Het vervallen Hollywood van Hongkong

De bedelaars die ik als kleine jongen in Hongkong zag, staan op mijn netvlies gegrift. Mensen zonder armen of benen die zittend op de grond ritmisch met hun stompjes bewogen. Uitgemergelde mensen die over straat sjokten terwijl ze hun schamele hebben en houden in een karretje voortduwden. Mensen die in provisorische tentjes onder een brug woonden. Om hen heen raasde de stad voort en liep men haastig voorbij.

Ik weet nu dat bedelaars en daklozen niet uniek zijn voor Hongkong. Je hebt ze in alle grote steden. Toch staan die eerste die ik zag mij nog het scherpst bij. Ik moest meteen weer aan hen denken toen ik de eerste pagina’s van Diamond Hill las, het romandebuut van de in Engeland woonachtige Hongkonger Kit Fan, die eerder naam maakte als dichter.

Op het omslag staat een foto van een straat in Hongkong, ondersteboven. Het geeft de lading van het boek goed weer. We schrijven 1987. Een jonge man, die door iedereen Boeddha wordt genoemd omdat hij zich kleedt als een boeddhistische monnik, keert uit Thailand terug naar Hongkong. Hij neemt zijn intrek in een nonnenklooster op Diamond Hill. Zijn leermeester in de boeddhistische tempel Wat Arun in Bangkok heeft geregeld dat hij daar terecht kan. De moederoverste weet al meteen wat voor vlees ze in de kuip heeft: hij is geen monnik en hij is eigenlijk op de vlucht voor zijn verleden dat zich hier in Hongkong heeft afgespeeld. Omgekeerd heeft Boeddha haar ook meteen door: zij verbergt eveneens iets.

Diamond Hill was vroeger de plek waar Bruce Lee zijn films maakte. Nu is de wijk in verval. Zij is verworden tot een sloppenwijk. In de hoofdstraten zitten mensen mahjong te spelen, in de zijstraten staan dealers met zakjes heroïne (in het boek vrijwel consequent aangeduid met ‘het witte poeder’).

Boeddha ontmoet allerlei excentriekelingen. Zo is er een vrouw die zich Audrey Hepburn noemt en zegt dat ze een relatie heeft gehad met Bruce Lee. Haar tienerdochter is de leider van de plaatselijke triade en draagt Gucci-tassen en gouden bling-bling. Dan is er nog een non, genaamd Quartz, die weinig zegt.

Diamond Hill wordt gesloopt. Aan het begin van het boek staan er hijskranen, aan het eind is de wijk weg en ligt overal beton. Terwijl de bulldozers en graafmachines te werk gaan en de inwoners een voor een vertrekken, dwaalt Boeddha met verschillende van die personages door de omgeving. Ze praten over de toekomst, over het verleden en over de heroïne.

Diamond Hill is een sfeerboek. De excentrieke personages zijn een kunstgreep om het verhaal voort te stuwen, maar dat is niet erg: de thema’s die Kit Fan aansnijdt, zoals de toekomst van Hongkong, de heroïneverslaving, het bestaan in de sloppenwijken en het keiharde zakenleven (om er maar een paar te noemen), resoneren sterk. Omdat de sfeer voorop staat, stoort het ook niet als hij soms opzichtig naar symboliek grijpt, zoals wanneer Boeddha in de verlate en vervallen sloppenwijk plotseling een orchideeënkwekerij met prachtige bloemen aantreft. Of wanneer oude, gemetselde, vroeg-koloniale huizen worden afgebroken. De melancholieke sfeer blijft in stand. Daarmee doet het boek soms denken aan een uitgeschreven Wong Kar-Wai-film. Vooral het bling-bling tienermeisje-triadelid lijkt zo weggelopen uit een van zijn films, net als de avondlijke gesprekken met de moederoverste over het verleden en de toekomst van Hongkong. Je ziet de cameravoering haast, de slowmotion en de schaduwen op de muur.

Wat ook beeldend wordt uitgewerkt is de onzekerheid over Hongkongs toekomst. In 1987 is net afgesproken dat Hongkong in 1997 aan China wordt teruggegeven. Alle personages hebben er een mening over en niemand heeft echt vertrouwen in wat er gaat komen, maar aan de andere kant hebben ook weinig mensen vertrouwen in het heden, in de Britse heerschappij. Een van de personages vertelt over de rijken die naar Canada of Australië emigreren omdat ze de toekomst van Hongkong onder China somber inzien. De armen kunnen niet weg. Zij moeten maar afwachten wat er gebeurt in de jaren na 1997. Het maakt het boek, gezien de recente ontwikkelingen in Hongkong, erg relevant.

Het zakenleven in de havenstad, waar het recht van de sterkste geldt, komt ook kort ter sprake. Boeddha blijkt ooit een succesvol zakenman te zijn geweest, maar hij nam te veel financiële risico’s en ging failliet. Niemand in de stad had medelijden met hem. Iedereen vond dat hij zich moest schamen. Het boek geeft daarmee een mooi inkijkje in het harde Hongkongse zakenleven waar je veel geld kunt verdienen, maar waar je ook diep kunt vallen, waarna je eindigt onder een brug.

Diamond Hill is een prachtig boek, maar op redactioneel vlak is er een kans gemist. Kit Fan heeft ervoor gekozen om het Kantonees, de Chinese taal die in en rond Hongkong gesproken wordt, een belangrijke plek te geven in het boek. Dat is zeer toe te juichen en het past goed bij de roman. De uitwerking is echter niet bevredigend. In de dialoogtekst staan naast Latijnse letters ook Chinese karakters (soms een hele hoop), waarna er tussen haakjes een vertaling volgt. Het was denk ik beter geweest als de Kantonese woorden in transcriptie (in het Latijnse alfabet) waren weergegeven. Dan werd de tekst niet steeds onderbroken en zou het Kantonees tot leven zijn gekomen en dichterbij de lezer zijn gebracht: die krijgt dan immers een beeld van de klank. (En het was extra leuk geweest voor mensen zoals ik, die van huis uit Kantonees spreken, maar geen karakters kunnen lezen!)

Maar goed, een kniesoor die daarover valt.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

In de Oorshop

Hondenmannen

Er komen dagen voor waarop Gie me belt, zijn auto de parkeerplaats voor mijn huis opdraait en ons vervolgens naar het bos rijdt. Levi, de hond van de ouders van Gie, zit dan braafjes achterin en steekt soms zijn kop omhoog om te zien of we wel goed rijden.

Ik ken Gie al zeven jaar. Op alle grote momenten was hij er en als hij er niet was, zag ik hem kort daarna, of we belden. De laatste tijd spreken we te weinig af en dat zeggen we dan ook als we elkaar wel zien, maar weinig mensen zijn zo goed in staat om de tijd weer op te heffen als Gie en ik. Zelfs als het leven ons in een wurggreep houdt.

Als Gie naast me loopt in het bos en Levi als een spoorzoeker voor ons uit stuift, ben ik rustig, wat voor dag ik ook heb gehad. Dan praten we elkaar bij, keuvelen over politiek, literatuur en wielrennen en soms over de meisjes die weer op onze harten zijn gaan staan – dat laatste is vaak mijn inbreng, maar Gie luistert altijd, troost me als het moet en maakt altijd een grap die alles weer waterpas zet.

Gie bezit de trouwheid van een labrador en de scherpte van een ekster. Als hij een vraag stelt, gaat het om het antwoord, en niet om de vraag. En als ik een vraag terug stel, zwijgt hij altijd even, omdat daar de kiem van zijn antwoord in ligt. Er is altijd rust als we elkaar zien, het soort waaraan je je kunt laven.

We wandelen altijd anderhalf uur. Nooit hetzelfde rondje, maar toch ligt er in het slepen van onze pas een soort ritme dat geruststelt, een groef waarin we even kunnen verdwijnen, een tred die wereld even opheft. Hoe zwaarmoedig we soms ook zijn, er kiert altijd licht door onze gesprekken.

Toen ik tien was vroeg een juf aan me wat ik later wilde worden. ‘Een man met een hond’, dat antwoordde ik toen. Mannen met honden, die begrepen het leven, hadden alles voor elkaar, waren geslaagd in het bestaan. Dat dacht ik toen.

Ik werd geen man met een hond. Als iemand me een man noemt, voelt het altijd nog alsof het over iemand anders gaat, omdat ik soms vergeet dat ik geen jochie meer ben. En ik heb een kat.

Zo lopen Gie en ik in het bos: twee vrienden die de dagelijksheden achterlaten aan een bosrand en met elke stap steeds iets meer van het leven vergeten.

Twee vrienden die het leven bespreken dat ze veel te rap gaat, bij vlagen veel te groots en ongrijpbaar voelt en soms niet het hunne lijkt te zijn.

Twee vrienden die tegen beter weten in spelen dat ze een man met een hond zijn, al is het niet zo, maar dat maakt ze even niet uit, want heel even is het allemaal waar.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Herhalingsdrang

Ik heb de kwaal die herhalingsdrang heet: als ik moet kiezen tussen een nieuwe serie ontdekken of voor de tiende keer Mad Men kijken, kies ik voor de herhaling. Casablanca heb ik al minstens dertig keer gezien. Wespen op de appeltaart van Spinvis, I think it’s going to rain today van Randy Newman en La chanson des vieux amants van Jacques Brel kan ik dagenlang achter elkaar luisteren – die liedjes zijn verankerd in alle vezels van mijn lijf.

De herhalingsdrang treft me het meest bij literatuur, omdat sommige werken onlosmakelijk verbonden zijn met herinneringen, niet meer op zichzelf kunnen bestaan, onmogelijk zijn los te weken van momenten die ik niet wil vergeten.

Er zijn romans en gedichten die me weemoedig maken omdat ze me meteen terugbrengen naar iets dat geweest is. Het zijn vensters op het voorbijgegane.

Zo zijn er boeken die ik altijd met me meedraag. Elk jaar herlees ik De Avonden van Reve. De beginregel kan ik opdreunen als mijn telefoonnummer. Als ik weer in dat boek stap en door Amsterdam slenter ben ik negentien, zit ik met mijn studievriend Reijm op een bankje tegenover het universiteitsgebouw, hoor ik hoe we praten over Reve en die tien decemberdagen. Dan zijn we elkaar nog niet uit het oog verloren.

Thijssens’ Kees de jongen is het boek waarin ik kan verdwijnen als de wereld op mijn slapen bonkt en ik mezelf even uit dit tijdsgewricht wil halen. Als ik over Kees lees, hoor ik de stem weer van mijn jeugdvriendinnetje Room en hoe ze soms stukken uit dat boek voorlas als we op haar meisjeskamer zaten. Dan voel ik haar handen, die zo zacht waren dat ze van dons leken, hoe ze door mijn haar kon gaan en me altijd op momenten kuste die zo onverwachts waren dat ik er altijd een beetje van schrok. En hoe ze daarom moest lachen.

Lees ik In het café van de verloren jeugd van Modiano, dan ben ik weer even op de woonboot van Bee, van wie ik ooit hield. Ze had iets weg van Louki, misschien dat ik daarom verliefd op haar werd en haar mijn exemplaar cadeau gaf. Nadat ze genoeg van me had kocht ik een nieuw exemplaar en soms vraag ik me af of ze het herleest zoals ik doe, en of ze dan weer even aan me denkt, al weet ik vrijwel zeker dat het niet zo is.

In sommige gedichten liet ik een deel van me achter. Ze passen me als een huid: als ik Projectie van Heytze lees, sta ik weer bij de kist van mijn oma, die helemaal niet van poëzie hield, maar ik hield van haar en zij van mij en zo hield ze misschien toch een beetje van gedichten.

Ik flits terug naar een eeuwige dinsdag in café Orloff met Ik weet dat het er is van Wigman. Dan zit Lootje, een van mijn beste vrienden, voor me, zegt ze weer dat ze niet wil dat die dag voorbij zou gaan en citeert met haar stem die alles in me kan omvatten regels uit dat gedicht. Wanneer ik dat gedicht lees is die dag er weer. En dus niet voorbij: alsof we voor altijd in zo’n met water gevulde schudbol zitten die met kerst op alle schoorsteenmantels staat.

Lees ik The Sleepers van Plath, dan is het een bloedhete zomer die mensen omlegt, ben ik voor het eerst alleen met vrienden op vakantie in Frankrijk en schuift Toot me de bundel toe die ze net uit heeft. Ik lees voor de eerste keer in mijn leven poëzie die me echt raakt, iets in me losmaakt dat niet meer terug te klikken valt, alle chaotische ruis in mijn onmogelijke brein even wegneemt en als ik de bundel uit heb, zeg ik tegen haar dat ik weet wat ik wil worden later en dat het dichter is.

Dan lacht Striep, trekt met haar vinger wat onverklaarbare strepen in het zand, kijkt uit over het land.

En dan zegt ze weer: ‘Alleen als je een beter einde voor jezelf schrijft. Beloofd?’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Geertruida

Er zijn mensen die de dingen namen geven: auto’s, huizen, kinderen. Ik ben een van die mensen.

Mijn koffiezetapparaat heet Grom, omdat hij (het is een jongetje) altijd gromt als ik hem ’s ochtends tot presteren maan. De nieuwe schrijftafel die in mijn huis staat heb ik gedoopt tot Marie – ze (het is een meisje) voelt warm, zacht en vertrouwd. En mijn fiets heet Geertruida.

Het is een oude, sierlijke, zeventigjarige dame met een gebruiksaanwijzing. Je kunt het stuur niet al te plots omzwaaien, want het voorwiel ligt wat losjes in de as. De remweg beslaat op een goede dag ongeveer vijf meter omdat het remsysteem van vlak na de oorlog is. De bagagedrager verdraagt eigenlijk niets, soms ben ik zelfs bang dat luchtdruk het verroeste staal al te veel belast. Het zijn karaktertrekken die haar maken tot wie ze is.

Ik ben me gaan hechten aan die trouwe jongedame, want ik hecht me aan bloedeloze dingen –soms meer nog dan aan mensen vrees ik. Het is mijn taak om voor haar te zorgen, haar na mijn kroegbezoek weer veilig thuis af te zetten, soms wat lieve dingen tegen haar te fluisteren als ze een lange rit af heeft moeten leggen. En het is vooral mijn taak om op haar te letten. Beter dan ik heb gedaan.

Op de dag waarop ik drie boekcontracten tekende verdween Geertruida. Er was alleen de leegte die haar vorm had aangenomen. De sleutel lag doelloos in mijn hand. In mijn hoofd ramde ik het ding met volle kracht door de miezerige bovenlip van de persoon die Geertruida had ontvoerd.

Drie boekcontracten, en geen fiets – alles moet in evenwicht blijven, dacht ik nog, te veel goeds zou vast gevaarlijk zijn, nu was alles weer hersteld. Er was ons iets aangedaan en blijkbaar was dat nodig.

Nu fietst er ergens iemand rond op Geertruida en ik ben het niet. Diegene weet niet dat ze soms wat opstarttijd nodig heeft, dat stoepranden en drempels haar kwaad maken, hoe slecht ze regen verdraagt, dat je op lome dagen af en toe tegen haar moet praten om haar wakker te houden, hoe blij ze wordt als de zon op haar frame valt en een fris lentewindje door de kettingkast waait. Dat ze een naam heeft: Geertruida. En bovenal dat ze van mij is.

Geertruida is veerkrachtig, dat weet ik, en ze zal het redden zonder mij en ik uiteindelijk ook zonder haar. Maar ze heeft ook een opstandig karakter dat niet te temmen is, een eigengereidheid die niet te stoppen valt, een eigen, vrije wil. Er komt een dag, ik weet het haast zeker, dat ze de fietsendief met een enorme zwaai van zich afwerpt als een briesend paard, de wielen neemt en vertrekt.

Dan zal ze ineens weer voor mijn deur staan als een weggelopen hond die na jaren weer terugkeert bij zijn baasje, zoals je soms in tranentrekkende filmpjes ziet.

Zo moet het ook met Geertruida en mij gaan. En niet anders.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Nieuw

‘Zeg, hoe gaat het met je?’ vroeg Noen.

Zo had ze de telefoon opgenomen – geen groet, geen stilte, geen lach. Alleen een vraag, zo spits en kort als haar neus. Die herinnerde ik me nog goed, net zoals het kuiltje in haar onderrug en haar schuurpapieren vingers.

‘Goed,‘ zei ik. ‘Ik heb mijn oude schrijftafel weggedaan.’

Er viel een stilte op de lijn als plotse sneeuw in februari. Ik hoorde gerommel, wat gevloek, nog meer gerommel, toen het vonken van een aansteker. Ze blies uit in de telefoon, het klonk als de wind die soms op kan steken aan zee.

‘Ja, ik ben weer begonnen,’ sneerde Noen, nog voordat ik iets kon zeggen. ‘Laten we het daar niet over hebben. Maar je hebt je schrijftafel weggedaan, dus. Je schrijft toch niet weer vanuit bed, mag ik hopen?’

Ik lachte. We belden met elkaar alsof we gister nog gesproken hadden. De tijd was een afgestofte harmonica die door een roestige toetsenist weer in elkaar gedrukt werd.

‘Nee, ik schrijf niet weer vanuit bed,’ zei ik. En dat was vanuit haar bed, dacht ik nog, maar dat zei ik niet. ‘Ik heb een nieuwe, een fijnere. Gekregen van mijn ouders. Zodat ik een beetje aan ze denk als ik aan het werk ben.’

Noen blies weer uit, nu wat verder van de telefoon af. Ik klopte op mijn zakken, roken doet roken, gooide de tuindeur open en snoof de avondlucht op. De lucht, een afgebladderde spandoek boven het appartementencomplex, voelde zwaar.

‘Ik heb ook iets weggedaan,’ zei Noen na een korte stilte, die we allebei voelden en niet benoemden.

‘Oh,’ antwoordde ik en draaide een sigaret rond in mijn vingers. ‘Wat? Je bed? Je kat? Je verzamelde werken van Nooteboom?’

‘Mijn vriendje,’ zei ze. Ik zweeg, wist ineens waarom ze me na al die tijd weer belde: ze had haar oude liefde weggedaan. En wie dan ook de nieuwe zou zijn: ik niet. Niet meer.

‘Misschien,’ zei ik en stak mijn sigaret aan, ‘kun je aan je ouders een nieuwe vragen. Dat heeft bij mij ook gewerkt.’

Daarna hing ik op. Ik blies een wolkje rook de avondlucht in, telde mijn vingers na, keek ernaar, zag dat ik me nergens aan had gebrand.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Het bleek familie

Op sociëteit Minerva in Leiden zit bij de centrale trap een plaquette in de muur. Het opschrift luidt: Ter nagedachtenis aan leden van het Leidsch Studenten Corps die door de oorlog het leven lieten. Er staan een kleine dertig namen onder. Toen ik nog lid was van Sempre Crescendo (de open muzikale subvereniging van Minerva) liep ik er iedere week langs. Ik moest hem al vaak gepasseerd zijn toen, ongeveer een jaar geleden, mijn oog in het voorbijgaan plotseling viel op een naam die mij erg bekend voorkwam: Hepkema. Mijn overgrootmoeder heette zo. Ik bleef staan en bekeek de gedenkplaat nog eens goed. W. T. Hepkema, stond er. Meteen schoot ook de vraag door mijn hoofd of ik familie van hem was. Zo vaak komt de naam Hepkema immers niet voor. Het is geen Van Dijk of De Jong. Maar kon het zijn dat er in mijn eigen Leiden een familielid op een plaquette stond zonder dat ik dat wist? Mijn vader zou het me zeker verteld hebben, dacht ik.

Ik deed bij thuiskomst navraag bij mijn vader en die zei dat hij eveneens niets wist over een familielid op een gedenkplaat bij Minerva. Ook hij vond dat de naam kon wijzen op een familieverband.

Enige zoekopdrachten op Google leverden al snel de nodige gegevens op: W. T. Hepkema stond voor Watse Tjebbe Hepkema. Hij werd op 8 november 1914 in Leeuwarden geboren en overleed op 21 januari 1942 in het toenmalige Nederlands-Indië. Ik zocht verder. Zijn vader Sietze bleek de oudere broer te zijn van mijn overgrootmoeder, Richtje. Watse was dus een volle neef van mijn grootvader (die overigens ook Watse heette), al scheelden ze wel zo’n veertien jaar. Het lijntje is kort.

Wat deed een geboren Fries en Leidse student na het uitbreken van de oorlog in Nederlands-Indië? Was hij daar vlak voor de oorlog naartoe verhuisd? Als we eerder niet van het bestaan van dit familielid geweten hadden, wat wisten we dan allemaal nog meer niet?

Ik belde mijn oudtante. Misschien wist zij iets. Ze bevestigde dat Watse de zoon was van Sietze en vertelde dat Sietze de oprichter en directeur was van de Condensfabriek, het huidige Friesland Campina. (Haar moeder, mijn overgrootmoeder, de zus van directeur Sietze heeft de merknaam Friesche vlag voor de koffiemelk en dergelijke bedacht.) Watse was de beoogde opvolger. Hij was na het uitbreken van de oorlog nog bij mijn overgrootouders langsgekomen om hen te vertellen dat hij tegen de Duitsers ging vechten. Hij is toen met een Fins vrachtschip naar Nederlands-Indië gevaren en daar is hij bij een ongeluk omgekomen, zei ze. Online documenten uit het Nationaal Archief, bevestigen haar verhaal. Hij monsterde aan op een Fins vrachtschip en is via Finland, Rusland en Japan in Nederlands-Indië beland. Daar meldde hij zich als vrijwilliger bij het leger. Hij wilde piloot worden. Bij een oefenvlucht ging het mis. Hij stierf aan zijn verwondingen, zonder ooit gevochten te hebben.

Japan was een paar weken eerder Nederlands-Indië binnengevallen. Zou hij anders in die strijd zijn gesneuveld? Of in de kampen? Doet het ertoe? Om de een of andere reden betrap ik mezelf op de gedachte dat ik het van het hele verhaal eigenlijk het ergst vind dat hij bij een ongeluk is omgekomen. Voor hem en voor de familie. Hij heeft niet gevochten. Er zijn geen slagen waaraan hij heeft meegedaan of heldendaden waar je over kunt verhalen. Kun je een held zijn zonder ooit gestreden te hebben? Zeker. En hij is absoluut een held: het getuigt van moed en doorzettingsvermogen dat hij zo ver reisde om zich op te laten leiden om te kunnen vechten voor de goede zaak. Maar toch, er blijft iets knagen. Alsof het voor niets geweest is.

Alsof het niet voor niets geweest was als hij een week of maand later in een gevecht gesneuveld was!

Tussen de brieven in het familiearchief die ik gebruik voor mijn scriptie, vond ik het briefje dat Sietze stuurde naar zijn zusje (mijn overgrootmoeder), toen ze het verschrikkelijke nieuws net gehoord hadden: ‘Gisteren kregen we hier bericht dat Watse in Indië gesneuveld is. ’t Is een heele slag in ’t bijzonder voor Els, zijn verloofde. Ik wilde ’t jullie even laten weten.’ 

In een brief een maand later spreekt hij zijn dank uit voor de blijk van medeleven die zijn zusje en haar man getoond hebben. Hij schrijft verder dat de stroom brieven, waarin mensen hun waardering voor Watse uitspreken, langzaamaan stokt. Zijn vrouw en hij maken zich op om dankberichten te sturen. Hij weet dat de ergste pijn met de tijd wel zal verdwijnen, schrijft hij. Na de oorlog hebben ze een grafsteen op het graf in Indië laten plaatsen. Ik weet niet of ze er ooit heen geweest zijn. 

Toen ik mijn oudtante vroeg waarom we niet eerder iets over Watse gehoord hadden, antwoordde ze: ‘Hij was dood.’ 

Voor je het weet ben je vergeten.

Er zal wel hebben meegespeeld dat hij veel ouder was dan zij en dat ze hem dus waarschijnlijk niet zo goed gekend heeft. Toen zij op de lagere school zat, studeerde hij al. Bovendien was hij een neef, geen broer.

Nadat ik de twee brieven gevonden had, besloot ik dat ik iets over Watse wilde schrijven, zodat hij niet alleen maar een naam is op een gedenkplaat. Ik benaderde via-via het verenigingsblad van Minerva en ik heb ook voor hen een stuk geschreven. Met een tweetal redactieleden bladerde ik door almanakken van voor de oorlog. Watse bleek binnen de vereniging ontzettend actief geweest te zijn: hij zat bij veel gezelschappen en subverenigingen en hij was zelfs bestuurslid van Minerva.

Iets met een in de knop gebroken leven.

Ik hoop dat ik hem zo een beetje aan de vergetelheid heb weten te ontfutselen. Hoewel, echt vergeten zal hij niet worden: zijn naam staat immers op de gedenkplaat.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden.  Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Hij zit in de redactie van Babel en studeert in Amsterdam. Hij speelt nog veel piano.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Het geluk

    Het geluk

    Miel bestiert een charmante delicatessenwinkel die zo in een oud, Frans dorpje had kunnen staan. Zo’n dorpje waar de tijd zelfs uit vertrokken is, de straten altijd leeggelopen zijn, alle dagen traag, hitsig en doorrookt voorbijkruipen en iedere mannelijke inwoner hopeloos verliefd is op de blonde bardame die haar jonge borsten op de toog drapeert...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Lief

    Lief

    Gil omhelsde me, alsof hij er even in slaagde om in vijf seconden zijn hele bestaan om me heen te vouwen. We stonden in zijn woonkamer en ik was de eerste, omdat ik ook als eerste weer weg moest voor een optreden, al was ik liever als laatste gebleven. Ik liep naar het grote raam,...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Dat hoeft niet in je stukje

    Dat hoeft niet in je stukje

    Ze liep naast me, maar leek dat soms al te zijn vergeten, alsof ze al voorbij ons afscheid was. Met elke zorgvuldige stap die ze zette leek ze verder weg. Ik bracht haar naar het station, dat ze prima wist te liggen, maar toch wilde ik haar het station in zien gaan, toekijken hoe ze...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Menno Hartman
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • Foto van Machiel Jansen
    Machiel Jansen

    Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

  • Foto van Marian van der Pluijm
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.