Feestweek

Toen ik jong was – onder de vijfenveertig – heette de periode tussen kerstavond en nieuwjaarsdag onder mijn vrienden De Feestweek. Er gold dan één harde regel: als een vriend je smste dan moest je komen.

Ik herinner me karaoke-zingen in een verder lege Meander op Eerste Kerstdag; bachata dansen (wat ik eigenlijk niet kan) in de Savoy met een al dan niet echte politieagente die al dan niet echt een vrouw was; een bunkerfeestje in Noord waar de vloer bezaaid lag met een lichtgevend groene drab – mijn vriend Abel gleed uit, viel op zijn zij en was de rest van de nacht voor de helft lichtgevend groen.

En er was meer, veel meer, maar mijn punt is dat die Feestweken even geweldig als slopend waren: vrijwel geen slaap, veel alcohol, en drugs waar mogelijk. Meestal was de week erna de uitziekweek.

Zo’n echte Feestweek gaat niet meer – ik heb het vorig jaar nog geprobeerd, maar strandde al op derde kerstdag. Er zouden die avond vrienden langskomen, ik zou koken en dat héb ik ook gedaan. Praten lukte me alleen niet meer.

Je zou kunnen zeggen dat ik als vijftiger wat laat ben met het besef dat ik te oud word om een week wakker te blijven en daarbij zoveel in te nemen. Je zou gelijk hebben. Dit jaar lag ik steeds vóór halfdrie in bed. Ik heb op twee dagen zelfs nauwelijks gedronken. Mede daardoor herinner ik me:

Karaoke-zingen met mijn dochter bij haar tante op het platteland, en hoe mooi de zonsondergang daar was.

Mijn vrienden Arie en Marijn te eten hebben, en dat Marijn – een wiskundig wonder en de jongste professor van de prestigieuze Carnegie Mellon-universiteit in Pittsburgh – zich urenlang verloor in het afmaken van een puzzel van drieduizend stukjes met mijn zoon;

Koken bij me thuis met mijn collega’s van De Druif en onze curry daarna met het voltallig personeel opeten in ons zoete warme cafeetje;

Op babybezoek gaan bij een vriend en het badeendje dat mijn dochter voor zijn kindje uitzocht – het kostte Ada een halfuur om exact het juiste eendje te vinden in zo’n kuttige toeristenwinkel;

Een kerstdiner met mijn schoonfamilie in het tweede jaar zonder mijn ouders – dat ik ze steeds meer begin te missen en dat ik daar heel blij mee ben;

Gourmetten bij vrienden en dat ik gourmetten tot mijn grote schaamte steeds minder kut vind;

Borrelen met mijn oude feestweekvrienden en dat ik die avond om elf uur in bed lag;

Dansen in de woonkamer met vrienden en familie en dan op het dak kijken naar het laatste Amsterdamse vuurwerk ooit;

Vanaf dat dak de Vondelkerk zien afbranden aan de andere kant van de stad.

Een droevig afscheid van een levenslange traditie, dat benadrukte dat Amsterdam daar, net als ikzelf voor de feestweek, écht te oud voor is geworden.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

De gelukkige tijdsprong – over je hoofd als schedel

Larousse 22

Ian McEwans recente roman What we Can Know speelt gedeeltelijk in de toekomst. Twee wetenschappers in een Engeland dat alle schade van de klimaatcrisis al heeft ondervonden, zoeken naar informatie over een dichter die in onze tijd leeft en een sonnettenkrans schreef: een ‘corona’, zoals dat genoemd wordt, waarbij het 15e en laatste sonnet uit alle eerste regels bestaat.

Een heel eenvoudige weg naar geluk is dat je je verplaatst in een situatie die heel veel erger is. Een van de wetenschappers in de 22ste eeuw uit het boek verliest zich in verlangen naar de tijd die hij bestudeert. Onze tijd. Zo’n tijdsprong werkt dus gelukkigmakend. Voor hem is het escapisme, voor ons is het het besef dat je zou kunnen verlangen naar deze tijd. De dystopie als gelukshulp. Kampliteratuur lezen werkt op dezelfde manier. De hoofdpersoon in Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale wordt diepgelukkig als ze een vrouwentijdschrift krijgt uit de tijd dat die nog mochten. De heerlijke onnozelheden waarvoor je toen nog kon kiezen. Dit alles gaat over wat nu wel bereikbaar is, maar ooit misschien niet.

Een andere gelukkigmakende, want relativerende gelukssprong is die van het je de wereld voorstellen als de mensheid al verdwenen is. Het filosofische sub specie aeternitatis; van onder het aspect van de eeuwigheid wordt dagdagelijks leed onbelangrijk.

Op zoek naar een sonnettenkrans zoals die door McEwan beschreven werd liep ik tegen Edna St. Vincent Millay op, de Amerikaanse dichteres die Vasalis zo goed vond. In haar reeks ‘Epitaph For the Race of Man’ luidt het vijfde sonnet:

v

Wanneer de mens verdwenen is en slechts goden
over de wereld zwerven, hun machtige lijven omgord
met gouden schild en gouden krullen kort
over hun kinderlijke voorhoofden; als de dode

ronde mensenschedel wordt opgetild en dan weer achtergelaten
door een terugtrekkende golf, tussen het zand
en de kiezelstenen van het strand —
welke tong zal dan over het wonderlijke mensenbrein nog praten:

deze schelp vol wind, zwaar van muziek ooit,
zwaar van kennis over sterrenconstellaties,
de voormalige bewoner van deze tochtige hal,

heeft zelf voorspeld in een tekst die met geleerdheid strooit,
na eeuwen van studie, verstoord door strijd tussen naties,
Deze getande pompoen, dit hoofd schoongeveegd van al.

(Voor het natuurlijk veel mooiere Amerikaans, zie:

https://millay-a-day.tumblr.com/sequences )

Het is een wonderlijke vreugde: de vreugde van het klein maken van de dagelijkse ellende in de wereld zoals 2025 er het nodige van zag, en je een wereld voorstellen waar je schedel over de keien ratelt.

Waarom is dat gelukkigmakend? Omdat het ergste dan niet erg lijkt te zijn. Vanuit dat perspectief.

Tegelijkertijd neem ik me voor om eens nauwkeurig onderzoek te doen naar wat je zoal nog meer gelukkig maakt.

Gelukkig nieuwjaar!

(een klein schot voor de boeg, wat me bijvoorbeeld gelukkig kan maken is een heel goede foto, zoals deze van Edna St. Vincent Millay door Arnold Genthe…

Naar de volgende

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

DE MENS ALS BIOPIC 10 Soekarno

Jochies waren we, op een lagere school in Amsterdam Noord. Nu staan we op een filmset achter het Tropenmuseum. Hans Hylkema regisseert er de televisiefilm Soekarno Blues. Ik schreef samen met hem het scenario en mag hier even figureren als particulier secretaris van koningin Juliana. Vanuit het Oosterpark zwaait de president van Indonesië naar ons.

Hoe kan dit allemaal? Soekarno is nooit in Nederland geweest.

*

Bekende schrijvers, politici en ook Jezus Christus waren enige tijd onvindbaar. Agatha Christie liet zichzelf verdwijnen nadat haar man er met een ander vandoor ging. Agatha’s auto werd gevonden bij een ravijn. Het liep allemaal goed af. Er verschenen over Christie’s afwezigheid een roman, een stripboek en een speelfilm. Een tijdje off the radar daagt uit tot wilde speculaties.

*

Ook in het leven van president Soekarno (geboren als Koesno Sosrodihardjo op 6 juni 1901) ontbreken vier weken binnen de periode dat hij verbannen was naar het afgelegen eiland Banka. Geen archief, geen getuige of dagboekfragment geeft antwoord op de vraag: waar was hij gedurende die weken? Slechts één man dat wist en weet het: filmmaker Hylkema.

Hans had het plan om in deels geacteerde, deels documentaire en ook nog ’s met zelfgemaakte archiefbeelden te laten zien én te bewijzen hoe dat zat met Soekarno’s verdwijning. Ik geloofde niet in zo’n historisch spiegelpaleis, niet in zo’n duur, nogal idioot en gezien het behoudend televisieklimaat onhaalbaar project. Maar toen ging Hans vertellen.

Soekarno had een haat-liefdeverhouding met kolonisator Holland, maar koesterde de wens om ooit koningin Wilhelmina de hand te schudden. Wilhelmina zelf moest daar niet aan dénken, die oproerkraaier!

Soekarno was naast een bewonderenswaardig vrijheidsstrijder – Merdeka! – ook een liefhebber van theater. Hij schreef toneelstukken en regisseerde die zelf. Als hij dan koningin Wilhelmina niet meer kon ontmoeten, dan maar haar opvolgster. Koningin Juliana had een eigen toneelclubje op Soestdijk. Dat kwam goed uit.

En zo, teneinde een aantal verlangens te combineren zou Soekarno voor Juliana zijn biografisch toneelstuk Kind van de Dageraad opvoeren. Het zou worden gespeeld door Nederlandse acteurs. Er kwam een Javaans gamelan-ensemble en er was ook nog een heus wajang-schaduwspel.

Soekarno vloog ergens na 3 mei 1949 in het diepste geheim naar Amsterdam.

‘Ja, ja.’ Een mooie fantasie.’ zei ik. ‘Maar…?’

Hans zag het helemaal voor zich. Hij zou zelf, om dit hele verhaal geloofwaardig te doen lijken, op het Instituut voor Oorlogsdocumentatie een filmpje vinden waarop, vaag korrelig in de majestueuze hal van het Tropenmuseum, de opvoering van het toneelstuk Kind van de Dageraad te zien is. Juliana zou alleen en uitsluitend in gezelschap van de auteur – Soekarno dus – deze propagandistische voorstelling gaan zien.

*

Het voert te ver om alle duimzuigerij, veronderstellingen en dubbele bodems in Hylkema’s filmplan op te sommen. Moest dit een mockumentary worden? Zoiets als Forrest Gump? Was dit hypothetische onzin, een politiek pamflet? Toch had ik ook wel zin om dialogen te schrijven tussen Soekarno en Juliana.

JULIANA: Hm…Wie…? Wie, mijnheer Soekarno, schud ik nu de hand?

SOEKARNO: Een bewonderaar, majesteit. Een vriend, als ik dat zeggen mag. Een eenvoudig man uit Insulinde. Een gevoelsgenoot die u met deze door mij geschreven en geregisseerde voorstelling wil vertellen over mijn land, mijn grote familie, mijn strijd.

*

Onder het motto ‘Wij gaan dáár waar geen biograaf kan komen’ trokken Hans en ik op tegen de Publieke Omroep. Er moest veel geld losgepeuterd worden. Men reageerde maandenlang met bedenkingen tegen dit ‘pseudo-documentaire ding, deze malle symbiose, deze doldrieste geschiedvervalsing’.

JULIANA: U bent, mijnheer Soekarno, wel heel bekwaam in het omspringen met volkeren en individuen. U heeft met de Japanners gecollaboreerd!

SOEKARNO: Ik zou zelfs met de duivel samenwerken als ik mijn land ermee kon helpen. Maar excuseert u mij… Uiteindelijk zullen de Hollandse misdaden en duivelse uitbuiting ontmaskerd worden als… Als bedenkelijke domheid van witte mensen op klompen.

*

In het Hilversumse omroepmausoleum regende het neerbuigende lachjes, moest elk overleg helaas worden afgebroken en werden afwijzende verslagen geschreven, tot iemand heel voorzichtig sprak over ‘vernieuwende verteltechnieken’. En dat was ook de persoon wiens vuist ten slotte neerdaalde op de vergadertafel: ‘We gaan het doen.’

Hans maakte, met de NPS als producent, zijn fake film, zijn misleidende documentaire, zijn op hol geslagen what-if-drama, zijn realistisch verzinsel. De belangrijkste acteurs; Juul Vrijdag, Martin Schwab en Porgy Fransen. Willem Breuker had de muzikale leiding.

Maar dan, als er op het toneel na veel anti-Hollands geschreeuw ook nog een bordeelscène verschijnt:

JULIANA: Mijnheer Soekarno, Ik kan mijn positie onmogelijk langer in overeenstemming brengen met mijn… met úw, aanwezigheid hier.

De koningin staat op en loopt weg bij de toneelvoorstelling en ik, als particulier secretaris, volg haar, samen met Soekarno, tot in het Oosterpark. Daar zitten ze dan op een bankje: twee opponenten die elkaar toch heel goed begrijpen, maar dat niet letterlijk kunnen of durven uitspreken. Dat is mooi acteren.

SOEKARNO: Als u hier in de modder graaft, majesteit, dan vindt u water en nog meer modder. Als wij datzelfde doen, dan vinden we soms ook goud en diamant.

*

In het Paleis op de Dam wordt op 27 december 1949 de soevereiniteit aan Indonesië overgedragen. Naast de echte Juliana zitten Mohammed Hatta en Willem Drees. President Soekarno is alleen zichtbaar voor de koningin. Hij staat terzijde in een deuropening.

Op de dag af vijftig jaar later gaat Soekarno Blues in première en wordt kort daarna uitgezonden op tv. Veel aandacht vooraf. Daarna veel minder.

Foto van Ger Beukenkamp
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Dit feestje

Na haar repetitie bij Orkater at vriendin M met mijn gezin mee. Sommige mensen kunnen na een hectische dag in je huishouden binnenkomen en daar iets lichts toevoegen, aandacht brengen in plaats van vragen.

Vriendin M is zo iemand.

Ik had saoto gemaakt op verzoek van de kinderen; we aten en daarna vroeg M of ik mee wilde naar Gerson Main, die zijn show Het laatste feestje in Paradiso speelde.

Afgelopen zomer, onderweg met de auto door Italië, heb ik met mijn gezin veel geluisterd naar zijn nieuwe album.

Gersons melodieën zijn warm en upbeat, zijn teksten ogenschijnlijk simpel, verrassend in ritme, woordkeus, zinsafbreuk.

Toen vriend Sander me voor het eerst Mains nummer NACHT liet horen waarschuwde hij me dat hij ervan had moeten huilen – ondanks die waarschuwing moest ik dat ook.

We kwamen na het voorprogramma aan in Paradiso, haalden spa rood en één gin-tonic om te delen.

Gerson kwam op en begon vrijwel meteen over de eindigheid. Gezien M en ik boven de vijftig zijn, konden we mee met de materie. Een van de antwoorden op eindigheid die Gerson aandroeg was om er dan maar een feestje van te maken, wat hij vervolgens deed.

Zelden een band zo strak horen spelen en daarbij zo open en toegankelijk zien blijven. Main krijgt het voor elkaar dat je je totaal vrij zou voelen om hem de volgende ochtend op te bellen, te vragen hoe het met hem gaat, te vertellen wat je hebt ontbeten.

Ik dacht aan de eindigheid; aan hoe ik onlangs vastliep bij het voorlezen van een radiocolumn met hetzelfde onderwerp. Toen ik daar met B over praatte raadde ze me aan het voortaan licht te houden; om zoiets zwaars met lichtheid voor te dragen. Bij een volgend optreden bleek dat goed te werken.

Dat is precies wat Gerson Main gisterenavond deed: de eindigheid licht maken.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Tafel voor twee

Omdat ik in mijn eentje in Parijs was en tussen het werk door ook moest eten, besloot ik naar restaurants te gaan die me door een kennis waren aangeraden. In de toeristische steden moet je op tijd zijn; wacht je te lang dan worden die fijne zaakjes erg druk of erg duur of allebei.

Reserveren voor één persoon voelde belachelijk, dus ik zou langsgaan op het exacte moment dat de keuken opende en dan stralend vragen of ik misschien in mijn aardige eentje, juste moi, aan de bar mocht eten.

Mijn strategie werkte. Niet alleen kwam ik overal binnen, maar de mensen waren vriendelijk en toonden geen haast om me weer de deur uit te krijgen, wat ik goed zou hebben begrepen, omdat elke restaurantstoel in Parijs vier keer per dag bezet moet worden.

Ik had er een beetje tegenop gezien, in zo’n drukke zaak te zitten zonder gezelschap. Een man alleen, zo’n vijftiger met een groot hoofd, een brilletje met een donker montuur en een e-reader. De laatste tijd zie ik steeds een man van middelbare leeftijd in de winkelruiten en spiegels die ik passeer.

Ik zie mijn vader, als ik eerlijk ben, die een geweldige man was maar op wie ik – zoals veel zoons – niet echt wil lijken.

De lijnen die naast mijn neusvleugels beginnen en doorlopen naar de hoeken van mijn mond worden steeds dieper. Die open, harde lach van ons; hoe snel mijn ogen vochtig worden – mijn lichaamshouding soms, als ik niet oplet of veel wijn gedronken heb.

Maar ik was in Parijs, waar niemand mij of mijn vader kende, en dus zat ik sterk op hem te lijken aan mijn tafeltje voor één in Le Servan, en liet een fijne fles Jura aanrukken.

Mijn vader kon genieten van vrij kleine dingen en zo genoot ik van mijn rauwe langoustines met bindsla, mijn forel, mijn klassieke crème brûlée – in Parijse keukens voelen ze goddank nooit de behoefte daar een ‘eigen twist’ aan te geven.

Na anderhalf uur liepen we met een brede glimlach naar buiten, mijn pa en ik, klaar voor een lange wandeling door het Elfde, dat toch maar een van de leukste wijkjes van de stad was.

Alle spiegels en winkelruiten waren het volledig met ons eens.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Een vroege sigaret

Dat mijn oudoom Sybe Sybesma (1924-1986) in zijn tijd een bekende Friese dichter was, wist ik. Op de middelbare school heb ik zelfs een keer een presentatie over hem gehouden. Maar dat hij nog steeds een zekere bekendheid genoot, had ik niet verwacht.

De afgelopen maanden ben ik voor archiefonderzoek vrij vaak in Friesland geweest, en het gebeurde met enige regelmaat dat mijn gespreksgenoot, wanneer ik liet vallen dat mijn oudoom Sybe Sybesma was, knikte en zei dat hij zijn werk kende. Eentje begon zelfs spontaan een gedicht van hem voor te dragen.

Sybe werd geboren in 1924, in Nijehaske, onder de rook van Heerenveen en zette zich al jong aan het dichten. Zijn eerste gedichten verschenen na zijn middelbareschooltijd, merkwaardig genoeg in het schoolkrantje van de Heerenveense HBS, waar zijn jongere broer in de redactie zat (zelf had hij het gymnasium in Leeuwarden afgerond). Zijn vader, eveneens schrijver en dichter, stimuleerde hem in zijn schrijverschap.

Maar ergens ging het mis. Toen ik klein was, viel zijn naam vaak, en altijd met de verzuchting dat het zo’n getalenteerde man was geweest, maar dat hij niet tot bloei had kunnen komen. Tijdens zijn studietijd in Amsterdam raakte hij aan de drank, en kwam er niet meer vanaf.

Twee dichtbundels schreef hij, En marge en Op ’e râne (Op de rand), maar die bundels bevatten slechts een fractie van zijn werk, dat in vele literaire tijdschriften verscheen. En als goede gelegenheidsdichter pende hij uit de losse pols vele kwatrijnen neer (op bierviltjes en losse blaadjes), die hij vervolgens meegaf aan degene door wie het gedicht was geïnspireerd. Lang voordat ik Fries had geleerd kreeg ik eens van mijn opa de eerste bundel, die ik met eerbied doorbladerde.

Twee van zijn beste gedichten staan erin: ‘Etude 2’ en ‘Eis eauton’ (oud-Grieks, voor ‘naar jezelf’. Recent vond ik online een opname van Sybe waarin hij ‘Etude 2’ voordroeg. Op poëzieavonden was hij een veelgevraagde dichter. Iemand zei laatst zelfs tegen mij dat er geen dichtersavond geslaagd werd geacht als hij er niet had opgetreden. Een heldere stem: 

            ‘de lêste treast: in moarnske sigaret

            deawurge eagen dy’t net sliepe koene

            en tinzen: mei gjin inkel lot fersoene…

– it daget al, en it is fierste let.’

            (‘de laatste troost: een vroege sigaret

            doodmoede ogen, door de slaap gemeden,

            gedachten: met geen enkel lot tevreden…

– ’t is veel te laat, in ’t oosten schemert het.’)

(Eerste kwatrijn van het sonnet. Vertaling: Jan Popkema in: Spiegel van de Friese poëzie (2008))

Een rake sfeer, mooie beelden, prachtige woordkeus. Ik zie hem zitten, aan een tafel, de rook die opkringelt van zijn sigaret, een vulpen die zachtjes over het papier krast. Volgens de schrijver Anne Wadman was hij Frieslands laatste bohémien. En Pieter de Groot schreef laatst in de Leeuwarder Courant dat Sybe de Gerard den Brabander was van de Friese literatuur, maar dan zonder Den Brabanders ‘kwade dronk’. Ik zou hem wel ontmoet willen hebben.

Deze maand zou hij 101 zijn geworden; hij overleed in 1986 aan een hersenvliesontsteking.

Foto van Sybren Sybesma
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Winterslaap

    Winterslaap

    Ik heb nog nooit zo uitgezien naar de lente. Elke ochtend is als opstaan uit het graf – alsof ik me diep onder de grond bevind en me aan de randen van een koude kuil moet ophijsen. Dit mag geen gotische vertelling worden; wat ik bedoel is dat ik de hele tijd moe ben. Ook...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Ballen

    Ballen

    Dit is de eerste keer in vijftien jaar dat ik ga zeuren in een column, maar als een grote groep mensen in deze samenleving zich chronisch misdraagt, dan moeten we daar toch echt iets mee. Ik zeg dit niet om mijn gram te halen of anderen te kwetsen; ik zeg het omdat het gedrag van...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Jonge mensen

    Jonge mensen

    Voordat ik achter de bar begon te werken bij Café De Druif wist ik dat het personeel een stuk jonger zou zijn dan ik. Ik maakte me daar geen zorgen over, omdat er in mijn eigen vriendenkring ook een paar twintigers zaten – de communicatie met hen was nooit problematisch. Ik had er alleen niet...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Ida Blom
    Ida Blom

    Ida Blom schrijft proza en essays. Haar werk verscheen op papieren helden.

  • Foto van Koen Dobbelaer
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • Foto van Gregor Verwijmeren
    Gregor Verwijmeren

    Gregor Verwijmeren studeerde Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht en gitaar aan het conservatorium in dezelfde stad. Hij publiceerde fictie in onder meer De Gids en Flash: The International Short-Short Story Magazine. De vorm van geluid, zijn debuutroman, werd uitgegeven door Van Oorschot, en is wereldwijd de eerste roman over tinnitus (en muziek en geluiden) die door een mainstreamuitgeverij is uitgegeven. Gregor werkt momenteel aan zijn tweede roman, waarvoor hij een beurs ontving van het Nederlands Letterenfonds. In april 2021 zal hij Nederland vertegenwoordigen bij het European First Novel Festival in Boedapest (uitgesteld vanwege Covid). Hij is vader van drie kinderen en kookt en tennist graag in zijn vrije tijd.