Daniël Rovers zondagse gastblogger mei 2014

Afgelopen zondag presenteerde Daniël Rovers (1975) zijn jongste boek, een bundel reisverhalen. Komende zondag levert hij zijn eerste, eigenlijk tweede, Tirade gastblog.

Nieuwsfeit: Daniël Rovers is deze maand onze zondagse gastblogger.

Daniël Rovers is schrijver van de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt en de romans Elf en Walter. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning. Deze week verscheen zijn bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. In Tirade 450 publiceerde Rovers een tirade tegen zichzelf. En in het voorlaatste nummer van Tirade, Tirade 453, publiceerde hij het verhaal The Killing Fields.

In de Oorshop

De leesclub

De afdeling verkoop van mijn uitgeverij mailde. Er blijkt een stijgend aantal leesclubs in Nederland te opereren.

Omdat zinnen met de woorden ‘lees’ en ‘stijging’ erin in onze taal zelden voorkomen, schonk ik het bericht mijn volle aandacht, iets wat me door de hoeveelheid zakelijke en minder zakelijke mail die dagelijks over mijn laptop giert helaas nog maar zelden lukt. 

Ik ben fan van de afdeling verkoop. Ze is niet alleen mooi om te zien, maar ook heel grappig. Op presentaties en andere borrels probeer ik altijd bij haar in de buurt te staan. Hierin ben ik overigens niet alleen, waardoor het rond Ilona vaak drukker is dan bij de schaal haring en de pakken sap. 

Ilona’s verzoek was (en ik hoop dat ik het goed samenvat) of ik  een aantal vragen kon bedenken over mijn laatste boek, waardoor we zo’n leesclub een beetje tegemoet zouden kunnen komen.  

Nu wil het toeval – waar ik ondanks mezelf steeds minder in begin te geloven – dat ik volgende week ben uitgenodigd door zo’n leesclub. Een klein gezelschap hoger opgeleiden is op dit moment Het laatste kind aan het lezen, en zal mij daar vragen over gaan stellen. 

Dat leek me ook de meest logische gang van zaken: dat men iets leest, er vragen over heeft en die stelt. 

Ik ging eens op internet kijken en trof een Engelse site aan die kennelijk speciaal voor dit doel is ingericht en die er zo professioneel uitziet dat er een aantal grote uitgeverijen achter moet zitten. Ik voerde Midnight’s Children in, en kreeg prompt 20 book club questions. Nummer 2 was: 

“2. To what extent has the legacy of the British Empire, as presented in this novel, contributed to the turbulent character of Indian life?”

Ik probeerde me een leesclub voor te stellen die op dinsdagavonden bijeenkomt in het huis van steeds een ander lid, ergens in Upper Avonstead-Upon-Brindleheathstowe. Zes getrouwde vrouwen wier mannen niet lezen, en twee mannen die nooit getrouwd zijn geweest. Gemiddelde leeftijd: 50. Blanke mensen aan een oudgrenen keukentafel met een blauw-emaillen hanglamp erboven. Theekopjes van fijn porselein naast ellebogen. Een vooroorlogs koekblik gapend in het midden van de kring. Achter een rijtje voormalige kwarkbakjes dat bieslook, krulpeterselie en verdorde basilicum huisvest, schampt een beschaafde regen het venster.  

Moeilijk om de bovenstaande scène anders dan als deprimerend te lezen, en dat terwijl het enige harde bewijs voor inkleuring mijnerzijds het woord ‘verdord’ is. Moeilijk, ook, om mezelf anders dan hautain te vinden in het beschrijven van de leesclub. Toch staat dat nergens. Het contrast tussen de vraag en de club blijkt bij herlezing het zuur te bevatten. 

Ik neem een andere vraag: 

“8. ‘There is no escape from form’ says Saleem (p. 226); and later, he speaks of his own ‘overpowering desire for form’ (p. 317). Set against this is the chaos of Indian life which is described in such detail throughout the book. How is this coherence achieved? What role does mythology play in giving form to events in the novel?””

Brian, de oudste van het gezelschap, bijt een miniem stukje van zijn butter biscuit en legt het koekje terug op zijn vlakke hand, die hij wat onnatuurlijk op schouderhoogte houdt terwijl hij met zijn andere de vragenlijst vlakstrijkt. Omdat Brian schoolmeester geweest is, leest hij meestal de vragen voor. Zijn diepe stem galmt in de grotendeels betegelde ruimte: veertig jaar Chesterfields zonder filter die stuk voor stuk hun geld waard waren. Ondanks de verse seringen in hun vaas op de hoek van het aanrecht dringt de geur van oud vocht zich op. Het soort vocht dat via de muren van een oud huis de botten van een oude man in kruipt. Het is waarschijnlijk dat Brian (na Mary’s verloren gevecht tegen haar kanker, op een onbeschaamd mooie lentedag vorig jaar) de leesclub als eerste zal moeten verlaten. Wie zal de vragen voorlezen als hij er niet meer is? 

How is coherence achieved?‘ leest Brian. Op het woord coherence blijft zijn stem even hangen. Iedereen heeft het gehoord. 

 

 

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De daken van Algiers

Er zijn boeken waarvan je je nog maar weinig meer herinnert dan een scène, een gevoel. Eigenlijk zijn die boeken er heel veel. Van de boeken van Albert Camus is me vaak veel meer bijgebleven, maar De eerste man heeft met boeken van Cesare Pavese als Stilte in augustus en De maan en het vuur  gemeen dat ik me met name de verzengende hitte herinner. Het boek De eerste man gaat over Camus’ Algierse jeugd. Het was het laatste boek dat hij hij schreef, het manuscript werd in de modder gevonden na zijn dodelijke auto-ongeluk. Stap nooit in de auto met een uitgever of redacteur, zoals Camus deed.

De film Les Terrasses of Rooftops van Merzak Allouache is een schitterende film die nu draait op het festival Cinema Arabe in ondermeer Rialto Amsterdam en Rotterdam en dan on tour tot 18 mei.  Het festival wordt bezield door Adel Salem, hij verdient daar lof voor.

De film speelt volledig op dakterrassen in Algiers, en verweeft zo’n vijf verhalen die gemeen hebben dat ze een sterke maatschappijkritische blik tonen. En niet alleen maatschappijkritisch. De film is gestructureerd rond de vijf oproepen tot gebed – de azan – vanuit de minaret, tot een van de vijf gebeden, de fajr, dhuhr, asr, maghrib en isha.

De film beslaat 1 enkele dag in Algiers. De vrome moslims in de film komen er op 1 na niet goed af, want andere dan religieuze impulsen prevaleren in hun handelen en denken. De vrome zakenman laat zijn broer waterboarden om een handtekening los te krijgen die hem aan de erfenis helpt. Als hij dood is de zakenman diep bedroefd. Een jihadjongen houdt bijeenkomsten op zijn dak, maar zijn oom die in een hok is opgesloten moet zijn mond houden, en de Afghaanse broeders zijn ook vooral dienstig waar het de hashhandel aangaat. De schrijnendste episode is die van een band. De zangeres haar dakterras wordt als oefenruimte gebruikt. Een vrouw kijkt altijd mee vanaf een nabijgelegen dak. Zij blijkt verliefd op de zangeres. Nadat zij door haar ongetwijfeld vrome man openbaar mishandeld is durven de vrouwen hun liefde pas aan elkaar te bekennen. Dan stapt de jonge bewonderaarster uit wanhoop van het dak. Het is geen vrolijke film. Maar wat een regisseur die Merzak Allouache! Hij was bij de eerste vertoning aanwezig en werd kort ondervraagd. Een ironische distantie ten beste gevend die natuurlijk pas na het zien van de film meer reliëf kreeg.

De zon staat minder in het teken van een schroeiende herinnering in deze film, maar meer in dat van de Algierse dagdagelijkse realiteit. Een verscheurd land, door geschiedenis, ligging, bevolking, mogelijkheden. Hoe getroebleerd die herinneringen bij Camus door zijn politieke twijfels ook waren. Een festival als dit, dat je echt dichterbij de Noord-Afrikaanse realiteit brengt is vrijwel de enige manier om iets te leren begrijpen van dit land, Algerije.

P.S.  Lees ook dit schitterende stuk van Ronald Bos in Parelduiker over Camus in Algiers.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Vrijdag 9 mei 2014: Tirade presenteert Tirade 454

‘Wie niet voelen wil, die moet maar weer eens horen.’  Ilja Leonard Pfeijffer, Zestiende idylle.

Tirade 454 voorplat Rosa VitalieAanstaande vrijdag, 9 mei 2014, opent in De Nieuwe Liefde (Amsterdam) het Amsterdam Poëzie Festival – een feest dat tot en met aanstaande zondag, 11 mei 2014, doordendert.

Te midden van alle poëzie, muziek, dans en variété viert Tirade de verschijning van haar themanummer vol Nieuwe Liefdespoëzie met voordrachten van de volgende Tirade 454 contribuanten:

Tjitske Jansen

Tsead Bruinja

Vicky Francken

Ingmar Heytze

Francesco Lucarotti

We beginnen om een uur of half tien.

‘Waar?’

‘In de Kleine Zaal van De Nieuwe Liefde.’

Tirade – feest!

Soundtrack: Last Friday Night – Katy Perry.

P.S. Haal je beste moves maar vast uit het vet, want de vrijdagavond wordt afgesloten met een discoshow van Hoi Division, de draaiende dichteressen Lieke Marsman & Ellen Deckwitz.

Vrijheid

‘De honden zullen over je waken.’ Hafid Bouazza, Meriswin (2014;p.188).

Ik was een paar dagen in Holten (Overijssel). Om een beetje te lopen, om een beetje te lezen. En om mijn broer te helpen met hooien (foto). Zaterdagavond belandde ik op de Canadese militaire begraafplaats. Bloeiende azalea’s, bloeiende rododendrons, bloeiende Lelietjes-van- dalen. De stoeltjes (donkerbruin hout, zilveren pootjes) voor dodenherdenking stonden al klaar, in stapels. Ik wandelde, schreed, naar het hoogste punt van de begraafplaats om daar, tussen twee lindenbomen, uit te kijken over honderden uniforme, witte grafstenen. Jonge konijntjes renden achter elkaar aan tussen en langs de graven, een eekhoorn beklom de onzichtbare spiltrap rond een eikenboom. In bos en begraafpark een symfonieorkest van vrije vogelsoorten. Ik had geen behoefte om me bezig te houden met De Tweede Wereldoorlog of om na te denken over het rare, verwarrende verband tussen vrijheid en geweld. Ik at een zuurtje, een Napoleon, en begon langs de grafstenen te lopen. H.H. Anderson – Age 24. He died that we might live. De vaders en moeders, de geliefden, die om deze jongens hebben gerouwd zullen al decaden dood zijn, maar ieder ingebeiteld gedenkregeltje had de impact van een roman. Na vijf, zes stenen moest ik het lezen opgeven. Toch was het – hand in eigen boezem – een tikje schijnheilig om zo hevig aangegrepen te worden terwijl ik zelf rondliep met een dikke, vette gun in m’n schouderholster en nota bene diezelfde middag in Snackbar Harry nog een –

‘Volgende item, volgende item!’

Zondag dropte ik m’n zoon bij zijn moeder en racete plankgas door naar Amsterdam waar tientallen sympathieke mensen zich hadden verzameld in ruimte 28 van het Lloyd Hotel – Oostelijke Handelskade 34 – omdat mijn goede vriend en Tirade-contribuant Daniël Rovers er zijn boek met (anti)reisverhalen presenteerde.

In de hoge ruimte met visgraatparket, houten lambrisering en comfortabele stoelen met Wes Anderson-gele bekleding op zitting en rugleuning, luisterden we bij daglicht naar de reisavonturen van – in volgorde van voorlezen – Anton Valens, Jannie Regnerus, Franca Treur en Daniël Rovers.

Als je denkt dat ik Daniëls nieuwe boek, De zon is het probleem niet, vannacht meteen heb gelezen, dan onder/overschat je me. Wel las ik het verslag van zijn reis naar het bootvluchtelingeneiland Lampedusa dat onlangs als zelfstandig boekje werd uitgegeven en als Paasgeschenk werd gedistribueerd onder de 2.000 meest invloedrijke denkers van Nederland.

Wat me frappeerde in Lampedusa is het motief van de (herders)hond.* Een citaat:

‘Op station Rocca Palumba wankelt een oude pezige man stomdronken de trein uit, hij schuifelt naar de rand van een brede bloembak, gaat daar zitten, lokt met een handgebaar een herdershond die op de tegels ligt, aait het beest een paar keer en geeft het dan een stevige tik op zijn kop, waarop de hond heel dociel plat op de grond gaat liggen. De man kijkt voor zich uit, verbaasd over het leven dat maar niet wil ophouden.’ (p.28).

Later, aan het strand van Porto Empedocle (p.35), ziet Rovers hoe twee trimmers hun zoekgeraakte en weer hervonden hond als beloning niet aanhalen, maar schoppen; weer dertig pagina’s verder beschrijft hij (Rovers) hoe een televisiejournalist, genaamd Rosario, zich over twee jonge herdershonden ontfermt.

Wanneer Rovers honden met een dierenasiel in verband brengt, weet je zeker dat (herders)honden voor hem – in Lampedusa althans – een brug vormen tussen geprivilegieerde westerlingen en de vluchtelingen die naar Europa (Lampedusa) komen. Het lieve, gevaarlijke, harige dier verenigt de kwetsbaarheid/geslagenheid van de vluchteling en de macht/repressieve kracht van het westen.

Op pagina 75 van Lampedusa komen we nog een ‘vadsige herdershond’ tegen en op pagina 80 wordt de relatie tussen Asielzoekers-Honden-Vrije westen definitief bekrachtigd als Rovers – in afwachting van een boot of tien met in totaal tweeduizend vluchtelingen aan boord – op het dak van zijn hotel staat:

‘Er hangt een sluier voor de maan en er is geen enkele beweging op straat te bespeuren. Hondengeblaf, mogelijk uit de richting van het opvangkamp.’

Rovers-De-zon-is-het-probleem-nietOf in Rovers’ andere reisverhalen net zoveel honden voorkomen en of ze net zo’n pregnante rol spelen als in Lampedusa kan ik je nog niet vertellen. Maar ga dat vooral zelf uitzoeken: Daniel Rovers, De zon is het probleem niet, Uitgeverij Wereldbibliotheek (2014).

Tirade – overal thuis.

Soundtrack: Travel the World and the Seven Sea’s/Everybody is looking for something. Eurythmix.

Volgende week: naar de film! En meer.

Noot

*Internationaal keurmeesteres A. Gondrexon-Ives Browne noemt, in de Tirion Hondengids, de aard van de Duitse Herdershond: ‘Intelligent, moedig, opmerkzaam, waakzaam, trouw; zo nodig scherp en vechtlustig.’  Scherp en vechtlustig. Zo nodig.

‘De vier gevaarlijkste woorden in de taal’

Voor het jongste nummer van Tirade, Tirade 454, vertaalde Hafid Bouazza een liefdesgedicht van de Syrische dichter, diplomaat en uitgever Nizar Qabbani (1923-1998).

Hieronder, bij wijze van weekendblog, een citaat uit Bouazza’s formidabele, nieuwe roman, Meriswin:

‘Van sonde, bloedtransfusie en zijn wat de verplegers ‘verzet’ noemden, kon hij zich niets herinneren als zij hem erover vertelde. Noch kon hij het geloven. Ze moest het toezien en ze kon er niks tegen doen en het verdroot haar en deed haar pijn en het domend besef van zijn mogelijke dood moest ze ook nog dragen. Haar hart was een raadsel waarvan de oplossing zo simpel was, maar zo ondraaglijk. De gemelijkheid die met ziekten komt, bij mánnen met ziekten komt, probeerde hij haar te besparen, maar hij wist dat dit niet altijd lukte.

Ze dwong bewondering af, dat had ze altijd al bij hem gedaan, niet alleen met haar betovering en euforische lustigheid en energie, haar depressies, haar opwellende stromen van hartstochtelijke monologen, haar geestigheid, maar vooral omdat ze hem liet zien wat voor een mollenhoop ellende hij was, ziek of niet ziek, maar ook, niet ziek, in staat tot waardigheid. Ze moest aankijken tegen een geel hoopje met bruine pis, zoals ze het zelf zei, maar het deerde haar niet. Hoe moeilijk was het voor hem zich open te wrikken onder haar dageraad. De vier gevaarlijkste woorden in de taal, ze was niet vergeten dat hij dit had gezegd in de sneeuw en onder een glazige hemel en niet eens ’s nachts.

Het deerde hem. Hetgeen, laten we eerlijk zijn, twee joden weten wat een bril kost, een vorm van arrogantie en zelfverblinding was: alsof zij niet wist hoe hij was, alsof hij zich kon boetseren tot een gebrekloze innerlijke krachtpatser waarin zij geloven moest, deze gebrekrijke man in wie een orgaan schipbreuk had geleden.

Probeer maar, mijn beste man, om waardigheid te bewaren in een patiëntenhemd en slangen in je lichaam, rode kots en zwarte stoel, gele afscheiding, geel en bruin en bruingeel en ammoniak zwemmend in je bloed.’

Hafid Bouazza, Meriswin, Uitgeverij Prometheus (2014; p.108/109).

Morgen een nieuwe blogpost.

Aanstaande vrijdag  presenteren we Tirade 454 tijdens het Amsterdam Poëzie Festival.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Menno van der Veen"
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

  • "Foto van Mira Aluç"
    Mira Aluç

    Mira Aluç (1993) schrijft korte verhalen en beschouwingen. Haar werk is sinds 2015 onder andere verschenen op Mister Motley, in Streven, De Revisor en De Gids en werd meermaals gepubliceerd op DIG (De Internet Gids) en in Tirade. In 2020 werd haar verhaal Backspace opgenomen in Rebel, Rebel, de bundel van Uitgeverij Prometheus ter gelegenheid van de Boekenweek. Ook maakte zij de podcast Balkon voor Sprekende Letteren.

  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.