Het schrijven van een tegelpad

Ik heb allerlei, vooral fysieke, baantjes gehad: bij een aannemer die opdrachten uitvoerde van tegelpaadjes aanleggen tot het bouwen van een twee-onder-een-kap-woning, als postbode, als proefdierverzorger, als decorbouwer, heel vroeger als krantenbezorger… Buiten het fysieke aspect hebben deze baantjes niet zo veel gemeen, al was de werksituatie doorgaans zo dat ik bijna de hele dag alleen kon werken en dat er ’s ochtends vaak niks was, en er ’s middags wel iets was: bijvoorbeeld een tegelpad.

Schrijven is vergelijkbaar met het leggen van een tegelpad. Als er nog niks is bedenkt je een begin en een eindpunt, verzamel je materialen en dan ga je graven en zand rijden en tegels slepen, en hoewel het lijkt dat het belangrijkste denkwerk al verricht is kom je tijdens het werken allerlei problemen tegen. Een tegel die niet past, een boomwortel. Is allemaal op te vangen door techniek en vertrouwen en ervaring en zicht op het eindpunt.

stoepEr zijn veel schrijvers die blanco gaan zitten en beginnen. Ze laten de woorden stromen en wel zien wat er komt. Soms borrelt er iets geniaals op, soms niet. Het samen laten vallen van het uitdenken van een tekst en het maken van die tekst werkt soms stroperig, want net als het bij het leggen van een tegelpad is het verstandiger eerst te verzinnen wat je gaat doen en hoe, en met welk materiaal, en het daarna uit te voeren. Dan hoeft het niet zo vaak opnieuw, want onderweg zullen er voldoende momenten zijn waarop je moet improviseren, als die tegel die niet past of als die boomwortels, en zonder de juiste techniek, zonder vertrouwen en ervaring en zonder zicht op het eindpunt kan een roman gedomineerd worden door die ene tegel, of door die boomstronk, en dat is jammer.

Laatst zag ik een mooi betoog van Elizabeth Gilbert, schrijfster van het boek Eat, pray, love. Een boek dat ik niet ken overigens. Ze heeft het over de genialiteit van het schrijven en hoe ongrijpbaar dat soms voor de schrijver zelf is. Ik denk altijd heel lang na over een verhaal, maar weet nooit wanneer het allemaal ineen zal vallen. Hoe ontstaat dat? Wanneer weet je dat de thema’s kloppen, dat de personages erbij passen, dat het een roman kan worden? Waarom duurt dit denkproces zo lang?

Voor ik aan het daadwerkelijke schrijven van een roman begin wil ik precies weten waar het verhaal start en waar het eindigt, waar de omslagpunten zitten en waarom, wat de motieven zijn en wat de spanningsboog is. Dat is de ideale situatie. Dat wil zeggen: ik denk te weten waar het verhaal start en waar het eindigt, waar de omslagpunten zitten en waarom, wat de motieven zijn en wat de spanningsboog is, want ik kom genoeg tegels tegen die niet passen, of boomstronken die hardnekkig zijn.

Daarna ga ik tikken want het idee moet op papier. Dat lijkt op werken. Er zijn recensenten die dit heel goed door hebben, die weten dat ik een noeste arbeider ben en aan een tegelpad begin, netjes een stuk uitgraaf, zand stort, een rollaag leg en met een mal het zand gladstrijk, een tegel pak en de rubberhamer hanteer, en naar het eindpunt werk, dat daar ergens ligt, zoals bekend, maar die ene tegel moet eerst vlak en aangestampt en daarna komt er een andere tegel naast en die krijgt weer een andere aanpak en zo komt het eindpunt dichterbij en af en toe maak ik een tegel wat kleiner zodat hij past, en af en toe hak ik een boomwortel weg, en af en toe kijk over mijn schouder naar het resultaat en vraag ik me af hoe ik dat allemaal gedaan heb. Dat lijkt een raadsel en alleen mijn vermoeidheid geeft me de bevestiging dat ik het ben geweest die het werk heeft verricht.

Jan van Mersbergen


In de Oorshop

Twitter en Lance Armstrong

Ik hou me sinds een paar maanden bezig met Twitter en de eerste twitteraar die ik ben gaan volgen was Lance Armstrong. In de eerste week dat ik hem volgde keek ik op van zijn persoonlijke berichten over wielrennen, over zijn Live Strong organisatie, over kanker, over muziek en over collega’s. Bijvoorbeeld zijn reactie op uitlatingen van Bernard Hinault op Velonews, vlak voor de Tour de France: ‘What a wanker. 5 TdF wins doesn’t buy you any common sense.’

Armstrong is direct en bepaalt zelf wat hij de wereld in stuurt. Een paar dagen na de melding over Hinault blijkt dat Armstrong niet alleen vijanden heeft in Frankrijk: ‘Sending out my best to Laurent Fignon who was recently dx w/ cancer. A friend, a great man, and a cycling legend. Livestrong Laurent!!’

In 1984 was het de Fransman Laurent Fignon die Hinault in het eindklassement van de Tour de France versloeg met een verschil van meer dan tien minuten, verschillen die pas na 1999 weer gangbaar werden, toen Armstrong aan zijn zegereeks begon. In 2009 hingen er iedere dag spandoeken met daarop teksten gericht aan Fignon langs het parcours. Bemoedigend.

armArmstrong linkt wielrennen met kanker. Armstrong is zelf de link tussen wielrennen en kanker. Iedereen kent zijn verhaal. Zijn boek It’s not about the bike is aan te raden. Dat is zijn verleden, de manier waarop hij zich nu uit is via Twitter, en daarin redt Armstrong zich prima. Hij is op de hoogte, hij is levendig en fel, hij is goed in staat in 140 tekens te zeggen wat hij wil zeggen, en vooral is hij betrokken.

Armstrong volgt al het mogelijke nieuws, en vooral nieuws waarin kanker een rol speelt stuurt hij direct door. Tijdens de afgelopen Giro d’Italia en tijdens de Tour de France kwam hij veelvuldig met berichten over vrienden die overleden waren. Daar is hij naast het fietsen mee bezig, dit is waar hij nu voor rijdt en twitter is een uitgelezen manier om daar achter te komen.

De afgelopen Tour de France hoopte ik dat Armstrong zou winnen. Dat is geen objectieve voorkeur en ook niet de voorkeur voor een relatief oude sportman waarmee ik het geboortejaar deel. Het karakter dat Armstrong toonde in zijn strijd tegen teelbalkanker heeft me veel geholpen in diezelfde strijd, al kan ik er meteen bij zeggen dat Armstrong in een heel laat stadium ontdekte dat er iets mis was, en dat ik daar erg snel bij was. Wat dat betreft kan ik zeggen dat ik ooit sneller was dan Lance Armstrong.

Tijdens de grote wielerrondes plaatst Armstrong iedere avond na de etappe berichten over de race, vaak met foto’s en video’s van hemzelf, vaak met Levi Leipheimer en soms met gasten, zoals George Hincapie en Mark Cavendish. Op vriendelijke toon spreekt hij een grote groep twitteraars toe, inmiddels zijn dit er meer dan 1,7 miljoen.

Een van de berichten in de afgelopen Tour ging over de ouders van Fabian Casartelli, de ploeggenoot van Armstrong die in 1995 na een val in de Tour overleed. In 1992 won Casartelli goud op de Olympische Spelen in Barcelona. Armstrong ontving zijn ouders dit jaar, tijdens de Tour, in zijn hotelkamer. Zijn samenzijn met de ouders voelde, zo schreef hij, ‘like family’.

De dodelijke val van Casartelli was een jaar voordat bij Armstrong kanker werd geconstateerd en zijn opmerkelijke come-back volgde, en ook in 1995 toonde hij zich een sportman met een groot hart. De volgende rit werd afgelast en in de etappe daarna – de Tour gaat altijd door – ging Armstrong belachelijk vroeg alleen in de aanval, en hij bleef rijden en rijden, en in de laatste kilometer wees hij naar de hemel en hij bleef wijzen, als eerbetoon aan zijn overleden ploeggenoot, en na de finish was hij hem zeker nog niet vergeten. Ontroerend.

Jan van Mersbergen


Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Het problematische ik-perspectief

Ik heb het afgelopen jaar lesgegeven in schrijven. Iedere maand op vrijdagavond een les van drie uur. Ik ben geen leraar en heb beperkte kennis van het Nederlands en ik hou niet van regeltjes, dus die lesavonden vulde ik voornamelijk met praten over perspectief.

Dat ontstond na de eerste les, waarin ik ontdekte dat de aspirant-schrijvers eigenlijk niet of nauwelijks nadachten over perspectief. Ze kozen simpelweg de ik-vorm en begonnen te vertellen. Maar tegen wie? En waarom? En als de verteller een personage is, is de lezer dan ook een personage? En hoe verhouden die twee zich en welke rol spelen deze twee in het verhaal?

Waanzinnig veel vragen die gestroomlijnd moesten worden. Dus zocht ik drie voorbeelden van boeken waarin het ik-perspectief gebruikt wordt, om de voor- en nadelen van deze perspectieven te duiden.

camIk begon met De val, van Albert Camus. De verteller zit naast de lezer aan de bar in een kroeg op de Zeedijk. De ik-figuur praat tegen de lezer aan, maar de verteller  weet steeds waarom hij zijn verhaal doet, verontschuldigt zich voor de tijd die hij van de toehoorder vraagt en voor zijn schijnbaar eindeloze woordenstroom. De lezer, op zijn beurt, zit op die manier werkelijk naast de verteller in de kroeg. Allemaal aannemelijk en heel mooi uitgewerkt.

De macht van meneer Miller van Charles den Tex gebruikte ik als tweede voorbeeld. In dit boek vertelt een man in de verleden tijd wat hij meegemaakt heeft, en dat is niet misselijk: achtervolgingen, bedreigingen, complotten, gevechten. Mooi, spannend, actie, maar dit perspectief geeft de lezer continu het idee dat het personage informatie achterhoudt – hij weet namelijk al wat er komen gaat – en dat hij spanning bij de lezer legt, terwijl hij die spanning zelf ervaren heeft.

De verteller van Den Tex vertelt het allemaal heel koel, ook al probeert hij in een duizelingwekkende hoeveelheid cliché’s zijn hachelijke situatie en hoe hij daarin stond, op dat moment, over te brengen. Hij schetst zelfs doorlopend een beeld van zichzelf, alsof hij het avontuur beleefde en tegelijkertijd in een handspiegel keek: ‘Met een verontwaardigde uitdrukking op mijn gezicht liep ik door de kamer richting de gang’.

milVoor mij was het eigenlijke onderwerp van dit boek niet het complot of de opgeklopte spanning en ook niet de vraag of het allemaal wel goed zou komen. Ik vroeg ik me tijdens het lezen steeds af wat er met deze verteller gebeurd was waardoor hij compleet gevoelloos geworden was.

Het schijnt bij thrillers te horen. Een ander voorbeeld: Boven is het stil, van mijn vriend en collega Gerbrand Bakker. Prachtig geschreven roman waarin het problematische ik-perspectief in de tegenwoordige tijd veel gebruikt wordt. Een boer die over zijn land loopt en zegt: ‘Ik loop over mijn land.’ Ik heb daar altijd moeite mee gehad, want het komt mij nogal authistisch over.


Het kan natuurlijk dat iemand in de tegenwoordige tijd een verhaal doet, terwijl alles al gebeurd is. Moppen steken vaak zo in elkaar. ‘Zegt die ene man… Zegt die andere man…’ Over het perspectief dat Gerbrand koos heb ik vaak met hem gediscussieerd, met een biertje erbij. Hij noemde mij dan ‘streng’. Dat ben ik ook, vooral als het om perspectief gaat, want over dat onderwerp heb ik zes van de acht lessen gevuld, en nog was ik er niet over uitgepraat.

Vanavond neem ik het tegen Gerbrand op in de Boekenquiz Pulp & Fictie, op de Parade. Wij zullen aanschuiven in de editie van 22.00 uur. Misschien is Charles den Tex ook wel kandidaat, op een ander tijdstip. Albert Camus is dood.

Jan van Mersbergen


Bukowski in de speeltuin

Ik las op een bankje in de speeltuin Ham on Rye van Charles Bukowski. De kinderen speelden bij de zandbak. Boven de zandbak zijn een aantal ronde betonnen bakken en als je daar water in gooit dan loopt het water van de ene bak naar de andere en als je met zand dammen maakt dan is dat water zo’n beetje op z’n plek te houden en dan is die tijd in de speeltuin in ieder geval voor de kinderen goed door te komen. Voor mij ook, met dat boek.

De moeder van een vriendje van mijn zoon vroeg welk boek ik aan het lezen was. Ik liet het omslag zien en de moeder trok een vies gezicht. Ze zei dat ze Bukowski haatte. Waarom? vroeg ik. Ik weet dat Bukowski bij heel veel vrouwen niet goed ligt, maar wilde toch weten waarom.

Ze vertelde dat ze hem niet uit kon staan door zijn vrouwonvriendelijke teksten, de stereotyperingen van vrouwen, het zuipen en de smerigheid. Ik knikte. Zo kun je zijn teksten lezen. Zo kun je hem zelf ook zien. Bukowski was geen keurige man. Bukowski staat ver van moraal, in zijn eigen beroerde leven, en in zijn teksten.

bukOok al gaat Ham on Rye over de jonge Henry Chinaski, dit boek is niet anders. Daarnaast is het schrijnend en grappig. Soms heel grappig. Dus ik vertelde de moeder over de passage waarin de minnares van de vaderfiguur (een verschrikkelijke vader) bij het gezin Chinaski in huis is en de moeder volledig overstuur is en tegen de jonge Henry zegt: ‘Je vader zegt dat hij van deze vrouw houdt.’

In het bijzijn van zijn ouders en de minnares zegt Henry: ‘Hoe kunt u nou van die vrouw houden? Moet je haar neus zien.’

Daar kon de moeder in de speeltuin wel om lachen. Ik vertelde ook over de manier waarop de pa van Henry de minnares ontmoet had en ook dat vond ze geestig, en erg beeldend geschreven.

Henry en zijn vader moeten geld innen voor hun melkkar en als ze bij een huis aanbellen doet een vrouw open die zijn vader vraagt binnen te komen om de geldkwestie even te bepraten. ‘Mijn vader ging naar binnen en de deur ging dicht. Hij bleef een hele tijd binnen. De zon was al helemaal op. Toen mijn vader naar buiten kwam, hing zijn haar naar voren.’

De moeder in de speeltuin zag het allemaal voor zich, alleen door de beschrijving van het kapsel van de vader. Ondanks de moraal die ook deze moeder in haar greep hield, is dit bijzonder sterk en eenvoudig proza.

Bukowski wordt vaak in verband gebracht met bovenmatig drinken. Mensen die dat doen, en dat zijn er erg veel, kunnen niet lezen. Ze kunnen zich in ieder geval niet inleven. Bukowski dronk veel en liet zijn personages erg veel drinken, hij schreef echter niet over drinken. Bukowski schreef over vertrouwen, over de moeilijkheid ervan, over wantrouwen dus eigenlijk, over de overgave die vertrouwen vereist. Dat drinken is slechts een gevolg van het missen van die overgave. Van angst.

Om dit te illustreren hier een fragment uit Factotum:

‘Ik vond een baan via de krant. Ik werd aangenomen in een kledingzaak, niet in Miami maar in Miami Beach, en ik moest elke ochtend met mijn kater het water door. De bus reed over een hele smalle strook cement die uit het water stak zonder vangrail, zonder iets, dat was alles. De buschauffeur zat ontspannen in zijn stoel en we raasden over die smalle cementen strook omringd door water en alle inzittenden, de vijfentwintig of veertig of tweeënvijftig mensen in de bus hadden vertrouwen in hem, maar ik nooit. Soms was er een nieuwe chauffeur, en ik dacht: hoe selecteren ze die klootzakken? Er is diep water aan beide kanten en met één verkeerde beweging brengt hij ons allemaal om zeep. Het was absurd. Stel je voor dat hij die ochtend ruzie met zijn vrouw had gehad. Of dat hij kanker had? Of visioenen van God? Slechte tanden? Om het even wat. Hij zou het kunnen doen. Ons allemaal het water in rijden.’

Jan van Mersbergen


En de winnaar is: een blonde vrouw

Ik ben vier keer voor een literaire prijs genomineerd geweest en drie keer won een blonde vrouw en twee keer was de winnende vrouw een knappe blonde vrouw.

cupIedere keer was ik erg blij met mijn nominatie, maar ook probeerde ik het hele gedoe van een literaire prijs te relativeren, te denken dat het stompzinnig is om boeken te vergelijken, en dat het ook stompzinnig is een van de vijf of zes een klap geld te geven en de andere schrijvers een aai over de bol, en dan kwam ik braaf opdraven in het zaaltje waar de bekendmaking plaats zou vinden, liet me interviewen voor publiek of zat daar gewoon een hele tijd zonder iets te hoeven doen, en wachtte keer op keer af tot de juryvoorzitter bekendmaakte dat er een blonde vrouw gewonnen had. Overigens, die keer dat er geen blonde vrouw won, ging de prijs naar een man en bij die prijs was geen uitreiking waar alle genomineerden bij aanwezig zouden zijn, dus daar heb ik geen beeld bij.

Nu kende ik de ene knappe blonde vrouw al uit mijn tijd dat ik in het theater werkte en de andere knappe blonde vrouw heeft ook bij het theater gewerkt en haar heb ik ook leren kennen, en met beiden heb ik heel goed contact en die prijzen ben ik al bijna weer vergeten, zoals ik ook de andere winnares al bijna weer vergeten ben.

Tot laatst een man uit de buurt me vroeg naar mijn laatste roman, hoe het ermee ging en hoe de recensies waren en hoe de verkoop ging, en dan zeg ik altijd: Goed, goed, goed. Dus dat zei ik nu ook. Goed, goed, goed.

De man zag wel aan me dat ik zijn vraag ontweek en dat de verkoop helemaal niet goed was, en die recensies had hij misschien zelf wel gelezen, en hij dacht na en zei hij: Je zou eens een prijs moeten winnen.

Dat is een goed idee, zei ik.

Hij zei: Ja, want dan verkoop je nog eens een keer wat en dan is je uitgever echt blij met je en dan kom je in alle bladen.

Goed, zei ik. Dat ga ik doen.

Hij stond daar op de stoep, met een tevreden gezicht, en ik dacht aan een blonde vrouw, knap of lelijk, en aan de boeken van blonde vrouwen die er het afgelopen jaar verschenen zijn, stapels en stapels, en ik zei de man gedag, zei dat ik verder moest, en trok aan de riem van mijn hond, want altijd als ik dit soort types tegen kom, loop ik met de hond over straat.

Ik zit erover te denken die hond te verkopen.

Jan van Mersbergen


Binnenvaartschipper viert Carnaval

Ik heb op de radio gezegd dat ik tijdens mijn Blogger in Residence-periode een en ander zou vertellen over de roman waar ik momenteel aan werk. Bij deze. In de radiouitzending van De Avonden zei ik dat ik een beroep moet zien te vinden voor mijn hoofdpersoon, en dat beroep heb ik gevonden: Binnenvaartschipper.

bBelangrijk was dat de man lange tijd weg is geweest uit de stad waar het verhaal zich afspeelt. Die stad ligt aan de Maas. In die stad wordt Carnaval gevierd. De roman speelt zich volledig af tijdens Carnaval. En de hoofdpersoon komt er weer terug.

Nu heb ik al een verhaal, en dat verhaal is natuurlijk het belangrijkste gegeven voor de roman. Helaas kan ik niets over het verhaal vertellen. Ik ben vreselijk bang dat iemand dit verhaal jat. Over de binnenvaart en over Carnaval kunnen niet genoeg boeken geschreven worden.

Toen ik een jaar of zeventien was zat er een jongen bij mij in de klas wiens vader op een zandschip voer. Ik ben een keer met ze mee geweest de Waal op, van Woudrichem naar Dodewaard. Hele stukken heb ik toen gevaren.

Er zat geen roer in dat de kajuit, maar een klein stuurknuppeltje. Echt een miniem ding. Ik herinner me dat je een groen bord – of ene blauw bord, dat moet ik opzoeken – moest uitklappen als ik een schip rechts inhaalde, of als een schip ons tegemoet kwam aan die rechterkant. Gewoon aan een touw trekken en passeren. En zwaaien, vooral naar alle andere schippers, schippersvrouwen en matrozen zwaaien.

Ik vond de binnenvaart gemoedelijk, rustig en eenvoudig, al heb ik alleen die ene dag gevaren. Nou ja, die ene dag… dat is niet helemaal waar. Ik heb zeven jaar lang iedere schooldag twee keer de Merwede overgestoken en duizenden vrachtschepen naar het oosten of westen zien glijden, in alle rust.

Echt een contrast met Carnaval, dat ik sinds een jaar of drie herontdekt heb. Oorspronkelijk kom ik uit Brabant, net ten zuiden van de eerder genoemde Merwede. Precies de lap klei waar geen Carnaval gevierd wordt. Nu vier ik het nu in Venlo. Het is geweldig. Het heet daar Vastelaovend.

vasteIn Brabant is Carnaval ranzig. Het bier, de muziek, de boerenkielen. Allemaal ranzig. In Venlo ziet iedereen – werkelijk iedereen – er tiptop uit. Daar kom je niet weg met een kiel en twee ovenhandschoenen en een ouwe broek. In Venlo wordt alleen muziek uit Venlo gedraaid. Geen ranzigheid, hoe poëtisch sommige krakers kunnen zijn. Denk aan het Bloementjesgordijn. In Venlo draaien ze vrolijke opbeurende muziek, waar ik bijna dagelijks naar luister. Zie die vrolijke mensen in hun kleurige blousjes zwaaien. Zwaai terug! In Venlo is het bier soms wel ranzig, maar dat kan niet anders.  

Daar ben ik dus over aan het schrijven. Een binnenvaartschipper die Carnaval viert. Deze fase van het schrijven is bijzonder omdat de keuzes onbeperkt zijn en tegelijkertijd spannend omdat ik toch echt keuzes zal moeten maken. Dat inperken is doodeng, vooral wanneer je kiest voor een binnenvaartschipper die Carnaval viert. De enige overeenkomst die ik momenteel heb: zwaaien.

Ik zal er nog zeker twee jaar aan werken. Door het Amsterdam-Rijnkanaal varen hele grote schepen met droge lading, en ook in Amsterdam Noord, vlakbij de pont, kan ik ze bekijken. Wat met de mensen praten, misschien een keer meevaren. Ik volg dit weblog, geschreven vanuit het perspectief van een scheepkat. Het weblog bevestigt mijn beeld van de binnenvaart.

Wat betreft Carnaval zal ik in februari weer de nodige ervaringen opdoen, in Venlo.

Jan van Mersbergen


Meer blogs

  • Afbeelding bij Telefoon van school

    Telefoon van school

    Toen ik in de pauze van mijn les gehaast naar buiten ging om mijn voicemail af te luisteren bleek het bericht dat ik gekregen had niet van de school van mijn zoon. Het kwam van de speciaalzaak die mijn rijbewijsfoto had gemaakt; het bestand bleek beschadigd – of ik deze week nog langs kon komen....
    Lees verder
  • Afbeelding bij Winterslaap

    Winterslaap

    Ik heb nog nooit zo uitgezien naar de lente. Elke ochtend is als opstaan uit het graf – alsof ik me diep onder de grond bevind en me aan de randen van een koude kuil moet ophijsen. Dit mag geen gotische vertelling worden; wat ik bedoel is dat ik de hele tijd moe ben. Ook...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Ballen

    Ballen

    Dit is de eerste keer in vijftien jaar dat ik ga zeuren in een column, maar als een grote groep mensen in deze samenleving zich chronisch misdraagt, dan moeten we daar toch echt iets mee. Ik zeg dit niet om mijn gram te halen of anderen te kwetsen; ik zeg het omdat het gedrag van...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Koen Dobbelaer
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.

  • Foto van Marian van der Pluijm
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

  • Foto van Greet Kuipers
    Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.