Waarom je altijd met een dichter moet trouwen*

Tirade 454 voorplat Rosa VitalieDe afgelopen weken was het op de redactie van Tirade alsof we er allemaal een stuk of vijfentwintig minnaars en minnaressen op nahielden – althans, dat is hoe het voelt als je honderd dichters vraagt om een gedicht over de liefde te schrijven en vervolgens met hen correspondeert over de voortgang van de gedichten/het nummer in wording/hoe vreselijk al dan niet geweldig de liefde toch is. Zeventig van hen namen de opdracht aan, waardoor we nu met trots deze Tirade-poëziespecial uit kunnen brengen. Het nummer wordt gepresenteerd tijdens de openingsavond van het Amsterdam Poëziefestival dat van 9 tot en met 11 mei plaatsvindt in De Nieuwe Liefde te Amsterdam.

Dichters en liefde, kun je je afvragen – is dat niet een al te uitgekauwde combinatie? Valt er nog wel iets nieuws over de liefde te schrijven? Zelf denk ik van wel – voor het lezen en schrijven van poëzie is een bepaalde gevoeligheid nodig die ook nodig is in de liefde, en aangezien veel dichters een hele hoop van die gevoeligheid hebben, hebben ze vaak ook een hele hoop liefde. Of tenminste gedoe in de liefde. Voeg dat gedoe samen met wat die gevoeligheid ook in gang zet, namelijk het dichten, en dichters zullen tot in het oneindige nieuwe gedichten over de liefde blijven schrijven.

Tot zover mijn cirkelredenering. Wat vinden dichters eigenlijk van de liefde? Zijn ze werkelijk zo romantisch en gekweld als men je vaak wil doen geloven? Ik heb eens geteld:

Iets minder dan de helft van de ingestuurde gedichten zou je op een of andere manier als ‘ongelukkige liefdesgedichten’ op kunnen vatten (hierbij moet ik eerlijkheidshalve opmerken dat er bij mijn tellen mogelijk sprake is geweest van projectie). Twintig gedichten waren uitgesproken tevreden over de liefde in het algemeen en/of over een specifieke geliefde. En dan was er nog een negentiental gedichten waarvan het mij niet meteen duidelijk was of ze de liefde in positieve of negatieve zin bezongen/die zo’n waardeoordeel niet in zich droegen. Eigenlijk helemaal niet zo’n slechte score, vind ik. Al helemaal niet als je je bedenkt dat dichters die gelukkig zijn in de liefde soms wel droevige liefdesgedichten schrijven, terwijl het omgekeerde slechts zelden het geval is. Maar goed, uiteindelijk gaat het natuurlijk helemaal niet om de vraag of liefde wel of niet leuk is, dat verschilt van persoon tot persoon en van tijd tot tijd – interessanter is het om te kijken hoe dichters precies omgaan met de liefde in hun gedichten.

Eén van mijn eigen lievelingsgedichten waarin liefde en dichten allebei aan bod komen is het gedicht Why You Should Never Marry a Poet van Heather Bell.

Ik vertaalde het ooit voor Tirade 447:

 

Waarom je nooit met een dichter moet trouwen

Denk na – de manier waarop credit cards, bougainvillea,
vakanties, woordenboeken, de weg op weg naar het werk allemaal
nooit genoeg zullen zijn. De dichter wenst
met haar diepste botten
en schrijft dat ze wenst
dat ze je had vermoord
in de supermarkt. Ze vraagt zich af
waarom ze ooit van je hield in vers.
Ze publiceert boek na boek. Iedere zin
zet uiteen hoe lelijk en monsterlijk je haar is ’s ochtends. En hoe
je je, meelijwekkend, als mos,
aan haar vastklampt.
Maar toch trouw je met haar
en ze ziet eruit als een waas van sneeuw
in het wit. Je verwacht dat ze een gedicht over je
voor zal lezen, die dag, waarop iedereen luistert: haar keel

 is tenslotte een meeldraad
of een lucifer.

Maar ze is stil, zegt enkel JA IK WIL
en een paar Bijbelverzen.

De dichter heeft lief met het meest gewelddadige hart
denkbaar. Wat je niet hebt geweten –
ze heeft je al deze jaren
de waarheid willen vertellen,
maar is zwijgzaam geworden als een oude geliefde
van tachtig. Er is geen manier om te zeggen

hoe iemand houdt van de pijn van je gebroken lippen,
de zware buik van je tong, de jaren dat ze zich
onbemind wist,
maar beminde. Denk na –

De dichter vreest het kennen en vinden van je mond door een ander.
Ze is bang voor je –
realiseert zich dat je beter
liefgehad had kunnen worden of heviger
of met echte woorden.

 

In dit gedicht is een dichter aan het woord die stelt dat de woorden van een dichter niet genoeg zijn wanneer het liefde betreft. Dichters draaien dingen om, zetten de werkelijkheid naar hun hand, maar dit kunnen ze slechts doen voor zolang het gedicht duurt. Ik heb me lang afgevraagd hoe ik me verhield tot de boodschap die dit gedicht brengt. Hoe vaker ik het lees, hoe meer ik geneigd ben om het gedicht juist als een aanbeveling om met een dichter te trouwen te zien. Want die ontoereikendheid van de taal, die realisatie dat zeggen dat je liefhebt niet hetzelfde is als liefhebben, kan Heather Bell alleen beschrijven bij gratie van het feit dat ze dicht. Niemand weet immers zo goed hoe woorden de plank mis kunnen slaan als degene die al zijn woorden zorgvuldig wikt en weegt, en zelfs soms dan nog tot de conclusie moet komen dat hetgeen hij schrijft niet het juiste is. Wie trouwen te burgerlijk vindt, kan trouwens ook gewoon een keer met een dichter naar bed.

In ieder geval, hier zijn vijfenzeventig gedichten over de liefde, in alle gedaanten die zij aan kan nemen, door bijna evenzoveel dichters, in alle gedaanten die zij aan kunnen nemen. De redactie wil iedereen die aan deze Tirade heeft bijgedragen nog eens hartelijk bedanken voor hun liefdevolle medewerking. Het is een prachtig nummer geworden.

—-

Tirade 454 bevat, behalve het redactioneel van Lieke Marsman hierboven,  Nieuwe Liefdesgedichten en Vertaalde Liefdespoëzie van: Ilja Leonard Pfeijffer, Alfred Schaffer, Eva Gerlach, Piedad Bonnett (vertaald door Luc de Rooy), Charlotte Mutsaers, Frank Keizer, Vicky Francken, Jannah Loontjes, Paulos Silentiarios (vertaald door Marko van der Wal), Leo Vroman, Tomas Lieske, Nikki Dekker, Maria Barnas, Gerbrand Bakker, Annemieke Gerrits, Ruben van Gogh, Nickie Theunissen, Piet Gerbrandy, Astrid Staartjes, Sasja Janssen, Antoine de Kom, Anne Broeksma, Paul McCartney (vertaald door Bindervoet & Henkes), Ingmar Heytze, Sylvie Marie, Lieke Marsman, Maarten van der Graaff, Tjitske Jansen, Anne Provoost, Ellen Deckwitz, Erik Bindervoet, Annelie David, Abdelkader Benali, Marjolijn van Heemstra, Paul-Jean Toulet (vertaald door Harrie Geelen), Maartje Smits, Mauro Pawlowski, Joost Zwagerman, Annemarie Estor, Gilles van der Loo, Bianca Boer, Lhasa de Sela (vertaald door Henkes & Bindervoet), Delphine Lecompte, Daniël Vis, Anna Enquist, Tsead Bruinja, Marije Langelaar, Mark Boog, Hannah van Wieringen, Jane Leusink, Nachoem M. Wijnberg, Lize Spit, Thomas Möhlmann, Milou Voskuilen, Daan Doesborgh, Kira Wuck, Nizar Qabbani (vertaald door Hafid Bouazza), Martijn Knol, Lies Van Gasse, Pieter de Bruijn Kops, Tonnus Oosterhoff, Joost Baars, Yannick Dangre, Hans Dekkers, F. Starik, Hannah van Binsbergen, Erik Lindner, Ester Naomi Perquin, Willem Jan Otten. Prozaïste Maartje Wortel besluit het nummer met een tirade over de Liefde.

Vanavond, tijdens de openingsavond van het Amsterdam Poëzie Festival, in De Nieuwe Liefde, presenteert Tirade Tirade 454. De line up en andere informatie vind je: hier.

* Redactioneel Tirade 454.

In de Oorshop

Daniël Rovers zondagse gastblogger mei 2014

Afgelopen zondag presenteerde Daniël Rovers (1975) zijn jongste boek, een bundel reisverhalen. Komende zondag levert hij zijn eerste, eigenlijk tweede, Tirade gastblog.

Nieuwsfeit: Daniël Rovers is deze maand onze zondagse gastblogger.

Daniël Rovers is schrijver van de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt en de romans Elf en Walter. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning. Deze week verscheen zijn bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. In Tirade 450 publiceerde Rovers een tirade tegen zichzelf. En in het voorlaatste nummer van Tirade, Tirade 453, publiceerde hij het verhaal The Killing Fields.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De leesclub

De afdeling verkoop van mijn uitgeverij mailde. Er blijkt een stijgend aantal leesclubs in Nederland te opereren.

Omdat zinnen met de woorden ‘lees’ en ‘stijging’ erin in onze taal zelden voorkomen, schonk ik het bericht mijn volle aandacht, iets wat me door de hoeveelheid zakelijke en minder zakelijke mail die dagelijks over mijn laptop giert helaas nog maar zelden lukt. 

Ik ben fan van de afdeling verkoop. Ze is niet alleen mooi om te zien, maar ook heel grappig. Op presentaties en andere borrels probeer ik altijd bij haar in de buurt te staan. Hierin ben ik overigens niet alleen, waardoor het rond Ilona vaak drukker is dan bij de schaal haring en de pakken sap. 

Ilona’s verzoek was (en ik hoop dat ik het goed samenvat) of ik  een aantal vragen kon bedenken over mijn laatste boek, waardoor we zo’n leesclub een beetje tegemoet zouden kunnen komen.  

Nu wil het toeval – waar ik ondanks mezelf steeds minder in begin te geloven – dat ik volgende week ben uitgenodigd door zo’n leesclub. Een klein gezelschap hoger opgeleiden is op dit moment Het laatste kind aan het lezen, en zal mij daar vragen over gaan stellen. 

Dat leek me ook de meest logische gang van zaken: dat men iets leest, er vragen over heeft en die stelt. 

Ik ging eens op internet kijken en trof een Engelse site aan die kennelijk speciaal voor dit doel is ingericht en die er zo professioneel uitziet dat er een aantal grote uitgeverijen achter moet zitten. Ik voerde Midnight’s Children in, en kreeg prompt 20 book club questions. Nummer 2 was: 

“2. To what extent has the legacy of the British Empire, as presented in this novel, contributed to the turbulent character of Indian life?”

Ik probeerde me een leesclub voor te stellen die op dinsdagavonden bijeenkomt in het huis van steeds een ander lid, ergens in Upper Avonstead-Upon-Brindleheathstowe. Zes getrouwde vrouwen wier mannen niet lezen, en twee mannen die nooit getrouwd zijn geweest. Gemiddelde leeftijd: 50. Blanke mensen aan een oudgrenen keukentafel met een blauw-emaillen hanglamp erboven. Theekopjes van fijn porselein naast ellebogen. Een vooroorlogs koekblik gapend in het midden van de kring. Achter een rijtje voormalige kwarkbakjes dat bieslook, krulpeterselie en verdorde basilicum huisvest, schampt een beschaafde regen het venster.  

Moeilijk om de bovenstaande scène anders dan als deprimerend te lezen, en dat terwijl het enige harde bewijs voor inkleuring mijnerzijds het woord ‘verdord’ is. Moeilijk, ook, om mezelf anders dan hautain te vinden in het beschrijven van de leesclub. Toch staat dat nergens. Het contrast tussen de vraag en de club blijkt bij herlezing het zuur te bevatten. 

Ik neem een andere vraag: 

“8. ‘There is no escape from form’ says Saleem (p. 226); and later, he speaks of his own ‘overpowering desire for form’ (p. 317). Set against this is the chaos of Indian life which is described in such detail throughout the book. How is this coherence achieved? What role does mythology play in giving form to events in the novel?””

Brian, de oudste van het gezelschap, bijt een miniem stukje van zijn butter biscuit en legt het koekje terug op zijn vlakke hand, die hij wat onnatuurlijk op schouderhoogte houdt terwijl hij met zijn andere de vragenlijst vlakstrijkt. Omdat Brian schoolmeester geweest is, leest hij meestal de vragen voor. Zijn diepe stem galmt in de grotendeels betegelde ruimte: veertig jaar Chesterfields zonder filter die stuk voor stuk hun geld waard waren. Ondanks de verse seringen in hun vaas op de hoek van het aanrecht dringt de geur van oud vocht zich op. Het soort vocht dat via de muren van een oud huis de botten van een oude man in kruipt. Het is waarschijnlijk dat Brian (na Mary’s verloren gevecht tegen haar kanker, op een onbeschaamd mooie lentedag vorig jaar) de leesclub als eerste zal moeten verlaten. Wie zal de vragen voorlezen als hij er niet meer is? 

How is coherence achieved?‘ leest Brian. Op het woord coherence blijft zijn stem even hangen. Iedereen heeft het gehoord. 

 

 

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

De daken van Algiers

Er zijn boeken waarvan je je nog maar weinig meer herinnert dan een scène, een gevoel. Eigenlijk zijn die boeken er heel veel. Van de boeken van Albert Camus is me vaak veel meer bijgebleven, maar De eerste man heeft met boeken van Cesare Pavese als Stilte in augustus en De maan en het vuur  gemeen dat ik me met name de verzengende hitte herinner. Het boek De eerste man gaat over Camus’ Algierse jeugd. Het was het laatste boek dat hij hij schreef, het manuscript werd in de modder gevonden na zijn dodelijke auto-ongeluk. Stap nooit in de auto met een uitgever of redacteur, zoals Camus deed.

De film Les Terrasses of Rooftops van Merzak Allouache is een schitterende film die nu draait op het festival Cinema Arabe in ondermeer Rialto Amsterdam en Rotterdam en dan on tour tot 18 mei.  Het festival wordt bezield door Adel Salem, hij verdient daar lof voor.

De film speelt volledig op dakterrassen in Algiers, en verweeft zo’n vijf verhalen die gemeen hebben dat ze een sterke maatschappijkritische blik tonen. En niet alleen maatschappijkritisch. De film is gestructureerd rond de vijf oproepen tot gebed – de azan – vanuit de minaret, tot een van de vijf gebeden, de fajr, dhuhr, asr, maghrib en isha.

De film beslaat 1 enkele dag in Algiers. De vrome moslims in de film komen er op 1 na niet goed af, want andere dan religieuze impulsen prevaleren in hun handelen en denken. De vrome zakenman laat zijn broer waterboarden om een handtekening los te krijgen die hem aan de erfenis helpt. Als hij dood is de zakenman diep bedroefd. Een jihadjongen houdt bijeenkomsten op zijn dak, maar zijn oom die in een hok is opgesloten moet zijn mond houden, en de Afghaanse broeders zijn ook vooral dienstig waar het de hashhandel aangaat. De schrijnendste episode is die van een band. De zangeres haar dakterras wordt als oefenruimte gebruikt. Een vrouw kijkt altijd mee vanaf een nabijgelegen dak. Zij blijkt verliefd op de zangeres. Nadat zij door haar ongetwijfeld vrome man openbaar mishandeld is durven de vrouwen hun liefde pas aan elkaar te bekennen. Dan stapt de jonge bewonderaarster uit wanhoop van het dak. Het is geen vrolijke film. Maar wat een regisseur die Merzak Allouache! Hij was bij de eerste vertoning aanwezig en werd kort ondervraagd. Een ironische distantie ten beste gevend die natuurlijk pas na het zien van de film meer reliëf kreeg.

De zon staat minder in het teken van een schroeiende herinnering in deze film, maar meer in dat van de Algierse dagdagelijkse realiteit. Een verscheurd land, door geschiedenis, ligging, bevolking, mogelijkheden. Hoe getroebleerd die herinneringen bij Camus door zijn politieke twijfels ook waren. Een festival als dit, dat je echt dichterbij de Noord-Afrikaanse realiteit brengt is vrijwel de enige manier om iets te leren begrijpen van dit land, Algerije.

P.S.  Lees ook dit schitterende stuk van Ronald Bos in Parelduiker over Camus in Algiers.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Vrijdag 9 mei 2014: Tirade presenteert Tirade 454

‘Wie niet voelen wil, die moet maar weer eens horen.’  Ilja Leonard Pfeijffer, Zestiende idylle.

Tirade 454 voorplat Rosa VitalieAanstaande vrijdag, 9 mei 2014, opent in De Nieuwe Liefde (Amsterdam) het Amsterdam Poëzie Festival – een feest dat tot en met aanstaande zondag, 11 mei 2014, doordendert.

Te midden van alle poëzie, muziek, dans en variété viert Tirade de verschijning van haar themanummer vol Nieuwe Liefdespoëzie met voordrachten van de volgende Tirade 454 contribuanten:

Tjitske Jansen

Tsead Bruinja

Vicky Francken

Ingmar Heytze

Francesco Lucarotti

We beginnen om een uur of half tien.

‘Waar?’

‘In de Kleine Zaal van De Nieuwe Liefde.’

Tirade – feest!

Soundtrack: Last Friday Night – Katy Perry.

P.S. Haal je beste moves maar vast uit het vet, want de vrijdagavond wordt afgesloten met een discoshow van Hoi Division, de draaiende dichteressen Lieke Marsman & Ellen Deckwitz.

Vrijheid

‘De honden zullen over je waken.’ Hafid Bouazza, Meriswin (2014;p.188).

Ik was een paar dagen in Holten (Overijssel). Om een beetje te lopen, om een beetje te lezen. En om mijn broer te helpen met hooien (foto). Zaterdagavond belandde ik op de Canadese militaire begraafplaats. Bloeiende azalea’s, bloeiende rododendrons, bloeiende Lelietjes-van- dalen. De stoeltjes (donkerbruin hout, zilveren pootjes) voor dodenherdenking stonden al klaar, in stapels. Ik wandelde, schreed, naar het hoogste punt van de begraafplaats om daar, tussen twee lindenbomen, uit te kijken over honderden uniforme, witte grafstenen. Jonge konijntjes renden achter elkaar aan tussen en langs de graven, een eekhoorn beklom de onzichtbare spiltrap rond een eikenboom. In bos en begraafpark een symfonieorkest van vrije vogelsoorten. Ik had geen behoefte om me bezig te houden met De Tweede Wereldoorlog of om na te denken over het rare, verwarrende verband tussen vrijheid en geweld. Ik at een zuurtje, een Napoleon, en begon langs de grafstenen te lopen. H.H. Anderson – Age 24. He died that we might live. De vaders en moeders, de geliefden, die om deze jongens hebben gerouwd zullen al decaden dood zijn, maar ieder ingebeiteld gedenkregeltje had de impact van een roman. Na vijf, zes stenen moest ik het lezen opgeven. Toch was het – hand in eigen boezem – een tikje schijnheilig om zo hevig aangegrepen te worden terwijl ik zelf rondliep met een dikke, vette gun in m’n schouderholster en nota bene diezelfde middag in Snackbar Harry nog een –

‘Volgende item, volgende item!’

Zondag dropte ik m’n zoon bij zijn moeder en racete plankgas door naar Amsterdam waar tientallen sympathieke mensen zich hadden verzameld in ruimte 28 van het Lloyd Hotel – Oostelijke Handelskade 34 – omdat mijn goede vriend en Tirade-contribuant Daniël Rovers er zijn boek met (anti)reisverhalen presenteerde.

In de hoge ruimte met visgraatparket, houten lambrisering en comfortabele stoelen met Wes Anderson-gele bekleding op zitting en rugleuning, luisterden we bij daglicht naar de reisavonturen van – in volgorde van voorlezen – Anton Valens, Jannie Regnerus, Franca Treur en Daniël Rovers.

Als je denkt dat ik Daniëls nieuwe boek, De zon is het probleem niet, vannacht meteen heb gelezen, dan onder/overschat je me. Wel las ik het verslag van zijn reis naar het bootvluchtelingeneiland Lampedusa dat onlangs als zelfstandig boekje werd uitgegeven en als Paasgeschenk werd gedistribueerd onder de 2.000 meest invloedrijke denkers van Nederland.

Wat me frappeerde in Lampedusa is het motief van de (herders)hond.* Een citaat:

‘Op station Rocca Palumba wankelt een oude pezige man stomdronken de trein uit, hij schuifelt naar de rand van een brede bloembak, gaat daar zitten, lokt met een handgebaar een herdershond die op de tegels ligt, aait het beest een paar keer en geeft het dan een stevige tik op zijn kop, waarop de hond heel dociel plat op de grond gaat liggen. De man kijkt voor zich uit, verbaasd over het leven dat maar niet wil ophouden.’ (p.28).

Later, aan het strand van Porto Empedocle (p.35), ziet Rovers hoe twee trimmers hun zoekgeraakte en weer hervonden hond als beloning niet aanhalen, maar schoppen; weer dertig pagina’s verder beschrijft hij (Rovers) hoe een televisiejournalist, genaamd Rosario, zich over twee jonge herdershonden ontfermt.

Wanneer Rovers honden met een dierenasiel in verband brengt, weet je zeker dat (herders)honden voor hem – in Lampedusa althans – een brug vormen tussen geprivilegieerde westerlingen en de vluchtelingen die naar Europa (Lampedusa) komen. Het lieve, gevaarlijke, harige dier verenigt de kwetsbaarheid/geslagenheid van de vluchteling en de macht/repressieve kracht van het westen.

Op pagina 75 van Lampedusa komen we nog een ‘vadsige herdershond’ tegen en op pagina 80 wordt de relatie tussen Asielzoekers-Honden-Vrije westen definitief bekrachtigd als Rovers – in afwachting van een boot of tien met in totaal tweeduizend vluchtelingen aan boord – op het dak van zijn hotel staat:

‘Er hangt een sluier voor de maan en er is geen enkele beweging op straat te bespeuren. Hondengeblaf, mogelijk uit de richting van het opvangkamp.’

Rovers-De-zon-is-het-probleem-nietOf in Rovers’ andere reisverhalen net zoveel honden voorkomen en of ze net zo’n pregnante rol spelen als in Lampedusa kan ik je nog niet vertellen. Maar ga dat vooral zelf uitzoeken: Daniel Rovers, De zon is het probleem niet, Uitgeverij Wereldbibliotheek (2014).

Tirade – overal thuis.

Soundtrack: Travel the World and the Seven Sea’s/Everybody is looking for something. Eurythmix.

Volgende week: naar de film! En meer.

Noot

*Internationaal keurmeesteres A. Gondrexon-Ives Browne noemt, in de Tirion Hondengids, de aard van de Duitse Herdershond: ‘Intelligent, moedig, opmerkzaam, waakzaam, trouw; zo nodig scherp en vechtlustig.’  Scherp en vechtlustig. Zo nodig.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Kevin Headley"
    Kevin Headley

    Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

  • "Foto van Milo van Bokkum"
    Milo van Bokkum

    Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)