Sorry

Na een ruzie met een jeugdvriendin besloot ik naar de boekwinkel te gaan om een poëziebundel te kopen. Het een had niet veel met het ander te maken, maar ik was gefrustreerd, wilde er even uit en baalde van het feit dat ik nooit excuses kon maken: ik had iets venijnigs gezegd over haar nieuwe vriend. Roestige, lelijke jaloezie, die terugging naar de vierde klas, een soort jaloezie die ik in al die jaren niet meer had gevoeld, maar ineens weer was teruggekeerd als een hardnekkige jeugdpuist. Met een vijfletterwoord was de situatie misschien opgelost, maar ik had niets gezegd en was weggelopen.

Toen ik de deur van de boekwinkel opentrok, liep er een grijze dame tegen me aan. Ze wierp een geagiteerde blik, maaide met haar handen en wurmde zich langs mij heen, de deuropening door.

‘Van sorry ga je niet dood, hoor,’ siste ik haar toe, terwijl ik van mezelf schrok, en omdat ik daar, gezien haar verlopen voorkomen, wel eens ongelijk in kon hebben. De dame reageerde niet, stak een kraslot in haar jaszak en slofte weg. ‘En veel geluk,’ mompelde ik haar sardonisch na.  

In de rij voor de kassa stond een meisje. Ik hield de uitgekozen bundel tegen mijn buik als een baby, alsof de gedichten beschermd moesten worden tegen iets of iemand. Het meisje plukte wat neurotisch aan haar kortgeknipte haar, bewoog onrustig en tikte met haar voet onophoudelijk op het platgetreden tapijt dat in de winkel lag.

De man voor haar in de rij bestelde een pakje sigaretten, griste zijn verslaving van de toonbank en beende de winkel uit. Het meisje deed een stap naar voren, keek naar de kaartenmolen en draaide het ding rond. Voor bijna alle grote én kleine momenten in het leven bleek een stuk papier te zijn: geboortes, sterfgevallen, verjaardagen, het slagen voor de middelbare school, een rijbewijs en een examen, beterschapswensen, verhuisberichten – bijna alles.

 ‘Kan ik u ergens mee helpen?’ vroeg de bebrilde man achter de kassa, nadat het meisje de molen drie keer had rondgedraaid, alsof ze hoopte dat na ieder rondje uit het niets nieuwe kaarten in de rekjes zouden verschijnen.

‘Hebben jullie ook sorrykaarten?’ hoorde ik haar zacht vragen, en ze gaf de molen een laatste, zachte zwaai.

‘Sorrykaarten?’ vroeg de bebrilde man, en krabde aan zijn ongeschoren gezicht.

‘Ja, sorrykaarten. Een kaart met Sorry erop. Een soort van bedankkaart, maar dan net anders.’

De man gaf nu zelf de molen een zwaai, schoof zijn bril wat verder naar het puntje van zijn neus en ging met zijn knoestige vingers langs de kaarten, terwijl hij wat onverstaanbare woorden mompelde. Ik vroeg me af in welke situaties je iemand een sorrykaart zou sturen. Een vergeten verjaardag? Een ruzie? Of iets veel ergers? Het was duidelijk dat het meisje dat vijfletterwoord niet in het echt tegen iemand wilde zeggen. Dit excuus moest met enige afstand gemaakt worden, met een postzegel, of werd snel en haast onzichtbaar door iemands brievenbus gedaan, of zou als een vondeling in een postvakje gelegd worden, misschien. Schaamte, misschien? Of lafheid? Of juist een oprecht excuus? Een kaartje sturen is een handeling, kost moeite, geeft het excuus wat meer gewicht. Woorden zijn terug te nemen, postzegels niet.

En: hoeveel jonge mensen zouden er nog kaarten versturen? Het meisje was waarschijnlijk niet ouder dan twintig, en ik had voor mijn twintigste één keer een kaart gestuurd, aan mijn jeugdliefde, toen ik op vakantie was.

De bebrilde man had de molen al twee keer rondgedraaid. Ook nu waren er geen nieuwe kaarten verschenen na het ronddraaien. Geen magie in deze boekwinkel op een woensdagmiddag, dacht ik. Hij drukte zijn bril weer omhoog, pakte een kaart uit het rek en keek het meisje aan.

‘Hier staat Het spijt me op, is dat ook goed?’

Het meisje schudde resoluut haar hoofd.

‘Nee, er moet echt Sorry op staan,’ zei ze en slaakte een geknepen zucht. ‘Wat moet ik nu?’ vroeg ze, met de grondtoon van beginnende wanhoop. Haar stem trilde en het leek alsof ze elk moment in tranen uit kon barsten. De bebrilde man werd een beetje zenuwachtig.

Het spijt me lijkt erg op Sorry,’ probeerde hij nog, maar het hielp niet.

‘Nee, laat maar. Bedankt,’ mompelde het meisje en liep met korte passen de winkel uit. De bebrilde man keek haar wat onbegrijpend na.

‘Sorry. Succes, dan,’ riep hij, zich ogenschijnlijk niet bewust van de ironie van zijn uitspraak. Het meisje had een punt: er is een groot verschil tussen Sorry en Het spijt me. Sorry is makkelijker dan Het spijt me. In Het spijt me ligt een zwaarder gewicht dan Sorry, een mens kan Sorry zeggen, en het tegenovergestelde denken, maar in Het spijt me ligt een vorm van berouw die onomkeerbaar is. Kennelijk had ze ook weer niet zó veel berouw dat Het spijt me ook een optie was.

Ik had het te doen met het Sorrymeisje. Toen ik weer buiten stond, werd ik gebeld door de vriendin met wie ik ruzie had gemaakt. Ik nam niet op. Vandaag was geen dag voor excuses, dacht ik, zowel voor het Sorrymeisje als voor mij. Maar: ik begreep haar wel. Soms is een kaartje de juiste oplossing. Morgen, misschien. Dan zou ik, wie weet, een kaartje sturen. Niet met Sorry, maar met Het spijt me erop, want mijn berouw was eigenlijk al onomkeerbaar. En: ik wist nu waar ik moest zijn om dat kaartje te halen. 

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

De wereld in 48 stukken – 0

In een van mijn vroegere huizen had ik een kaart van Zuid-Amerika boven mijn bed hangen. Dat betekent dat ik inslapend of zojuist ontwakend de landen kon oefenen, zodat ik zou weten welke daar allemaal lagen, en zodat ik kon dromen dat ik daarheen zou reizen. Colombia, Paraguay, Brazilië, Suriname. In mijn huidige huis hing een grote wereldkaart op zachtboard geplakt aan de muur. Er staken spelden met vlaggetjes in op plaatsen waar ik was of heen wilde. Die moest eraf omdat de muur geverfd werd. Ik trok die grote kaart langzaam van het zachtboard af en hij stond een weekje opgerold in een hoek, te twijfelen over hoe nu verder. Totdat ik hem vanmiddag neerlegde en met een schaar in stroken knipte, zodat ik de stukjes passend kon maken om een voor een in mijn dagboek te pakken.

Mijn dagboek dicteerde de omvang: ze zijn gemiddeld 19 bij 11 centimeter. Twaalf stroken van noord naar zuid, vier uit elke strook. De kaart is natuurlijk 180° van noord naar zuid, 360° van west naar oost. Een strookje is meestal een stuk aarde van 45° hoog en zo’n 30° breed. Later ga ik nog eens goed rekenen welk oppervlak dat is.

Waarom kaarten zo’n onstilbare aantrekkingskracht op mij uit oefenen denk ik wel te kunnen achterhalen als ik 48 weken lang (vier weken vakantie, waar zou ik eens heen gaan…?) steeds zo’n stukje aarde of zee goed bekijk. Van mijn grootvader heb ik een oude Leopoldsatlas waarop hij netjes aantekende hoe snel de reis per bananenschip door het Panamakanaal vorderde toen hij in 1953 een jaar op reis was. Dus misschien zijn het de genen after all.

En ik zal steeds een week naar de kaart moeten kijken voordat ik weet wat dat stuk wereld me te vertellen heeft. En ik zal wat problemen moeten overwinnen: wat te schrijven over de grote hoeveelheid blauwe stukken? Of wat te schrijven over een strook waar ongeveer heel Europa op valt? En er moet veel aan poëzie gerefereerd worden, deze van Mary Oliver bijvoorbeeld:

The old poets of China

Wherever I am, the world comes after me.
It offers me its busyness. It does not believe
that I do not want it. Now I understand
why the old poets of China went so far and high
into the mountains, then crept into the pale mist.

Maar waar het te plaatsen? Op de eerste kaart, links bovenaan, waar Amerika voor het eerst in zicht komt, (Oliver is een voormalig Poet Laureate van dat land) of eerder ergens in de 40 als we bij China zijn aanbeland?

Bij de eerste maar, want de wereld komt achter ons aan. En het zou over geschiedenis moeten gaan, over reizen, over boeken ook. En over boeken over kaarten (zoals Milo van Bokkums onvolprezen Grensstreken, of On the map van Simon Garfield)

Maar volgende keer dus eerst over de Tsjoektsjenzee, en de grens tussen Amerika en Rusland, in Kaart nummer 1.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Knaller

We hadden de kerst te vol gepland. De avonden ervoor, kerstavond, eerste en tweede, de avonden erna: steeds zouden er eters komen, mensen op wier komst we ons heel erg verheugden, maar eigenlijk waren we voor aanvang van de feestdagen al te moe, kon dat hele sociale er niet goed meer bij.

In de nacht van de tweeëntwintigste wilde de slaap B maar niet vinden. Ze trok haar kussen over haar hoofd en gromde wanhopig. Ik lag ook wakker en schrok omdat mijn vrouw nooit wanhoopt.

Uiteindelijk moet ik tóch in slaap gevallen zijn, want anders had ik niet om om halfvijf wakker kunnen worden van Ada (6), die zich met oorpijn in onze kamer meldde. We gaven haar een sabbelpijnstiller, trokken haar tussen ons in en schreven de nacht verder af. Een bed delen met Aad is waken naast een hyperkinetische zeester.

‘Sjezus,’ zuchtte B. ‘Hoe kom ik straks mijn werkdag door?’

Omdat onze dochter ook een loopneus bleek te hebben, deden we gezellig coronatests bij het ontbijt. Rond de pot met pindakaas gistten onze covid-domino’s. Nadim tuurde hoopvol naar de zijne, somde al films op die hij de komende dagen in zijn bed zou kijken, maar hij kreeg één lullig streepje en schoof het ding balend van zich af. Ada en ik bleken ook onbesmet – B had keihard Corrie.

Alles werd afgezegd, de druk was van de ketel, maar blij leek ze daar niet mee. B meldde zich ziek en toog naar onze slaapkamer, probeerde daar nog wat te werken.

De quarantainetijd ging in en ik vroeg me af hoe lang we dit nog zouden blijven doen, als samenleving. Van mijn zwager, die op dit moment in Colombia woont, hoor ik dat ze daar niet testen. Dat ze geen verschil zien tussen corona en griep. Ik wil hier geen discussie aanzwengelen, ik vroeg het me gewoonweg af.

Omdat B verder symptoomvrij bleef, kon onze huizenruil met Parijs na de kerstdagen doorgaan. Montmartre bleek een fijne uitvalsbasis van waaruit we tientallen kilometers liepen. Nadim (11) is al jaren een goede wandelaar, en voor iemand die veel liever danst deed Ada het ook prima.

Er speelden zorgen in Nederland, maar toch waren er momenten waarop ik nergens aan dacht, de tijd uit het oog verloor en loskwam van alles behalve mijn gezin hier in de straten van Parijs. Het waaide en regende, de hemel was loodgrijs. In de middagen rustten we uit in het appartement met uitzicht op de Sacré Coeur. Tegen beter weten in probeerde ik Mohamed Sarr te lezen – inmiddels had ik het zeker tien keer van me afgeworpen en weer opgepakt.

Ik begrijp dat er flink geboden is op de rechten van deze Goncourtwinnende roman, en dat Atlas-Contact die biedingsfrenzy won. Ze zullen er geen spijt van hebben, want iedereen die ik ken leest op dit moment De diepst verborgen herinnering van de mens.

Ik wierp Sarr in een hoek van de bank en las het nieuwe The Unfolding van A.M. Homes, dat me tegen had gestaan vanwege het politieke gehalte, maar in positieve zin verraste. Homes balanceert knap tussen het absurde en realistische, tussen hoogdravendheid en fijngevoeligheid. Daarna begon ik aan de nieuwe Strout – niet gedacht dat ik het ooit zou zeggen, maar misschien word ik Lucy Barton een beetje moe. Dat begon al bij haar vorige Oh, William.

Omdat de kinderen daar nog niet geweest waren, sloten we op een ochtend van zware regenval aan in een rij voor het Louvre. We hadden voor een vaste tijd gereserveerd, maar stonden niettemin drie kwartier onbeschut om vlak voor binnenkomst te ontdekken dat we waren voorgedrongen: de werkelijke rij liep om de glazen piramide heen.

Ouder worden is jezelf omarmen. Omdat ik dit jaar vijftig word, zal ik omarmen dat beeldende kunst vrijwel niets met me doet. Ik snap dat er bij de lezer allerlei verweer opborrelt, maar laat me je verzekeren: ik heb het al die jaren écht geprobeerd.

Op oudejaarsavond aten we bij een klassieke brasserie een assiette fruits de mer. Om ons heen zaten veelal bejaarde mensen uit de buurt, die zich voor de gelegenheid in hun beste kloffie gestoken hadden. Nadim had zijn haar gekamd en Ada droeg een goudplissé feestjurk – van de obers en passerende gasten kreeg ze uitgebreide complimenten.

Na het eten keken we Amélie in ons appartement terwijl de bejaarde kat des huizes ronkte bij Nadim op schoot. Voor het eerst bleef Ada wakker tot het twaalf-uurmoment, en vanaf ons balkon keken we naar de flikkerende lichtshow op de Eiffeltoren. Het gebrek aan vuurwerk dat ik een vorige keer als anticlimactisch had ervaren stoorde me nu totaal niet, maar we spraken wél af dat we er volgend jaar weer een groot feest van zouden maken.

Op nieuwjaarsdag reden we een nagenoeg verlaten stad uit. Ook de autoroute was leeg. Toen B het stuur bij de Belgische grens overnam, pakte ik mijn telefoon en scrolde door beelden van een heel Amsterdams oud en nieuw: vuurwerk, lichtkogels en bezwete koppen, salontafels vol flessen, peuken en ponypacks – ik voelde verrassend weinig spijt het allemaal gemist te hebben.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Toevallige ontmoetingen

Ik was op een gala. Het was het gala van Sempre Crescendo, het studentenmuziekgezelschap waar ik bij zit. Het is een open subvereniging van Minerva, het Leidse studentencorps, dus het gala zelf was op Minerva en ook Minervanen waren welkom. (Ik zit zelf niet bij Minerva.) 

De muziek stond hard en het was niet het soort muziek waar ik meestal naar luister (normaal gaat mijn voorkeur uit naar klassieke muziek). Het was een uur of twaalf ’s avonds en ik stond te dansen en te springen met een groepje meisjes en jongens. Het was meer een soort hupsen, want we stonden dicht opeengepakt. Plotseling hoorde ik rechts van mij iemand schreeuwen: ‘Sybren! Hé Sybren!’ Ik keek om en daar baande iemand zich een weg door de menigte. Ik herkende hem. Het was een oud-klasgenoot. Maar hoe heette hij ook alweer? De naam ‘Diederik’ kwam in mij op, maar waarom is mij een raadsel, want ik wist ook meteen dat hij helemaal niet zo heette. Hij was wat dikker geworden. Ik schreeuwde een vraag in zijn oor. Wat deed hij hier? Hij zat bij Minerva. Aha, vandaar. Hij riep, stelde vast dat ik wel bij Sempre zou zitten. Ik beaamde dat. Hij zei dat ik vroeger ook al zo goed speelde. Ik bedankte hem en vroeg wat hij studeerde. Biologie. Ik verklaarde dat ik Biomedische Wetenschappen deed, maar dat ik eerst een jaar aan het conservatorium had gestudeerd. We schreeuwden nog wat dingen naar elkaar en daarna vervolgde hij zijn weg naar de tap. Ik heb hem de rest van de avond niet meer gezien.

Een kleine week later stond ik bij een zelfscankassa in een supermarkt en ik herkende een van de medewerkers: zij had op de middelbare school bij een paar vakken bij mij in de klas gezeten. Ik groette haar, stak mijn arm op. Ze keek me heel gek aan; zij herkende mij duidelijk niet. Ik liet mijn arm zakken en ging door met betalen. Zou ik naar haar toestappen? Hoe heette ze ook alweer? Ik besloot niks te doen.

Een paar weken later appte een studiegenootje mij over een bepaald essay dat wij moesten schrijven. Ik keek naar haar profielfoto op WhatsApp (want waar zijn die anders voor) en wie stond er op die foto daar links van haar? Verdomd, dat meisje. Hoe heette ze nou? Het studiegenootje zou het vast weten. Dus voor een volgend college zei ik tegen haar:

‘Dat meisje dat links op je profielfoto staat, heeft bij mij op school gezeten.’

Ze zocht de foto op en zei: ‘Oh, Victoria, ja die zit in mijn ploegje.’

Oh ja, Victoria. Zo heette ze.

‘Wat studeert ze?’ vroeg ik.

‘Biologie.’

Soms weet ik de naam wél meteen. Zo ging ik laatst met de trein naar Utrecht. Er stapte een jongen in, ongeschoren, met een grote tas.

‘Dat is Cas R!’ dacht ik. Maar ik heb hem niet gegroet, want ik had op dat moment geen zin in een gesprek.

Er zijn nog vele andere voorbeelden van dat soort ontmoetingen. Zo ging ik laatst naar de kapper, en degene die mij knipte kende ik van de basisschool: ze had een klas hoger gezeten. Dat leverde een maf gesprek op. We hebben zo’n tien jaar na het verlaten van de basisschool over de meesters en juffen zitten praten, voor zover we die ons nog konden herinneren, natuurlijk. 

Verreweg de raarste ontmoeting met een oude klasgenoot had ik ooit op Romereis. Ik stond met mijn vrienden in de avond op een of ander plein en plots hoorde ik mijn naam. Daar kwam een klasgenoot van de basisschool mijn kant opgelopen; hij was ook op Romereis met zijn school. In Leiden hadden we elkaar jaren niet gezien, maar in Rome, toch een stad van grotere afmetingen, liepen we elkaar opeens tegen het lijf.

En dan zijn er nog de ouders van mijn oude schoolgenoten die ik zie lopen en groet en soms een praatje mee maak. Een van hen werkt bijvoorbeeld bij de boekhandel die ik frequenteer. We wisselen altijd enige wederwaardigheden uit en dan hoor ik ook altijd hoe het met haar dochter gaat. Zij studeert in Utrecht. 

Ik blader door het jaarboek van mijn middelbare school. Ik ben op zoek naar de naam van de jongen op het gala. Ik bekijk de foto’s en de namen. Ik zie de studiekeuzes die overal onder de namen staan. Ik lees de boodschappen die hun vrienden voor hen hadden geschreven. Veel namen en gezichten komen mij slechts vagelijk bekend voor. Slechts vier jaar. Slechts vier jaar is blijkbaar genoeg om mensen van mijn harde schijf te wissen. Zo zal ik ook van heel wat harde schijven verdwenen zijn.

Daar. Hij heet Sander. Diederik was het dus inderdaad niet. Sander. Er staat dat hij in Utrecht geneeskunde wilde studeren. Was hij er niet ingekomen? Of had hij toch besloten om iets anders te gaan doen?

Het is gek om zo door het boek te bladeren. Soms is er een gezicht dat een herinnering bij mij oproept. Soms hoor ik plots een stem of flitst er in mijn geestesoog een beeld voorbij. Nu terugdenkend durf ik bij sommigen wel een voorspelling te doen over de vereniging waar zij zich bij hebben aangesloten. Dat meisje was bijvoorbeeld echt een Corpsmeisje. Die jongen zal hoogstwaarschijnlijk ook bij het Corps zijn gegaan. Dat soort dingen realiseer ik me nu pas; nu ken ik het type, toen nog niet. Maar bovenal vraag ik mij af hoe het met iedereen gaat. Ik ben bijna geneigd om een berichtje in de Whatsappgroep van onze zesde klas te zetten (ja hij bestaat nog, maar ieder jaar verlaten enkelen de groep. Er moet uit te rekenen zijn wanneer hij leeg is.).

Hoe dan ook, ik zal de komende jaren nog wel wat meer oude klas- en schoolgenoten tegen het lijf lopen. Ik ben benieuwd wie het zullen zijn, en of ik nog weet wie zij zijn en of zij nog weten wie ik ben. 

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

De bestelling

Mijn hart slaat twee slagen over wanneer ik de zaak binnenstap. De rij van de kassa is tot de ingang. Alle zitplekken zijn bezet, enkele met personen die op hun bestelling wachten, anderen eten er. Ik zucht en sluit mij aan in de rij. Vijf personen voor mij. Ik hoor de deur achter mij opengaan. Nu is er iemand na mij. Ik ga ervan uit, aangezien ik een uur geleden een bestelling heb geplaatst,  dat die al klaar is. De zaak is op een hoek van twee straten en heeft een gevel van deels donker getint glas en deels beton. Aan de binnenkant heb je ongeveer acht zitplekken. Op de vloer heb je tegels met de kleuren blauw en crème gecombineerd. De muren zijn verder wit geschilderd. Het plafond is ook wit. Tegen de twee muren hangen lijsten, een met een foto van Mahatma Gandhi, een met een foto van Barack Obama en uitgeknipte recensies uit verschillende kranten over de plek. De balie waar de kassa staat is gemaakt uit mahoniehout en erop de lijst met gerechten die de zaak verkoopt. De prijzen zijn steeds met een marker aangepast in plaats van een nieuwe lijst uit te printen met de nieuwe prijzen. Een televisie waarop videoclips te zien zijn hangt vanuit het plafond. Ik kijk al de hele week uit naar het gerecht verrijkt met boulanger. Ik heb mijn ontbijt overgeslagen om het verlangen ernaar te vergroten. Nu twijfel ik of dat wel zo’n goed idee was.

“Hoe bedoel je “mijn bestelling is nog niet af”?!” schreeuwt een vrouw met een beetje vol postuur in een geruite jurk tegen de kassière. “Ik heb ruim twee uren geleden besteld. Jullie zeiden dat mijn bestelling op tijd af zou zijn en nu zeg je mij dat het nog niet klaar is. Het kan me niet schelen dat het druk is.”

Ik zie haar al over de balie springen om de kassière die haar aankijkt met grote ogen te wurgen. Ze heeft een haarnet om waar je haar sluike haar nog erdoor kan zien. Ze heeft ook  een bruine schort. Een tatoeage, een naam, in de buurt van haar sleutelbeen, wordt deels bedekt door haar rode blouse met bloemenmotieven. 

“Momentje”, zegt de kassière na enkele seconden. Ze loopt daarna naar de keuken. Die is een paar stappen naast de kassa. Ik vraag me af of ze is gaan vragen hoe ver ze zijn met de bestelling of dat ze is gaan schuilen. De klant kijkt even om zich heen. Haar ogen spuwen vuur. De kassière komt terug met de mededeling dat de bestelling binnen vijftien minuten af is. De vrouw draait om, trekt een gezicht zolang als de Henck Arronstraat, neemt plaats bij een tafel naast de kassa en wacht haar bestelling af. De gezichten van de andere klanten in de rij zien er ook niet fraai uit.  Ik kijk even naar het plafond. Mijn maag begint te draaien. Ik veeg mijn gezicht even af met mijn blote hand. Zweet begint mijn poriën uit te komen ondanks dat de airco aan is in de zaak. De kassière gaat een tafel schoonvegen van een koppel dat hier wil eten. In harmonie zuchten de mensen in de rij. Ik besef nu dat ik geen ander personeel op de vloer zie. De kassière moet alles zien te doen. De bestelling van  tien roti’s van de klant die volgt, is wel af. De rij gaat een stukje naar voren. De twee klanten die daarna volgen hebben het geluk ook mee. Een reikt ze dienblad met twee porties aan voor consumptie op de plek en de ander krijgt zijn bestelling van zes porties direct. Ik kruis mijn vingers dat het universum mij vandaag goedgezind is.

De zaak verkoopt naar mijn mening de beste roti’s in Suriname. Zachte rotiplaten. Lekkere kip met  aardappel in masala, niet te zout of te pittig. Keuze uit de groenten, boulanger of kousenband of beiden. Ik neem altijd boulanger. In het weekend hebben ze ook doks en schaap. Vergeleken met andere rotizaken zijn wel open tot een uur of drie. Op de zaterdag is het extra druk met bestellingen. Ik twijfel of het wel een goed idee was om juist op deze zaterdag roti te bestellen. Zo’n laatste weekend van de maand waarbij ook de meeste mensen salaris hebben ontvangen. Men wil meestal buiten eten halen. 

De man voor mij moet ook even wachten op zijn bestelling. De kassière gaat weer de keuken in en komt daarna triomfantelijk de keuken uit lopen. Ze houdt een zak met vier porties omhoog. Ze geeft die af aan de vrouw en gaat. Wanneer ik eindelijk aan de beurt ben, na twintig minuten staan in de rij, geef ik mijn bestelling door.

“Bestelling van Kevin. Twee roti extra, een met kousenband en een met boulanger, aubergine.”

Ze kijkt me aan alsof ik Mandarijn praat. Ze bekijkt daarna een aantal briefjes naast haar met bestellingen, maar vindt blijkbaar die van mij niet.

“Nog een keer uw bestelling?” vraagt ze.

“Tweemaal roti extra, een met kousenband en een met boulanger. Op naam van Kevin.”

Ze loopt naar de keuken en wanneer ze weer terug is, zegt ze “we zien uw bestelling niet. Heeft u wel de bestelling bij ons geplaatst?”.

Mijn binnenste begint te borrelen.  Mijn handen trillen.

“Ik heb mijn bestelling hier geplaatst. Onder de naam Kevin. Anderhalve uur geleden.”

Ze loopt weer naar de keuken. Ik adem in en blaas uit. Ik kijk naar de klant die voor mij was en ook nog even moest wachten. Kale man met een stoppelbaard. Hij lacht. Ik zie een gouden tand uitsteken. Hij schudt zijn hoofd. De kassière komt weer naar buiten met twee porties. Mijn vreugde wordt direct de grond in geboord wanneer ze het aan die andere klant geeft. 

“Sterkte” zegt hij wanneer hij langs mij loopt. Ik wil ontploffen. Rustig, kalm, relax, adem in, adem uit zeg ik tegen mezelf. Ik wil het voorkomen want de schade zal niet te overzien zijn.

“Vijf minuten”, zegt ze. “We hadden uw bestelling verlegd, hoor. Het is druk toch. Inmiddels hebben we die gevonden en we maken het in orde. U kunt even aan de linkerkant van mij plaatsnemen.”

Ik zucht en neem plaats. Even aan wat anders denken.

De eerste keer dat ik mij kan herinneren dat ik het Surinaams gerecht dat meegekomen is met de Hindostaanse Immigratie at was toen ik vijf of zes was. Mijn oma bracht mij naar een roti shop aan de overkant van de centrale markt. De shop is er niet meer. De roti plaat was enorm. Erop een eiland van aardappelen en kip met masala. En boulanger. Mijn oma scheurde een stuk van de plaat en rolde een beetje van het eiland erin. Ze voerde mij het. Het moment dat het op mijn tong belandde, wist ik niet wat er met mij gebeurde. Een explosie van verschillende smaken. Ik at de roti binnen de kortste keren op, bijna zonder te kauwen. Mijn oma volgde het spektakel met grote ogen en een brede lach. Het gerecht meegekomen met de Hindostaanse Immigranten had mijn hart veroverd. Elke keer wanneer ik een roti eet word ik, al is het voor maar drie seconden, naar deze herinnering teruggevoerd.

“Uw bestelling is af”. Ik kan rondhuppelen alsof ik het winnend doelpunt heb gescoord in het FIFA-wereldkampioenschap voetbal. Ik sta op en neem de bestelling. Net wanneer ik wil weglopen met mijn prijs zegt de dame “we hadden geen boulanger meer hoor, dus hebben voor de andere portie ook kousenband gezet.”

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

Alsof er niets te gebeuren staat

Op de dag waarop ik mijn koffer in zou pakken, werd ik belabberd wakker. Een griepje, dacht ik nog, maar na een uur besloot ik toch even een wattenstaafje in mijn neus te schuiven. Terwijl ik voor mijn gevoel met het stokje tandsteen van mijn brein aan het krabben was, bedacht ik dat ik al een half jaar lang niet meer getest had.

Om de tijd tot de uitslag te doden besloot ik maar wat overhemden op te vouwen en mijn toilettas klaar te maken. Het zou vast een griepje zijn, bleef ik tegen mezelf herhalen: niets aan de hand. De dag erna zou ik gewoon op de achterbank van de Fiat van Ef en Het naar Normandië zitten, en reden we naar het chateau waar Ef met Lena vaak de jaarwisseling had doorgebracht. Dit jaar mochten Het en ik mee, en daar keek ik enorm naar uit. Ik zag ons al lopen over het strand, drinken aan de lange tafel in het chateau, en door de omgeving slenteren. We zouden allemaal aan Lena denken, zodat ze in gedachten nog een beetje bij ons was.

Na drie kwartier vouwen, proppen en inpassen, besloot ik te gaan kijken naar de uitslag. Dat virus zou me niet voor de éérste keer pakken op uitgerekend dit moment, dacht ik nog, maar toen ik keek, zat ik fout. Twee rode streepjes.

Ik appte Ef met het droevige nieuws, en belde even later ook nog met hem. De tranen hoopten op achter mijn ogen. Ondertussen bonkte mijn hoofd als een dansfeest, liep mijn neus als nooit tevoren en brak het zweet me uit. Ef was verdrietig, en ik ook. Ik vroeg hem of Het en hij voor drie wilden genieten, daar, in Normandië. En of hij veel foto’s wilde sturen.

Pas toen ik wat verloren aan de keukentafel zat, besefte ik dat ik voor het eerst alleen zou zijn tijdens de jaarwisseling. De voorgaande jaren was oudjaarsavond een blokkenschema geweest van familiebezoeken en feestjes. Met vrienden besprak ik dan het afgelopen jaar, haalden we herinneringen op en maakten we de balans op van weer een levensjaar. Op de achterkant van een tijdschrift begon ik na een tijdje haast therapeutisch een aantal gebeurtenissen van dit jaar op te schrijven. Toen ik alles doorlas, kon ik me amper voorstellen dat al die zaken in één jaar waren gebeurd. Het is grappig hoe herinneringen als een soort harmonica in elkaar worden gedrukt naarmate de tijd verstrijkt, maar dat je ze ook weer met één handomdraai uit kan trekken:  

Voor de poëzie mocht ik onder meer naar Brussel, Amsterdam en Lille. Mijn koelkast ging stuk. Ik mocht meeschrijven aan een cabaretvoorstelling, had mijn eerste, grote publicatie en begon wekelijks op deze plek te schrijven. Ik hield van drie meisjes, en elke keer dacht ik dat het niet meer zou kunnen. Ik leerde van een dichter op een gala dat dichters niet dansen. In de binnentuin van Nijgh en van Ditmar danste ik toch. Ik haalde weer een keyboard in huis. Ik at oesters én magnetronmaaltijden. Mijn fiets werd gestolen, en ik stal zelf een fietslampje voor mijn nieuwe fiets. Voor het eerst in mijn leven was ik op een bruiloft. De bardames en barmeneren in mijn stamkroeg gingen voelen als familie. Voor een documentaire ging ik naar concentratiekamp Neuengamme. Ik las bijna alles van Carmiggelt. Als stadsdichter schreef ik meer dan ik ooit had verwacht. Door de hele stad zag ik mezelf hangen op aanmoedigingsposters om te stemmen voor de gemeenteraadsverkiezingen. Ik vierde mijn verjaardag. Eén maand lang waande ik me een Amsterdammer. Ik bewerkte Shakespeare en las voor met een vrouwenkoor. Mijn vader gaf me een knuffel. Ik knuffelde de burgemeester. Ik huilde voor het eerst in jaren om een scène uit Casablanca. Madame Bovary was één dag kwijt. Lena en Roem raakten voor altijd kwijt. Ik vond nieuwe vrienden, en een reservesleutel die ik al vijf maanden kwijt was. En in de laatste stuiptrekkingen van het jaar kreeg ik dat virus, op het moment waarop ik het totaal niet had verwacht.

Wat ik nog ga doen, op de laatste dag van het jaar? Ik zet een fles wijn koud, en poets mijn mooiste glas. Dan proost ik met mijn kat. En daarna tuimel ik geruisloos het nieuwe jaar in, zo stil, dat het bijna lijkt alsof er niets te gebeuren staat.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Nicole Montagne"
    Nicole Montagne

    Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.