De pupillen van boeddha

‘De eerste voorwaarde om een heilige te worden is dat je van lastige mensen houdt, dat je bezoek kunt verdragen.’

Ik schuifelde in deze gedachte gevangen zeer stil de zaal binnen van het Stedelijk museum waar Nam June Paik’s ’tv boeddha’ al decennia lang de onmogelijke opgave aan het vervullen is naar zichzelf te kijken en daar stoïcijns onder te blijven. In de zaal was coronatechnisch maar ruimte voor vier, dus dit hielp boeddha’s contemplatie wellicht een beetje. Ik moet deze boeddha in dit museum voor het eerst gezien hebben in 1990, want ze hebben het al heel lang in bezit, wat zeer pleit voor het aankoopbeleid. In deze tentoonstelling ervoer ik een soort verbijstering hoe een betrekkelijk waanzinnig soort kunstenaarschap door de tijd gesanctioneerd is tot verregaand visionair. Alles van Nam June Paik is de laatste jaren veel meer gaan betekenen. En ik zag het niet aankomen, maar Paik kennelijk wel.

‘Alles doorzien hebben, en toch nog in leven blijven – een onmogelijker positie bestaat niet.’

Ik stel me voor dat er in het kortgesloten circuit van de zichzelf waarnemende boeddha onder de zware oogleden een spiegelende verdubbeling optreedt van zijn verschijning reflecterend op zijn eigen pupillen en dat hij zich schrap zet steeds dieper af te dalen in oneindige vragen van persoonlijkheid en tijdsduur, ontologie en wezen. Zoiets. Aan mij is nooit een denker verloren gegaan, maar ik mag er graag naar kijken. Sinds deze Guatama in 1974 begonnen is zijn beeltenis te aanschouwen heeft hij het langzaamaan moeten afleggen tegen de hegemonie van het scherm; de media hebben alles wat stil denken is overgenomen en het gekwetter overstemt het denken ever since. Maar intussen, namens ons allen houdt 1 wengéhouten boeddha manmoedig stand…

‘ Ik zal tot het eind toe leven met het gevoel dat ik niet op mijn eigenlijke pek zit. Als de woorden ‘metafysische ballingschap’ geen enkele betekenis hadden, zouden zij er alleen al door mijn leven een krijgen.’

(Paiks manhaftige boeddha wordt hier geconfronteerd met citaten uit E.M. Ciorans Geboren zijn is ongemak, vertaling Edu Borger.)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

Thee drinken

Toen ik de uitgeverij uit kwam stond Roos een paar deuren verder. Op haar na was de gracht verlaten. Even dacht ik dat ze net als ik een afspraak bij Van Oorschot had. Het regende een beetje, dreigde harder los te gaan.

‘Roos,’ zei ik. Ze leek me niet meteen te kunnen plaatsen. ‘Wat doe jij hier?’

‘Hé,’ zei Roos. Ze kantelde haar hoofd, nam geen trek van een sigaret. Misschien herinnerde ik me dat ze gestopt is met roken. Ik ken Roos uit de kroeg, en wat je me na vier bier vertelt wordt in een gammel schuurtje opgeslagen. ‘Ik heb mezelf de middag vrij gegeven.’

Ik wilde zeggen dat ze een lelijke dag gekozen had, maar Roos kwam niet over alsof ze met de regen zat. Ik dacht aan de middagen vrijaf van vroeger, aan lopen door de stad totdat ik dorst of honger kreeg, aan boeken cruisen bij de Book Exchange, muziek inslaan bij Concerto toen een cd nog twintig euro deed.

We liepen samen op over de Herengracht en besloten thee te drinken, kwamen bij een zaakje dat in haar goeiige slijtage aan de late jaren ’90 deed denken. Dankzij de corona was het rustig binnen, en ook dat klopte met die tijd.

We mochten een tafeltje achterin dat naast een open tuindeur stond. Het tochtte er een beetje, maar ik had mijn jas aan en de thee was warm. Roos vertelde over een avond die ze in Perdu verzorgt, over de fysieke gevolgen van armoede. We praatten over racisme en over angst. Zware onderwerpen, maar het werd geen zwaar gesprek.

Toen het tijd werd om te gaan zag ik W, die zich in hetzelfde zaakje een middag vrij gegeven had. Ik praatte kort met haar en daarna stapten Roos en ik naar buiten. We namen corona-afscheid en ik besefte dat ik haar in betere tijden omhelsd zou hebben. Dat leek opeens zo vreselijk intiem.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Noord gestoord

De oogarts droeg cowboylaarzen, zag ik vlak voordat zijn druppels in mijn doppen gingen en hij me terug de wachtkamer in stuurde. Ik zou er moeten zitten tot de verdoving mijn irissen had lamgelegd.

‘Ik kom je met een kwartiertje halen,’ zei hij, en klopte me nog net niet op mijn schouder.

De druppels werkten in, de lichten werden feller tot het pijnlijk was om mijn ogen open te houden. De randen van de dingen werden vaag, en ik begreep waarom me in de uitnodiging voor dit onderzoek verzocht was om me naderhand op te laten halen.

Toen de arts weer uit zijn kamer kwam wilde ik al meelopen, maar hij lachte en hield iets wat aan een hand deed denken op.

‘Hoho,’ zei hij. ‘Niet zo enthousiast. Laat me eerst maar even kijken.’

Hij bracht zijn gezicht vlak voor het mijne en veinsde – geloof ik – schrik. ‘Wow. Freaky. Loop maar mee.’

Ik volgde hem en werd naar een dame gebracht die de feitelijke oogarts bleek. Binnen minuten werd duidelijk dat ik mijn moeders erfelijke aandoening niet heb, en mocht ik me als een ruw gewekte vampier door de schreeuwendlichte gangen van het BovenIJ een weg naar buiten tasten.

Zonnedronken slalomde ik naar de fietsenstalling. Nooit eerder wenste ik zó vurig een zonnebril, een baseballpetje en een zonsverduistering, maar mijn plan om voor de krant langs een nabije Aziatische supermarkt te gaan wilde ik niet loslaten. Halfblind was ik tóch al.

Het Buikslotermeerplein moest ergens ten oosten van het ziekenhuis liggen. Ik stapte op en zette aan met een hand boven mijn ogen tegen het verschrikkelijke licht. Bochten en kruispunten bleken lastig omdat ik ze steeds kort tevoren zag, maar de Noorderling was geduldig en ik werd slechts twee keer uitgescholden.

Toen mijn weg versperd werd door een bouwput pakte ik mijn telefoon erbij voor de route, wat het fietsen zelf niet makkelijker maakte. Gelukkig kwam er na een paar minuten een fijne schaduw langszij, waarbij een bassig roffelen leek te horen.

‘Stap jij maar even af,’ zei het soort stem dat je van een jeugdvoetbalcoach verwachten mag.

Zijn motorfiets had rode en blauwe vlakken, de coach zelf droeg een helgele helm die zóveel pijn deed aan mijn ogen dat ik me aanvankelijk achter mijn arm verschool.

‘Je weet dat je geen electronica mag gebruiken op de fiets?’

‘Het is mijn routeplanner,’ bekende ik. ‘Ik weet de weg hier niet.’

Zoveel leek hem al duidelijk. ‘Twee handen aan het stuur, man. Hier staat honderdtien euro op.’

‘Oké,’ zei ik, en stopte mijn telefoon weg. ‘Dank. Ik houd hem in mijn zak en dan stap ik straks af om nog eens te checken.’

Omdat ik weet dat dit autoriteitsfiguren kalmeert bleef ik de coach zo goed mogelijk in de helle vlek van zijn gezicht kijken. Tijd verstreek waarin hij me vrijgaf noch verder aansprak. Mijn ogen wenden niet.

‘Goed,’ zei ik uiteindelijk, en klopte op de zak waarin mijn telefoon nu zat. ‘Dan ga ik maar eens.’

De coach leek te knikken, wat ik als toestemming zag. Omdat hij me niet achterna kwam klopte dat kennelijk.

Met een fietskrat vol bijeengegokte boodschappen nam ik een uurtje later de pont. Vlak voordat de klep sloot kwam mijn zwager met een noodvaart aangefietst. Hij riep mijn naam en reed door tot hij naast me stond; een paar tellen later vroeg hij schaterend van welk festival ik kwam.

‘Ik snap het niet?’

‘Je pupillen man,’ zei Pim. ‘Jezus.’

Terwijl we aanvoeren vroeg ik me af wat de coach gedacht moest hebben; waarom hij zo vriendelijk was geweest me te waarschuwen voor een boete, maar niet vriendelijk genoeg om me uit het verkeer te halen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Patatje oorlog

Wie Amsterdam bezoekt, maar geen zin heeft in Artis, kan ook een wonderlijke diersoort bekijken in snackbar De Friet Fabriek in Oost. Daar zit een schepsel – mens noch dier, lijkt het. Het tart iedere verbeelding, maar probeer er eens een vrouw van eind vijftig in te zien. Een vrouwtjesaap, met grote mannelijke knuisten en lange haren in een viezige grijstint.

   Ze komt op de fiets, gekleed in een stoffige en veel te grote jas, en gaat demonstratief aan zo’n rond tafeltje zitten en haar van huis meegenomen en zelfbereide frietjes opeten.

   De eigenaars van de friettent, Jianni en Priscilla, spreken haar op de eerste dag al aan.

   ‘Mevrouw, het is eigenlijk de bedoeling dat u aan de balie iets bestelt,’ legt Jianni uit. Hij is Surinamer van oorsprong en iedereen is gecharmeerd van zijn ietwat vlekkerige gelaat en vrolijke oogopslag – vooral wanneer hij zijn klanten serveert met de woorden: ‘Bon Apentiet!’

   Iedereen pakt hij moeiteloos in, behalve de Trollenmoeder, zoals dit schepsel ook wel genoemd wordt. Het wezen opent haar muil en strooit met kwalijke dampen. ‘Voor mij is het geen lolletje, hoor,’ benadrukt ze bits. ‘Mijn frieten zijn zo slap en smakeloos als jouw frikandellen. Maar ja, in de supermarkt kost zo’n zakkie negentig cent en voor een kleine friet bij jou ben ik algauw twee euro lichter. Tót je de prijs aanpast, vreet ik dit voor je ogen op.’

   ‘Ga dan naar een andere tent,’ oppert Priscilla vanachter de kassa.

   ‘Zou ik graag doen, maar daar moet je pinnen en dat systeem vertrouw ik niet. Al die gegevens die ze van je krijgen. Hier kan je contant betalen, en daar wil ik best aan als jullie es naar je klandizie luisteren.’

   ‘Je bent geen klandizie, want je koopt niks!’ schreeuwt een vermoeide klant haar toe.

   Jianni schudt zijn wilde krullen. ‘Ik wens u nog een smakelijke voortzetting,’ zegt hij kalm voor hij rechtsomkeert maakt.

   Priscilla, zijn partner, verbergt haar misprijzen niet. ‘Wie heeft háár uitgescheten?’ roept ze zonder het doel te missen, maar de Trollenmoeder verroert geen vin.

   Dit tafereel herhaalt zich meerdere zondagen. De prijzen blijven hetzelfde en ieders houding ook. Uiteindelijk komt de Trollenmoeder voor een dichte deur te staan; de snackbar is voortaan gesloten op zondag. Op een aangeplakt briefje staat: Wij zijn een frietje eten.

   Woedend slaakt de primaat een wanstaltige gil, en dan valt haar blik op iets wat vóór sluitingstijd niet is binnengehaald. Het symbool van iedere snackbar: een plastic puntzak met druilerige ogen en patatjes in plaats van haartjes, die met zijn handje een frietje naar zijn mond brengt. Ze kan het zo meenemen; het zit nergens aan vast en is klein genoeg. Als een eersteklas ontvoerder pakt ze het arme verlaten ding op en zet het op de bagagedrager. 

   Een week lang gijzelt ze de mascotte van De Friet Fabriek. Daarna keert ze terug, op een zaterdagavond.

   ‘Goedenavond.’

   ‘Sommige mensen hebben geen goede avond, dus luister: je krijgt je engerd terug zodra jullie je passief-agressieve gedrag stopzetten en de prijs van je friet aanpassen,’ eist ze.

   ‘Kijk eens, mevrouw,’ zegt Jianni vriendelijk, wijzend naar een bord waarop staat dat een kleine patat voortaan slechts één miezerige euro kost. ‘Wij luisteren, hoor.’

   ‘Mooi, zo kan het dus ook,’ concludeert de gijzelaar tevreden en opent haar portemonnee om tussen de muntjes te graaien.

   ‘Alléén pinnen,’ grijnst Jianni. ‘Nieuw beleid.’ 

   ‘Gód-vér-dómme!’ schalt het keihard door de gehele ruimte. ‘Stik in je bamiballen! Verzuip in je mayonaise! Hang je lul in het frituurvet!’

   Driftig beent ze ervandoor om nooit meer terug te keren. De plastic mascotte gooit ze in de gracht, waar hij zinkt richting ontelbare waterschatten en andere kostbaarheden nu behorend aan het diepe.

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

Vogelvrij maar gevangen

Iwan wil niet werken, Iwan wil klagen, Iwan wil een stakingsbond, Iwan kan wat betreft de rest van de bemanning in zijn eigen sop gaar koken. Een gezamenlijk doel werkt, net als een gezamenlijke vijand, heel verbroederend. En net nu de wind niet meer van voren komt, maar we met een mooie bakstag wind zeilen en het oceaan leven wat dragelijker is, begint Iwan te morren.

Vogelvrij zijn we. We kunnen geen haven meer in maar hebben de weidse oceaan rond ons heen. Gigantische razende oceaangolven gaan naadloos over in een bewolkte horizon. Soms kun je niet zien waar de golven ophouden en de wolken beginnen. En nergens een vliegtuigstreep in de lucht, we zijn nu echt op onszelf aangewezen. Zo is het dus om vogelvrij verklaard te zijn. Ons kantoor laat al een paar dagen niets van zich horen. Ze zouden ons op de hoogte houden, maar waarom ik geen antwoord op mijn berichten krijg weet ik ook niet. Heeft het virus soms ook om zich heen gegrepen bij hen op de wal? Aan de korte golf radio ligt het niet, die doet het wel; ik kan mijn weerberichten binnenhalen en krijg zelfs zo nu en dan een zeebrief van jou. Maar zijn wij nu de enige mensen die niets weten? Ineens herinnerde ik me drie jaar hiervoor weer. Toen zeilde ik op een ander schip over deze oceaan en hoorden we ook wekenlang niks van de vaste wal. We waren de enige mensen op aarde die niet wisten wie de nieuwe president van Amerika was. Toen we aankwamen schreef ik op:

Oceaanoversteek

Na vijf weken in afzondering op zee
De aankomst en het wereldse nieuws:
Een nieuwe Amerikaanse president
Leonard Cohen en Fidel Castro zijn gestorven
maar mijn opa kan weer lopen

De eerste vijf dagen dat we op de oceaan zaten, ramden we tegen de deining en wind in. Met een wind van vijf tot zeven beaufort vanuit de noord-oost konden we nog net noord-west koersen, alle zeilen close hauled zoals dat dan heet. In het Nederlands zou je het ‘in de wind prikken’ noemen, eigenlijk te hoog aan de wind willen zeilen waardoor de snelheid uit het schip gaat, maar je wel enkele graden hoogte wint. Ik moest die graden winnen omdat ik niet aan de westkant van Bermuda uit wilde komen: dit is volgens alle oceaankaarten ‘an area to be avoided‘ vanwege de ondieptes en reefs. Gelukkig zijn we zwaar beladen waardoor het schip dieper ligt en beter door de golven beukt.

De golven sloegen van voor tot achter over het dek. De klappen die de boeg kreeg deden het hele schip trillen. De grootste golven volgden elkaar op in een bepaald ritme: vaak drie keer zo’n extra hoge golf achter elkaar en dan weer even niks. De oceaan was die vijf dagen onze gezamenlijke vijand en gaf ons geen moment rust.

Op zulke momenten moet je niet gaan twijfelen aan de techniek van een schip. Ons houten bootje is iets meer dan 30 meter lang, een notendopje in deze gigantisch wilde oceaan. Ik wil niet te veel aan onze nietigheid denken, maar probeer me te concentreren op de dagelijkse dingen aan boord zoals een praatje met de stuurman, een vers gebakken brood en het lezen van een boek.

Als mens werden we weer even op onze plek gezet. We kunnen nog zoveel bedenken maar de natuur zal op het einde toch altijd sterker zijn. De oceaan is een van de weinige plekken ter wereld die dit nog laat zien. Je overgeven aan dit gevoel, soms inleveren maar je altijd totaal geven, dat is de manier waarop ik al twaalf keer de oceaan overstak.

En nu wil onze Iwan niet werken. Hij kwam weken geleden aan boord, het was een oude grijzaard. Hij zag er uit alsof hij al zijn gehele leven had gezeild en elke golf al gezien had. Toen er op een van de eerste avonden dat hij aan boord kwam wat rum in de man was, kwamen de sterke verhalen en iedereen was onder de indruk. Wat kon die man praten! Maar echte zeelui praten niet.

Nu, weken later weten we wel beter. Iwan wil het tuigage niet teren, hij wil geen nachtwachten lopen en hij wil de afwas niet doen. Hij wil zijn pijp roken en staren over zee. Dit soort vreemde vogels monsteren wel vaker aan maar meestal komt het op een gegeven moment wel goed. Uiteindelijk komen ze in het scheepsritme: het ritme van de oceaan. Wachtlopen, scheepsonderhoud, keukencorvee. Alleen als ik in een romantische bui ben en mensen me vragen waar ik van leef, antwoord ik: ik leef van de wind. Maar er is op zee weinig plek voor romantiek. En vrijheid? We zitten dicht op elkaar in een soort zelfgekozen gevangenis waar alles draait om routine en samenwerken. Niks geen vrijheid. En dat snapt Iwan niet, Iwan wil cruisen, Iwan wil zonnen op het dek terwijl de anderen werken. Iwan wil een groene revolutie vanuit zijn bed beginnen zonder zich zelf aan te passen.

Jullie hebben Corona, wij hebben Iwan en het enige wat ik kan doen is de communicatie op gang houden. Als je leeft op zo’n klein stuk leefoppervlak en het verzwijgen intreedt, dan slaat de sfeer om. Dit kunnen de mooiste dagen van ons leven zijn en dat vertelde ik tijdens onze dagelijkse bemanningbijeenkomst.

Zelfs Iwan klapte en later zag ik hem een half uurtje over dek zwalken met een potje teer in zijn handen, daarna zat i weer op het middendek te klagen en te staren over zee. Misschien leert hij het nog maar ik heb er een hard hoofd in. Iwan is een van die praters, die zelfs van de oceaan niet stil wordt.

"Foto van Wiebe Radstake"
Wiebe Radstake

Wiebe Radstake groeide op tussen de boeken van zijn ouders in tweedehands boekwinkel Boven het Dal te Zierikzee. Hij is zeekapitein op zeilschepen rond de wereld. Naast de zeezwerftochten die hij maakt, haalt hij zijn inspiratie uit het dwalen door de steden en het struinen over stranden. Hij werkt aan een brieven/reis boek met de titel Thuisvaarder/Thuisvader. De logs van Tirade zijn korte stukken uit Thuisvaarder.  Momenteel is Wiebe onderweg vanuit Europa met een driemaster richting Suriname en de Caribbean. Als hij niet aan boord is op dwarsgetuigde zeeschepen woont hij op een zeeuwse klipper in Middelburg samen met vrouw en twee kinderen.

Poëzie in Tirade 480

TONNUS OOSTERHOFF

Kwatrijnen

Bach hoort Goebaidoelina,

Beethoven Claude Vivier.

Ik zie infrarood niet langer,

hoor het goudhaantje niet meer.

*

Ik geef je een bevel

maar je voert het niet uit

vogeltje.

Hoor je me niet?

*

Er wordt ritmisch aan ons getrokken.

Door wie? In welke richting?

We weten dat we waardevol zijn

omdat er aan ons gerukt wordt.

*

De stevigste constructie is niet altijd de sterkste.

Schoor je argumenten, schroef het bouwsel stijf,

draai je om, kniel en op drift is bot en dik

*

God de Vader,

Moeder God.

‘Moeder’ is een vergelijking,

‘Vader’ een geloof.

*

Gottbegnadet

heet de pony

in de regen wachtend

op hemelvuur

"Foto van Anja Sicking"
Anja Sicking

Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.

  • "Foto van Plonia Westendorp"
    Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.

  • "Foto van Machiel Jansen"
    Machiel Jansen

    Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.