Liefde en lust

Via mijn kameraad Merijn kwam ik in aanraking met Liefde en goudvissen (1940), de schitterende liefdesroman van Jacques Gans (1907-1972). Het boek speelt in Parijs, waar Gans aanvankelijk leeft als een gelukkige bohémien. Later probeert hij er een Nederlands tijdschrift over Franse literatuur op te zetten. Op zijn zoektochten naar kopij komt hij in contact met de schrijver Paul Léautaud (1872-1956), die de kost verdiende met redactiewerk voor Mercure de France. Gans is een groot bewonderaar van zijn werk: toen hij wegens het ingooien van de ruiten van een boekhandel in de Utrechtsestraat een korte gevangenisstraf moest uitzitten, nam hij een exemplaar van Passe-Temps (1928) mee naar zijn cel. 

De roman bevat ook een geweldige beschrijving van Léautauds eigenzinnige manier van uitklokken: ‘Punctueel om vijf uur maakte Léautaud aanstalten tot vertrek. Anderen konden rustig in zijn kamer de discussie voortzetten tot de Mercure sloot. Zoals hij afscheid nam, het gedeukte stoffen hoedje op het hoofd, een beige boodschappentas in de hand met inkopen voor zijn honden en katten, was hij stellig een van de weinige overlevenden uit de 19de eeuw die nog de atmosfeer van Parijs uit een vorig tijdperk om zich heen hadden.’ 

Aangestoken door de idolatrie van Gans kocht ik bij Kok het boekje Lichtzinnige herinneringen (1969), Privé-Domein nummer 12, waarin onder meer Léautauds debuut Le Petit Ami (1903) is opgenomen. 

Jaren geleden schreef ik eens iets naars over Léautaud zonder een boek van hem uitgelezen te hebben – een zonde die ik daarna nooit meer heb begaan. Ik vroeg me hardop af: wat is er nu zo boeiend aan de notities van een nihilistische hoerenloper? Aanvankelijk was ik alleszins bereid om mijn smadelijke opmerking hier publiekelijk terug te nemen, maar al lezend in Le Petit Ami kwam ik tot de conclusie dat mijn voorbarige kritiek toch een kern van waarheid bevatte. 

In het boek neemt Léautaud de belangrijkste herinneringen aan zijn jongensjaren door, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan zijn fascinatie voor vrouwen van lichte zeden, danseressen en prostituees, die hij liefkozend zijn ‘vriendinnen’ noemt. ‘De liefde interesseert me eigenlijk maar bitter weinig,’ schrijft hij, en uit verveling en geilheid zocht hij zijn toevlucht bij vrouwen die alleen maar lichaam mogen zijn.

Léautaud staat bekend als een navolger van Stendhal (1783-1842), maar hierin had hij niet verder van zijn voorbeeld af kunnen staan. In Het leven van Henry Brulard (1834-1835) gaat het juist consequent om liefde, de obsessie met de persoonlijkheid van een ander. Stendhals extreem openhartige beschrijvingen van zijn verlangens en de invoelende portretten die hij van zijn geliefdes schetste maken zijn werk juist zo enerverend en origineel. 

Le Petit Ami ontbeert een dergelijk gevoel voor details, en interesse in het innerlijk van anderen is zo goed als afwezig. Léautauds zelfonderzoek brengt hem tot een nogal afgezaagde conclusie, die koren op de molen is voor de Weense delegatie: hij zou de belangeloze affectie van zijn vriendinnen opzoeken omdat hij door zijn eigen moeder is verwaarloosd. Léautaud werd opgevoed door een kindermeisje en durfde zijn moeder als volwassene nog geen brief te sturen uit angst om opnieuw afgewezen te worden. Wanneer hij haar rond zijn negentiende weer ontmoet, overlaadt hij haar met kussen en zoete woordjes. Le Petit Ami verandert razendsnel van een lustdagboek in het zelfportret van een smoorverliefde Oedipus. 

Wat er beweerd wordt over Léautauds stijl onderschrijf ik zeker: hij formuleert precies en vertelt zeer aangenaam, bijna praterig. Maar hij klinkt ook als een ordinaire oude snoeperd wanneer hij het heeft over de natuurlijke aantrekkingskracht die hij op ‘kleine meisjes’ zou uitoefenen. Nog storender dan dat is de onversneden sentimentaliteit waarmee dit relaas doordesemd is. Terugdenkend aan zijn kindertijd schrijft hij dingen als: ‘O! die kleine jongen, die kleine jongen, wat is er van hem overgebleven en wat voel ik me week wanneer ik naar hem kijk!’ En: ‘Verwelkte schoonheden, eeuwige stilte!’ De talloze zoetsappige uitspattingen wekken de suggestie dat hier een oud heertje aan het woord is, dat zijn verloren vitaliteit beweent. De auteur was echter nog geen dertig toen hij dit schreef – dat is wel heel vroeg om zo ongegeneerd met je jeugdjaren te dwepen. 

Enigszins teleurgesteld begon ik maar aan Le Petit Ouvrage Inachevé (1964), de onvoltooide en postuum gepubliceerde notities die het tweede deel van Lichtzinnige herinneringen uitmaken. Deze teksten zijn gewijd aan Madame Cayssac, die tussen 1913 en 1933 de geliefde van Léautaud was. Ze zijn compleet anders van insteek en toon: ditmaal blikt de schrijver niet terug, maar richt hij zich volledig op het heden. Op uiterst manische wijze probeert Léautaud de vrouw waar hij op latere leeftijd, tegen alle verwachtingen in, hartstochtelijk verliefd op werd te vereeuwigen. Hij registreert hun gesprekken, beschrijft hun markante erotiek en legt zonder ironische distantie zijn aan wanhoop grenzende liefde vast. Ik werd overvallen door de energie en de levenslust, en was mijn eerdere ontgoocheling snel vergeten. Toen ik het uit had besloot ik meteen dat ik Onvoltooid verleden tijd, de bundeling van Léautauds latere werk, moest zien te bemachtigen.

In het laatste hoofdstuk van Le Petit Ami stelt Léautaud dat schrijvers eigenlijk niet voor hun veertigste zouden moeten beginnen: ‘Voor die tijd is het rijpingsproces namelijk nog niet voltooid.’ Als hij dit op zichzelf had betrokken, zou ik hem zeker gelijk hebben gegeven. 

Paul Léautaud met poes
"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

In de Oorshop

Een lezer

B is beter dan ik in het vinden van de juiste boeken voor onze kinderen. Ze heeft meer geduld en luistert beter.

De meeste kinderboeken vind ik slecht van taal en saai. Aan mij heb je pas iets als ik boeken mag aanraden die ik zelf graag lees.

Groot was mijn geluk toen Nadim deel 3 van Harry Potter grommend van zich af wierp.

‘Wat is er?’ vroeg ik zo neutraal mogelijk. ‘Vind je het niet leuk meer?’

‘Die boeken zijn echt veel te dik. Er staan allemaal dingen in die er niet toe doen en je moet heel lang wachten voor er weer iets gebeurt. En ze leggen echt álles uit.’

‘Interessant,’ zei ik, en probeerde niet te juichen. Onder het voorlezen van het eerste deel was ik bijna gestorven van lamlendigheid; bij een aantal cruciale scènes had ik Nadims woede gewekt met mijn slappe lach.

Je zou kunnen denken dat ik zijn mening heb beïnvloed, maar B en ik lazen hem na deel 1 nog twee delen voor. Daarna begon hij ze zelf te lezen, aanvankelijk met veel plezier. Een Harry Potterverjaardag volgde, we maakten toverstokken van wilgentenen in Normandië.

Toen er nog geen internet was koos ik mijn leesvoer op titel. Ik had uren te slijten in boekwinkels, toen. Na de titel begon ik aan de eerste bladzijde, en als ik merkte dat ik op een van die lage krukjes wilde blijven zitten om te lezen, nam ik het boek mee naar huis.

Boeken hoefde ik als kind niet voor mijn verjaardag te vragen. Ik kreeg ze, alsof ze een eerste levensbehoefte waren. Ik heb daar niet genoeg gebruik van gemaakt.

Voor Nadim en Ada geldt hetzelfde. Ze vragen wel eens boeken aan Sinterklaas of voor verjaardagen, maar als het leesvoer op is gaan we sowieso naar de boekhandel.

Vorige week kocht ik bij de Island Bookstore op de Westerstraat het eerste deel van een magisch drieluik van zo’n vierhonderd bladzijden voor Nadim. Gisteren moesten we wéér. Tijdens onze stadswandeling leek hij zich zorgen te maken over of het volgende deel er nog wel zou liggen.

‘Maar papa, je zei toch dat we naar de Island zouden gaan?’

‘We gáán ook naar de Island, man. Op het einde van de wandeling is beter, anders loop je de hele tijd met dat boek te slepen.’

‘Maar ik vind dat helemaal niet erg.’

Nadim mocht de route bepalen. Ik merkte dat hij steeds kleinere cirkels maakte rond de Westerstraat, en binnen het uur legde ik Otis de Hond vast aan het fietsenrek voor nummer 15.

‘Yes!’ riep mijn jongen bij binnenkomst. Na een minuutje liep hij lezend in deel 2 weer buiten.

‘Naadje,’ zei ik. ‘Laat me dat boek even in de rugtas doen.’

‘Wat?’

‘Dit gaat zo niet. Je loopt nog ergens tegenop.’

‘Het gaat toch prima, zo?’

Ik haalde een hand door zijn stugge haar, maakte een foto van hem en appte die aan B.

“We hebben een lezer,” schreef ik. “Een echte.”

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Denken in dwarsverbanden

De verhalen van D. Hooijer (1939-2013) vrolijken me altijd op. Een paar jaar terug las ik haar bekroonde bundel Sleur is een roofdier (2007). De volslagen vreemdheid van dat boek was voor mij een verademing. De rare vertelstijl en humor deden me denken aan Gogol, maar binnen de Nederlandse literatuur kon ik weinig adequaat vergelijkingsmateriaal vinden. Hooijer schrijft als een minder narcistische en wijdlopige Brakman, of misschien eerder als een gejaagde Biesheuvel. Maar vooral als zichzelf, natuurlijk. Vanwege die eigenheid kocht ik ook haar Zuidwester meningen (2004), en nu lees ik haar debuut, Kruik en kling (2001). 

Overigens zijn Hooijers verhalen zelf niet bepaald opwekkend. Ze schrijft consequent over wereldvreemde figuren: gokverslaafden, jutters, drankorgels, internetdaters. Haar personages rommelen maar wat aan, blaten en oreren zonder werkelijk nader tot elkaar te komen. Als deze verhalen überhaupt een gedeeld thema hebben, dan is het eenzaamheid. 

De troosteloosheid wordt opgevangen door Hooijers stijl, die altijd even energiek en levendig is. Haar woordkeuze is vaak buitenissig en het verloop van haar verhalen wordt gestuurd door een springerige denktrant. De schrijver lijkt niet een plot, maar de taal zelf als leidraad te nemen. Vandaar dat haar paragrafen vaak geen natuurlijk geheel lijken te vormen: het verband tussen de hoekige zinnen is niet logisch, maar associatief. 

Een voorbeeld uit Kruik en kling:

‘Ik kende de buurman alleen van gezicht. Ik vond dat een aardig gezicht. Mijn kinderen zeiden dat zoiets niet bestond, dat aardige gezichten de grootste ongelukken gaven. Kijk naar Jeltsin, dat heerlijke hoofd. Er waren mannen die van hun open gezicht een broodwinning maakten. Ze liepen in Monaco en op de stranden van Nice te flaneren tot je met je geschutter langskwam.

Ik verbeterde mij en zei: “Een goed gezicht.”’

Iedere zin is een zijtak die terstond verder vertakt, maar de verbindende stam is weggelaten – Hooijer lezen is leren denken in dwarsverbanden. Daarom is er soms paginaslang geen touw aan vast te knopen. Je wordt gedwongen om van de ene inval naar de andere te gaan, en in de tussentijd moet je er zelf maar een coherent verhaal van zien te maken. 

D. Hooijer geeft de gewillige lezer genoeg te doen. Vrijwel iedere tekst lijkt uit een aaneenschakeling grappen, malle observaties en abrupte wendingen te bestaan. Het zijn vertellingen vol verrassingen, waarin je nooit weet wat er achter de volgende hoek of bladzijde schuilgaat.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Dood aan de digital nomad

Hieronder woorden uit tijden die misschien niet simpeler waren, maar wel meer vertrouwd. Ondertussen zit ik vast in Abidjan, waar ik gelukkig een mooie berg Dostojevski’s bij elkaar kon sprokkelen.

Wanneer ik mij al veel te lang niet meer gedoucht heb of nog eens Engels wil praten of mijn libido mij influistert, dat dit een goed idee is, durf ik weleens een jeugdherberg betrekken. Vaak vallen hier uitstekende tijden te beleven of in ieder geval vele bieren te drinken. Wel loop je steeds het risico vriendelijk te moeten doen tegen twee van de ergste soorten mensen die deze wereld te bieden heeft: VS-Amerikanen en zelfverklaarde digital nomads.

Deze laatste zijn “creatieve freelancers” die zich al afstandwerkend laten onderbetalen voor het uitschrijven van banale marketingplannen, ontwikkelen van zwendelapps of vormgeven van jaarverslagen, waarin geen kat geïnteresseerd is. In de bedroevende financiële, inhoudelijke en vormelijke vruchten van hun professionele inspanningen zien zij zelf geenszins graten. Hun blik is immers uitsluitend op de dans gericht, die zij zichzelf meest elegant zien dansen, op het goddelijke koord gespannen tussen een zekere professionele bekwaamheid aan de ene, en wat zij als een diepe zucht om vrijheid ervaren aan de andere kant. Het zou hen, kortom, enkel om het geld te doen zijn. En zolang deze inkomsten hun reisdoelloosheid onderhouden, is er geen vuiltje aan de lucht. Want door de uiterlijke vorm van hun loonarbeid te radicaliseren, dat is: hun arbeidstijd in de geuren en kleuren van Marokkaanse medina’s te versmoren, ontsnappen ze aan de grijze vervreemding van een vaderlandelijk bureaubestaan. Als dat niet geniaal is?

(Pecunia non olet, wisten Romeinse leerlooiers en kleerwassers, maar wat wisten zij van de loonvorm?)

De harde beperkingen van de digital nomad worden weerspiegeld in haar grenzeloze zelfgenoegzaamheid. Terwijl ze op dakterrassen van jeugdherbergen wereldwijd hoogmoedig uiteenzet hoe goed ze het leven wel niet begrijpt en het overbodige leerde loslaten, zien wij de trieste waarheid van haar vloeibaar-moderne heldendom en haar eenzaamheid. Geenszins ontgroeit ze de burgerlijke grond die haar voortsproot, maar is zij net haar meest kleurrijke stinkbloem.

Wat ware nomadologie de moeite waard maakt, is dat het tot een gegrond universalisme uitnodigt. Maar de digital nomad omarmt een omgekeerde praxis. Zich dubbelplooiend voor de god genaamd flexibilisering begrijpt zij zichzelf als een verlichte uitzondering – die in werkelijkheid slechts de wereldsystemische ketens bevestigt. Dit spreekt ontegensprekelijk uit hoe zij voorstaat de wereld van zichzelf te redden: iedereen moet slechts worden zoals zij: blank en rijk en zonder grenzen. Het is te zeggen: haar universalisme is onmogelijk te universaliseren en dus vals. Burgerlijke blindheid op haar best. Dat is: op haar meest hopeloos.

Hegel zegt: aan datgene waarmee een geest genoegen neemt, is de omvang van zijn verval te meten. Agamben leert: de homo sacer heeft van oudsher een Januskop.

In volle oogsttijd fietste ik in Zuid-Spanje dagenlang langs uitgestrekte latifundia, waar groepen zwarte veldwerkers scherp door clichés van booskijkende cowboys werden overschouwd. Wanneer de opzichters even uit het zicht waren, probeerde ik gesprekjes aan te knopen. Ze ontvingen elke avond een briefje van vijf euro, maar stonden zelf in voor hun maaltijden. ’s Nachts werden ze in geruïneerde schuren te slapen gelegd. Mensen die een taal deelden werden zoveel mogelijk over verschillende landerijen verdeeld: een beproefde tactiek uit nooit vervlogen plantatietijden. Wanneer ik naar papieren vroeg, keek men naar de grond.

Ondertussen bevestig ik graag je vermoeden, dat ook ik er wel degelijk op reken voor dit zonnige dakterrasgetokkel te worden betaald, en hoop ook in de toekomst nog vele jeugdherberggesprekken met slimme, knappe en vrije laptopblanken te mogen voeren.

"Foto van Jan Lodewijckx"
Jan Lodewijckx

Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

Themalezen – plagen en volkeren

‘Gesine, klopt dat met de pest? Dat die uit Vietnam naar jullie toe wordt overgebracht?’

‘Met vijfduizend gevallen per jaar kun je niet anders verwachten. Een ervan zal heus wel een Amerikaan besmetten.’

‘Staat dat bij jullie in de krant?’

Dit is een citaat uit het in het najaar te verschijnen fantastische boek Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl van Uwe Johnson. Dat boek is zo bijzonder dat ik bang ben dat ik je er twee blogs over ga voorschotelen, maar eerst dit. Het kleine telefoongesprekje tussen Berlijn en New York in 1968 op een kwart van de ongeveer 2.000 bladzijden die de Van Oorschot-uitgave gaat beslaan, past wonderwel in de gedachte van een heel ander boek: William H. McNeill De pest in de geschiedenis waarvan ik hoop dat de collega’s van de Arbeiderspers dit najaar een nieuwe druk opleggen. McNeill schreef in 1975 een boek dat zowel Jared Diamond, Yuval Noah Harari als Bill Bryson zeer goed gelezen hebben (in alle drie boeken kom je letterlijke citaten tegen.)

De grondgedachte is dat een gebrek aan kennis over parasieten en infectiezieken er de oorzaak van zijn dat historici door de eeuwen heen geen oog hebben gehad voor wat in retrospectief zeer vormend is geweest voor de wereldgeschiedenis: het ziektereservoir (microparasitisme) van een bepaalde bevolkingsgroep bepaalt mede zijn succes in veroveringen en oorlogen (macroparasitisme); Cortez kon met 800 man alleen de Mexicaanse Indianenbevolking decimeren door de kleine medestrijders: het pokkenvirus. In 200 goed geschreven intelligente pagina’s onthult McNeill heel veel historische inzichten in de mate waarin ziekten vormend zijn geweest in de geschiedenis.

En een stevige ‘slik’ factor hebben zijn waarheden soms ook: ‘Zoals we in een volgend hoofdstuk zullen zien doet de historische ervaring ons vermoeden dat de mensheid een periode van honderdtwintig tot honderdvijftig jaar nodig heeft voor de stabilisatie van de reactie op ernstige nieuwe infecties.’

Het behoort tot de fascinerendste non-fictie boeken die ik recentelijk las, omdat het zo diep ingrijpt op wat we nu meemaken, en omdat het zo ouderwets degelijk geformuleerd en doordacht (en door Tinke Davids prachtig vertaald) is. Overigens met een voorwoord van Joop Goudsblom.

Arbeiderspers…?

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Westerdoksdijk jaren '90, foto Matthijs Immink

Als de eerste jaren

Een bevriende fotograaf stuurde me zwartwitbeeld dat hij in de vroege jaren ’90 maakte, toen hij op de academie zat. Plaatjes van mijn wijk, die ook nog steeds de zijne is.

Er zit mooi licht in, fijne leegte.

Een collega zei laatst dat ik veel over licht schrijf. Misschien was dat negatief bedoeld, maar ik denk niet dat ik zonder licht zou kunnen schrijven.

De foto’s van Matthijs deden me denken aan mijn begin in deze stad, de zondagsrust die er nog was. De rust op straat ook door de week, die geleidelijk uit Amsterdam verdween.

Vliegtickets kostten nog een maandsalaris, toen. We kunnen dat nooit meer terugdraaien.

We kunnen heel veel dingen nooit meer terugdraaien. Er is een revolutie nodig om de privatisering van de zorg terug te draaien. Nederlanders bouwen dijken, geen barricades.

De denkers buitelen over elkaar heen met verhalen over hoe we dankzij Corona dichter bij een andere manier van leven zijn dan we de afgelopen decennia waren. Het basisinkomen, een rem op de luchtvaart: nu gaan we zien dat het kán.

This is the dawning of the age of Aquarius. Ook nooit gebeurd.

Ik ben geen negatief mens, maar zo gauw dit ellendige virus onderdrukt is gaan wij onmiddellijk de lucht weer in. De poldergeur zal uit de stad verdwijnen, en ook dit ongelooflijke licht.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Michaël Van Remoortere"
    Michaël Van Remoortere

    Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • "Foto van Plonia Westendorp"
    Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.