Noord gestoord

De oogarts droeg cowboylaarzen, zag ik vlak voordat zijn druppels in mijn doppen gingen en hij me terug de wachtkamer in stuurde. Ik zou er moeten zitten tot de verdoving mijn irissen had lamgelegd.

‘Ik kom je met een kwartiertje halen,’ zei hij, en klopte me nog net niet op mijn schouder.

De druppels werkten in, de lichten werden feller tot het pijnlijk was om mijn ogen open te houden. De randen van de dingen werden vaag, en ik begreep waarom me in de uitnodiging voor dit onderzoek verzocht was om me naderhand op te laten halen.

Toen de arts weer uit zijn kamer kwam wilde ik al meelopen, maar hij lachte en hield iets wat aan een hand deed denken op.

‘Hoho,’ zei hij. ‘Niet zo enthousiast. Laat me eerst maar even kijken.’

Hij bracht zijn gezicht vlak voor het mijne en veinsde – geloof ik – schrik. ‘Wow. Freaky. Loop maar mee.’

Ik volgde hem en werd naar een dame gebracht die de feitelijke oogarts bleek. Binnen minuten werd duidelijk dat ik mijn moeders erfelijke aandoening niet heb, en mocht ik me als een ruw gewekte vampier door de schreeuwendlichte gangen van het BovenIJ een weg naar buiten tasten.

Zonnedronken slalomde ik naar de fietsenstalling. Nooit eerder wenste ik zó vurig een zonnebril, een baseballpetje en een zonsverduistering, maar mijn plan om voor de krant langs een nabije Aziatische supermarkt te gaan wilde ik niet loslaten. Halfblind was ik tóch al.

Het Buikslotermeerplein moest ergens ten oosten van het ziekenhuis liggen. Ik stapte op en zette aan met een hand boven mijn ogen tegen het verschrikkelijke licht. Bochten en kruispunten bleken lastig omdat ik ze steeds kort tevoren zag, maar de Noorderling was geduldig en ik werd slechts twee keer uitgescholden.

Toen mijn weg versperd werd door een bouwput pakte ik mijn telefoon erbij voor de route, wat het fietsen zelf niet makkelijker maakte. Gelukkig kwam er na een paar minuten een fijne schaduw langszij, waarbij een bassig roffelen leek te horen.

‘Stap jij maar even af,’ zei het soort stem dat je van een jeugdvoetbalcoach verwachten mag.

Zijn motorfiets had rode en blauwe vlakken, de coach zelf droeg een helgele helm die zóveel pijn deed aan mijn ogen dat ik me aanvankelijk achter mijn arm verschool.

‘Je weet dat je geen electronica mag gebruiken op de fiets?’

‘Het is mijn routeplanner,’ bekende ik. ‘Ik weet de weg hier niet.’

Zoveel leek hem al duidelijk. ‘Twee handen aan het stuur, man. Hier staat honderdtien euro op.’

‘Oké,’ zei ik, en stopte mijn telefoon weg. ‘Dank. Ik houd hem in mijn zak en dan stap ik straks af om nog eens te checken.’

Omdat ik weet dat dit autoriteitsfiguren kalmeert bleef ik de coach zo goed mogelijk in de helle vlek van zijn gezicht kijken. Tijd verstreek waarin hij me vrijgaf noch verder aansprak. Mijn ogen wenden niet.

‘Goed,’ zei ik uiteindelijk, en klopte op de zak waarin mijn telefoon nu zat. ‘Dan ga ik maar eens.’

De coach leek te knikken, wat ik als toestemming zag. Omdat hij me niet achterna kwam klopte dat kennelijk.

Met een fietskrat vol bijeengegokte boodschappen nam ik een uurtje later de pont. Vlak voordat de klep sloot kwam mijn zwager met een noodvaart aangefietst. Hij riep mijn naam en reed door tot hij naast me stond; een paar tellen later vroeg hij schaterend van welk festival ik kwam.

‘Ik snap het niet?’

‘Je pupillen man,’ zei Pim. ‘Jezus.’

Terwijl we aanvoeren vroeg ik me af wat de coach gedacht moest hebben; waarom hij zo vriendelijk was geweest me te waarschuwen voor een boete, maar niet vriendelijk genoeg om me uit het verkeer te halen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Patatje oorlog

Wie Amsterdam bezoekt, maar geen zin heeft in Artis, kan ook een wonderlijke diersoort bekijken in snackbar De Friet Fabriek in Oost. Daar zit een schepsel – mens noch dier, lijkt het. Het tart iedere verbeelding, maar probeer er eens een vrouw van eind vijftig in te zien. Een vrouwtjesaap, met grote mannelijke knuisten en lange haren in een viezige grijstint.

   Ze komt op de fiets, gekleed in een stoffige en veel te grote jas, en gaat demonstratief aan zo’n rond tafeltje zitten en haar van huis meegenomen en zelfbereide frietjes opeten.

   De eigenaars van de friettent, Jianni en Priscilla, spreken haar op de eerste dag al aan.

   ‘Mevrouw, het is eigenlijk de bedoeling dat u aan de balie iets bestelt,’ legt Jianni uit. Hij is Surinamer van oorsprong en iedereen is gecharmeerd van zijn ietwat vlekkerige gelaat en vrolijke oogopslag – vooral wanneer hij zijn klanten serveert met de woorden: ‘Bon Apentiet!’

   Iedereen pakt hij moeiteloos in, behalve de Trollenmoeder, zoals dit schepsel ook wel genoemd wordt. Het wezen opent haar muil en strooit met kwalijke dampen. ‘Voor mij is het geen lolletje, hoor,’ benadrukt ze bits. ‘Mijn frieten zijn zo slap en smakeloos als jouw frikandellen. Maar ja, in de supermarkt kost zo’n zakkie negentig cent en voor een kleine friet bij jou ben ik algauw twee euro lichter. Tót je de prijs aanpast, vreet ik dit voor je ogen op.’

   ‘Ga dan naar een andere tent,’ oppert Priscilla vanachter de kassa.

   ‘Zou ik graag doen, maar daar moet je pinnen en dat systeem vertrouw ik niet. Al die gegevens die ze van je krijgen. Hier kan je contant betalen, en daar wil ik best aan als jullie es naar je klandizie luisteren.’

   ‘Je bent geen klandizie, want je koopt niks!’ schreeuwt een vermoeide klant haar toe.

   Jianni schudt zijn wilde krullen. ‘Ik wens u nog een smakelijke voortzetting,’ zegt hij kalm voor hij rechtsomkeert maakt.

   Priscilla, zijn partner, verbergt haar misprijzen niet. ‘Wie heeft háár uitgescheten?’ roept ze zonder het doel te missen, maar de Trollenmoeder verroert geen vin.

   Dit tafereel herhaalt zich meerdere zondagen. De prijzen blijven hetzelfde en ieders houding ook. Uiteindelijk komt de Trollenmoeder voor een dichte deur te staan; de snackbar is voortaan gesloten op zondag. Op een aangeplakt briefje staat: Wij zijn een frietje eten.

   Woedend slaakt de primaat een wanstaltige gil, en dan valt haar blik op iets wat vóór sluitingstijd niet is binnengehaald. Het symbool van iedere snackbar: een plastic puntzak met druilerige ogen en patatjes in plaats van haartjes, die met zijn handje een frietje naar zijn mond brengt. Ze kan het zo meenemen; het zit nergens aan vast en is klein genoeg. Als een eersteklas ontvoerder pakt ze het arme verlaten ding op en zet het op de bagagedrager. 

   Een week lang gijzelt ze de mascotte van De Friet Fabriek. Daarna keert ze terug, op een zaterdagavond.

   ‘Goedenavond.’

   ‘Sommige mensen hebben geen goede avond, dus luister: je krijgt je engerd terug zodra jullie je passief-agressieve gedrag stopzetten en de prijs van je friet aanpassen,’ eist ze.

   ‘Kijk eens, mevrouw,’ zegt Jianni vriendelijk, wijzend naar een bord waarop staat dat een kleine patat voortaan slechts één miezerige euro kost. ‘Wij luisteren, hoor.’

   ‘Mooi, zo kan het dus ook,’ concludeert de gijzelaar tevreden en opent haar portemonnee om tussen de muntjes te graaien.

   ‘Alléén pinnen,’ grijnst Jianni. ‘Nieuw beleid.’ 

   ‘Gód-vér-dómme!’ schalt het keihard door de gehele ruimte. ‘Stik in je bamiballen! Verzuip in je mayonaise! Hang je lul in het frituurvet!’

   Driftig beent ze ervandoor om nooit meer terug te keren. De plastic mascotte gooit ze in de gracht, waar hij zinkt richting ontelbare waterschatten en andere kostbaarheden nu behorend aan het diepe.

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Vogelvrij maar gevangen

Iwan wil niet werken, Iwan wil klagen, Iwan wil een stakingsbond, Iwan kan wat betreft de rest van de bemanning in zijn eigen sop gaar koken. Een gezamenlijk doel werkt, net als een gezamenlijke vijand, heel verbroederend. En net nu de wind niet meer van voren komt, maar we met een mooie bakstag wind zeilen en het oceaan leven wat dragelijker is, begint Iwan te morren.

Vogelvrij zijn we. We kunnen geen haven meer in maar hebben de weidse oceaan rond ons heen. Gigantische razende oceaangolven gaan naadloos over in een bewolkte horizon. Soms kun je niet zien waar de golven ophouden en de wolken beginnen. En nergens een vliegtuigstreep in de lucht, we zijn nu echt op onszelf aangewezen. Zo is het dus om vogelvrij verklaard te zijn. Ons kantoor laat al een paar dagen niets van zich horen. Ze zouden ons op de hoogte houden, maar waarom ik geen antwoord op mijn berichten krijg weet ik ook niet. Heeft het virus soms ook om zich heen gegrepen bij hen op de wal? Aan de korte golf radio ligt het niet, die doet het wel; ik kan mijn weerberichten binnenhalen en krijg zelfs zo nu en dan een zeebrief van jou. Maar zijn wij nu de enige mensen die niets weten? Ineens herinnerde ik me drie jaar hiervoor weer. Toen zeilde ik op een ander schip over deze oceaan en hoorden we ook wekenlang niks van de vaste wal. We waren de enige mensen op aarde die niet wisten wie de nieuwe president van Amerika was. Toen we aankwamen schreef ik op:

Oceaanoversteek

Na vijf weken in afzondering op zee
De aankomst en het wereldse nieuws:
Een nieuwe Amerikaanse president
Leonard Cohen en Fidel Castro zijn gestorven
maar mijn opa kan weer lopen

De eerste vijf dagen dat we op de oceaan zaten, ramden we tegen de deining en wind in. Met een wind van vijf tot zeven beaufort vanuit de noord-oost konden we nog net noord-west koersen, alle zeilen close hauled zoals dat dan heet. In het Nederlands zou je het ‘in de wind prikken’ noemen, eigenlijk te hoog aan de wind willen zeilen waardoor de snelheid uit het schip gaat, maar je wel enkele graden hoogte wint. Ik moest die graden winnen omdat ik niet aan de westkant van Bermuda uit wilde komen: dit is volgens alle oceaankaarten ‘an area to be avoided‘ vanwege de ondieptes en reefs. Gelukkig zijn we zwaar beladen waardoor het schip dieper ligt en beter door de golven beukt.

De golven sloegen van voor tot achter over het dek. De klappen die de boeg kreeg deden het hele schip trillen. De grootste golven volgden elkaar op in een bepaald ritme: vaak drie keer zo’n extra hoge golf achter elkaar en dan weer even niks. De oceaan was die vijf dagen onze gezamenlijke vijand en gaf ons geen moment rust.

Op zulke momenten moet je niet gaan twijfelen aan de techniek van een schip. Ons houten bootje is iets meer dan 30 meter lang, een notendopje in deze gigantisch wilde oceaan. Ik wil niet te veel aan onze nietigheid denken, maar probeer me te concentreren op de dagelijkse dingen aan boord zoals een praatje met de stuurman, een vers gebakken brood en het lezen van een boek.

Als mens werden we weer even op onze plek gezet. We kunnen nog zoveel bedenken maar de natuur zal op het einde toch altijd sterker zijn. De oceaan is een van de weinige plekken ter wereld die dit nog laat zien. Je overgeven aan dit gevoel, soms inleveren maar je altijd totaal geven, dat is de manier waarop ik al twaalf keer de oceaan overstak.

En nu wil onze Iwan niet werken. Hij kwam weken geleden aan boord, het was een oude grijzaard. Hij zag er uit alsof hij al zijn gehele leven had gezeild en elke golf al gezien had. Toen er op een van de eerste avonden dat hij aan boord kwam wat rum in de man was, kwamen de sterke verhalen en iedereen was onder de indruk. Wat kon die man praten! Maar echte zeelui praten niet.

Nu, weken later weten we wel beter. Iwan wil het tuigage niet teren, hij wil geen nachtwachten lopen en hij wil de afwas niet doen. Hij wil zijn pijp roken en staren over zee. Dit soort vreemde vogels monsteren wel vaker aan maar meestal komt het op een gegeven moment wel goed. Uiteindelijk komen ze in het scheepsritme: het ritme van de oceaan. Wachtlopen, scheepsonderhoud, keukencorvee. Alleen als ik in een romantische bui ben en mensen me vragen waar ik van leef, antwoord ik: ik leef van de wind. Maar er is op zee weinig plek voor romantiek. En vrijheid? We zitten dicht op elkaar in een soort zelfgekozen gevangenis waar alles draait om routine en samenwerken. Niks geen vrijheid. En dat snapt Iwan niet, Iwan wil cruisen, Iwan wil zonnen op het dek terwijl de anderen werken. Iwan wil een groene revolutie vanuit zijn bed beginnen zonder zich zelf aan te passen.

Jullie hebben Corona, wij hebben Iwan en het enige wat ik kan doen is de communicatie op gang houden. Als je leeft op zo’n klein stuk leefoppervlak en het verzwijgen intreedt, dan slaat de sfeer om. Dit kunnen de mooiste dagen van ons leven zijn en dat vertelde ik tijdens onze dagelijkse bemanningbijeenkomst.

Zelfs Iwan klapte en later zag ik hem een half uurtje over dek zwalken met een potje teer in zijn handen, daarna zat i weer op het middendek te klagen en te staren over zee. Misschien leert hij het nog maar ik heb er een hard hoofd in. Iwan is een van die praters, die zelfs van de oceaan niet stil wordt.

"Foto van Wiebe Radstake"
Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Momenteel is Wiebe onderweg vanuit Europa met een driemaster richting Suriname en de Caribbean. Als hij niet aan boord is op dwarsgetuigde zeeschepen woont hij op een zeeuwse klipper in Middelburg samen met vrouw en twee kinderen.

Poëzie in Tirade 480

TONNUS OOSTERHOFF

Kwatrijnen

Bach hoort Goebaidoelina,

Beethoven Claude Vivier.

Ik zie infrarood niet langer,

hoor het goudhaantje niet meer.

*

Ik geef je een bevel

maar je voert het niet uit

vogeltje.

Hoor je me niet?

*

Er wordt ritmisch aan ons getrokken.

Door wie? In welke richting?

We weten dat we waardevol zijn

omdat er aan ons gerukt wordt.

*

De stevigste constructie is niet altijd de sterkste.

Schoor je argumenten, schroef het bouwsel stijf,

draai je om, kniel en op drift is bot en dik

*

God de Vader,

Moeder God.

‘Moeder’ is een vergelijking,

‘Vader’ een geloof.

*

Gottbegnadet

heet de pony

in de regen wachtend

op hemelvuur

"Foto van Anja Sicking"
Anja Sicking

Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

Uwe

Eind 1983 zit in Sheerness-on-Sea een grote man aan een bar te veel te drinken. Zijn vrienden noemen hem Ossian, naar de Ierse blinde bard, maar de grote drinker is een Oost-Duitser. Hij heeft in Rome gewoond, en een poos met vrouw en kind in New York. Vertrok uit Oost-Duitsland omdat hij niet tegen leugens kon. New York is waar hij een Europees meesterwerk schreef. Op 22 februari zal hij in zijn huis in dat dorp nabij London dood worden aangetroffen. Hij is dan 49 jaar oud. Uwe Johnson heet hij en zijn meesterwerk is getiteld Jahrestage en verschijnt in Nederland onder de titel Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl.

In februari 2017 mailt de mij onbekende Marc Hoogma me, met de mededeling dat hij deze roman van Johnson vertaald heeft. In Duitsland verschenen in vier delen bij Suhrkamp Verlag, beloopt de roman in die editie zo’n 1.800 bladzijden! Ik ga lezen en word gegrepen door het verhaal: een in New York woonachtige vrouw, Gesine Cresspahl vertelt aan haar dochtertje haar familiegeschiedenis spelend in Mecklenburg: een deel van Duitsland ten noorden van Berlijn dat na de Tweede Wereldoorlog door de communisten bezet wordt en later Oost Duitsland zou worden. Gesine in New York leest dagelijks de New York Times en door wat ze leest krijgt de grote roman een hele nieuwe dimensie: naast Duitse geschiedenis van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog ook New York, augustus 1967 tot augustus 1968, en daarnaast alles wat er in die tijd in de wereld gebeurde, en dat is veel. De Russen vallen Praag binnen, in Vietnam woedt een onsmakelijke oorlog, in de VS zijn rassenrellen en Robert Kennedy en Martin Luther King worden vermoord. Minstens die grote verhalen worden vervlochten in deze roman. Een hypnotiserend herinneringskunstwerk op vele fronten.

Intussen, in 2017 hoop ik vurig dat ik de rechten voor de vertaling van het boek kan aankopen: niet alleen voor de lezer van vandaag, maar ook voor de gemoedsgesteldheid van een vertaler die werkelijk jaren aan dit boek werkte en zich dit probleem nog niet gerealiseerd had… Dat lukt gelukkig. En vervolgens zijn we nog 2,5 jaar bezig om tot het eindresultaat te komen dat vanaf 25 september in de boekhandel ligt: een pil van 1.600 bladzijden dundruk, gebonden in linnen, met een leeslint en stofomslag, een boek voor het leven.

Het fascinerende van dikke boeken is dat ze eenvoudigweg indruk maken omdat je er lang mee leeft: dit boek zou je bijvoorbeeld heel goed in een jaar kunnen lezen. Voor mij zal dit verhaal altijd intens blijven leven: het gaat over het individu en zijn/haar geschiedenis, maar in samenhang met de grote politieke en sociale ontwikkelingen van je tijd. Zoals je eigen leven zowel in kleiner en groter verband bij jou hoort: je bureau, maar ook de krant met alles wat er om je heen gebeurt. Kortom. Dit boek is het leven.

De komende drie maanden nog voor een intekenprijs. Snel naar de boekhandel!

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Vaarwel zomer

B houdt ervan elke vorm van afscheid te benoemen. Aan het einde van vakanties wordt het logeerhuis gedag gezegd, daarna het dorp waar we verbleven, de bergen en tenslotte ook het land. Als we in het huisje in Zeeuws-Vlaanderen zijn moeten we op de laatste dag nog even naar zee om ‘Dag zee’ te zeggen.

Mijn kinderen groeien op in deze traditie en ik vind dat mooi. Zelf sluit ik de dingen niet af, het moment waarop ik besluit te gaan wil ik eigenlijk al vertrokken zijn; een laatste rit naar zee voelt als een oponthoud.

Mijn echte afscheid gist pas onderweg naar huis in me; een fijn droef gevoel bloeit dan op, dat ik aanwakker door romantische liedjes op de radio te zoeken.

De aanpak van B lijkt de gezondste: door het moment van vertrek te rekken en benoemen begint het loslaten onmiddellijk, terwijl mijn verwerking traag verloopt. Nu ik dit schrijf ben ik nog bezig ons vertrek uit Suriname in 2015 te verwerken.

Gisteren was de laatste mooie zomerdag, en B bracht die aan huis gekluisterd door, videovergaderend in onze raamloze studeerkamer terwijl ze wachtte op de uitslag van haar coronatest.

Steeds als ze nieuwe thee of koffie kwam halen tuurde ze door het keukenraam de lucht in en zuchtte dan op een manier die je ostentatief zou kunnen noemen als je haar niet kende.

‘De laatste mooie dag,’ zei ze dan. ‘Gil, moet je niet lekker naar buiten?’

Ik mocht niet naar buiten omdat ik de naarste baas ben die ik ooit had. B zou een veel betere zelfstandige zijn. Werken in een strandtent, vroeg opstaan en dan met Otis de Hond naar het bos, koffie met vrienden in haar lunchpauze. De dingen die ik zou kunnen doen maar dus nooit doe.

De dag rolde zich af, er waren kinderen te halen. Ik bakte pannenkoeken en B’s test bleek negatief.

Na het eten lieten we met zijn allen Otis uit en bleven hangen bij een speeltuin om de hoek, waar ik een gevallen Kermitgroene bolster pelde. Nadim en Ada kregen ieder een kastanje die glom als een gepolitoerde vloer. Ada raakte de hare onmiddellijk kwijt en vroeg om die van haar broer, die weigerde. Een wat moeilijk invoelbare slaande ruzie ontstond.

De zon stond laag toen we weer bij ons huis waren en B leek op de stoep te dralen, nog even naar de lucht te willen kijken om te zuchten in verband met deze laatste warme dag, maar het kastanjeconflict was nog niet bijgelegd.

Op de trap zwoer Nadim dat hij nooit meer iets voor zijn zus doen omdat hij altijd alles wat hij had aan haar moest afgeven. Ada volhardde vooral in het opeisen van Naads kastanje.

Ik geloof dat iedereen een beetje moeite had met afscheid nemen van de laatste mooie dag.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

  • "Foto van Alexander Baneman"
    Alexander Baneman

    Alexander Baneman (Amsterdam, 1986) publiceerde in o.m. Tirade, De Revisor en De Parelduiker. In november verschijnt zijn debuutroman De schim van Raamswolde bij Van Oorschot.

  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.