Jonge mensen

Voordat ik achter de bar begon te werken bij Café De Druif wist ik dat het personeel een stuk jonger zou zijn dan ik. Ik maakte me daar geen zorgen over, omdat er in mijn eigen vriendenkring ook een paar twintigers zaten – de communicatie met hen was nooit problematisch.

Ik had er alleen niet bij stilgestaan dat die jonge vrienden allemaal schrijver waren – zoals ik hier al eerder zei: bejaarden in het lichaam van een twintiger. De mensen met wie ik nu bier ging tappen waren gemiddeld vijfentwintig en geen van allen schrijver. Een klein jaar bleek nodig voordat ik alle grappen snapte; de afkortingen in onze appgroep.

Ik heb me ongetwijfeld aangepast aan deze nieuwe omgeving, maar de reden dat ik nu totaal geen kloof meer ervaar zit meer in de aard van het werk: druk, sociaal, fysiek. Het is krap achter dat barretje, je bent al lichamelijk met elkaar vertrouwd voordat je weet hoe iemands ouders heten, wat iemand studeert.

Tegenwoordig zou ik met elk van mijn collega’s wel een weekend weg willen; daar ging het deze week ook over toen ik met drie van hen uit eten ging – dat we dat misschien een keertje moesten doen.

Als ik met Yuma, Vik en Lieve uit ben dan pak ik op geen enkele manier een seniore rol, en je zou je kunnen afvragen waar het dan zo’n hele avond over gaat. Ik ben er heel veel van vergeten, maar we spraken zeker over eten, over Yuma’s nieuwe baan en over dat weekendje weg.

Over ieders wensen voor de toekomst ging het ook; daar kan ik nog goed in mee – wie geen wensen voor de toekomst heeft leeft zonder hoop, en ik ben van plan om tot het bittere einde hoopvol te blijven.

Bovenal geloof ik dat onze gemene deler de humor is, de zelfspot – er zit daardoor een lichtheid onder zelfs de zwaarste onderwerpen.

Ik ben blij dat ik nog elk jaar nieuwe en diverse vrienden maak. Zoals cryptogrammen je cognitief op peil houden in de jaren van verval, zo houden die contacten me warm en verbonden op een leeftijd waarop de sociale cirkel van de meeste mensen aan een onherroepelijke krimp begint.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

DE MENS ALS BIOPIC 11 H.N. Werkman

Saaie mensen, dat zijn de beste. Voor een goed verhaal moet je bij hen zijn.

In de film Being There, gebaseerd op een roman van Jerzy Kosinski, moet tuinier Chance (Peter Sellers) na het overlijden van zijn rijke werkgever de ommuurde tuin van zijn baas verlaten. Nooit heeft Chance – middelbare leeftijd – met eigen ogen gezien wat zich achter de tuinmuren afspeelt. Saaaai! Nu moet hij via de voordeur naar buiten want zijn werkgever is er niet meer.  Daar buiten loopt ’t goed af. Chance wordt bijna president van de Verenigde Staten en hij kan lopen over water.

*

Het zijn onverwachte gebeurtenissen – ziekte, werkloosheid, sterfgeval, brand, misdaad, oorlog – die van een nobody een schitterend filmkarakter kunnen maken. Ook in ons eigen voortkabbelend bestaan kan zo’n externe factor van u en van mij een profeet, een moordenaar maken. Dan staan we eindelijk op en begint ons verhaal.

Hendrik Nicolaas Werkman (1982–1945) was zo’n onopvallende man: een goed huwelijk, kinderen en als chef werkzaam op een drukkerij. Lopend in zijn donkere pak over de Grote Markt van Groningen groette hij links, rechts en tikte daarbij tegen zijn hoed. Dat hij een groot liefhebber was van jazz, van moderne kunst en zich identificeerde met Charlie Chaplin, daar liep hij niet mee te koop. Zelf maakte hij ook kunst, soms schilderijen, maar vooral kleurige prints vol sterk gestileerde of geheel abstracte composities van in de ruimte zwevende letters, cijfers, contouren en symbolen.

Er zijn kunsthistorici die na Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan Hendrik Nicolaas Werkman als nummer vier plaatsen in de rij van Nederlands grootste kunstenaars. Daar ben ik het mee eens.

Maar toen werd het oorlog.

Het ging slecht met de zaak. De moffen vonden drukkers verdacht, want zij konden persoonsbewijzen vervalsen. Maar wat Werkman tijdens de Bezetting het meest trof was de repressie tegen joden. Hij had onder hen vrienden en klanten, voor wie hij jarenlang kalenders, geboortebewijzen en ander drukwerk voor maakte.

Hendrik Werkman trok zich terug op een zolder, zes verdiepingen hoog aan Lage der A nummer 13. Daar richtte hij een privédrukkerijtje in en zou daar gedurende de oorlogsjaren zijn mooiste werken maken, zoals de serie Vrouwen-eiland en de reeks Chassidische legenden.

*

De NOS-televisie vroeg of ik een scenario over Werkman wilde schrijven. Ik wist vrijwel niets over hem, besloot het te proberen en noemde de film Ik ga naar Tahiti, Werkman was namelijk gek op de schilder Paul Gauguin, met zijn liefde voor dat Zuidzee-eiland en de heerlijk geurende vrouwen aldaar. Werkman noemde zijn atelier Mijn Tahiti.

In de eerste filmbeelden zien we Werkman – muzikaal gesteund door Burnin’ the Iceberg van Jelly Roll Morton – over de doodstille Lage der A lopen. Een zware, zwarte handschoen daalt neer op zijn schouder.

Waar ga we naar toe?

Ik… ga naar Tahiti.

Dan gaan wij met uw mee.

Naast Werkman staan daar jodenjager Pieter Schaap en zijn assistent Capelle. Er volgt een beklimming over al die trappen naar het atelier, waarbij Schaap grapjes maakt over zijn geboorteplaats Zandvoort. Daar verhuurde hij strandstoelen aan katholieke meisjes met katholieke kontjes. Eenmaal boven bekijken Schaap en Capelle al die rondom opgeprikte, kleurrijke prints van Werkman.

CAPELLE: In plaats van de schilder hebben ze z’n werk maar opgehangen!

SCHAAP: Wie maakt er in godsnaam een groen paard met rode stippen?

WERKMAN: Ja, dat valt zeker niet goed te praten, mijnheer Schaap, maar ik heb geen persoonsbewijzen vervalst.

SCHAAP: En wat hebben we hier? Cha… ssii… Chassidische… dat is toch joodse Schweinerei!

Welke beeldend kunstenaar kan zijn werk verdedigen als er een gewapende poëzieloochenaar voor hem staat? Is deze strijd tussen beul en slachtoffer dus bij voorbaat beslist? Dat zou jammer zijn, want in een goed filmverhaal moeten slachtoffers ook een wapen hebben, moet een goede afloop voelbaar en/of denkbaar zijn, anders is er geen spanning.

Maar Werkman kan geen kant op, dus móést ik een ontsnapping voor hem verzinnen: een letterlijke vluchtweg, of een goddelijke ingreep. Dat werd niemand minder dan Charlie Chaplin.

Tegen de binnenkant van zijn schedel projecteert Werkman oude filmscènes waarin Charlie – een eeuwig slachtoffer – het wint van zijn vaste vijand de reus Big Bully die, oh toeval, sprekend lijkt op Pieter Schaap. In de film Easy Street bijvoorbeeld buigt Chaplin een gaslantaarn om, drukt het hoofd van Big Bully in de korf en zet de gaskraan open. Om deze herinneringen moet Werkman tijdens zijn arrestatie en latere gevangenschap weer glimlachen. De slapstick lijkt hem te verzoenen met zijn lot. Daarbij zorgt de gelijkenis tussen Werkman en Chaplin en tussen Big Bully en Pieter Schaap voor wat lichtheid in de film.

*

Drie dagen voor de bevrijding van Groningen, op 10 april 1945 – de Canadezen staan al in Assen – wordt Hendrik Nicolaas samen met negen anderen door Pieter Schaap op het Mandeveld te Bakkeveen middels een nekschot doodgeschoten. Geen aangifte, geen proces, geen veroordeling. Dat groene paard met rode stippen werd hem fataal.

Stalen vuist en rappe hand, zo is het volk van Nederland!

Het laatste wat Hendrik Werkman – én dus ook de camera – ziet voor hij sterft, is een vrolijk dravend paard aan de overzijde van het veld, een wit paard met zwarte vlekken.

*

  • Ik ga naar Tahiti, dramaturgie Dick Willemsen, met in de hoofdrollen Hans Dagelet en Peter Tuinman, werd geregisseerd door Gerard Verhage en bekroond met de Prix Italia voor het beste internationale televisiedrama van seizoen 1992.
  • Pieter Schaap werd in 1949 ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.
Foto van Ger Beukenkamp
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Psychologie – over kleur in het leven

Larousse 23

Hoe het licht door het raam valt bepaalt bij glas-in-lood hoe kleurig de afbeelding wordt. In de nacht is er geen kleur. Generaties kerkgangers moeten op sombere en op zonnige dagen tijdens lange kerkdiensten afdwalend de vergelijking hebben getrokken tussen stemming en kleur. Lang voor de psychologie gemeengoed werd. De kerkvloer is steengrijs, óf spat van de kleuren. Somberte is alomtegenwoordig óf het leven lacht je toe.

In Paustovski’s Tijd van de grote verwachtingen beschrijft hij een reporter-collega Arenberg in Odessa die altijd staat te dansen van geluk als er iets gebeurt: ‘Het leven zelf als perpetuum mobile met al zijn details en verwikkelingen, intrigeerde hem, los van wat dit met zich mee kon brengen: geluk of ongeluk. Natuurlijk was dit ook wel belangrijk voor hem. Maar op de tweede plaats.’  

Dat is misschien iets om naar te streven: in dat geval schijnt het licht door alles wat je meemaakt, er gebeurt zoveel interessantst op dit moment! Venezuela! Groenland!

Hoe je te wapenen tegen wat het leven voor je in petto heeft kun je heel goed leren in case studies van psychologen en psychiaters. Ik las onlangs een heel geweldige: The Examined Life van Stephen Grosz. En ik bleef tijdens het lezen maar roepen dat dit een heel belangrijk boek is. Portretten van worstelende mensen, zoals waargenomen door een goede psychotherapeut, kunnen extreem leerzaam zijn. De menselijke geest is veelzijdig en soms bizar, maar vertoont op cruciale momenten ook veel consistentie en althans overeenkomst of gelijksoortigheid. Er is aan te sleutelen. Met andere woorden: van andermans geestelijke problemen kun je enorm veel oppikken. In afdelingen met titels als ‘beginnen’, ‘liegen’, ‘liefhebben’, ‘veranderen’ en ‘vertrekken’ voert Grosz enkele tientallen van zijn patiënten op die hem een inzicht brachten, en daarmee de lezer aan een geweldig inzicht kunnen helpen. Het boek is kristalhelder, empathisch en zeer weldoordacht geschreven. Ik stond half genezen op uit de divan waarin ik had liggen lezen.

In The New Yorker las ik over Oliver Sacks, die andere meester van de case study. Is het nou erg dat hij veel van zijn personages opgeladen heeft met zijn eigen persoonlijke worstelingen en bijzonderheden, karaktereigenschappen? Wel als je een groot geloof hecht aan non-fictie: de feitelijkheden. Dat heb ik denk ik nooit gedaan. Waarheid en waarheid zijn in geschreven teksten verschillende dingen: van mij mag je inzichten vanuit verschillende personages samenvoegen. Het wordt daarmee minder waar en meer waar tegelijk.  Alleen zul je het wel moeten melden. Als je toegeeft dat je fictionaliseert is er geen probleem.

Hoe echt zullen de case studies in de befaamde Psychopathica Sexualis van Richard Freiherr von Krafft-Ebing zijn? Bestaan zulke bizarre seksuele aberraties wel? Het vreemde van dit boek is dat je in al die werkelijk afgrijselijke seksuele afwijkingen zo’n groot medeleven voelt met de mensen die hieraan lijden. Dat is ook wat overheerst in het Oliver Sacks’ verhaal: hoe komt een man van zijn intelligentie en vooral van zijn kennis van de psychiatrie tot het bewust een groot deel van zijn lange leven onderdrukken van zijn homoseksualiteit? Het is een zeer droevige geschiedenis. Hij lijkt weliswaar weloverwogen maar toch een principieel verkeerde keuze te hebben gemaakt.

Intussen koos hij blijkbaar voor Arensbergs oplossing: hij verlustigde zich in al het interessants wat er op de wereld te zien was zonder al te veel met geluk of ongeluk bezig te zijn. En maniakaal schrijven. Anderhalf miljoen woorden per jaar.

Voor hem pakte dat alles denk ik niet zo goed uit.

[…]

Ik ben moe, ik denk
waaraan ik niet denken kan – aan de stilte die heerst
in een bos, als de vogels al slapen,
aan het naderende einde van de zomer.
Ik hou mijn handen tegen mijn hoofd,
als wilde ik het beschermen tegen vernietiging.
Van buiten gezien kan ik welzeker
onbeweeglijk lijken, haast levenloos,
berustend, beklagenswaardig.
Alleen is dat niet waar – ik ben vrij,
misschien zelfs gelukkig.
Ja ik houd mijn handen tegen
mijn zware hoofd,
maar daarin wordt juist een gedicht verloren.

Uit Adam Zagajewski, ‘Zelfportret in een vliegtuig’, vertaling Karol Lesman

Fascinerende verzamelingen case studies:

Stephen Grosz The Examined Life. How we lose en find ourselves
Douwe Draaisma Ontregelde Geesten
Oliver Sacks The Man Who Mistook his Wife for a Hat
Irvin D. Yalom Staring at the Sun: Overcoming the Terror of Death
Richard Freiherr von Krafft-Ebing Psychopathica Sexualis


Konstantin Paustovski Tijd van de grote verwachtingen, vertaling Wim Hartog

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Feestweek

Toen ik jong was – onder de vijfenveertig – heette de periode tussen kerstavond en nieuwjaarsdag onder mijn vrienden De Feestweek. Er gold dan één harde regel: als een vriend je smste dan moest je komen.

Ik herinner me karaoke-zingen in een verder lege Meander op Eerste Kerstdag; bachata dansen (wat ik eigenlijk niet kan) in de Savoy met een al dan niet echte politieagente die al dan niet echt een vrouw was; een bunkerfeestje in Noord waar de vloer bezaaid lag met een lichtgevend groene drab – mijn vriend Abel gleed uit, viel op zijn zij en was de rest van de nacht voor de helft lichtgevend groen.

En er was meer, veel meer, maar mijn punt is dat die Feestweken even geweldig als slopend waren: vrijwel geen slaap, veel alcohol, en drugs waar mogelijk. Meestal was de week erna de uitziekweek.

Zo’n echte Feestweek gaat niet meer – ik heb het vorig jaar nog geprobeerd, maar strandde al op derde kerstdag. Er zouden die avond vrienden langskomen, ik zou koken en dat héb ik ook gedaan. Praten lukte me alleen niet meer.

Je zou kunnen zeggen dat ik als vijftiger wat laat ben met het besef dat ik te oud word om een week wakker te blijven en daarbij zoveel in te nemen. Je zou gelijk hebben. Dit jaar lag ik steeds vóór halfdrie in bed. Ik heb op twee dagen zelfs nauwelijks gedronken. Mede daardoor herinner ik me:

Karaoke-zingen met mijn dochter bij haar tante op het platteland, en hoe mooi de zonsondergang daar was.

Mijn vrienden Arie en Marijn te eten hebben, en dat Marijn – een wiskundig wonder en de jongste professor van de prestigieuze Carnegie Mellon-universiteit in Pittsburgh – zich urenlang verloor in het afmaken van een puzzel van drieduizend stukjes met mijn zoon;

Koken bij me thuis met mijn collega’s van De Druif en onze curry daarna met het voltallig personeel opeten in ons zoete warme cafeetje;

Op babybezoek gaan bij een vriend en het badeendje dat mijn dochter voor zijn kindje uitzocht – het kostte Ada een halfuur om exact het juiste eendje te vinden in zo’n kuttige toeristenwinkel;

Een kerstdiner met mijn schoonfamilie in het tweede jaar zonder mijn ouders – dat ik ze steeds meer begin te missen en dat ik daar heel blij mee ben;

Gourmetten bij vrienden en dat ik gourmetten tot mijn grote schaamte steeds minder kut vind;

Borrelen met mijn oude feestweekvrienden en dat ik die avond om elf uur in bed lag;

Dansen in de woonkamer met vrienden en familie en dan op het dak kijken naar het laatste Amsterdamse vuurwerk ooit;

Vanaf dat dak de Vondelkerk zien afbranden aan de andere kant van de stad.

Een droevig afscheid van een levenslange traditie, dat benadrukte dat Amsterdam daar, net als ikzelf voor de feestweek, écht te oud voor is geworden.

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

De gelukkige tijdsprong – over je hoofd als schedel

Larousse 22

Ian McEwans recente roman What we Can Know speelt gedeeltelijk in de toekomst. Twee wetenschappers in een Engeland dat alle schade van de klimaatcrisis al heeft ondervonden, zoeken naar informatie over een dichter die in onze tijd leeft en een sonnettenkrans schreef: een ‘corona’, zoals dat genoemd wordt, waarbij het 15e en laatste sonnet uit alle eerste regels bestaat.

Een heel eenvoudige weg naar geluk is dat je je verplaatst in een situatie die heel veel erger is. Een van de wetenschappers in de 22ste eeuw uit het boek verliest zich in verlangen naar de tijd die hij bestudeert. Onze tijd. Zo’n tijdsprong werkt dus gelukkigmakend. Voor hem is het escapisme, voor ons is het het besef dat je zou kunnen verlangen naar deze tijd. De dystopie als gelukshulp. Kampliteratuur lezen werkt op dezelfde manier. De hoofdpersoon in Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale wordt diepgelukkig als ze een vrouwentijdschrift krijgt uit de tijd dat die nog mochten. De heerlijke onnozelheden waarvoor je toen nog kon kiezen. Dit alles gaat over wat nu wel bereikbaar is, maar ooit misschien niet.

Een andere gelukkigmakende, want relativerende gelukssprong is die van het je de wereld voorstellen als de mensheid al verdwenen is. Het filosofische sub specie aeternitatis; van onder het aspect van de eeuwigheid wordt dagdagelijks leed onbelangrijk.

Op zoek naar een sonnettenkrans zoals die door McEwan beschreven werd liep ik tegen Edna St. Vincent Millay op, de Amerikaanse dichteres die Vasalis zo goed vond. In haar reeks ‘Epitaph For the Race of Man’ luidt het vijfde sonnet:

v

Wanneer de mens verdwenen is en slechts goden
over de wereld zwerven, hun machtige lijven omgord
met gouden schild en gouden krullen kort
over hun kinderlijke voorhoofden; als de dode

ronde mensenschedel wordt opgetild en dan weer achtergelaten
door een terugtrekkende golf, tussen het zand
en de kiezelstenen van het strand —
welke tong zal dan over het wonderlijke mensenbrein nog praten:

deze schelp vol wind, zwaar van muziek ooit,
zwaar van kennis over sterrenconstellaties,
de voormalige bewoner van deze tochtige hal,

heeft zelf voorspeld in een tekst die met geleerdheid strooit,
na eeuwen van studie, verstoord door strijd tussen naties,
Deze getande pompoen, dit hoofd schoongeveegd van al.

(Voor het natuurlijk veel mooiere Amerikaans, zie:

https://millay-a-day.tumblr.com/sequences )

Het is een wonderlijke vreugde: de vreugde van het klein maken van de dagelijkse ellende in de wereld zoals 2025 er het nodige van zag, en je een wereld voorstellen waar je schedel over de keien ratelt.

Waarom is dat gelukkigmakend? Omdat het ergste dan niet erg lijkt te zijn. Vanuit dat perspectief.

Tegelijkertijd neem ik me voor om eens nauwkeurig onderzoek te doen naar wat je zoal nog meer gelukkig maakt.

Gelukkig nieuwjaar!

(een klein schot voor de boeg, wat me bijvoorbeeld gelukkig kan maken is een heel goede foto, zoals deze van Edna St. Vincent Millay door Arnold Genthe…

Naar de volgende

Foto van Menno Hartman
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

DE MENS ALS BIOPIC 10 Soekarno

Jochies waren we, op een lagere school in Amsterdam Noord. Nu staan we op een filmset achter het Tropenmuseum. Hans Hylkema regisseert er de televisiefilm Soekarno Blues. Ik schreef samen met hem het scenario en mag hier even figureren als particulier secretaris van koningin Juliana. Vanuit het Oosterpark zwaait de president van Indonesië naar ons.

Hoe kan dit allemaal? Soekarno is nooit in Nederland geweest.

*

Bekende schrijvers, politici en ook Jezus Christus waren enige tijd onvindbaar. Agatha Christie liet zichzelf verdwijnen nadat haar man er met een ander vandoor ging. Agatha’s auto werd gevonden bij een ravijn. Het liep allemaal goed af. Er verschenen over Christie’s afwezigheid een roman, een stripboek en een speelfilm. Een tijdje off the radar daagt uit tot wilde speculaties.

*

Ook in het leven van president Soekarno (geboren als Koesno Sosrodihardjo op 6 juni 1901) ontbreken vier weken binnen de periode dat hij verbannen was naar het afgelegen eiland Banka. Geen archief, geen getuige of dagboekfragment geeft antwoord op de vraag: waar was hij gedurende die weken? Slechts één man dat wist en weet het: filmmaker Hylkema.

Hans had het plan om in deels geacteerde, deels documentaire en ook nog ’s met zelfgemaakte archiefbeelden te laten zien én te bewijzen hoe dat zat met Soekarno’s verdwijning. Ik geloofde niet in zo’n historisch spiegelpaleis, niet in zo’n duur, nogal idioot en gezien het behoudend televisieklimaat onhaalbaar project. Maar toen ging Hans vertellen.

Soekarno had een haat-liefdeverhouding met kolonisator Holland, maar koesterde de wens om ooit koningin Wilhelmina de hand te schudden. Wilhelmina zelf moest daar niet aan dénken, die oproerkraaier!

Soekarno was naast een bewonderenswaardig vrijheidsstrijder – Merdeka! – ook een liefhebber van theater. Hij schreef toneelstukken en regisseerde die zelf. Als hij dan koningin Wilhelmina niet meer kon ontmoeten, dan maar haar opvolgster. Koningin Juliana had een eigen toneelclubje op Soestdijk. Dat kwam goed uit.

En zo, teneinde een aantal verlangens te combineren zou Soekarno voor Juliana zijn biografisch toneelstuk Kind van de Dageraad opvoeren. Het zou worden gespeeld door Nederlandse acteurs. Er kwam een Javaans gamelan-ensemble en er was ook nog een heus wajang-schaduwspel.

Soekarno vloog ergens na 3 mei 1949 in het diepste geheim naar Amsterdam.

‘Ja, ja.’ Een mooie fantasie.’ zei ik. ‘Maar…?’

Hans zag het helemaal voor zich. Hij zou zelf, om dit hele verhaal geloofwaardig te doen lijken, op het Instituut voor Oorlogsdocumentatie een filmpje vinden waarop, vaag korrelig in de majestueuze hal van het Tropenmuseum, de opvoering van het toneelstuk Kind van de Dageraad te zien is. Juliana zou alleen en uitsluitend in gezelschap van de auteur – Soekarno dus – deze propagandistische voorstelling gaan zien.

*

Het voert te ver om alle duimzuigerij, veronderstellingen en dubbele bodems in Hylkema’s filmplan op te sommen. Moest dit een mockumentary worden? Zoiets als Forrest Gump? Was dit hypothetische onzin, een politiek pamflet? Toch had ik ook wel zin om dialogen te schrijven tussen Soekarno en Juliana.

JULIANA: Hm…Wie…? Wie, mijnheer Soekarno, schud ik nu de hand?

SOEKARNO: Een bewonderaar, majesteit. Een vriend, als ik dat zeggen mag. Een eenvoudig man uit Insulinde. Een gevoelsgenoot die u met deze door mij geschreven en geregisseerde voorstelling wil vertellen over mijn land, mijn grote familie, mijn strijd.

*

Onder het motto ‘Wij gaan dáár waar geen biograaf kan komen’ trokken Hans en ik op tegen de Publieke Omroep. Er moest veel geld losgepeuterd worden. Men reageerde maandenlang met bedenkingen tegen dit ‘pseudo-documentaire ding, deze malle symbiose, deze doldrieste geschiedvervalsing’.

JULIANA: U bent, mijnheer Soekarno, wel heel bekwaam in het omspringen met volkeren en individuen. U heeft met de Japanners gecollaboreerd!

SOEKARNO: Ik zou zelfs met de duivel samenwerken als ik mijn land ermee kon helpen. Maar excuseert u mij… Uiteindelijk zullen de Hollandse misdaden en duivelse uitbuiting ontmaskerd worden als… Als bedenkelijke domheid van witte mensen op klompen.

*

In het Hilversumse omroepmausoleum regende het neerbuigende lachjes, moest elk overleg helaas worden afgebroken en werden afwijzende verslagen geschreven, tot iemand heel voorzichtig sprak over ‘vernieuwende verteltechnieken’. En dat was ook de persoon wiens vuist ten slotte neerdaalde op de vergadertafel: ‘We gaan het doen.’

Hans maakte, met de NPS als producent, zijn fake film, zijn misleidende documentaire, zijn op hol geslagen what-if-drama, zijn realistisch verzinsel. De belangrijkste acteurs; Juul Vrijdag, Martin Schwab en Porgy Fransen. Willem Breuker had de muzikale leiding.

Maar dan, als er op het toneel na veel anti-Hollands geschreeuw ook nog een bordeelscène verschijnt:

JULIANA: Mijnheer Soekarno, Ik kan mijn positie onmogelijk langer in overeenstemming brengen met mijn… met úw, aanwezigheid hier.

De koningin staat op en loopt weg bij de toneelvoorstelling en ik, als particulier secretaris, volg haar, samen met Soekarno, tot in het Oosterpark. Daar zitten ze dan op een bankje: twee opponenten die elkaar toch heel goed begrijpen, maar dat niet letterlijk kunnen of durven uitspreken. Dat is mooi acteren.

SOEKARNO: Als u hier in de modder graaft, majesteit, dan vindt u water en nog meer modder. Als wij datzelfde doen, dan vinden we soms ook goud en diamant.

*

In het Paleis op de Dam wordt op 27 december 1949 de soevereiniteit aan Indonesië overgedragen. Naast de echte Juliana zitten Mohammed Hatta en Willem Drees. President Soekarno is alleen zichtbaar voor de koningin. Hij staat terzijde in een deuropening.

Op de dag af vijftig jaar later gaat Soekarno Blues in première en wordt kort daarna uitgezonden op tv. Veel aandacht vooraf. Daarna veel minder.

Foto van Ger Beukenkamp
Ger Beukenkamp

Ger Beukenkamp (1946) is scenarioschrijver en schreef meer dan honderd scripts voor toneel, film en televisie, waaronder Ik ga naar Tahiti, Majesteit en Den Uyl en de affaire Lockheed. Zijn scenario’s zijn veelvuldig bekroond, onder meer met de Liraprijs, de Prix d’Italia en twee Gouden Kalveren (voor De kroon en De prins en het meisje). Hij is auteur van een handboek over schrijven voor film, toneel en televisie, en van Multatuli, het leven van een klokkenluider in twintig dialogen. Daarnaast geeft Beukenkamp les in scenarioschrijven.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dit feestje

    Dit feestje

    Na haar repetitie bij Orkater at vriendin M met mijn gezin mee. Sommige mensen kunnen na een hectische dag in je huishouden binnenkomen en daar iets lichts toevoegen, aandacht brengen in plaats van vragen. Vriendin M is zo iemand. Ik had saoto gemaakt op verzoek van de kinderen; we aten en daarna vroeg M of...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Tafel voor twee

    Tafel voor twee

    Omdat ik in mijn eentje in Parijs was en tussen het werk door ook moest eten, besloot ik naar restaurants te gaan die me door een kennis waren aangeraden. In de toeristische steden moet je op tijd zijn; wacht je te lang dan worden die fijne zaakjes erg druk of erg duur of allebei. Reserveren...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Een vroege sigaret

    Een vroege sigaret

    Dat mijn oudoom Sybe Sybesma (1924-1986) in zijn tijd een bekende Friese dichter was, wist ik. Op de middelbare school heb ik zelfs een keer een presentatie over hem gehouden. Maar dat hij nog steeds een zekere bekendheid genoot, had ik niet verwacht. De afgelopen maanden ben ik voor archiefonderzoek vrij vaak in Friesland geweest,...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Foto van Gigi Müjde
    Gigi Müjde

    Gigi Müjde studeert in augustus 2025 af van de schrijfopleiding met een gemoderniseerde bewerking van het Middelnederlandse toneelstuk Mariken van Nieumeghen, namelijk: Meryem van Mokum. Door de lens van een oud Nederlands stuk, reflecteert die op de hedendaagse Nederlandse samenleving. In diens schrijven, speelt Gigi met taal, gebaar en referenties – om de lezer een eigen(aardige) wereld in te lokken vol verwarring en plezier. Die schrijft ook graag in samenwerking, vooral met Robin Alberts volgens hun eigen versie van de flarf-techniek, waarin er een tekst heen en weer wordt verstuurd en om en om wordt herschreven tot het onherkenbaar vol zit met liefde voor taal. Gigi schrijft alleen vanuit liefde, anders telt het niet.

  • Foto van Menno Hartman
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • Foto van Menno van der Veen
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.