(On)vertaalbaarheid

Tegenover het cliché van de onzichtbaarheid (de vertaler behoort volledig schuil te gaan achter de oorspronkelijke tekst) staat het door Rokus ook al genoemde cliché van de onvertaalbaarheid (de vertaler onttrekt de oorspronkelijke tekst steeds aan het zicht). Regelmatig worden die twee conflicterende clichés zelfs samengeklonken tot een derde cliché: traduttore traditore, de vertaler is een verrader (want, o schande, hij maakt een onmogelijke belofte niet waar).

MartindeHMaar goed, onvertaalbaarheid dus. Twee citaten kunnen dat begrip mooi helpen verhelderen. Het eerste is van Barbara Cassin, uit de inleiding van een Frans boek dat nu juist als ondertitel heeft: ‘Dictionnaire des intraduisibles’, woordenboek van onvertaalbare termen/wendingen. Het citaat luidt: ‘Parler d’intraduisibles n’implique nullement que les termes en question, ou les expressions, les tours syntaxiques et grammaticaux, ne soient pas traduits et ne puissent pas l’être – l’intraduisible, c’est plutôt ce qu’on ne cesse pas de (ne pas) traduire.’

Hetgeen de volgende, zeer vrije vertaling zou kunnen opleveren, tweede citaat: ‘“Onvertaalbaar” is, net als “onleesbaar”, een normatieve, geen beschrijvende term. In hogere zin is alles vertaalbaar, of niets. Omdat een vertaling nooit een één-op-één-relatie heeft met een origineel, en omdat de grens tussen vertaling in engere zin en bewerking vlottend is, hoeven zelfs de weerbarstigste teksten, hoe aporetisch ook, een vertaler niet af te schrikken, al leiden ze dan tot de nodige metaforische hoofdbrekens. […] Onvertaalbaarheid is een prikkel.’

Dat tweede citaat is (een deel van) het antwoord van mijn medeblogger Rokus op de lichtelijk naïeve vraag van Tirade: ‘Noem een onvertaalbare zin.’ Uit beide citaten komt vooral één ding naar voren, namelijk dat vertaalbaarheid en onvertaalbaarheid twee kanten van dezelfde medaille zijn. Vertalen is nodig omdat talen van elkaar verschillen, maar datzelfde verschil maakt vertalen ook meteen onmogelijk – tenzij we in het voorvoegsel ver– al vanaf het begin een transformatie, een niet-samenvallen lezen, en dat is precies wat ik zou willen voorstellen. Waarmee het begrip onvertaalbaarheid naar de prullenbak kan worden verwezen.

Niet iedereen zal het daar overigens zomaar mee eens zijn. Max Gortzak bijvoorbeeld, die op 30 juni in een reactie op Rokus schreef: ‘Vertalen is een lastige kwestie, en in sommige gevallen onvermijdelijk, maar in de meeste gevallen is het onmogelijk om een goede vertaling te maken en vaak is het ook nog onhandig. […] Alleen al daarom zouden we teksten in de originele “taal” moeten lezen. Met woordenboek indien nodig, dan is de lezer niet gebonden aan de interpretatie van de vertaler, maar kan hij zelf beslissen welke woorden hij op welke manier interpreteert.’

Het aardige van deze reactie is dat de bepleite terugkeer naar het origineel, ter vermijding van de interpretatie van de vertaler, direct wordt gekoppeld aan een interpretatie door de lezer. Vandaar dat ik er zelf op antwoordde: ‘Het is nog veel erger: het onherroepelijke verval slaat al toe bij het lezen.’ Als de lezer de taak van de vertaler overneemt, hoogstwaarschijnlijk met een veel slechter resultaat (zie ter illustratie mijn Volkskrantbespreking van Modiano’s Un pedigree, vertaald door de lezer J. Bernlef), blijft de kern van het probleem nog altijd bestaan, namelijk dat er kennelijk altijd geïnterpreteerd moet worden om toegang te krijgen tot de oorspronkelijke tekst.

Anders gezegd: de oorspronkelijke tekst bestaat niet los van de telkens wisselende interpretaties, zelfs niet voor de schrijver (die zelf zijn eigen eerste lezer en interpretator is). In den beginne was de vertaling.

Martin de Haan 

In de Oorshop

Het deadline-effect

Een verschijnsel waar ik me al vertalend dikwijls over heb verbaasd is de afstemming van de inspanning die ik lever op de tijd die ik heb.

RH.IDLaat ik me nader verklaren. Waar ik op doel is de wonderbaarlijke dosering van geestelijke energie die door de deadline wordt afgedwongen – wonderbaarlijk, omdat die dosering zich grotendeels aan het bewustzijn onttrekt. Het gaat hier ongetwijfeld om een psychisch mechanisme dat zich niet tot het vertalen beperkt maar op algemeen menselijke activiteiten van toepassing is, om een soort modulatie of regulatie van het probleemoplossend vermogen, op zodanige wijze dat het werk precies op tijd af is – nou ja, in de meeste gevallen toch.

Onlangs maakte ik weer een frappant voorbeeld mee. Op 10 maart stuurde ik vertaalcollega Martin het volgende mailtje, dat sloeg op het door ons gezamenlijk te vertalen brievenboek van Houellebecq & Lévy: ‘Shit! 1 mei inleveren!!? Ik had, wensdenken waarschijnlijk, 30 mei als inleverdatum in mijn hoofd. Dat betekent dus nog ruim anderhalve maand, vanaf heden. Oftewel een mirakels snelle vertaling. Oftewel vanaf vandaag: alle zeilen bijzetten.’ Ruim anderhalve maand later, op 1 mei, kreeg ik van Martin deze reactie op mijn manuscript: ‘Rokus, hier een eerste portie van je tekst. Snel verder, het gaat lukken!’ En een dag later: ‘Het aantal echte problemen lijkt me bijzonder klein of zelfs nihil, de tekst leest als de spreekwoordelijke trein, we zullen geen modderfiguur slaan. Ik denk zelfs dat het niet beter zou zijn geworden als we een maand extra hadden gehad.’

Hoe heb ik die maand goedgemaakt zonder kwaliteitsverlies? Tijdsdruk als zodanig lijkt me voor het mechanisme dat ik op het oog heb een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde. Het modulerende, regulerende principe zit ‘m volgens mij eerder in een soort ongebreidelde deadlinevermenigvuldiging. Daardoor wordt het werk omgezet in steeds kleinere teksteenheden – hoofdstukken, paragrafen, alinea’s, zinnen – die zich vervolgens onbewust laten afstemmen op evenredige tijdseenheden – maanden, weken, dagen, uren. Soms weet ik dat ik aan een cruciale zin een uur moet zitten sleutelen, maar tegelijk blijk ik dan ook het soort besluitvaardigheid op te bouwen dat me in grote vaart door de rest van de pagina doet jakkeren.

Ergens weet ik dus – iets in mij weet – dat ik me niet kan veroorloven het tempo te laten zakken. Het is alsof er op mijn bovenverdieping twee figuren actief zijn, een klusjesman en een kok, de een die zinnen in elkaar knutselt en de ander die die eerste van voeding voorziet, de een die op de voorgrond het woord neemt en de ander die in de coulissen een voorwaardenscheppend beleid voert. Of ook, alsof er in mijn hoofd een homunculus het toerental in de gaten houdt en zorgt voor de juiste verhouding tussen trage en snelle beslissingen.

Kenners zullen in dit fenomeen ongetwijfeld een variatie op de Wet van Parkinson herkennen, die stelt dat het werk (aan een taak) uitdijt overeenkomstig de beschikbare tijd (om die taak te realiseren). Maar Parkinson beschreef een bureaucratisch mechanisme, terwijl het mij gaat om de merkwaardige psychologie van het ‘zelfmanagement’, afschuwelijk woord, dat de vertaler tijdens zijn inspanningen bedrijft.

Ik heb me even afgevraagd of ik de bedoelde ervaring kon beschrijven als ‘deadline-effect’. Maar ik kwam er snel achter dat die term al bezet is; hij wordt onder meer gebruikt in de film, ter beschrijving van een klassieke truc om suspense op te bouwen (de bom die gaat ontploffen tenzij hij op tijd door de held wordt ontmanteld), en in de popmuziek (als naam van een Frans-Belgische heavy metal band). Ik zie er dus van af een woord te munten voor iets wat misschien niet meer is dan een hoogst particuliere ervaring. Maar misschien is die al ooit eens door iemand adequaat beschreven? Of misschien heeft iemand een idee voor een goede omschrijving? Suggesties welkom.

Wat zit ik hier trouwens mijn tijd te verdoen met het bijhouden van een vertalersblog? Eind juli moet die Bergouniouxvertaling af, vandaag dienen nog zes bladzijden ruwe versie in een leesversie te worden omgetoverd, de tijd dringt.

Wat? De deadline is uitgesteld? Ah…

Rokus Hofstede

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Berg en dal

De heuvels van de Morvan zijn groen en golvend. Of eigenlijk zijn het bergen, als je de geomorfologische definitie van ‘berg’ serieus neemt: ze steken vaak meer dan 200 meter boven hun omgeving uit. Vanachter mijn bureau zie ik de twee hoogste, de Haut Folin (902 m) en de Mont Beuvray (821 m). Ook zie ik de berg, nee, heuvel zand die de garagedeur verspert.

Martin de HaanNederlandse literair vertalers zitten qua inkomenspositie in de Europese middenmoot, zo blijkt uit een groot onderzoek van de Europese vertalersraad CEATL (Conseil européen des associations de traducteurs littéraires). De auteurs, Holger Fock, Alena Lhotová en ondergetekende, geven zelf al aan dat het onderzoek vooral indicatieve waarde heeft, want wij zijn geen professionele sociologen of statistici en het was allemaal liefdewerk oud papier – wat niet wegneemt dat het aangenaam werken was daar in het Zwitserse vertalershuis Looren (met uitzicht op échte bergen), en dat de resultaten er niet om liegen. Heel kort gezegd: nergens in Europa kunnen boekvertalers normaal rondkomen van hun werk onder de omstandigheden die de markt hun oplegt.

Wat houdt dat in? Dat houdt bijvoorbeeld in dat het gemiddelde belastbaar inkomen van gesubsidieerde Nederlandse vertalers, dat wil zeggen vertalers die voor hoogwaardige vertalingen met enige regelmaat projectwerkbeurzen ontvangen van het Fonds voor de Letteren, 19.000 euro bedraagt (en daar moet alles nog van af: belasting, sociale lasten, ziektekostenpremie, pensioenopbouw, privéverzekeringen). Toen ik dat afgelopen april op een EU-symposium in Brussel aan Michaël Zeeman vertelde, wilde hij me niet geloven, maar in werkelijkheid is het nog veel erger: heel veel boekvertalers krijgen géén projectwerkbeurzen, omdat hun boeken niet goed genoeg of gewoon niet literair zijn, en zij moeten dus ofwel een andere inkomstenbron hebben (rijke man/vrouw of goedbetaald bijbaantje), ofwel absurd snel vertalen – met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit.

Literair vertalen is geen echt beroep, kán dat niet zijn zolang de honorering niet overeenstemt met de geïnvesteerde tijd en het (doorgaans academische) opleidings- en werkniveau van de vertalers. Het is te makkelijk om maar meteen met een beschuldigende vinger naar de uitgevers te wijzen, want die zouden direct failliet gaan als ze een echt billijk honorarium zouden betalen; maar het is ook te makkelijk om niet naar die uitgevers te wijzen (vergelijk dit vermakelijke filmpje).

In plaats van cynisch te constateren dat vertaalkwaliteit niet uitmaakt voor de verkoopcijfers (wat ik meerdere uitgevers heb horen beweren als argument tegen hogere honoraria, en waarschijnlijk is het nog waar ook), zouden zij op zijn minst kunnen helpen de maatschappelijke zichtbaarheid en daarmee de symbolische status van de vertaler te verhogen, door diens naam standaard op het omslag te zetten en te vermelden in alle publicitaire uitingen (advertenties, website, prospectus). Meer zichtbaarheid en een hogere status leiden uiteindelijk tot hogere honoraria, maar alleen omdat het lezerspubliek dan geen genoegen meer neemt met goedkoop broddelwerk: uitgevers, tel uit uw winst.

Maar voorlopig ligt daar die heuvel zand en ontbreekt het geld voor de voltooiing van het terras. Geen nood: in de winter zal het een ideale glijbaan voor mijn twee dochtertjes zijn.

Martin de Haan

Ajuinlei

Op de zondagse boekenmarkt, aan de Ajuinlei in Gent, vond ik een curieus boekje, daterend van 1896 en getiteld Nieuwe Vlaamsche en Fransche Samenspraken. Het bevat eenvoudige dialoogjes over alledaagse onderwerpen, met, in twee kolommen, broederlijk naast elkaar, het Vlaams en het Frans.

RH.IDZo ontspint zich bijvoorbeeld rond het noenmaal een gesprekje: ‘ – Wat zal ik u dienen? Wilt gij wat sop? – Ik bedank u. Ik zal u wat ossenvleesch vragen. Het ziet er zoo goed uit. – Wat stuk eet gij het liefst? Wilt gij wel gaar of weinig gaar? – Ik heb het niet geêrne te gaar. – Ik geloof dat dit stuk van uwen smaak is. – Het is kostelijk. […]’

Kostelijk zijn ook de samenspraken die worden gevoerd tijdens de ‘Reis langs den ijzerenweg’: ‘ – Wij gaan anderhalve mijl op eene minuut. Dat is gauw reizen. – Mij dunkt dat wij in dezen oogenblik met eene wonderlijke gauwheid voortgaan. Ik vrees dat het werktuig uit de sporen zal gaan. Wij worden schrikkelijk geschokt. – Zijt niet ontrust; de konvooien die komen, gaan altijd op de andere linie en de konvooien die gaan op deze. […]’ Zoveel is duidelijk, Piet Paaltjens (‘Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp’) is niet ver weg.

Onduidelijk is wie de doelgroep van deze samenspraken vormde. Was het ‘voor de Belgen overgezette’ boekje een instrument in het beschavingsoffensief van de Franstalige bourgeoisie, diende het om Vlaamse scholieren deftig Frans te leren spreken? In dat geval zal het gebezigde Nederlands die jongelui minstens zozeer hebben bevreemd als het Frans. Neem deze twee klasgenootjes, die te laat op school dreigen te komen en de voor- en nadelen van haast bespreken: ‘ – Men komt niet vroeg genoeg als men in tijds niet komt. – Wij hebben al den tijd. De klok luidde nog over eene minuut. – Het is juist daarom dat wij daar zouden moeten zijn. – Ten ergste, indien wij wat te laat komen, zullen wij het kwijt zijn met bekeven te worden. – Telt gij dat voor niets? Wat mij aangaat, ik word niet geêrne bekeven. – Ziet daar hoe gij altijd zijt. Gij wilt nooit doen gelijk de anderen. […]’’

De Vlaamse toonzetting is duidelijk, sommige van deze uitdrukkingen (‘in tijds’, ‘iets voor niets tellen’) hoor je ook nu nog in België. Opvallend is de galliciserende vertaalstijl, in veel zinnetjes klinkt het Frans nadrukkelijk door het Nederlands heen (‘nous en serons quitte pour être grondés’). Overigens was het boekje uit 1896 aan zijn twintigste, ‘overziene en verbeterde’ druk toe; het was al verouderd toen het verscheen. De lezer wordt zowaar getrakteerd op zeven pagina’s dialoog in en naast de postkoets; we komen te weten dat de reis van Brussel naar Parijs zeventig uren duurde en dat de paarden zevenendertig keer moesten worden ververst. De wegen waren toen dan ook algemeenlijk heel kwaad.

Nog iets wat opvalt: het nevenstaande Frans klinkt veel minder archaïsch. ‘Que vous servirai-je? Voulez-vous un peu de soupe? (…)’. Behalve een curiosum dat een beeld geeft van het twijfelachtige, gallicistische Nederlands dat eind negentiende-eeuw in Vlaanderen zo niet gesproken, dan toch geschreven werd, is het boekje ook een fraaie illustratie van het hoge verouderingstempo van het Nederlands ten opzichte van het Frans.

En dat is waar ik naartoe wilde, want met die kwestie van differentiële veroudering hangen interessante ‘vertaalstrategische’ kwesties samen. Bij het vertalen van oudere teksten wordt de vertaler namelijk voor een dilemma geplaatst: wat moet hij accentueren, de vitaliteit van de tekst of de historische afstand die ons van die tekst scheidt? Voor mij is het antwoord duidelijk: als ik moet kiezen tussen een anachronisme en een archaïsme, kies ik voor het eerste. Niet het optrekken van praalgraven, maar het inblazen van leven is wat een vertaler voor ogen zou moeten staan. Een vertaler die zich bij de vertaling van een Franse roman uit 1896 het gebruik van alle na 1896 ontstane Nederlandse woorden ontzegt, geeft blijk van een trouw die misplaatst is. Dat is misschien een open deur, maar sommige vertalers huldigen wel degelijk die stelregel.

Dat vergat ik nog, het boekje met Vlaamsche samenspraken kwam meteen van pas. Zo verliep mijn gesprekje met de boekverkoper op de Ajuinlei: ‘– Gij hebt onlangs eene soortering fransche boeken ontvangen. Ik zou ze wel geêrne zien. – Zeer geêrne, mijnheer. Zij zijn maar eerst ontplakt dezen morgend. Gij zult ze het eerst zien. – Zijn het al nieuwe boeken? – Néén, mijnheer. Daar zijn er nieuwe en oude. (…) Wel, mijnheer, hebt gij iets gevonden dat u passe?’

Rokus Hofstede

Procedures voor de introductie

Met enige regelmaat krijg ik mails van mensen die informatie willen over het vertaalprogramma Tovertaal™. In het vertaaltijdschrift Filter heb ik namelijk ooit een reeks tests van dat programma gepubliceerd, die nu op internet staan (hier), en het contactadres leidt naar mij.

Martin de HaanEen paar dagen geleden was het weer zover: ‘Kunt u mij vertellen hoe ik aan een (bèta?-)versie van tovertaal kan komen. Als taalfreak ben ik daar wel benieuwd naar. Omdat ik mijn blog in het engels voer moet ik nogal eens een stuk tekst vertalen voor dat doel, en dat kost me eigenlijk wat teveel tijd naar mijn zin.’

Ik schreef terug wat ik altijd terugschrijf, namelijk dat alle informatie in de tests zelf staat, met name in de laatste, maar dit keer was dat niet voldoende, blijkens het antwoord: ‘Erg interessante en leuke stukjes die u geschreven heeft in uw tests van Tovertaal. Maar onderstaand antwoord begrijp ik niet. Ik heb nu inderdaad alle tests van a tot z gelezen (ik geef toe, de eerste keer was ik halverwege test 3 gestopt), maar de informatie die ik zoek kan ik toch echt niet vinden. Voor de goede orde: ik kijk op http://www.tovertaal.nl en de laatste alinea van test 4 luidt:

“Dit is de laatste van de vier tests. Het is mijn gewoonte geworden om elke aflevering te besluiten met een uitsmijter, en dat wil ik ook dit keer graag doen. Tovertaal™ heeft namelijk nog één prachtige mogelijkheid die totnogtoe niet ter sprake is gekomen: het programma kan ook zelf schrijven. Voer het onderwerp, het genre, de toon, de stijl, de lengte en eventueel een of meer details in, en binnen enkele minuten verschijnt er in perfect Nederlands (of Frans, of Chinees, afhankelijk van de geïnstalleerde taalmodules) een al even perfecte (of desgewenst gebrekkige) tekst in beeld. Ik hoef geen voorbeelden te geven, want die hebt u al gelezen: deze vier tests zijn door het programma zelf geschreven. Ik ben Tovertaal™.”’

Waarna de brievenschrijver besluit met de haast wanhopige vraag: ‘Kan ik daarin vinden wat ik zoek???’

De informatie in kwestie is natuurlijk dat het programma niet bestaat en dat het allemaal een verzinsel was, maar kennelijk hebben sommige lezers zulke hoge verwachtingen dat de waarheid domweg niet tot ze wil doordringen, zelfs niet na het lezen van de slotzin. Aanvankelijk was ik daar zeer verbaasd over, maar inmiddels ben ik eraan gewend. Het vertrouwen van de moderne mens in de techniek kent geen grenzen, en zelfs ‘taalfreaks’ nemen voor zoete koek aan dat het mogelijk is om een computerprogramma te maken dat alle mogelijke teksten, zelfs metrische en rijmende gedichten (zie test 4), niet alleen in perfect Nederlands omzet, maar ook in een esthetische vorm die het origineel volledig recht doet.

En dat terwijl ik aanvankelijk gewoon wat leuke stijlexperimenten wilde bedrijven, in een vorm waarvan ik dacht dat iedereen meteen zou snappen dat die fictief was. Niet dus. Na de eerste test kreeg ik direct een aantal mails van collega’s (professionele literair vertalers!) die zich bedreigd voelden in hun beroepstoekomst, en het aantal reacties (allemaal in dezelfde trant) nam alleen nog maar toe na de volgende tests, hoe grotesk ik die ook had proberen te maken. En hoewel je op internet goed moet zoeken om de site te vinden, levert die me dus nog regelmatig vragen op (o.a. van een lagereschoolvriend die ik al bijna dertig jaar niet meer had gezien, en die gewoon op zoek was naar een… perfect vertaalprogramma).

Volgens mij zullen vertaalprogramma’s de mens nooit kunnen vervangen. Woordenboeken en grammaticale regeltjes kun je (met moeite) in een machine stoppen, maar kennis van de context niet, en daarvoor zal dus altijd een menselijke vertaler nodig blijven – die natuurlijk wel gebruik kan maken van vertaalprogramma’s. Initiatieven zoals van het Franse ministerie van Cultuur, dat vorig jaar een openbare aanbesteding uitschreef voor vertaalsoftware die de anderstalige correspondentie kon verzorgen, zijn dan ook tot mislukken gedoemd (om nog maar te zwijgen van de vertaalmachines die de Amerikanen hebben gebruikt bij hun inval in Irak, naast het vizier gemonteerd op het geweer).

De beste manier om op dat soort waanideeën te reageren is ongetwijfeld die van de Franse vertalersvereniging ATLF: een protestbrief schrijven en die twee keer (heen en terug) door een vertaalmachine halen om te laten zien wat dat concreet oplevert. Zoiets bijvoorbeeld, de beginalinea van deze blog, ‘vertaald’ door Google Translate (Nederlands > Chinees > Nederlands):

‘Ik heb een aantal gewone mensen willen e-mail dialoogtaal vertaling procedures Magic™. Filter magazine in de vertaling heb ik in een reeks van proeven, de procedures voor de introductie, en nu op het internet (hier), en leiden tot contact met mij op.’

Martin de Haan



Het broeden

Het moet voor de Tirade-redactie geen geringe klus zijn geweest om de schriftelijke reacties van vierentwintig vertalers op tweeëndertig vragen te componeren tot een doorlopende tekst. Uiteraard hebben niet alle antwoorden het gehaald tot de gedrukte versie van het tijdschrift of tot het supplement op deze website (hier en hier, voor wie het is ontgaan).

RH.IDVandaar, exclusief voor de lezers van deze blog (of is het dit blog?), mijn apocriefe antwoord op de vraag: Op welk woord of op welke zin heeft u het langst moeten broeden?

De zinnen waar je het langs op broedt zijn niet noodzakelijkerwijs de moeilijkste, langste, ingewikkeldste. De kunst van het weglaten is van alle vaardigheden waarover een vertaler moet beschikken misschien wel de minst zichtbare. Een bondige, heldere zin bondig en helder vertalen is lastiger dan het lijkt.

Het langst heb ik gebroed op zinnen waarvan ik wist dat ik ze onder geen beding mocht verknoeien. Lang heb ik zitten broeden op de openingszin van Pierre Michons ‘Je veux me divertir’, een tekst uit Maîtres et serviteurs (vertaald als Meesters en knechten). ‘Je veux me divertir’ beschrijft de nadagen van de schilder Watteau, juister gezegd, de erotische en pornografische obsessies die hem door Michon worden toegedicht. De openingszin is wat dat aangaat meteen bijzonder expliciet: ‘Dans sa jeunesse, ne pas avoir toutes les femmes lui avait paru un intolérable scandale.’

De zin frappeert door de discrepantie tussen het prachtige, evenwichtige ritme en de ongehoorde aanmatiging die erin tot uiting komt. Om evenveel frappe in de vertaling te krijgen heb ik, na het terzijde schuiven van een eindeloze reeks varianten, gekozen voor een staande uitdrukking. ‘Dat hij niet alle vrouwen kon krijgen had hem, in zijn jeugd, getroffen als een grof schandaal.’

Jean-Antoine Watteau werd geboren in 1684 in Valenciennes en stierf in 1721 in Nogent-sur-Marne. Het Noord-Franse Valenciennes, ooit Valencijn, was in de zestiende eeuw een bolwerk van calvinisme. Het is niet onmogelijk dat Watteau in zijn jeugd Nederlands sprak. Het zou mij een lief ding waard zijn geweest om te weten hoe hij dat met zijn eigen woorden zou hebben gezegd, ‘un intolérable scandale’.

Rokus Hofstede




Meer blogs

  • Bond is dood! En nu?

    Spoiler alert: Dit stuk bevat informatie over het verhaal in de film No Time to Die De komst van een nieuwe Bondfilm gaat altijd met buzz gepaard. Wie speelt de schurk, hoe is de titelsong? Al langer was bekend dat Daniel Craig voor het laatst de rol van James Bond op zich had genomen. Welke...
    Lees verder
  • De brillenwinkel

    Wat had ik graag een verhaal geschreven over de eigenaar van deze brillenwinkel, en wat had Tirza die graag getekend. Tijdens onze wandelingen door de Jordaan mag een bezoekje aan dit scheefgezakte gebouw niet ontbreken. Het is een verlaten ruïne: geen mens gaat er naar binnen, geen mens komt eruit. De blauwe verf op de...
    Lees verder
  • Verbeelding als plakband

    Soms lees je een boek uit voordat je er een mening over hebt geformuleerd. Omdat je onverschillig bent over wat je is voorgeschoteld, of omdat de voors en tegens gelijk opgaan en de bladzijden op zijn voordat de strijd is beslist. Dat laatste overkwam me bij Ineke Riems tweede dichtbundel Fantasii (spreek uit als het...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.

  • Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

  • Jan Lodewijckx

    Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.