Ze moeten wel

Een regenachtige zomer betekent vooral veel tijd om te lezen. Eindelijk had ik tijd voor Onbehagen: Nieuw licht op de beschaafde mens (2016) van Bas Heijne, waarin hij schetst hoe hij opgroeide ‘in een tijd van vertrouwen en verwachtingen – verwachtingen over groei en gelijkheid’. Het verlichte mensbeeld dus, waarbij het optimisme twee zaken betrof: de in het vooruitzicht gestelde winstmaximalisatie en het idee dat de mensheid steeds beschaafder zou worden. 

Nu weten we dat dit wereldbeeld op z’n einde loopt. De huidige jongeren weten dat de wereld verrot is. Zij voelen in hun botten dat dit winstmodel slechts welvaart oplevert voor enkelen, en niet zonder de uitbuiting en uitputting van anderenkan. De jongste generaties zitten opgescheept met de rotzooi die hun ouders weigeren onder ogen te zien, laat staan op te ruimen. Tieners en twintigers van nu verwachten niet langer dat alles mooier, beter en meer wordt. Zij hopen slechts te kunnen overleven.

Heijne vraagt zich af: ‘Is oprecht optimisme mogelijk in een door pessimisme gekleurd wereldbeeld?’ Dat lijkt me precies de kernvraag van de huidige tijd. Want ik zie om mij heen dat juist de jongste generaties vaak een wonderlijke vorm van vertrouwen hebben. Hun ‘verlichtingsideaal’ is donker, erg donker. Op het depressieve af, eigenlijk. Voor de mensen die nu aan hun zelfstandige leven beginnen gaat het niet langer over progressief verbeteren – lineair dus – maar over verbeteren in de breedte. Zij zeggen eerder een cirkel te zienof ze denken op zijn minst horizontaler. Vooruitgang lijkt voor hen meer dan ooit te zijn: wat is zinvol samenleven?

In mijn tweede roman Zwerm (Van Oorschot, augustus 2021)leest de jongste van de drie hoofdpersonages, een puber van 15, online een pamflet. Daarin staat: ‘De wereld is te heet geworden, de nieuwste generatie moet op zoek naar het ventiel. De orde van de machthebbers moet kapot, het bestaan zoals we dat kennen moet kapot en pas dan kan er iets nieuws worden gebouwd.’ En zij realiseert zich: als we niets doen, zal de aardbol exploderen. ‘Als een lappenpop zal ze worden weggeslingerd, de ruimte in. Naar een plaats die nog niemand kent, en daar zal ze opnieuw beginnen. Soms verlangt ze daar hevig naar: opnieuw beginnen in het verse niets.

Is zij degene die het ventiel zal vinden? In het pamflet staat dat het pijn zal doen. Veel tranen misschien – maar de toekomst is onvermijdelijk. Er moet beweging komen. Eén voet voor de andere zetten. Alles is beter dan stilstand.’

Om daadwerkelijk in actie te komen, moet je geloven dat je het verschil kunt maken. Psychologen spreken ook wel van de internal locus of control, het gevoel dat je je leven zelf in dehand hebt. Jongeren lijken dat meer te geloven dan hun ouders of grootouders, die momenteel aan de macht zijn. Ze moeten wel. 

The future is darkwhich is the best thing the future can be, I think,’ schreef Virginia Woolf in haar dagboek op 18 januari 1915. De Eerste Wereldoorlog zou nog vier jaar voortduren. Niemand wist nog dat er een Tweede zou volgen en zeer weinig mensen spraken over een ophanden zijnde klimaatoorlog.

Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

In de Oorshop

Samen doen

Hoewel ik toen best vriendjes had, herinner ik me van mijn vroege jeugd vooral de vele uren dat ik rondspeelde in mijn hoofd, al dan niet bijgestaan door huisdieren, knuffels of opstellingen van mijn Playmobil.

Enig kind, was ik, en als er mensen kwamen spelen dan was dat leuk, maar kwamen ze niet, dan was het ook oké. Op de middelbare school werd de binnenkant van mijn hoofd steeds belangrijker. Mijn vrienden waren op één hand te tellen, en bleven jarenlang dezelfde vingers. Ik hield van die vrienden, maar als ze er niet waren dan was dat ook oké.

Wat, zou je zeggen, heeft zo-iemand in de horeca te zoeken?

Soms, zoals ook voor de beste vrienden geldt, geeft het leven je niet wat je denkt te willen, maar wat je nodig hebt.

Mocht ik ooit gedwongen worden te emigreren, dan zal ik – ook op mijn achtenzestigste – een baantje in de bediening zoeken. Binnen drie werkdagen heb je een vriendenkring, binnen een maand een netwerk, binnen een jaar de sleutels tot de stad.

Achter de bar ontdekte ik dat de meeste mensen wél op me zaten te wachten; dat het me weinig moeite kostte om soepel om te gaan met advocaten, muzikanten, toeristen, marktkoopmannen en krakers. Bovenal ontdekte ik een versie van mezelf die geen genoeg kon krijgen van de lichtjes, de drankjes, het tollen van de stad. Omdat het café waar ik werkte een poflijst had, leerde ik om bij een eerste contact meteen de naam van mensen te onthouden. Een vriendenkring, een netwerk, een loper volgde.

Na vijftien jaar achter de bar en in de bediening kwam ik in de keuken terecht, een werkplek waar je op een bijna fysiek niveau met je collega’s vergroeit. Jouw hand is mijn hand is de hare, als dat voorgerecht voor tafel twaalf er maar binnen drie minuten staat. Mijn besluit om schrijver te worden betekende het einde van samen koken, en ik mis het elke dag.

Het zintuiglijke, de manier waarop overzichtelijke taken me volledig in beslag namen, het aanraken en worden aangeraakt. Die lome leegte als de adrenaline na een lange dienst was uitgewerkt. De smaak van bier, op zo’n moment. Hoe vrij mijn vrije dagen voelden.

Dat schrijven, om met vriend-schrijver Richard de Nooy te spreken, is maar alleen. Na tien jaar wilde ik verder groeien in de literatuur, maar dan wél in samenwerking met anderen.

De eerste die ik belde was Wytske, daarna volgden Roos en Richard. Inmiddels hebben we er twee samenkomsten op zitten, en het is de bedoeling dat we elkaar maandelijks blijven zien. Natuurlijk kunnen we onze teksten ook mailen voor feedback, maar het samen zitten met ons werk voelt minstens zo belangrijk.

Wat ik misschien geleerd heb sinds mijn kinderjaren, is dat iets pas echt gaat leven als je het deelt.

Beeld: Koken met Olle, Nathalie Girard

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Mijn Indonesische jaren: De literaire salons

Van de Indonesische deelnemers aan de literaire salon kan ik behalve Toeti Heraty, die haar gedichten in vertaling voorlas, ook Wiratmo Soekito (1929-2001) en Gerson Poyk (1931-2017) noemen. De eerste was actief geweest als theaterdocent, omroeper, journalist, tijdschriftleider, essayist en schrijver, maar zijn grootste bekendheid verwierf hij als opsteller van het Cultureel Manifest dat in mei 1964 werd getroffen door een verbod van Soekarno.

Er waren in totaal negentien schrijvers die het manifest hebben ondertekend, waaronder ook Gerson Poyk, een markante man met een ascetisch voorkomen. Hij werd geboren op Roti, het zuidelijkste eiland van Indonesië, en was een productief auteur van romans en verhalen met een humoristische toets. Zijn verhaal ‘Matias Akankari’, over een Papua die uit het steentijdperk in het moderne Jakarta wordt geworpen, met alle absurde verwikkelingen van dien, verscheen in het Indonesië-nummer van het tijdschrift De Tweede Ronde (Lente 1988). Aan dit tijdschrift hebben allerlei Indonesische en Nederlandse auteurs bijgedragen.

Een van de Indonesische dichters in dat nummer was Joke Moeljono (1925-1998), die werkzaam was als arts in het Borromeus Ziekenhuis in Bandung. Zijn broer Anton (1929-2011) was hoogleraar linguïstiek aan de Universitas Indonesia en directeur van het Indonesische Taalcentrum. Waar Anton Moeljono een ernstige academicus was, had Joke meer weg van een bohemien. Tussen 1946 en 1958 woonde hij in Nederland en sindsdien was hij voorgoed een man van twee werelden, een ontheemde. Hij was een van de weinige Indonesiërs die in het Nederlands schreef. Het volgende gedicht uit 1948 geeft een goed beeld van zijn denkwereld:

Europa zal ik eens verlaten
haar angsten zijn niet de mijne
maar ik zal haar nimmer haten:

Ook ben ik door haar pijnen
vrijgemaakt en heb uit haar wonden
verloren heimwee weergevonden.

In maart 1987 vond de literaire salon plaats bij Toeti Heraty thuis. Op die avond verschenen ook de vooraanstaande dichter en tijdschriftleider Taufiq Ismail (*1935), ook een van de ondertekenaars van het Cultureel Manifest; en Joke Moeljono, die speciaal voor deze avond met zijn auto uit Bandung was gekomen, maar wel met zijn chauffeur. Dat was maar goed ook. Moeljono maakte een geobsedeerde indruk. Hij las enkele eigen verzen voor en dronk gedurende de avond stevig door uit een meegenomen fles 7 Pied Pipers. Dat was een in Bogor gebottelde Schotse whisky, die toen nog volop in de supermarkt te verkrijgen was. Sindsdien is er wat de verkrijgbaarheid van alcohol betreft het een en ander veranderd in Indonesië.

In het najaar van 1987 werd de literaire salon als het ware verplaatst naar het Erasmus Huis: hier organiseerde ik een literaire avond die volgde op het congres ‘Nederlandse Studiën in Indonesië’. Uit Nederland namen deel: Remco Campert, Rudy Kousbroek, Leo Vroman, zijn vrouw Georgine (‘Tineke’) Sanders en Hugo Brandt Corstius. Zij werden aangevuld met Jacob Vredenbregt, zes Indonesische schrijvers – onder wie Rendra en Toeti Heraty – en de vooraanstaande Maleisische dichter Muhammad Haji Salleh (*1942), die ik had leren kennen aan de University of Michigan in Ann Arbor.

Op de avond werd een tweetalig boekje gepresenteerd met alle bijdragen. Ik had mijn bediende de uitgetikte bijdragen meegegeven om die bij een van de vele copy shops te laten vermenigvuldigen en tot een boekje te laten maken. Hugo Brandt Corstius las op die avond een van zijn Piet Grijs-achtige columns voor, maar hij kwam tevens met een pas geschreven gedicht dat niet in het boekje stond, met de telkens terugkerende regel: ‘Het is koud in Indonesië’. Later begreep ik dat die regel was ingegeven door het recente overlijden van zijn vrouw.

In 1988 waren er weer twee literaire salons bij mij thuis, onder meer bijgewoond door Bibsy Soenharjo (1928-2017), de jongste dochter van de staatsman Haji Agus Salim (1884-1954) en voormalig medewerkster van een Australisch radiostation. Zij schreef light verse: puntige gedichten in het Engels, Nederlands en Indonesisch. Een voorbeeld uit 1967:

My heart is like a cobble-stone
Heavy and out of place;
Its only function is to keep
My restless soul in place—

The way a paperweight holds down
A fluttering, empty piece
Of paper, that would fly and leave
At just a little sigh of breeze.

Op 5 juni 1989 stelde de Nederlandse diplomaat Margriet Bot, die werkte bij de afdeling Pers en Culturele Zaken, haar huis beschikbaar. Dat was een ruim, modern huis met een zwembad in de wijk Kemang, waar veel expats woonden. Hierna is er in februari 1990 nog een literaire salon bij mij thuis gehouden, maar dat was meteen de laatste. Ik werkte toen hard aan mijn proefschrift over de Indische jaren van E. du Perron, waarop ik in april van dat jaar promoveerde; in augustus liep mijn contract af en keerde ik terug naar Nederland. In februari 1992 kreeg ik een aanstelling als lector Nederlands aan de University of Auckland in Nieuw-Zeeland.  

De literaire salon werd nog een aantal jaren in een andere vorm voortgezet, met literaire avonden van het na mijn vertrek opgerichte Walraven Genootschap die plaatsvonden in het Erasmus Huis. Jacob Vredenbregt, gestaag bouwend aan zijn oeuvre van romans en verhalen, speelde een belangrijke rol als aanjager van die avonden.  

Een trouwe gast van mijn literaire salon was de weduwe van de eerste premier van Indonesië: Siti Wahjunah Sjahrir (1920-1999), roepnaam Poppy. Zij was een intellectuele vrouw die indruk maakte door haar rustige en elegante uitstraling. Op de avond in Kemang zei ze op een gegeven moment, op het terras aan de rand van het zwembad, dat zij nog diverse ongepubliceerde geschriften had van Sjahrir, maar dat de tijd er nog niet rijp voor was. Ik had er toen nog geen idee van dat ik ooit Sjahrirs brieven aan zijn eerste, Nederlandse vrouw zou uitgeven.

Sinds de Reformasi, die werd ingezet na het gedwongen aftreden van Soeharto, is de tijd meer dan rijp. In augustus verscheen bij Van Oorschot het door mij verzorgde Wissel op de toekomst. Brieven van de Indonesische nationalist aan zijn Hollandse geliefde. Die brieven worden gevolgd door mijn biografische schets van Sjahrir. Habent sua fata libelli.

Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Thuiswerken

‘Kun je garanderen dat er geen extremisten bij zijn?’

De vraag verscheen als titel van een e-mail op hun computerschermen. Ze zaten tegenover elkaar aan de eettafel. Martha keek uit op de muur met foto’s van hun gezin, Bas op het wandtapijt dat ze tien jaar geleden in Kenia hadden gekocht. Tussen hun schermen stonden een pot thee en een gedeukte koektrommel.

‘Kunnen we dat?’ vroeg Bas.

‘Daar moeten we achter komen,’ zei Martha zakelijk. Dat was een van de vreemdste elementen van thuiswerken vanwege de coronamaatregelen: de werktoon die ze voor het ministerie reserveerden klonk nu opeens aan de eettafel.

Ze typten zoektermen in databases en openden een gezamenlijke map voor rapporten en artikelen.

‘Ik ga even krentenbollen smeren,’ zei Bas, ‘voor als de kinderen zo thuiskomen.’

‘Hmm,’ zei Martha. Ze was verdiept in een rapport over rekrutering van extremisten in asielzoekerscentra.

Bas smeerde acht krentenbollen, legde ze op de grote broodplank die ze van hun vrienden hadden gekregen toen ze tien jaar waren getrouwd en nam weer plaats tegenover Martha.

‘Zou jij nog wat journalistieke stukken willen zoeken?’ vroeg ze.

Bas ging aan de slag. Hij bladerde door Nederlandse kranten, door internationale kranten, zocht overzichten van televisiereportages en tijdschriftartikelen.

‘Wat komt erbij jou uit?’ vroeg hij aan Martha.

‘Hetzelfde als bij jou denk ik, je kunt niets garanderen.’

‘Kun je de kans verkleinen?’

‘Je kunt de kans wel verkleinen,’ zei Martha beslist, ‘maar niet als je haast hebt en het overal chaos is. Als je duizend mensen hiernaartoe laat komen, kan er zomaar een tussen zitten die oorlogsmisdaden op zijn geweten heeft of die in Europa een aanslag wil plegen.’

‘En als je er tien toelaat?’ vroeg Bas.

‘`Dan kun je die kans tot bijna nul reduceren?’

‘Vijftig?’

‘Ook, bijna nul.’

‘Tweehonderdvijftig?’

‘Dat is zo’n beetje de grens.’

‘Dan moet ons advies zijn dat we het tot tweehonderdvijftig mensen kunnen garanderen?’

‘Ja.’

Hun kinderen kwamen binnen. Ze renden af op de krentenbollen en maakten ruzie over de televisie en de tablets.

‘Je moet even ingrijpen,’ zei Bas tegen Martha.

Ze stond op: ‘Lily, Willemijn, klaarmaken voor hockey. Stef, jij gaat zo met je vader naar turnen. We kijken nu geen televisie.’

De kinderen renden naar hun kamers. Hun schaduwen vielen over het toetsenbord van Bas.

‘Ik schrijf nog even snel dat bericht voor de minister,’ riep hij tegen Martha.

Nu scheen de zon opeens op zijn scherm en schreef hij: ‘Bij 22250 Afghaanse vluchtelingen is de kans dat er extremisten bij zitten verwaarloosbaar.’

Hij verstuurde het bericht, klapte zijn scherm dicht en liep naar de gang om zijn schoenen te zoeken.

‘Bas!!’ riep Martha vanuit hun slaapkamer.

‘Ja?’

‘Er staat tweeëntwintigduizendtweehonderdvijftig?’

‘Wat?’

‘Je hebt twee tweeën te veel getypt.’

‘Oh, verdomme! Ik pas het aan.’

‘Wat?!’

‘Ik typ een nieuwe mail als ik daar ben, ik heb nu geen tijd meer!’

‘Hoeft niet,’ riep Martha, ‘heb ik al gedaan!’

En daarna riepen ze tegelijk. ‘Stef! Nu! Opschieten! We komen te laat!’

Stef kwam naar beneden, maakte een radslag in de gang en hief bij de voordeur zijn handen in de lucht.

‘Niet schieten,’ zei hij lachend. ‘Ik kom al mee.’


Foto: Mohammad Rahmani (Unsplash)

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

Insel Hombroich

Rijk

Aan het lijstje van rijke weldoeners die kunst beschikbaar maken voor het volk voeg ik er zes toe: in Parijs zag ik de Collection Pinault, een prachtig op de kunst die het toont toegesneden oude graanbeurs die een formidabele collectie herbergt die zo schitterend samenvalt met zijn omgeving dat je er niet weg te slaan bent. Je ademt vrijer in een goed gebouw. In Duitsland net over de grens vind je er twee naast elkaar: het Insel Hombroich, een schitterend verwilderd park met wonderlijke bomen als de Anna Paulowna boom en de moerascypres waar in een tiental paviljoens prachtige werken bijeen zijn gebracht van heel wisselende afkomst, van Rembrandt tot Oceanische kunst. Je ademt nog beter in een goed park. Een kwartiertje onder vermoeid namiddaglicht over nazomers stoppelvelden sjokken daarvandaan de Langen Foundation, waar in en door Tadao Ando gebouwd museum een overzichtstentoonstelling over Daniel Spoerri te zien was.

Want het schone is niets
dan het juist nog door ons te verdragen begin der verschrikking,
en wij bewonderen het zo omdat het, onaangedaan, versmaadt
ons te vernietigen.

Het zal het ‘schuldig landschap’ waarover we liepen zijn geweest die deze associatie losbikte. De vierde is die waarop dit Rilke citaat uit de eerste Elegie van Duino (vert. W.J.M. Bronzwaer) ook zo op van toepassing lijkt te zijn, het is een boek: Brieven aan Camondo van Edmund de Waal, die in een helaas wat precieus en met teveel ontzag geformuleerde hoeveelheid brieven aan de naamgever van het museum in Parijs dat Camono ter ere van zijn vader en zoon oprichtte de lezer meeneemt naar de kunst en de rijkdom maar vooral ook de verschrikkingen in het leven van deze joodse familie.

Verzamelen. En dan tonen. Walter Benjamin wordt geciteerd in dit boek: ‘Het plezier van de verzamelaar, het plezier van de eenling: alleen zijn met de dingen. Is dat niet het geluksgevoel waarmee onze herinneringen zijn overgoten? Dat we daarbinnen alleen zijn met bepaalde dingen, die ons in hun stilte omringen, en dat dan zelfs de mensen die zeer aanwezig zijn in onze gedachten, deelnemen aan die onwrikbare, gezamenlijke stilte van de dingen. De verzamelaar brengt zijn lot tot stilstand. En dat betekent dat hij in de wereld van de herinnering verdwijnt. […]

En dat houdt sterk verband met de volgende verzameling die op zijn beurt een heel rijk boek vormt: Levensvormen van Lex ter Braak, zojuist verschenen, een verzameling verhalen en kunstwerken in een bezield verband bijeengebracht die je in de gelegenheid stellen – als elk van deze verzamelingen – alleen te zijn met de dingen en deel te nemen aan de gezamenlijke onwrikbare stilte ervan.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Heuvels

Gisterenochtend lag er een band bewolking zo laag in het oosten dat het een beboste heuvel leek. Misschien, dacht ik, konden we straks op onze stadsfiets die bossen in, boleetjes zoeken en dan op een omgevallen boomstam worst eten, waarvan ik met mijn zakmes plakken sneed. Ik riep B en de kinderen erbij, maar die leken alleen een lage wolk te zien.

Toen ik Ada en Nadim op school had afgezet, wist ik dat ik op deze dag niet meer zou werken. Niksen is nieuw voor me en ik moet er nog aan wennen, maar ik wil vaker dingen doen omdat die zich in me aandienen, minder vaak omdat ik of iemand anders vindt dat ze moeten gebeuren.

Met Gibraltar van Renske Jonkman zat ik een tijdje op het dak. De zon was donkergeel en warm en leek te kleven aan mijn huid. Renskes hoofdpersoon was zwanger; toen ik naar beneden ging om koffie te zetten, opende ik mijn laptop en zocht de oudste foto in mijn iCloud op. Het is er een die ik zelf maakte: Nadim (toen 5) zit naast B op bed in ons oude huis. B en ik zijn net thuisgekomen na de geboorte van zijn zus.

Ik herinnerde me dat mijn schoonouders hem afzetten, maar zelf nog even beneden bleven. Zijn lichte, trage stappen op de trap naar onze kamer. Hoe soepel hij het bed op klom.

Alles aan hem was voorzichtig, alsof wat daar in zijn moeders armen lag zomaar weer kon verdwijnen. Hij keek zoals je kijkt als iets na eindeloos wachten erg goed lijkt te gaan komen, als je iets prachtigs is voorspeld.

Met de laptop zette ik me aan tafel en scrollde door vijf jaar aan foto’s heen, weer eens beseffend dat een leven is wat je het met terugwerkende kracht noemt. Geluksgevoel blijft zelden langer hangen dan het moment waarop zo’n foto wordt gemaakt. Gelukkig zijn is het beschouwen van een periode en die bestempelen als gelukkig. Het is een besluit, het is welke beelden je besluit te houden.

Ik scrolde verder, wiste hier en daar een foto. Op bijna alle beelden stonden vrienden; zelf kwam ik er nauwelijks op voor. Ik keek naar de maanden voor corona, glimlachte om alle etentjes bij ons thuis. Een afgeladen tafel, vet glaswerk, vrienden huilend van het lachen. Sinds maart vorig jaar: veel foto’s van de lege stad, van kades en parkjes, de voorjaarszon die op verlaten straten valt.

De anderhalve meter gaat nu bijna overboord. Na eindeloos wachten lijkt het weer goed te komen, en het wordt een schitterende herfst in de nieuwe heuvels ten oosten van de stad.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

Meer blogs

  • Bond is dood! En nu?

    Spoiler alert: Dit stuk bevat informatie over het verhaal in de film No Time to Die De komst van een nieuwe Bondfilm gaat altijd met buzz gepaard. Wie speelt de schurk, hoe is de titelsong? Al langer was bekend dat Daniel Craig voor het laatst de rol van James Bond op zich had genomen. Welke...
    Lees verder
  • De brillenwinkel

    Wat had ik graag een verhaal geschreven over de eigenaar van deze brillenwinkel, en wat had Tirza die graag getekend. Tijdens onze wandelingen door de Jordaan mag een bezoekje aan dit scheefgezakte gebouw niet ontbreken. Het is een verlaten ruïne: geen mens gaat er naar binnen, geen mens komt eruit. De blauwe verf op de...
    Lees verder
  • Verbeelding als plakband

    Soms lees je een boek uit voordat je er een mening over hebt geformuleerd. Omdat je onverschillig bent over wat je is voorgeschoteld, of omdat de voors en tegens gelijk opgaan en de bladzijden op zijn voordat de strijd is beslist. Dat laatste overkwam me bij Ineke Riems tweede dichtbundel Fantasii (spreek uit als het...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

  • Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.