Vijfentwintig

Vorig jaar gleed ik dronken de nacht van mijn verjaardag in, met een dozijn vrienden in de kroeg. Die beschonkenheid zette ik op de dag zelf voort. De rest van de week lag ik met de ergste kater die ik ooit had op de bank. Door dat fiasco had ik het voornemen gevat om het dit jaar anders aan te pakken.

In de ochtend druppelden de eerste felicitaties binnen. Gil stuurde een digitale zoen en verwonderde zich weer over het feit dat ik zo jong ben, Lot belde me en noemde me liefkozend een oude lul (maar wel háár oude lul), Snip stuurde een gedicht van Reve, met wie ik mijn verjaardag deel. Een kwart eeuw, dacht ik toen ik mijn tanden stond te poetsen. De tijd waait onder me weg als los zand.

Om tien uur trapte ik doodgewoon naar een werkafspraak in de binnenstad. Ik dacht aan hoe ik vroeger wakker lag op de avond voor mijn verjaardag, van de spanning. En hoe ik vond dat op je verjaardag alles om jou draait: alle mensen die je tegenkwam op straat hadden hun glimlach speciaal voor jou opgezet, de straten waren een rode loper die alleen voor jou was uitgelegd, iedereen was op de hoogte van je verjaardag.

Maar die ongetemperde vreugde, dat blinde geloof vervaagt met de jaren. Nu was het ook gewoon een dag waarop er dingen van me werden verwacht – de werkafspraak verliep zoals een werkafspraak op alle andere dagen ook verloopt.

In de middag, nadat ik nog wat berichten had beantwoord en een opdrachtgever een gedicht had gemaild, hees ik mezelf op een kruk in Van Zanten. Lootje, die van liefde aan elkaar hangt en feller fonkelt dan de zon in augustus, had me gevraagd even langs te komen – ze had iets voor me.

Lootje omhelsde me en drukte een kaartje in mijn hand, met woorden die zo lief waren dat ik ze voor altijd voor mezelf wil houden, zoals je soms een klein koffietentje dat je hebt ontdekt met niemand anders wil delen, of een mooi lied eigenlijk niet met iemand anders wilt delen.

Nadat ik bij mijn ouders had gegeten en mijn moeder had verzucht dat ik gisteren nog als een baby in haar armen had gelegen keerde ik weer terug naar Van Zanten, waar ik één biertje zou doen.

Vijftien bier later, nadat ik handen had geschud, mensen had geknuffeld, gesprekken had gevoerd waar ik geen woord meer van onthouden heb, raakte ik mijn bed – daar ging ik tenminste vanuit, want de volgende ochtend werd ik daar met mijn pak nog aan wakker door mijn wekker, die ik kennelijk had gezet.

Ik sleepte mezelf naar het koffiezetapparaat, drukte twee paracetamols uit de strip, sloot mijn ogen even, niet te lang, omdat ik bang was dat ik weer in slaap zou vallen. Het pruttelen en horten van het apparaat klonk zo hard dat het leek alsof iemand met een boor door mijn schedel ging.

De katers zouden alleen maar zwaarder worden nu ik dichter bij de dertig kwam, hadden de mensen om me heen al vaak gezegd, en dan had ik gelachen – omdat zij ouder waren, en ik nog jong, nog zo godvergeten jong. Dan noemde ik ze watjes en bestelde nog een rondje voor ze. Nu leunde ik op mijn aanrecht, dronk drie bakken koffie, probeerde de vorige avond te reconstrueren.

Nog vijf jaar, dan ben ik dertig, ongeveer zo oud als de mensen die ik nu watjes noem, de afhakers die voor twaalven al wederkeren naar afbetaalde huizen, waar partners en kinderen slapen. Het zijn de mensen die me achterlaten aan de toog, om me vervolgens pesterig vroeg de volgende ochtend te berichten dat zij al uit de veren zijn en om te vragen of ik nog leef.

Nog vijf jaar, dan ben ik dertig. Ik kan niet wachten.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en het AD. In 2022 verscheen DEMarrage, een uitgave van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina en in 2024 verscheen Dag stad bij uitgeverij Klapwijk en Keijsers.

Van 2021 tot 2024 was Twan stadsdichter van Amersfoort.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

In de Oorshop

Kamchatka, onbekende schoonheid

(De wereld in stukken 46)

Dit gedroomde schiereiland met een uitzinnige schoonheid komt tot ons in twee historische werken. Het eerste is:

Stepan Petrovich Krasheninnikov The History of Kamtschatka and the Kurilski Islands, with the Countries Adjacant  Illustraded With Maps and Cuts And Published at Petersburg  in the Russian Language, by Order of her IMPERIAL M A J I S T * And translated into ENGLISH By JAMES GRIEVE, M.D

Het exemplaar uit 1764 bevindt zich in de Chung collectie van de University of British Columbia. Het boek behoorde aan J.W. Eastham, een Canadees botanicus die er nog op kalkte:  ‘Relates to the North-West Coast of America and the islands adjacent. The Author has much to say about the Fur Trade.’

Daar staat het boek in een kast, in Vancouver, en gefotografeerd op het internet, maar er gaat  een complete wereld achter schuil. Het smeekt erom hartgrondiger uit de mist der geschiedenis te worden opgehengeld dan ik hier doe.

Stepan Petrovich Krasheninnikov maakt deel uit van de Grote Noordelijke expeditie, van 1733 tot 1743, verordonneerd door Peter de Grote, om een zeeweg over het Noorden te ontdekken, en om te onderzoeken waar Rusland precies aan Amerika raakt. Peter de G. had een gesprek met Leibnitz gevoerd in Duitsland over de landbrug die er zou bestaan tussen Rusland en Amerika. En Peter wilde de grenzen van zijn rijk kennen. Het werd een extreem succesvolle en peperdure onderneming. Krasheninnikov is een gedegen wetenschapper. Hij behandelt de complete natuurlijke historie van het schiereiland: ‘Ze maken veel gebruik van de berkenschors, die ze van de bomen halen terwijl ze nog groen zijn; en het in kleine stukjes snijden, zoals vermicelli, en eten met gedroogde kaviaar. Wanneer je in de winter een van hun dorpen binnengaat, zie je dat de vrouwen bezig zijn deze groene bast met hun bijl of voet af te hakken. Ze fermenteren deze schors al met het sap of de vrucht van de berk, waardoor een aangename drank ontstaat.’

Wie dan eigenlijk? Krasheninnikov is weliswaar een gedegen wetenschapper, maar helaas niet ongevoelig voor de vooroordelen van zijn tijd.

‘De inwoners van Kamtschatka zijn net zo wild als het land zelf: sommigen van hen hebben geen vaste woonplaats, ze zwerven van plaats naar plaats met hun kuddes rendieren; anderen hebben woningen en verblijven aan de oevers van de rivieren en de kust van de Penschinska-zee, levend van vis- en zeedieren, en kruiden die op de kust groeien. De eerstgenoemden wonen in hutten bedekt met hertenhuiden, de laatste in huizen die uit de aarde zijn gegraven; beide op een zeer barbaarse manier van doen: hun karakter en humeur zijn ruw; en ze hebben totaal geen kennis van letters of religie. De inheemsen zijn verdeeld in drie verschillende groepen; namelijk de Kamtschadales, Koreki en Kuriles.’

Het tweede boek is een halve eeuw jonger

REISE UM DIE WELT in den Jahren 1803, 1804, 1805 und 1806 auf Befehl Seiner Kaiserl. Majestät Alexanders des Ersten auf den Schiffen Nadeshda und Newa unter dem Commandodes Capitäns von der Kaiserl. Marine A. J. von Krusenstern.

Dat is een verhaal, hoor! Adam Johann von Krusenstern was een Baltisch-Duitse admiraal in het Keizerlijk leger die in de koloniale ambities van Rusland in de vroege 19e eeuw een rol van belang speelde. Zijn wereldreis leest als een, eh stoomtrein met steenkoolproblemen. ‘Zeelieden schrijven slecht, maar met voldoende openhartigheid.’ was Von Krusenstern zo sportief als motto van zijn eigen boek op te nemen. (Charles de Brosses, comte de Tournay, baron de Montfalcon, seigneur de Vezins et de Prevessin). Wie?

De eerste keer dat Von Krusenstern Kamchatka aandoet Komt hij van over de Pacifische Oceaan en maakt hij zich op voor schermutselingen met zowel de Japanse als de Chinese overheid. Om zaken te regelen moet eerst even een  gouverneur van de noordelijker gelegen hoofdstad overkomen.

‘Iedereen die bekend is met de manier van reizen in Kamtsjatka zal gemakkelijk een idee krijgen van de moeilijkheden die zich moeten hebben voorgedaan bij het zo snel mogelijk vervoeren van 60 soldaten over een afstand van 700 werst. Alleen het doel waarvoor ze naar Petropavlovsk werden gebracht, was zo belangrijk dat het in overweging genomen moest worden.’

Nee, dat kan geen feest geweest zijn, behalve om het natuurschoon. Van Kamtjsatka had ik nog nooit gehoord. Maar ik verlekker me al een week aan de foto’s. Het landschap staat op de Unesco wereld erfgoedlijst:

Vulkanen van Kamtsjatka

‘Dit is een van de meest opvallende vulkanische regio’s ter wereld, met een hoge dichtheid aan actieve vulkanen, een verscheidenheid aan typen en een breed scala aan gerelateerde kenmerken. De zes locaties die deel uitmaken van de seriële aanduiding groeperen het merendeel van de vulkanische kenmerken van het schiereiland Kamtsjatka. Het samenspel van actieve vulkanen en gletsjers vormt een dynamisch landschap van grote schoonheid. De locaties bevatten een grote soortendiversiteit, waaronder ‘s werelds grootste bekende variëteit aan zalmachtige vissen en uitzonderlijke concentraties zeeotter, bruine beer en Stellar’s zeearend.’

Naar kaart 47

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Eifelen

Over de pont reed ik, mijn rugtas over mijn schouders. Ik parkeerde mijn fiets tegen een hekje in Noord en liep op Rob af, die naast zijn auto stond te wachten. Toen ik mijn vriend omhelsd had wachtten we samen op Wytske en Colin, die zijn verblijf in Amsterdam met drie dagen had verlengd om mee naar de Eifel te kunnen.

Het blijft me verbazen dat een beroemdheid als hij zo geniet van dit soort uitjes, van bestemmingen waar je een Hollywoodacteur nooit zou verwachten. Sinds hij heeft besloten Nederlands te leren is Col daar continu mee bezig, en onze heenweg werd door hem dan ook doorlopend van commentaar voorzien.

Colin vindt het leuk om mensen invasieve vragen te stellen en dan door te vragen, een rol die van oudsher eigenlijk voor Rob is, maar die toonde zich inschikkelijk en reed ons met vaderlijke kalmte naar het zuidoosten.

We kwamen door het rivierdal van de Ahr en zagen de schade die de overstroming er had aangericht. De laagste verdiepingen in dorpjes die ooit bol hadden gestaan van de toeristenhoreca waren veelal dichtgetimmerd of raamloos, de ruimtes erachter kale zwarte holen. Nergens was een kip op straat.

‘De atmosphere sit er al good in,’ zei Col. Hoewel ik weet dat hij recent al mijn boeken gelezen heeft, vraag ik me af hoeveel hij daar nou precies van mee kan hebben gekregen.

We aten flammkuchen in een restaurant dat Every Breath You Take op repeat had staan. De enige andere gasten in de helwitte ruimte – duidelijk dit jaar nog opgeleverd na een ingrijpend herstel – waren twee bejaarden die zwijgend aten. Colin probeerde wat Duitse woorden uit, vroeg nog eens naar het verschil met Nederlands.

Het huis dat we gevonden hadden lag in een mooi gehuchtje in de bossen en de huurbazin vertelde ons dat het die nacht zou gaan sneeuwen. We aten, dronken erg veel van de wijn die we onderweg hadden ingeslagen. Morgen zou er gelopen worden en iedereen behalve ik had wandelschoenen mee.

Ik liep in mijn stadskleren, op zwarte Nikes. Mijn ervaring met wandelschoenen is dat je er blaren van krijgt en dat ze even veel grip bieden als gympen. Daarnaast vind ik specialistische kleding die op een activiteit gemarket wordt ergerlijk. Alsof ons consumentisme niet genoeg schade aanricht, moeten we nu ook nog voor elke soort weer en terrein andere shit aanschaffen.

Colin en Wytske zouden zich met de route bezighouden, en wat ik me het meest herinner van onze vijf uur durende omgang door het Eifelse platteland was die twee koppen bij elkaar, gebogen over een kaartje dat steeds door Col een kwartslag gedraaid werd.

‘Het noorden is daar,’ zei Rob zo nu en dan.

Er was geen restaurantje onderweg, geen bar of koffiehuis. Mijn fantasie over een donkerbruine stube met kroezen bier en zwijnenschenkels, kapstokken vol jagershoedjes en bejaarden met blossen op de wangen bleek kansloos. Uiteindelijk kochten we een paar biertjes bij een landwinkel, waar de uitbaters mokkig werden toen we van de uitgestalde crackers aten zonder die daarna te kopen.

In het bos vonden we wat boleetjes voor bij de kip die ik in de pekel had gelegd. Ik dacht aan aardappels uit de oven, room, een gratineerlaagje; een pittige en zure salade voor ernaast.

Thuis verdeelden we de taken. Wytske kreeg de ondankbaarste: de hot tub in de tuin opstoken met vochtig hout. Colin ging haar helpen en al snel hoorde ik ze daarbuiten lachen. Dikke rookwolken schoven langs het keukenraam, hier en daar wat opgefrist door de eerste sneeuwvlokken.

Tegen twaalven waren we zo lam dat Colin plat Iers ging praten en we hem alledrie konden volgen. We vielen bijna in slaap bij de haard, maar toen was opeens de hot tub klaar.

Met geen van deze mensen had ik ooit in lichaamswarm water gezeten, laat staan in een houten bakje, maar zoals wel vaker in dronkenschap: het paste prima. Ik herinner me te hebben gegierd van het lachen, maar herinner me niet waarom. Ik weet nog dat ik Colin met de vlakke hand op zijn wang mepte, dat er een watergevecht ontstond en dat de sneeuwvlokken oplosten in het woeste water.

De volgende ochtend, bij het opruimen dat ze de eerste uren moederziel alleen gedaan had, telde Wytske veertien lege flessen. Een confronterend aantal, maar soms overstijgt het nagenot de kater.

We vertrokken, deden een moderne kapel aan die eruitzag als een vergeten hooibaal en van binnen deed denken aan een endeldarm. Colin was er stil van.

We zochten een lunchplek, maar alles was dicht of opgeheven. Een wegrestaurant bood uitkomst.

We aten patat met worst omdat de alternatieven nog erger leken en ik besloot dat de Eifel niet echt vijandig aandeed, maar eerder vreugdeloos. We spraken af om volgend jaar weer samen te gaan lopen – in de Vogezen, wellicht.

Ook Col zei dat hij mee wilde, en hoewel ik in de blikken van Wytske en Rob dacht te zien dat ze zich dat moeilijk konden voorstellen, wist ik dat hij het meende. Dat hij er alles aan zou doen om er weer bij te zijn.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.

Geboren voor de herinnering

Waar ging het mis? Hoe komt het dat er zo’n kaalslag is onder schrijvers geboren tussen 1954 en 1966 dat het tijdschrift De God van Nederland in 2018 een heel themanummer kon wijden aan deze ‘Gedoemde Generatie’? Een echte verklaring zul je in dat blad niet vinden, wel een tamelijk schokkende lijst van ontvallenen en een gevoel van ontheemding onder de doorschrijvende overlevenden. 

Generatielid Chrétien Breukers (1965) durft verder te gaan in zijn analyse. Ook hij constateert in eerste instantie een gemis: ‘De figuren die de Grote Drie van onze generatie hadden kunnen zijn, pleegden zelfmoord (Joost Zwagerman, Anil Ramdas, Nanne Tepper, Rogi Wieg) of schrijven net iets te veel kookboeken (Ronald Giphart). Of zaten na hun debuut muurvast in een schrijfblok (Rob van Erkelens).’ Zijn verdwenen leeftijdsgenoten groeiden allen op onder het gesternte van No Future, maar werd dat gevoel van toekomstloosheid niet ook ten dele door henzelf gecultiveerd? Breukers meent van wel: 

‘De groep schrijvers uit wie deze groep bestond, of bestaat, keek bewonderend naar een glorieus verleden, waarbij ze aansluiting probeerden te vinden, zonder voor zichzelf een heden en een toekomst te bevechten. Die toekomst zou later wel eens uitbreken, maar dat gebeurde niet. Die toekomst breekt namelijk alleen maar uit als je haar zelf maakt, niet als je er achteloos mee omgaat.’ 

Wat er overblijft voor de verstekelingen van de geschiedenis is voort te gaan als de befaamde engel van Walter Benjamin, of, zoals Bonnie “Prince” Billy zingt, ‘Look backwards on your future and look forward to your past’:

‘Nu we allemaal over de vijftig zijn, de zestig naderen, is het misschien te laat om de generatie een stem te geven. Het enige wat we nog kunnen doen is het laten schitteren van onze late taal, om die tot klinken te brengen in een mozaïek van verhalen en, vooral, herinneringen. Wij zijn geboren voor de herinnering.’ 

Dit inzicht sluit aan bij Breukers’ eigen literaire project. De afgelopen jaren heeft hij een reeks slanke, hoogst gestileerde autofictionele romans gepubliceerd, waarvan de eerste drie achtereenvolgens ruwweg om eros, emigratie en alcohol draaien, en die uiteindelijk deel moeten gaan uitmaken van een aangekondigde pentalogie. Met deze werken husselt hij de feiten van zijn vroegere leven door elkaar, brengt hij terugblikkend nieuwe verbanden aan en schrijft hij een fragmentarische, gefabuleerde kroniek van een karakter, even authentiek als onbetrouwbaar. 

In nummer vier gaat hij terug naar 1983, het jaar dat hij als student in Nijmegen aankwam. Daar belandde hij in een cohort dat zichzelf guitig ‘het wonderjaar’ noemde. Rondom hem in de collegebanken, mensa of de kroeg zaten neerlandici en literatuurwetenschappers die stuk voor stuk promoveerden of veelbelovend debuteerden: Marc Kregting, Rob van Erkelens, Jos Joosten, Jack van der Weide, en Breukers zelf dus (‘allemaal jongens, waar woonden alle vrouwen toen?’ wordt daar nu bij aangetekend). 

De uitwaaierende, soms lyrische beschrijvingen van die studentendagen zijn naast een ode ook een afrekening; zo wordt van voorbije vriendschappen de balans opgemaakt en krijgen enkele docenten er nog even flink van langs. Heimwee, wrok, ontluistering, vreugde, vervoering – de grote gevoelens wisselen elkaar grif af: in deze uit geserreerde alinea’s opgebouwde roman lijkt Breukers de volledige bandbreedte van zijn psyche te willen doen weerklinken. Op vergelijkbare wijze klinkt er veel andere literatuur in door: de uitingen van eenzaamheid en woede richting de ouders zijn sterk verwant aan die van Jeroen Brouwers (1940-2022), de baldadige schimpscheuten lijken op die van Arie Storm (1963). 

Maar de belangrijkste literaire aanwezigheid in Het wonderjaar is de Amerikaanse cultauteur Kathy Acker (1947-1997), wier oeuvre de afgelopen jaren terecht weer werd afgestoft. Hier verschijnt zij in het Limburgse dorp Leveroy – niet op de karakteristieke motor maar met een auto – om de hoofdpersoon uit zijn ouderlijk huis te ontvreemden. Daarop volgt een rondreis door zuiderlijk Nederland en Duitsland, gevuld met ongemakkelijke intimiteit en poëticale discussies, eindigend in de stad waar hij als student een nieuw leven zou gaan beginnen. 

Het is een opmerkelijk eerbetoon: Breukers leent verschillende elementen uit Ackers werk, zoals de agressieve verbeelding van seksualiteit plus haar gewoonte om andermans personages of literaire figuren op te voeren in haar eigen boeken, en laat haar uitgroeien tot een leidsvrouw, het breekijzer voor de impasse van zijn verteller. Acker belichaamt in deze roman het schrijven zonder scrupules, alle schaamte en onzekerheid voorbij, en de radicale keuze voor de literatuur. 

Tegen haar spreekt de verteller dan ook zijn uiteindelijke voornemen uit: ‘Ik weet wat ik moet doen. Dat de rest van de wereld mij soms ziet als een dwarskop of een halve zool is aan de rest van de wereld. De weg ligt voor me en ik loop die, nu ik toch bezig ben, ten einde.’ Schrijven dus, in weerwil van alles. Ook dat kan een manier zijn om de kloof tussen zelf en wereld op te heffen, en een eigen heden en toekomst te scheppen, zo lijkt Breukers met Het wonderjaar te willen bewijzen – niet in de laatste plaats aan zichzelf. 

Foto van Lodewijk Verduin
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Feestdagenverdriet

Wies zit in kleermakerszit in mijn stoel. Ze heeft haar handen strak om de kop thee die ik net voor haar heb gezet heen gevouwen, alsof ze probeert te versmelten met het servies.

‘Mensen zeggen altijd dat ze het aan een oogopslag zien, of hoe iemand binnenstapt, en dat ze dan ineens weten wat er gaat gebeuren. Maar ik wist van niets. Zelfs toen Bob het had gezegd, voelde het niet echt.’

Ze begint te huilen, heel zacht, geruisloos haast, alsof ze denkt dat stil verdriet beter te dragen is dan luidruchtig verdriet. Als ik naar haar kijk besef ik ineens dat ik haar nog nooit heb zien huilen, al kennen we elkaar al een jaar.

We gingen een tijdje met elkaar uit, tot we allebei tot de conclusie kwamen dat we beter zouden werken als vrienden. Heel soms sliepen we daarna nog met elkaar, maar daar hielden we om ethische redenen mee op toen zij met Bob begon te daten en ik met Peer.

‘Sorry, ik weet dat je niet kunt omgaan met huilende vrouwen,’ fluistert Wies, lacht door haar wenen heen in de hoop het verdriet te stelpen en begint daarna toch te snikken. Het zijn zachte piepjes, een muis waarin geknepen wordt. Door haar tranen heen blijft ze zich verontschuldigen. Zelfs in haar eigen verdriet denkt ze meer aan een ander dan aan zichzelf.

‘Kom hier,’ zeg ik en gebaar naar de leegte naast me op de bank. Ik druk haar lijf tegen me aan, sla een arm om haar heen, veeg wat tranen van haar wang. Wies maakt zich klein, lijkt zich bijna op te rollen, legt haar hoofd, dat zwaar voelt omdat pijn ook een massa heeft, op mijn schouder.

We zeggen niets. Zij omdat ze nog steeds huilt, ik omdat ik nooit goed weet wat ik moet zeggen in dit soort situaties. Ik mompel wat lieve dingen, probeer alle clichés te omzeilen, stamel wat over tijd en verdriet en mannen.

‘En straks is het ook nog Kerstmis,’ zegt Wies heel zacht. Haar huilen is inmiddels gestopt. ‘Welke lul maakt het nou uit, vlak voor de feestdagen? Ik voel de blikken vol medelijden van mijn ouders tijdens het diner nu al, hoe mijn moeder overdreven lief gaat doen en mijn vader nog meer grappen maakt dan normaal, om me af te leiden – je weet hoe ze zijn.’

‘Ze bedoelen het goed,’ probeer ik. ‘Maar Bob blijft een lul.’

Wies knikt instemmend. Ze recht haar lijf wat, draait zich, gaat liggen, laat haar hoofd rusten in mijn schoot. Haar ogen, die rood zijn en groot, lijken leeg als ik naar beneden kijk.

‘Ga jij naar Peer op tweede kerstdag?’ vraagt ze, zonder me aan te kijken, ‘of is het daar nog niet serieus genoeg voor?’

Ik zwijg even, weeg mijn antwoord af, wil niet tegen haar liegen.

‘Nee,’ antwoord ik na een paar seconden.

‘Oh.’

‘Ja.’

Wies komt overeind, zet zich weer naast me, kijkt me aan. Haar verdriet lijkt ineens verdwenen, omdat ze denkt dat ik ook getroost moet, maar dat is niet zo. Dat zal ik haar later wel vertellen, maar nu gaat het om haar.

‘Als je eerst langs mij komt op tweede kerstdag, dan fietsen we samen naar mijn ouders,’ stelt Wies, alsof ze de vraag gesteld heeft, mijn antwoord daarop ja was. Dan geeft ze me een zoen op mijn wang.

‘Vinden je ouders dat wel leuk?’ vraag ik en ze lacht, gelukkig lacht ze weer, al is het maar een flauwe krulling van haar mondhoeken.

‘Ik denk het wel. Mijn moeder vond jou volgens mij toch al veel leuker dan Bob.’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en het AD. In 2022 verscheen DEMarrage, een uitgave van het literaire tijdschrift Deus Ex Machina en in 2024 verscheen Dag stad bij uitgeverij Klapwijk en Keijsers.

Van 2021 tot 2024 was Twan stadsdichter van Amersfoort.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman

A wild sheep chase

(De wereld in stukken 45)

Het sneeuwschaap zal ons worst wezen. Dat komt omdat dit bijzonder goed aangepaste beest helemaal geen zorgen wekt waar het het uitsterven betreft: hij of zij bevindt zich in de categorie Least Concern (LC) van de bedreigingsranglijst, samen met Homo Sapiens, de kip, etc. Maar wat een schitterend dier!

Op dit stuk Siberië leven een paar ondersoorten van het beest, (onder meer in het Kolyma-gebergte en het Korjakengebergte, beide op de kaart) dat overigens 600.000 jaar terug de sierlijke sprong naar Alaska maakte (zie kaart 1) en daar voortleeft onder de naam Bighorn. Zo schematisch als dit woeste land in kaart is gebracht, zo precies is dat gebeurd met het schapen-DNA. Het complete mitochondriaal DNA van Ovis nivicola werd in 2019 vastgelegd, een project gesteund door de Russian Scientific Foundation. Nu weten ze in Rusland hoe een schaap in elkaar zit. Als je toch aan het grasduinen bent in de minder ontdekte gebieden van Rusland dan is zo’n wetenschappelijke instituut ook nog wel interessant, gewoon vanwege heel eenvoudige statistiekjes als waar gaat het meeste geld naar toe (Engeneering, Chemistry and Material),

als ook wie krijgen het (grappig genoeg mensen geboren rond 1990, vast jonger dan de gemiddelde ontvanger in West -Europa),

en je vraagt je hoe dan ook af hoe onafhankelijk zo’n instelling precies opereert.

Dit geeft de database projecten bijvoorbeeld:

‘How do nationalisms work? Comparative analysis of factors and mechanisms of expansion of nationalist mythologies in post-conflict Ukraine and Serbia,
Zhuravlev O.
Funding of the project was terminated by the decision of the Expert Council’

Leerzame materie. Misschien evenzogoed een bastion van eerzame wetenschappers die hun best doen onder een vergrootglas uit te kruipen.

Vooral vanuit Amerika en Canada vind je op dit prachtige gebied nogal wat youtube filmpjes: dit gebied is een af te vinken bucketlist item voor trophy hunters, rijke Amerikaanse en Canadese jagers die zich naar een berg laten vliegen, een Snow Sheep neerknallen en er met een voet op gaan staan en dan de selfie stick trekken. Ik trof een filmpje van een vent die er nogal rijk uitzag. Volgens Networth.com verdiende hij 17.000 dollar per maand en moest hij wel een goed mens zijn, want hij was rijk. Dat soort logica. Ik ga sportjagen steeds meer zien als een bezigheid voor zielige jongens. Waarom anders een voorkeur voor de aardigste, minst agressieve en vooral grootste dieren? Wees een vent, probeer eens een jerboa op 300 meter, met zijwind.

Als je toch niet binnen kunt zitten, en wie kan dat, neem dan een kudde. De Anglo-Argentijn William Henry Hudson had daar een mooie anekdote over:  

‘Isaac Bawcombe werd geboren in 1800, en begon als jongen een kudde te hoeden en bleef gedurende een periode van vijfenvijftig jaar als herder op dezelfde boerderij. De zorg voor schapen was de enige bezigheid in zijn leven en hoe belangrijk dat voor hem was, blijkt uit deze anekdote over zijn gemoedstoestand toen hij daar een tijdje van beroofd was. De kudde werd verkocht en Isaac bleef zonder schapen achter en had weinig anders te doen dan wachten: van Michaelmas tot Lichtmis, als er weer schapen op de boerderij zouden zijn. Het duurde lang voor Isaac, en hij vond zijn gedwongen vakantie zo vervelend dat hij zichzelf in de weg zat en zijn vrouw tot last was. Veertig keer per dag gooide hij zijn hoed af en ging, vastbesloten tevreden te zijn, lekker bij de haard zitten, maar na een paar minuten keerde het verlangen om op te staan ​​en iets te doen terug, en hij stond op en ging weer naar buiten. Op een donkere, bewolkte avond stak een man van de boerderij zijn hoofd door de deur. ‘Isaac,’ zei hij, ‘er zijn schapen voor de boerderij – tweehonderd ooien en er komen er nog honderd in drie dagen. De baas heeft mij gestuurd om te zeggen dat ze u nodig hebben.’ En weg ging de man. Isaac sprong op en haastte zich naar buiten zonder zijn staf uit de hoek te pakken en zelfs zonder zijn hoed op te zetten! Zijn vrouw riep nog en kreeg geen antwoord en stuurde een zoon met zijn hoed achter hem aan. Maar het kereltje kwam spoedig terug met de hoed; hij had zijn vader niet kunnen inhalen! Isaac was drie of vier uur weg op de boerderij, kwam toen terug, zijn haar erg nat, zijn gezicht stralend, en ging met een grote zucht van plezier zitten. Tweehonderd ooien,’ zei hij, ‘en er komen er nog honderd. Wat vind je daarvan?’

‘Nou, Isaac,’ zei ze, ‘ik hoop dat je nu blij bent en mij met rust laat.’*

Lezen:

Haruki Murakami A Wild Sheep chase

*uit W.H. Hudson A Sheperd’s Life

Hier een ander blogje over W.H. Hudson

Naar kaart 46

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Lief

    Lief

    Gil omhelsde me, alsof hij er even in slaagde om in vijf seconden zijn hele bestaan om me heen te vouwen. We stonden in zijn woonkamer en ik was de eerste, omdat ik ook als eerste weer weg moest voor een optreden, al was ik liever als laatste gebleven. Ik liep naar het grote raam,...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Dat hoeft niet in je stukje

    Dat hoeft niet in je stukje

    Ze liep naast me, maar leek dat soms al te zijn vergeten, alsof ze al voorbij ons afscheid was. Met elke zorgvuldige stap die ze zette leek ze verder weg. Ik bracht haar naar het station, dat ze prima wist te liggen, maar toch wilde ik haar het station in zien gaan, toekijken hoe ze...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Dansen

    Dansen

    Er stond een bord pasta voor me klaar. Vriend J., die deze avond ook spreekstalmeester was, begroette me even warm en bemoedigend als altijd en schoof naast me aan. In de ruimte galmden de opgewekte stemmen van leden van de organisatie van de Nacht van de Literatuur tot het plafond en weer terug, weerkaatsingen die...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Jente Jong
    Jente Jong

    Jente Jong werkt als actrice, theatermaker en schrijver. In 2017 debuteerde ze met de roman Het intieme vreemde bij uitgeverij Querido. Daarnaast schrijft ze toneelstukken voor onder andere de Toneelmakerij en speelt ze in een jeugdvoorstelling en een poëzieprogramma. Voor Tirade schrijft ze over haar (eerste) stappen in de schrijverswereld.

  • Foto van Menno Hartman
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • Foto van Lia Tilon
    Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?