische cultauteur Malcolm Lowry (1909-1957) en vertelt hij bijzonder aanstekelijk over The Unquiet Grave (1944) van Cyril Connolly (1903-1974). Indringend is Wieners beschrijving van zijn eerste confrontaties met de zee, waar het logboekmee opent:

‘Op 4 mei 1958, ik was toen dertien, heb ik op driehonderd meter voor de kust van Zandvoort het verdrinkingsproces zo goed als geheel ondergaan. Het licht ging uit op het moment dat ik door een der andere schipbreukelingen weer het leven werd in getrokken.

Deze gebeurtenis heeft de zee voor mij getransformeerd tot een vijand, die het op mij heeft voorzien en die ik vrezen moet, terwijl ik tegelijkertijd weet dat het niet zo is. En zo is zeezeilen voor mij een dualistische uitdaging geworden. Enerzijds zee kiezen en opgaan in de natuur, met alle existentiële diepgang van dien, en anderzijds het tarten van de dood. Niets minder dan dat.’

Na zelf weer even de mogelijke vijandigheid van het water geproefd te hebben, probeerde ik het een week later nog eens. Het morgenlicht maakte het bad schokkend helder: onderwater kon ik, tussen de trappelende benen door, de verste uithoeken zien. Na de eerste meters viel de weerstand opeens weg. Ik gleed door het water, voelde me daadwerkelijk gewichtloos, opgetild – een sensatie die ik inderdaad niet graag missen zou.

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

In de Oorshop
  • Nr. 479, 2020
    De meeste bijdragen van Tirade 479 werden al geschreven voordat de coronamaatregelen in Nederland en België ingingen. De invloed van de meest recente gebeurtenissen zal ongetwijfeld in de nummers hierna naar voren komen. Voor nu is Tirade vooral een mogelijkheid om even te ontsnappen aan de nieuwsstroom, aan de cijfers van nieuwe besmettingen, aan de...
    Lees verder
  • Nr. 478, 2020
    In haar essay over Handke onderzoekt Jolies Heij of die argumentatie wel houdbaar is. Het is de vraag die je kan stellen over kunstenaars van Picasso tot Achterberg en van Michael Jackson tot J.C. Bloem: als het werk briljant is, maar de maker een schurk, wat moeten we dan met het werk? Gelukkig zijn er...
    Lees verder
  • Nr. 477, 2019
    De derde week van maart 2019 was ronduit schokkend. De white surpremacist Brenton Tarrant hield gruwelijk huis in twee moskeeën in Christchurch, Gökmen T. opende uit geloofsoverwegingen het vuur in een tram in Utrecht en de nationalistische partij van Thierry Baudet won de Provinciale Statenverkiezingen won. Onder het moto keep your friends close but your...
    Lees verder
  • Nr. 476, 2019
    ‘Boosheid kan een motor zijn voor veel dingen, net als bezorgdheid, fascinatie of angst (in dit nummer van Tirade is aan dat alles geen gebrek),’ schrijft Marko van der Wal in het redactioneel van Tirade 476. Het nummer bevat verhalen van Femke Van De Pontseele, Lotte Dondorp en Joep van Helden, een essay over de...
    Lees verder
  • Nr. 474, 2019
    Gucci lanceerde onlangs een zwarte trui met in de col een gat en daaromheen een rode mond. Een verwijzing naar de kunstenaar Leigh Bowery, zo stelde het modemerk. Een onversneden hedendaagse blackface, volgens social media. Bowery was – hij stierf aan aids in 1995 – een kunstenaar die het nachtleven van Londen opschudde met zijn...
    Lees verder
  • Nr. 473, 2018
    Het is een natuurfenomeen. Eens in de zoveel tijd voelt de redactie van Tirade een soort kriebel diep in haar binnenste die maar niet over wil gaan. Krijgen we ander weer? Komt er een zonsverduistering? Zijn we een deadline vergeten? Nee, het is weer tijd om een poëzienummer samen te stellen. U bent van Tirade...
    Lees verder
  • Nr. 472, 2018
    We leven in bijzondere tijden. Trump stuurt aan op de vernietiging van de oude wereldorde. Videoscheidsrechters bepalen wie de WK-beker mee naar huis neemt. In het recent verschenen essay ‘Schrijver, laat de lezer weer geloven in dewerkelijkheid’ pleit Salman Rushdie voor een nieuwe taal, built from the ground up, als tegenwicht tegen het schaamteloos verdraaien...
    Lees verder
  • Nr. 471, 2018
    Na ons feestelijke blognummer nu weer een Tirade met de u vertrouwde samenstelling van bekende en onbekende namen. Maar liefst vier debuten staan er in dit nummer, dus als iemand nog durft te zeggen dat literaire tijdschriften hun functie als kweekvijver voor talent al lang geleden hebben verloren, lees dan vooral de bijdragen van Ine...
    Lees verder
  • Nr. 470, 2018
    Tirade bestaat zestig jaar, en dat is een mooie aanleiding om eens het beste van ons blog te verzamelen. De wens een selectie van de digitale evenknie over te hevelen naar een echt nummer bestond al een tijdje, maar nu is het dan zover: de kloeke bloemlezing van www.tirade.nu is eindelijk daar. In tegenstelling tot...
    Lees verder
  • Nr. 469, 2017
    Tirade 469 is een aflevering met extra veel poëzie uit het buitenland. Zo vertaalden Annemarie Estor en Ali Salim de Iraaks-Belgische vluchtelingengedichten van Adnan Adil. Jente Rhebergen vertaalde werk van Andries Bezuidenhout en Daan Doesborgh vertaalde enkele gedichten uit de  bundel Crow van Ted Hughes. Helemaal wars van de waan van de dag zijn de...
    Lees verder
  • Nr. 468, 2017
    Sciencefiction kan van alles zijn, maar het is in ieder geval ook een afspiegeling van onze eigen wereld. Of de auteur die wereld, met alle oogkleppen van dien, nu klakkeloos overneemt, of het heden juist gebruikt als afzetpunt. Tirade zou niet zo ver willen gaan als Martijn Lindeboom, die in zijn essay concludeert dat sciencefiction...
    Lees verder
  • Nr. 467, 2017
    Achter ieder nummer van Tirade dat verschijnt, gaat de mogelijkheid van een veel omvangrijker nummer schuil, dat niet verschenen is:  het is het topje van de ijsberg. Onze keuze. Tiemen Hiemstra – zijn werk is nog niet uitgegeven of bekroond – schreef een origineel essay over terrorisme. De succesvolle debutant Marijn Sikken leverde een bijdrage...
    Lees verder
  • Nr. 466, 2017
    Dit nummer van Tirade opent met een blik naar het verleden. Redacteur Marko van der Wal bekeek ons eerste decennium, de jaargangen 1957-1967, en schreef over de plek die beeld toen innam – zoals nu de illustraties van Roos Pollmann als een slinger door het nummer hangen. In dit feestjaar, Tirade bestaat zestig jaar, zullen...
    Lees verder
  • Nr. 465, 2016
    Volgend jaar wordt Tirade zestig. Een leeftijd die nog geen van de redactieleden heeft bereikt, maar wel een paar van de schrijvers die voor dit nummer een bijdrage leverden. Zo toont Carel Peeters (’44) met weer een spetterend stuk dat zijn schrijfconditie uitstekend is. Ook Paul Gellings (’53) blijft Tirade (’57) voor. Hij schreef een...
    Lees verder
  • Nr. 463, 2016
    Het zomernummer van Tirade is gevuld met bijdragen van grootheden zoals Hans Fallada, Ann Beattie en Alfred Schaffer. Er keren ook graaggeziene gasten terug: Pieter Kranenborg, Anne-Marieke Samson, Wieke van der Linden en Carel Peeters (over Lize Spit). Verder een verhaal van de Spaanse schrijver Marina Perezagua en poëzie van Estelle Boelsma. Onze nieuwe redacteur...
    Lees verder
  • Nr. 462, 2016
    In dit eerste nummer van de 60ste jaargang treffen we literatuur uit verschillende windstreken en doen we nieuwe ontdekkingen: de poëzie van Mohanad Jacob, het kale proza van Rodolfo Walsh en een subtiel verhaal van Laia Jufresa. Meike Grol neemt ons mee naar Australië, Tobias Wals naar Oekraïne en Sipko Melissen naar Kafka in Venetië....
    Lees verder
  • Nr. 461, 2015
    De kerstbijdragen in Tirade 461 komen van Ivo Victoria, Henk van Straten, Anne-Marieke Samson, Sander Kollaard en Maurits de Bruijn. Wytske Versteeg en Gilles van der Loo hingen allebei een bal in de boom, en Marko van der Wal vertaalde voor de gelegenheid een verhaal van G.K. Chesterton. De lezer die het niet zo op...
    Lees verder
  • Nr. 460, 2015
    Met essays van Paul Gellings, Sander Kollaard, Mira Feticu, Carel Peeters en Juan Gabriel Vásquez; korte verhalen van Thomas Heerma van Voss, Mohana van den Kroonenberg en Roelof ten Napel; een lang verhaal van Joseph Conrad en gedichten van Wieke van der Linden. De tekeningen zijn van de hand van Kees van der Knaap. ‘Each...
    Lees verder
  • Nr. 458, 2015
    ‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij...
    Lees verder
  • Nr. 457, 2015
    In samenwerking met het Writers Unlimited Winternachtenfestival brengt Tirade in januari 2015 een nummer met internationale literatuur. Tirade 457 bevat een voorpublicatie uit de nog niet verschenen nieuwe roman van David Grossman, Komt een paard de kroeg binnen, plus een bespiegeling op zijn eerdere werk door Toef Jaeger. Speciale aandacht verdienen de bijdragen van nog...
    Lees verder
  • Nr. 456, 2014
    Tirade 456 biedt verhalen, gedichten, essays en besprekingen, reportages en betogen uit binnen- en buitenland. Met bijtende poëzie van Raymond Carver, nieuwe gedichten van Daan Doesborgh en Branko Van, en een van de jonge Spaanse dichteres Luna Miguel. Verhalen in dit nummer zijn van de hand van Pieter Kranenborg, Hans Boland en Kazim Cumert, plus...
    Lees verder
  • Nr. 450, 2013
    Ter gelegenheid van het 450ste nummer van Tirade schreven 45 auteurs een tirade van 450 woorden. Met bijdragen van: Joop Goudsblom P.F. Thomése Franca Treur A.H.J. Dautzenberg Gilles van der Loo Tomas Lieske Marita Mathijsen Frits Abrahams Detlev van Heest Henk Broekhuis Binnert de Beaufort Roos van Rijswijk Walter van den Berg Maria Barnas Marko...
    Lees verder
  • Nr. 449, 2013
    Met bijdragen van: Heather BellWalter van den BergWim BrandsNikki DekkerMatthew DickmanAuke HulstFlorian Illichmann-RajchlSander KollaardHalbo KoolDelphine LecompteEva MeijerAki OllikainenZośka PapużankaCarel PeetersStine PilgaardLiz RosenbergBrenda ShaughnessyRichard SikenLize SpitLeo VromanJoost Zwagerman
  • Nr. 448, 2013
    Met bijdragen van: Renate DorresteinRobert VerschurenHannah van BinsbergenA.H.J. DautzenbergPeter SwanbornMarte KaanFlannery O’ConnerAnneke ClausRenske van EnckevortIsaak BabelWouter van OorschotY.M. DangreCarel Peeters
  • Nr. 446, 2012
    Geen slechtere adressant voor de schrijversbrief dan de ambtenaar, de huisbaas of de proleterige bovenbuurman. Alle stilistische artillerie wordt in stelling gebracht, maar de geadresseerde is zelden bij machte om dat te kunnen waarderen. En dus vroegen wij schrijvers: bevindt zich in uw la nog een brief die wij aan de vergetelheid kunnen ontrukken?In dit...
    Lees verder

Ahoy Pan,

Boca Chica opnieuw, Boca Chica nog steeds. Boca Chica. Ze waren er nog: de meisjes. Alles was er nog: de lege kantoren waar de verf van de muren bladdert, dezelfde dikke mannen in legeruniformen en de scooter-taximan met het vierkante hoofd wachtte nog steeds onder dezelfde boom. Boca Chica: niets was veranderd.

Uiteindelijk zijn we dan vertrokken. Onder zeil varen we nu dicht aan de wind onder de zuidkust van Hispaniola, gigantisch eiland in de tropische ochtendzon. De kustsnelweg oogt vooralsnog zoals altijd, vol met als gekken rijdende auto’s. De reclameborden daarboven zien er ook hetzelfde uit als voorgaande jaren: de ooit felle kleuren zijn nu verbleekt en verroest. De kleine Caribische golfslag beukt op de kust zoals ze eeuwen heeft gedaan en ik ruik die typisch Caribische geur nog eenmaal: nat regenwoud en verbrand plastic. De geur van natte hitte. 

Ik weet niet of ik mijn zeepost aan een of twee personen moet adresseren. Je zei dat je je na zoveel maanden nooit meer alleen voelt, maar wel eenzaam. Ik schrijf  dus vooral aan jou, voor jou, de wachtende Pan aan de andere kant van de oceaan. Je kunt het later wel voorlezen als onze kleine geboren is.

Elk jaar is het moeilijker onze cacao, koffie en rum over de grens, door het hek van de haven van Boca Chica te krijgen. Waar we ze een aantal jaren geleden nog afkochten met flessen goedkope wijn uit Spanje, werkt dit niet meer. ‘Capi, Capi, Capi!’ schreeuwen ze van vroeg tot laat en ze willen geld zien. Geld voor het hek, geld voor de douches, geld voor de unie, geld voor het sjouwen van de zakken, wat ze niet doen en geld voor het gebruiken van de kruiwagen met de lekke band.

De regenplassen zitten vol vliegen en er drijven rattenkadavers die zelfs de uitgemergelde zwerfhonden niet meer willen vreten. Langzaam verandert de haven in een scheepskerkhof. Het schip dat hier op uitlopers van de deining tegen de kademuur beukt is nog steeds hetzelfde als vier jaar geleden. Het oude blauwe containerschip waar we toen een keer mochten douchen van die oude vriendelijke kapitein is nu verlaten en verroest; ik denk dat het hier ook nooit meer zal wegkomen. Ook nooit meer wegkomt, net als alle mensen hier in de haven in het dorpje en eigenlijk het hele eiland. Met gebogen schouders staan ze ons weer na te turen. Je wordt daar niks, maar blijft dezelfde. 

Vier jaar geleden ontsnapten we even van boord en reden met verschillende hard toeterende taxibusjes over de vervuilde snelweg naar Santo Domingo. Eergisteren had ik voor het eerst in weken een middag vrij en vertrok met de eerste stuur voor zo’n zelfde tocht. Dezelfde grijsbruine smog lag over de stad, het waren waarschijnlijk dezelfde mensen die wandelden over de snelwegen als jaren geleden (als ze niet aangereden waren in de tussentijd), dezelfde honden in dezelfde schaduw onder de viaducten, dezelfde droogte. Nog steeds die winkelwagentjes vol plastic zakjes noten en warme blikjes cola.

Eenmaal in de kakafonie van de grote stad aangekomen, dacht ik bij elke prachtig pleintje alleen maar aan jou. Hier hadden we gelopen, en je was zo ver weg nu. Ergens in het oude stadsdeel dat we jaren geleden niet konden vinden, zaten we op een heel toeristisch terras. Het was typisch zo’n terras waar wij nooit zouden gaan zitten, niet het rum barretje in een achterwijk waar wij altijd terecht komen. Dit was de façade van toerisme die je overal op de wereld tegenkomt en die wij zolang we samen reizen proberen te omzeilen. Nu was er geen tijd voor omzeilen dus gingen we in de grote kussens zitten en werden bediend door obers in nette pakken. De stuur en ik dronken grote hoeveelheden Mojito die niet smaakte.

En ineens waren daar de eerste tekenen van wat zich op de wereld afspeelde. Westers uitziende mensen kwamen aan ons tafeltje om vragen te stellen over onze scheepsshirts. Of we op dat grote zeilschip voeren? ‘Jawel, de eerste stuurman en de kapitein van het schip zaten voor hen’, was ons antwoord. Of we niet de haven gingen verlaten binnenkort? En zouden wij niet naar Europa zeilen dan? Er ontstond een oploopje, steeds meer mensen kwamen rond ons tafeltje. Ik bleef naar de lege Mojito glazen staren, en probeerde te denken. Het virus transformeerde daar, onder de overscherende zwaluwen, van de cynische grap die het de laatste weken aan boord geweest was tot keiharde realiteit. De Dominicaanse Republiek zou binnen een paar dagen haar grenzen sluiten en er vloog niks meer naar Europa. Hoera, eindelijk was het zeilschip weer het snelste vervoer over de oceaan. Ineens konden we als mens niet meer vervuilen: wilden we dit als anti-globalisten niet al jaren?  

Maar ook overviel een gevoel van ineens in een oorlogssituatie zitten mij: deze ex-vakantievierders waren de nieuwe vluchtelingen en deze toerist-vluchtelingen willen naar huis. Zelfs de heftige oceaanoversteek van vijf weken of meer, die wij met ons zeilschip over de oceaan gingen maken, was beter dan vastzitten in vakantieland.

Ons schip was echter totaal volgepakt met balen biologische cacao, koffie en vaten rum bestemd voor Amsterdam. De zakken cacao lagen zelfs in de leefgedeeltes, omdat het ruim vol was, een broeierige geur van cacao en rum hing rond het schip. Het zou ondoenlijk zijn alles weer uit te laden en te laten verrotten op de kades van Boca Chica. De reden waarom we hier waren was op een groene manier vracht halen en niet om toeristen te redden. Ook zag ik niet helemaal voor me hoe deze mensen in vakantieoutfit in een zware storm om vier uur op dek moesten komen om dan de bovenbramzeilen te bergen. Dus jammer voor de nieuwe vluchteling: u moet nog even in het  beloofde vakantieland blijven. Drink nog een Mojito met ons en geniet nog wat langer van dit werkelijk prachtige uitzicht!

De zon ging onder en in de tropische avondzwoelte reden we met een taxi naar de haven terug. De taxichauffeur maakte in gebroken Engels grappen over Europa. De rollen waren omgedraaid, de mensen van hier wilden niet naar daar en lachten het oude continent uit. Ik dacht aan jou, mijn reden om naar huis terug te keren; ik dacht aan jou, mijn thuis om naar toe te keren. Ik keek goed naar alle cafés, benzinestations en winkels langs de snelweg: zou dit het laatste stuk beschaving zijn dat we zouden zien voor een langere tijd?

De dag daarop zat ik op een terras onder een palmboom, keek uit over de baai waar waterscooters en speedboten op hoge snelheid heen en weer voeren. Het nieuws in de wereld volgde elkaar snel op. Een voor een werden de grenzen dichtgegooid: voor zeilschepen geen toegang op Bermuda, de Azoren sloten hun havens. Macron besloot doodleuk heel Schengen dicht te gooien. Wat te doen? Blijven of zee verkiezen?  Vogels vlogen laag over, een disco in de verte zette de boomba-muziek maar weer aan. Het was kiezen tussen de vlucht naar huis zoals de vogels of blijven in dit treurige vakantieoord.

Afwegingen en berekeningen, Kon ik in een keer naar Nederland zeilen? Met veertien mensen, zonder motor, zonder koelkasten, 4000 liter water en helemaal afhankelijk van het weer?  Het zeezeilen zonder motor was nu in mijn nadeel. Als ik in een windstilte zou komen te zitten, ergens midden op de oceaan, zou er geen hulpmotor zijn om ons door de windflauwte heen te duwen. Normaal omzeil ik de depressies om niet in al te heftige stormen te komen. Nu zou  ik ze wellicht opzoeken voor een snelle oceaanoversteek. Moest ik de noordelijke route nemen om meer in het pad van de Westerlies te komen of toch de normale zuidelijke weg tussen Azoren-hoog en de depressies in blijven navigeren?  Nog nooit in mijn bestaan als kapitein had ik me zo alleen gevoeld.

Het weer voor die twee dagen was aardig voor het begin van onze weg naar buiten, ontstnapping weg van de Caribische zee. Net als Columbus tussen Puerto Rico en Dominicaanse Republiek door, de Mona Passage hoog aan de wind, weg blijven van de lage wal. Als Columbus het al kon met zijn scheepjes die niet aan de wind konden varen, moest ons dit ook lukken. Columbus voer toch ook non stop naar huis toe zonder weet en gedetailleerde kaart?

Met andere zeezeil-kapiteins die met hun zeilschepen ook in de Caribbean lagen, had ik telefonisch contact over hun plannen, nu we in deze situatie zaten aan de andere kant van de wereld. De meeste besloten hun schooltraining programma’s af te kappen en naar huis te varen, hals over kop. Ze mochten steeds minder eilanden binnen varen en waren dus bezig met diesel bunkeren en voedsel provianderen voor een snelle terugtocht. Mijn schip was na een maandenlange struintocht totaal volgeladen, dus ik had niet veel meer te zoeken in de Caribbean. Ik moest ook weg hier.

Ik belde de kok. Ze moest zich voorbereiden op 7 of 8 weken op zee in plaats van de normale vier weken. Geen tussenstops op Bermuda, Azoren of Frankrijk: Het bleef een lange tijd stil aan de lijn toen ik dit vertelde. Zonder koelkasten aan boord had zij nu net als ik een gigantische uitdaging. Met dezelfde krakkemikkige taxibusjes bleef ze een hele dag heen en weer van en naar de markten rijden om zoveel mogelijk houdbare groente en fruit in te slaan. Een aantal matrozen zat in de zon op de kade naast het schip en waste het fruit en de groente tegen kakkerlakken en andere insecten.

Ondertussen zat ik op het achterdek berekeningen te maken: de eerste twee weken zou alles goed te doen zijn qua voedsel. De trossen bananen zouden als eerste allemaal tegelijk rijp worden. Een week met in elk gerecht banaan verwerkt. Hierna zou al het fruit opraken, waarna er steeds minder diversiteit zou zijn. Als laatste zouden de pompoenen overblijven. En dan blijft er alleen rijst en blikvoer over, en wat hierna?

Elke randdebiel kan tegenwoordig met een GPS de oceaan oversteken, mijn hoofdzaak was om de veertien verschillende bemanningsleden samen te laten werken. Ruzies en verveling zijn een grotere vijand dan storm en gevaarlijke kusten. 

Weer aan boord organiseerde ik een muster voor de hele bemanning. Ik besprak wat de situatie in de wereld was, voor zover we die konden overzien en wat dat voor ons inhield. Dat we maar beter uit konden gaan van een worst case scenario: zeven weken op zee, Non stop van Boca Chica naar Amsterdam. De bemanning kon er nog voor kiezen af te stappen, maar dan zat je naar alle waarschijnlijkheid nog een aantal maanden vast in de Dominicaanse Republiek in Lock Down. Je mag kiezen, grijnsde ik, en ze bleven. Ze bleven allemaal, zelfs de grootste praters bleven. O heerlijk: dit was dus de verbroedering in crisissituaties, veel keus was er ook niet.

Een paar uur later kwam er door de middaghitte een veel lawaai makende vrachtauto die mijn extra water kwam brengen. Overal waar maar plek was: in de bibliotheek, kapiteinskamer, in de bilgeruimtes sloegen we de 40 liter flessen water op. Samen met de vier ton die we in de tanks hadden, moest dit zonder douchen en schoonmaken genoeg zijn voor acht weken koken en drinken. Ook berekende ik dat we vier extra gasflessen nodig hadden.

De nacht voor vertrek kon ik net als altijd niet slapen, alles ging weer door mijn hoofd, hoe zal het zijn buitengaats, is het niet te ver 6000 mijl varen in een keer? Komt het allemaal wel goed? Het enige wat me toen kon helpen was het van me afschrijven. En ik schreef wat flarden totdat het licht werd.

Drinkt een bakkie met de bootsman

‘t tuigage nagekeken, de lieren ingevet?

zijn gereedschap en reserveonderdelen

zeevast gezet?

Op de brug: stuurmannen aan het werk, weerberichten worden vergeleken, uitklaarpapieren ingevuld, zeekaarten gladgestreken, de barograaf constant? De roerinrichting nagekeken?

De man met mitrailleur kon niet lachen en de man met drugshond ook niet, maar ik had hun laatste uitklaarstempel nodig anders kon ik zeker geen enkele haven meer in. Nadat ze klaar waren met hun drugscontroles kreeg ik het stempel en wensten ze me een goede vaart, tot volgend jaar. ‘Tot volgend jaar,’ zei ik maar, al wist ik zeker dat ik hier komende jaren niet terug zou keren. Ik wilde zo vroeg mogelijk afvaren, omdat ik het land/zee effect optimaal wilde benutten. De wind stond van het in de nacht kouder geworden land af en die wind konden we gebruiken de haven en baai uit te varen. Daarna was het dicht onder de kust oostwaarts zeilen met een noordooster wind die later in de middag zou veranderen in oost: dan zou het kruisen beginnen om de Mona Passage te bereiken.

All hands! Zet de Mars, los de gijen en aan de schoten! Single up de trossen! Zet het voorstagzeil en het stagzeil. Wanneer de Mars staat, kan de Onderbram gezet worden en de laatste tros die strak staat los worden gegooid. Het schip wil de haven uit, ze bouwt snel gang op. Het land slaapt nog, het lijkt wel een ontsnapping, maar waarnaartoe? We kijken niet achterom maar vooruit. Het is een nauwe vaargeul om buiten te komen. Boca Chica, voor een laatste keer? Beweging in de boot, niks is beter voor het schip en bemanning. We ronden de eerste boeien, rond de riffs en de spoelgolven. Een sleepboot in de verte komt juist de haven binnen. Via marifoon wensen ze ons een goede vaart: we zijn los.

En zo schrijf ik jou mijn eerste zeepost, thuisvaarder, ik zal alle zeilen bij zetten om zo snel mogelijk naar huis te keren. We varen een grote leegte in, in mijn logboek schrijf ik als aankomst Horta Azoren, al weet ik bijna zeker dat we daar niet heen zullen gaan. De wachten aan boord zijn net begonnen, het wachten voor jou zal binnenkort over zijn.

Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Het gaat over Wiebe als jonge kapitein van een groot zeilschip zonder motor op weg van de Dominicaanse Republiek naar Amsterdam in tijden van Corona. Het tweede deel (Thuisvader) gaat over het krijgen van een kind en het als zeeman op de wal leven.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

De oversteek

Op de route naar Nadims school ligt een druk kruispunt. Sinds een paar weken worden de stoplichten er vervangen en staan er mannen die de verkeersstromen moeten regelen.

Ik weet niet van welk bedrijf die mannen zijn, maar in tegenstelling tot andere regelaars die je in onze stad tegenkomt worden deze fluorescente reuzen door geen enkele bestuurder genegeerd.

Nadim en ik werken aan zijn verkeersinzicht; ik laat hem voor me uit fietsen en hij moet nu zelf zijn inschattingen maken. Hij is consciëntieus, zet voor het oversteken steeds een voet aan de grond en kijkt heel goed naar links rechts links. Toch zal het jaren duren voor ik hem alleen naar school laat gaan.

Wat de mannen op het kruispunt anders doen is dat ze iedere bestuurder – ook wanneer die tijdig remt – recht en ernstig aankijken tot ze weten dat ze diens volle aandacht hebben. Werkt dat niet dan wijzen ze naar hem of haar, en dat mist nooit zijn uitwerking.

Fietsers die rechtsaf willen blijven ook staan, de meer heldhaftigen vragen aan de regelaar of ze mogen en fietsen pas aan als ze met een knik en een onmiskenbaar handgebaar toestemming hebben gekregen.

Mijn jongen deed alles goed, vanochtend. Tevreden keek ik naar zijn extreem alerte houding, naar zijn grote blonde hoofd en naar de verpakte bloem voor zijn juf die hij over zijn stuur vasthield.

De klas kampt met leegloop en dat trek je je als juf natuurlijk aan. Bij de bloem schreef hij een briefje met haar volledige naam erboven. Hij schreef dat ze een van zijn beste juffen ooit was, en dat hij het jammer vindt door corona maar zo weinig les te hebben gehad.

Als ik zijn juf was dan zou ik daar een beetje van moeten wenen. Juffen wenen, lijkt me.

We stonden stil bij het kruispunt met de strenge fluorescente mannen. Door de fietsers voor ons kon Nadim onze regelaar niet zien.

‘Houd jij hem in de gaten pap?’

‘Let maar op de mensen voor ons. Als die gaan, dan mag jij ook.’

Hij kantelde zijn hoofd en probeerde achterom naar mij te kijken. ‘Maar jij zegt altijd dat ik zelf moet besluiten wanneer ik kan gaan.’

‘Klopt,’ zei ik. ‘Kijk. Ze gaan al.’

In het voorbijrijden tuurde Nadim strak naar de regelaar. Misschien was hij bang een blik of handgebaar te missen. Het zou een goed moment geweest zijn voor de strenge man om zijn duim op te steken.

Maar de regelaar keek alweer nieuwe bestuurders aan, waaronder iemand in zo’n matgrijze Mercedestank.

Ik volgde mijn jongen naar het plein en liep mee naar zijn klasje. Ik hoopte te zien hoe hij zijn bloem aan de juf gaf, maar zij bleek al met een ouder in gesprek. Naad stopte de bloem voorlopig onder zijn arm.

Hij zou wachten op het goede moment, besloot ik. Hij zou wachten tot hij haar volle aandacht had.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Meer blogs

  • Gewichtloos

    ‘What will you miss the most on Earth? I will miss swimming the most.’ Dit fragment uit een interview met een potentiële Marskolonist komt uit Weather (2020), die nieuwe roman van Jenny Offill (1968). Deze minuscule inkijk in het gevoelsleven van een geharde, rücksichtslose avonturier ontroerde me: dat iemand die bereid is om vrienden, familie,...
    Lees verder
  • Ahoy Pan,

    Boca Chica opnieuw, Boca Chica nog steeds. Boca Chica. Ze waren er nog: de meisjes. Alles was er nog: de lege kantoren waar de verf van de muren bladdert, dezelfde dikke mannen in legeruniformen en de scooter-taximan met het vierkante hoofd wachtte nog steeds onder dezelfde boom. Boca Chica: niets was veranderd. Uiteindelijk zijn we...
    Lees verder
  • De oversteek

    Op de route naar Nadims school ligt een druk kruispunt. Sinds een paar weken worden de stoplichten er vervangen en staan er mannen die de verkeersstromen moeten regelen. Ik weet niet van welk bedrijf die mannen zijn, maar in tegenstelling tot andere regelaars die je in onze stad tegenkomt worden deze fluorescente reuzen door geen...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.