Orgastisch Ja

Europa = de grenzeloze, voorverpakte onbenulligheid van het Eurovisiesong-festival, terwijl aan de zuidgrenzen van het Schengengebied dagelijks boten met Syrische vluchtelingen aankomen, als ze het geluk hebben gehad niet te zijn verdronken.

Maar is het niet juist die onbenulligheid, of beter gezegd de mogelijkheid zich aan onbenulligheid over te geven, die de bestemming heeft bepaald?

Neem een kijkje in een willekeurig stadje of dorp in Nederland, en je weet al de uitslag van de komende Europese verkiezingen: de SP heeft op alle straathoeken guerrillareclameborden neergezet met een even duidelijk als cartoonesk NEE. D66 heeft op de officiële aanplakborden keurig haar orgastisch JA geafficheerd; En dan staat er nog in een enkel weiland de lusteloze boodschap: Stem CDA.

Naar verluidt zijn de grote landelijke partijen pas laat de verkiezingscampagne gestart, omdat ze vooral geen mensen op het idee wilden brengen te gaan stemmen; dat zou vast een tegenstem opleveren.

De Speld heeft een eigen Stemwijzer uitgebracht, maar de werkelijke Stemwijzer is geestiger.

Stel je een vent voor met een kotshekel aan Chinees eten, en die toch een complete vragenlijst krijgt voorgelegd waarbij hij moet kiezen welke van de Chinese gerechten op de kaart hij het lekkerste vindt en hoe ze volgens hem het beste kunnen worden klaargemaakt. Dat is zo’n beetje wat de PVV moet doormaken met deze Stemwijzer. Het getergde antwoord op de vraag of de EU zich sterk moet maken voor de invoering van een minimumloon: ‘Het enige waar de EU zich sterk voor moet maken is haar eigen opheffing.’

De PVV is een toonbeeld van eloquentie vergeleken met de bondige, zo niet botte antwoorden die de VVD op de vragen geeft, soms beperkt tot ‘Eens’ en ‘Oneens’. De afweging is ook simpel: als  het om maatregelen gaat die de macht van multinationals beperken (gelijke vennootschapsbelasting in Europa, een heffing op financiële transacties om ongewilde speculatie tegen te gaan), dan wil de VVD niet dat ‘Brussel’ daarover beslist. Als het echter gaat om de mogelijkheid dat lidstaten los van Brussel bepalen of mensen zonder papieren een generaal pardon krijgen, dan is juist een eenvormig verbod gewenst. ‘Brussel’ wordt in dat geval niet genoemd.

Brussel is fout, Nederland is goed. Een land waarvan de macht structureel overschat wordt.

Dan D66. Op de vraag ‘Moet er een minimumloon in Europa worden doorgevoerd, waarvan de hoogte per land wordt vastgesteld?’, antwoordt D66 uitgebreid. De partij is tegen, ‘vanwege de verschillende economische omstandigheden per land’. Maar met dat verschil wordt toch rekening gehouden in de vraag, de hoogte zou immers per land verschillend zijn. Vervolgens het minimumtarief voor vennootschapsbelasting. D66 is opnieuw tegen en zegt liever belastingparadijzen aan te pakken. Maar dat was dus de vraag niet, V66.

De analyse dat Europa – met talloze miljarden redde het de bankensector van de zelfgeschapen implosie en organiseerde ondertussen een steeds scherpere concurrentie aan de onderkant van de arbeidsmarkt – steeds meer gezien wordt als een anonieme macht die niet langer voor welvaart zorgt, maar juist de welvaartstaat ondermijnt, lijkt me in alle opzichten redelijk.

Je gaat stemmen in de hoop dat daar verandering in komt.

Frank Keizer dichtte in de laatste nY:

 

Schrijven, heel simpel

gezegd, is het overbrengen

van informatie, schriftelijk

doorgaans, en dan bedoel ik niet het voorverpakte

product, maar het gestommel

van lichamen die zich de taal in denken

zodat ze het leven

anders gaan leven;

 

Frank Keizer, wat is jouw stemadvies?

 

 —————

Rovers-De-zon-is-het-probleem-nietDaniël Rovers (1975) is schrijver van de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt en de romans Elf en Walter. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning. Deze maand verscheen zijn bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. In Tirade 450 publiceerde Rovers een tirade tegen zichzelf. En in het voorlaatste nummer van Tirade, Tirade 453, publiceerde hij het verhaal The Killing Fields.

 

In de Oorshop

Pegasus

Vrijdag poëziedag. Hieronder zes regels uit Peter Verstegens nieuwe Venus & Adonis vertaling. Het paard van Adonis is verliefd, of hoe noem je dat bij dieren, op een merrie. Hij breekt los voor haar, waarna Shakespeare dicht/Verstegen vertaalt:

Soms draaft hij weg en blijft van ver staan staren,

Soms schrikt hij van een warrelend veertje, maar

Hij tart de wind zijn vaart te evenaren,

Hij galoppeert, hij vliegt, je weet niet waar;

De wind zingt door zijn manen en zijn staart.

Die donzen vleugels geven aan dit paard.

 

Even later verdwijnen merrie en hengst, zo snel als een vlucht kraaien, naar een bosrand.

William Shakespeare, Venus en Adonis (1593), Van Oorschot (2014).

Voor heel veel hedendaagse liefdespoëzie: zie Tirade 454.

 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

The La Superba Chronicles

Ik had nog nooit iets van Ilja Pfeijffer gelezen voordat we in het laatste nummer van Tirade een gedicht van hem opnamen.

Hoewel Tirade 454 barstensvol juweeltjes zit, zal Pfeijffers Zestiende idylle me het meest bijblijven. Het zette me ertoe aan La Superba te kopen, en dat terwijl ik de kinderachtige neiging heb nooit iets te willen lezen wat de rest van Nederland ook mee op vakantie neemt. 

Het lijkt me niet nodig het boek hier te bespreken. Laat ik zeggen dat ik ervan genoten heb, en zowel sterke identificatie met, als afkeer van de hoofdpersoon heb gevoeld. La Superba doet wat een boek  – of eigenlijk alle tekst – volgens mij moet doen: de lezer meeslepen. Het maakt niet uit of de wereld waar ik heengesleurd word een mooie of lelijke is, of ik me erin thuisvoel of hem afstotelijk vind, als ik er maar volledig in verdwijnen kan. 

Ik stel een nieuwe schaal voor waarop fictie gemeten kan worden. Laten we het de vijfde smaak in de literatuur noemen, vergelijkbaar met wat in culinair Japan Umami heet. Ervan uitgaande dat boeken op een aantal schalen (stijl, verhaal, personage, originaliteit, beelden, etc.) beoordeeld kunnen worden, wil ik dat de ‘dwingendheid’ – Lumami? Ik sta open voor suggesties – van fictie de plek in dat rijtje krijgt die hij verdient.

images-2

Maar is die dwingendheid niet gewoon het gevolg van een goede score op een aantal van de al bestaande schalen?  

Dat denk ik niet. De boeken van Anne Rice scoren namelijk heel hoog op mijn Lumami-schaal, terwijl niemand zal roepen dat ze zo vreselijk literair zijn. Haar werk is op elk vliegveld te koop en een heel probaat middel tegen vliegangst, kan ik uit ervaring melden. Als je met woorden voor elkaar krijgt dat ik bij het opstijgen onder zware turbulentie nauwelijks aan een gruwelijke dood denk, is je tekst behoorlijk dwingend. 

Ik hoop dat juist de kloof tussen de oeuvres van Pfeijffer en Rice duidelijk maakt hoe groot het bestaansrecht van de Lumamischaal is. 

Wat u?

 

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Het Brazilië van Darius Milhaud

Darius Milhaud

Louis van Gaal heeft laten weten wie waarschijnlijk meevoetballen in Brazilië. Ik behoor tot de minderheid van mensen die in deze zin alleen blijft hangen aan het woord ‘Brazilië’. Daar ben ik niet trots op, maar ik heb het gewoon niet geleerd. Voetballen wel, dat deed ik als kind graag, maar als andere vaders naar Studio Sport keken, las mijn vader de krant. Ik heb het niet geleerd te houden van kijken naar voetbal. Maar Brazilië! Recentelijk leerde ik twee componisten kennen die zich tot dat land verhouden. De bekendere Heitor Villa-Lobos die en fascinerende link maakt tussen echt Europese en echt Latijns-Amerikaanse muziek in zijn  Bachianas Brasileiras, op Bach geïnspireerde composities die een gevoel van Bach geven, maar gelatiniseerd, geëmotioneerd zou je kunnen zeggen. Dit is de bekendste. (Met Kiri Te Kanawa)

Recenter vond ik een ander voorbeeld van creolisering, vermenging van muziekstijlen, bij Darius Milhaud, dat is een bijzondere figuur!  Milhaud reisde veel en bezocht in 1917/18 Brazilië en schreef later de  Saudades do Brasil (1920), Op. 67, een compositie van twaalf dansen voor piano die een tango of sambaritme hebben en geïnspireerd zijn op en genoemd naar evenzoveel buurten van Rio de Janeiro. Deze opname van 1928 in een bewerking voor viool en piano is mooi en krakerig. (Francis Koene op viool.)

Die Darius Milhaud, van Joodse komaf, emigreerde in 1940 naar Amerika en gaf les, ook aan grootheden in een ander genre als Dave Brubeck, die zijn zoon later Darius noemde en Burt Bacharach. Milhaud vertelde Bacharach eens, ‘Don’t be afraid of writing something people can remember and whistle. Don’t ever feel discomfited by a melody.´

Ik luister nu chronologisch naar alles wat ik van Milhaud kan vinden, hij is een componist bij wie ik me zeer goed voel, een mix van begrip en onbegrip die noodzakelijk is voor het echt luisteren naar muziek. Dan over Brazilië. Ik wil er zo graag heen… Om te zien of er iets te herkennen is van wat deze zes  favoriete boeken tonen: Autran Dourado Opera der doden, August Willemsen Braziliaanse brieven (een van de meeslependste brievenboeken ooit), Dalton Trevisan, geweldige korte verhalen)  João Guimarães Rosa, Diepe Wildernis, de wegen – een echt meesterwerk en Joaquim Maria Machado de Assis De postume herinneringen van Brás Cubas, of de gedichten van Carlos Drummond D’Andrade.

Maar niet deze zomer.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

‘Ik had helemaal schijtgenoeg van het toneelstukje’ – tepelstickers

‘Mijn vriend Ilja Leonardo is dichter,’ zei Monia.

‘Wat dicht hij dan zoal?’ vroeg de vrouw des huizes.

‘Gedichten,’ zei Monia.

Het hoofdgerecht was konijn op Ligurische wijze, met aardappels en olijven. Er werd een exclusieve rode wijn bij geserveerd. En ik had helemaal schijtgenoeg van het toneelstukje. Tegen alle regels van de etiquette in pakte ik de fles van tafel om mijzelf bij te schenken. Dat betekende dat ik nooit meer zou worden uitgenodigd, maar des te beter. Het had echter een averechts effect. Ze vonden dat onbeschofte gedrag leuk van mij. Ik was waarschijnlijk de eerste in vijf eeuwen die het had aangedurfd om in hun huis de ijzeren wetten der wellevendheid te schenden. Ik was een dichter, nietwaar? Dat had ik met deze bruuske daad maar mooi bewezen. Lachend zetten ze zes flessen op tafel. Monia leek daarover nog meer verheugd dan ik.

Ilja Leonard Pfeijffer, La superba (2013; p.185/186).

Morgenavond wordt in het Amstel Hotel (Amsterdam) een literatuurprijs van een grote boekhandelsketen uitgereikt. Ilja Leonard Pfeijffer is één van de genomineerden. Hoewel prijzen me onverschillig laten, kan ik niet ontkennen dat ik het jammer vind dat zich onder de genomineerden slechts één auteur van een zelfstandige uitgeverij bevindt, namelijk Tom Lanoye (Gelukkige slaven).

God, literaire prijzen… ze verschaffen uitgeverijen een autoriteitsargument waarmee verstandelijk beperkte lezers wellicht kunnen worden overgehaald een boek alsnog te kopen. Daarmee hebben prijzen een sociaal-culturele en, vooral, een economische functie. Prima. Maar vanuit het soevereine gezichtspunt van de Literatuur, vanuit het gezichtspunt van de Kunstenaar horen prijzen, instituten en vooral jury’s tot het terrein van de kitsch… Poshlost dient te worden bestreden, geprovoceerd, bespot en weggehoond… Vergadersukkels! Representatieve pakdragers! Castraten! Hahaha… boehoe!

Afijn… we zullen zien of er morgen een auteur opstaat – letterlijk – die het lef heeft De Grote Boekhandelsketenprijs 2014 te weigeren… Flikker toch op met je wisselgeld… vijftigduizend euro… dat verdient een hartchirurg per maand… Net als juryvoorzitter, presentator en muziekliefhebber Paul Witteman trouwens… Ik geloof ook dat –

‘Hé, schrijver… vertel es een verhaal!’

Tepelstickers

Met twee of drie anderen rent Sarah over het grauwe perron naar de enige coupé met openstaande deuren… Ze probeert oogcontact te maken met de conducteur, maar die is veel te druk met zijn fluitje. Het is vol op het balkon… gelukkig maken de anderen ruimte voor haar… De prullenbakken lopen over… Komt doordat de schoonmakers nog steeds staken, lekker. Het fluitsignaal.

Als de trein zich in beweging zet, kan Sarah ontspannen. Het zweet staat op haar rug en op haar voorhoofd. Daglicht! Het IJ, kantoren, het Muziekgebouw, huizen.

Overal staan, zitten, hangen andere reizigers. Sarah haalt haar telefoon tevoorschijn. Geen dringende berichten. De band van haar grote werktas drukt op haar schouder, maar ze heeft geen zin om haar tas op de smerige vloer te zetten. Ze zoekt in het grote bergvak van haar tas naar de filmrecensie die ze op kantoor heeft uitgeprint. Ton past vanavond op de kinderen, zodat zij met Rosanne naar een film over het leven van Yves Saint Laurent kan. Rosanne heeft de film uitgezocht. Op vrijdag gaan ze vaak winkelen samen. En lunchen.

Op Amsterdam-Amstel stapt een jonge jongen in met een vrolijk gezicht. Krullen, donkerblauw pak. Hij blijkt een bekende van twee meisjes die achter elkaar op de trap naar de eerste klas zitten. Jongen en meisjes kennen elkaar van hun studie. De jongen werkt nu bij een communicatiebureau waar hij het enorm naar zijn zin heeft. ‘En jullie dan?’ De meisjes vertellen dat ze stage lopen bij een bedrijf dat feestkleding ontwerpt. ‘Oké,’ zegt de jongen.

‘Ja, maar iedereen zit beneden in mooie werkruimtes, alleen wij zitten weggestopt in een soort glazen hok met een dak van golfplaat.’

‘Als twee huisdieren,’ zegt het tweede meisje. Ze heeft een Brabants accent.

De twee vertellen wat het bedrijf allemaal ontwerpt en produceert: clownspakken, laarzen, pruiken, glitterjurken, boerenkiels, verpleegsters-uniforms, piccolojasjes, cowboypakken.

‘Ontwerpen jullie dat ook allemaal?’ vraagt de jongen. Hij lijkt onder de indruk.

‘Mmm… nou… Wij doen meer de kleine dingen,’ zegt de Brabantse.

‘Ja’ zegt haar vriendin. ‘Op het moment ontwerpen we tepelstickers.’

Sarah kijkt op van haar uitdraai en ziet hoe tien, twaalf mannenhoofden zich in de richting van de meisjes hebben gedraaid. Het is niet moeilijk om te raden tegen welke visioenen al die gistende kantoorkoppen nu vechten… Stond ze hier met Rosanne dan hadden ze, net als vroeger, meteen de slappe lach gekregen. De rest van de reis kijkt Sarah tussen de schouders van twee andere forsensen door naar het langsflitsende groen. Het balkon stinkt naar zweet en testosteron.

Op Utrecht Centraal gaan de pneumatische deuren steunend open; het geluid van stoom dat via een ventiel aan een ketel ontsnapt. Sarah stapt als één van de eersten het perron op – een veulen dat vanuit een donkere stal de wei in loopt.

Tirade – licht, lucht, ruimte.

Soundtrack: Kedeng, kedeng – Guus Meeuwis.

Volgende week: Yves Saint Laurent – en meer.

Metafysische haaien

Het bierviltje met het citaat van Arnon Grunberg lag al in de doos met oud papier. Uit een Voetnoot van eind april: ‘Misschien is vrijwel alles fictie, maar op de fictionalisering van de wereld heeft de literatuur vooralsnog geen overtuigend antwoord geformuleerd.’ Dat is onjuist. Literatuur – Don Quichot, Madame Bovary, het Amerikaanse postmodernisme – heeft sinds het ontstaan van de roman fictionalisering als onderwerp gehad.

Het is de journalistiek die koortsachtig op zoek is naar een antwoord. Mark Danner maakt in The New York Review of Books een reeks over de twee grootste fictieschrijvers van de eenentwintigste eeuw: Donald ‘Unknown Unknowns’ Rumsfeld en Dick ‘The Dark Side’ Cheney. Beiden kunnen buigen op ruime ervaring bij de overheid en het bedrijfsleven.

Cheney is de man die vijf dagen na 11 september 2001 stelde dat Amerika voortaan in het strikte geheim, zonder overleg, zijn vijanden moest bevechten: ‘We also have to work, though, sort of the dark side, if you will.’ Hij zou datzelfde jaar de één-procent-doctrine formuleren: als er één procent kans is dat een Pakistaan Al-Qaeda aan een kernbom helpt, moest de VS dat in zijn reactie als zekerheid beschouwen.

Hij was een grote aanjager van het spionageprogramma Stellar Wind, dat in een latere versie Prism heette en pas vorig jaar door de klokkenluider Edward Snowden werd onthuld. Cheney stond aan de basis van het grootschalig inzetten van drones om terrorismeverdachten in het buitenland te liquideren – een beleid dat door Obama versterkt is voortgezet.

Cheney is een bikkelharde dogmaticus, Rumsfeld een hyperintelligente dogmatische opportunist. Rumsfeld bezit de vaardigheid zijn nietsontziende machtswil te verbergen achter een masker van goedmoedige, boerse onverstoorbaarheid. Een groot stilist ook, die beschikt over een arsenaal aan zelfverzonnen spreekwoorden: ‘People were chasing the wrong rabbit’ – hij bedoelde de terreurbestrijding voor 11 september – en sofistische schema’s: zijn befaamde ‘unknown unknowns, waarmee hij de volstrekte onvoorzienbaarheid van de aanslagen op 11 september bedoelde.

Danner laat zien dat Rumsfeld steeds de eigen stal kundig leegschraapt. Er waren wel degelijk aanwijzingen voor een op handen zijnde aanslag – er werden verdachte studenten bij een vliegschool gemeld; dezelfde studenten die twee vliegtuigen in het World Trade Center zouden laten crashen.

Berucht is de schriftelijke aanvulling die Rumsfeld op 2 december 2002 gaf op een Memorandum waarin zijn toestemming werd gevraagd voor een aantal gespecificeerde ondervragingstechnieken: het verwijderen van kleren, gevangenen een kap opdoen bij transport, ze blootstellen aan persoonlijke fobieën, zoals angst voor honden, ondervragers die zich voordoen als sadistische buitenlanders, blootstelling van verdachten aan pijnlijke omstandigheden, zoals verplicht staan met een maximum van vier uur. Rumsfeld leest de lijst door en voegt er de volgende regel aan toe: ‘I stand for 8-10 hours a day. Why is standing limited to 4 hours a day?’ Het had een uitspraak van Rodney P. Tine in Infinite Jest kunnen zijn.

Danner bespreekt een documentaire waarin Rumsfeld geconfronteerd wordt met deze ene zin. Hij stelt zonder verpinken vast dat hij nu eenmaal indertijd meerdere uren per dag staand achter zijn bureau werkte en dat hij toch niet schuldig kan zijn aan het misbruik dat van zijn woorden werd gemaakt?

Hier ligt de essentie van het kwaad, daar waar het demonisch wordt: liegen en er op het zelfde moment echt in gaan geloven omdat jij het bent die het zegt. Een fictie scheppen en die willen behouden ten koste van elk bewijs van het tegendeel. Rumsfeld wil waar hebben dat er in Irak geen opstand is uitgebroken, dat de troepen snel naar huis kunnen, dat er maar één man met een vaas uit een museum is komen lopen en dat van plundering geen sprake is.

Rumsfeld is geen leugenaar maar iemand die zelf de waarheid wil bepalen – hij verkondigt die net zolang totdat hij zwart op wit op een tegenspraak kan worden betrapt. Dan gaat hij overstag alsof hij nooit iets anders heeft gezegd.

A man using language to obscure the world from himself as well as from others’ – zo is over hem gezegd. Anders gesteld: zijn uitspraken hoeven niet te voldoen aan de werkelijkheid zolang de werkelijkheid voldoet aan zijn uitspraken. Hij was een eind op weg, maar liep stuk in Irak.

De conservatie spindoctor Karl Rove heeft naar verluidt beweerd dat wie een wereldrijk runt niet langer met de realiteit rekening hoeft te houden: ‘We’re an empire now, and when we act, we create our own reality… We’re history’s actors… and you, all of you, will be left to just study what we do.’       

Heeft Rove geen gelijk gekregen – is dat niet wat we doen, bestuderen hoe een groep neoconservatieven met politieke steun van de Nederlandse regering in Irak de werkelijkheid naar haar hand probeerde te zetten – dat wat ‘de kennis van nu’ is gaan heten?

Als voetnoot bij de verdere studie van fictie dit citaat uit Roberto Bolaño’s vorig jaar vertaalde Nazi-literatuur in de Amerika’s: ‘Ik leef tussen piranha’s, schreef hij, maar don Rubem Fonseca leeft in een aquarium met metafysische haaien.’

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Inez van de Ven"
    Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.