Lost in the Funhouse – over Baas & Barth

1)  Maxim Februari houdt aanstaande vrijdag de Rudy Kousbroeklezing in De Rode Hoed in Amsterdam. Ja, natuurlijk ben ik daarbij. Kaarten: hier.

2)  Zondagavond. Ik zit nog in Milaan. En deze regels tik ik niet zelf, ik dicteer ze aan mijn goede vriend en tolk Francesco Lucarotti. Gisteren was ik bij de preview van Maarten Baas’ BAAS IS IN TOWN en daar heb ik zo verschrikkelijk hard gelachen dat er tengevolge van bloedstuwingen in mijn hals, nek en schouders een paar zenuwen bekneld zijn geraakt – daardoor ben ik op slag ‘lachblind’ geworden. Nee, ik kende de term ook niet. Maar nu dus wel. Zicht verloren, wel je woordenschat vocabulaire verrijkt – geluk bij een ongeluk! Volgens de doktoren krijg ik over een dag of drie vanzelf mijn zicht weer terug. Nou we zullen zien (woordspeling!).

‘Hahaha, schitterend!’

‘Maak het nou niet erger voor die arme jongen.’

3)  ‘Taal is een gevaarlijk medium,’ schreef Maxim Februari vorige week in Prins der duisternis (column, NRC 31/03/2014). Want: ‘Meestal schep je met je woorden een nieuwe werkelijkheid.’

4)  Die blindheid is verder geen probleem. Het is schitterend weer hier – hier in Milaan bedoel ik – dus ik heb mijn zonnebril toch al de hele dag op. Heb me wel verveeld vanmorgen. Maarten en zijn crew zijn de hele dag druk met cameraploegen en journalisten en in mijn situatie is het sowieso niet handig om met die jongens te gaan keten – dat wordt weer zo keihard lachen dat ik straks de rest van de maand ook nog in het fokking donker zit.

 5)  In 2013 was ik een paar weken in de ban van een essay van Maxim Februari, Het regentonrumoer. Ik citeer eruit in de jongste Tirade, in een tekst over David Foster Wallace’ Infinite Jest.

6)  Een paar maandagen terug – op 17 maart jongstleden – beloofde ik hier een blogpost over Maarten Baas’ nieuwe ‘show’ in Milaan. Dat is dit stukje. Voor een overzicht van wat hij doet/toont: kijk hier. Hier lees je blogs over de opbouw van zijn tentoonstelling.

7)  John Barth was één van de grote voor- én tegenbeelden van David Foster Wallace. Barths kortverhaal Lost in the Funhouse – uit de gelijknamige bundel, die door sommigen Laat-Modernistisch en door anderen Postmodern wordt genoemd, MAAR DAT TERZIJDE – gaat over een gezin (vader, moeder, oom, twee jongens, en een vriendin van de oudste jongen) dat een dagje naar een funhouse gaat. De vertelling reflecteert (hoe toepasselijk in een spiegelpaleis) op entertainment, op het verschil tussen taal/wereld en werkelijkheid/kunst – en levert geestige en/want intelligente kritiek op schrijfschoolproza, commercial fiction en hap-slik-weg-literatuur. Het verhaal is een impliciet pleidooi voor oorspronkelijkheid, al is dat dan meteen weer een problematische term omdat solipsisme ook een  – 

‘De tekst plaatst dus kritische vraagtekens bij well made plays?’

‘Zeker.’

‘Het is metafictie?’

‘Het is metafictie. Maar goede metafictie is in de eerste plaats ook gewoon fictie natuurlijk.’

8)  Door mijn lachblindheid heb ik alleen BAAS IS IN TOWN kunnen zien. Vanmiddag ben ik, met m’n zonnebril op, aan de arm van Lucarotti, door wat zalen van andere ontwerpers gedwaald. Lak, verf, chemisch gereinigde bekleding – in iedere ruimte rook het anders. Iedere vloer gaf een ander voetgevoel. Francesco probeerde steeds te beschrijven wat mijn ogen misten. Omdat ik geen woord Italiaans spreek, is Francesco vanuit Rome hiernaartoe gekomen om voor me te tolken. Op de scooter die hij heeft gehuurd, zwieren we van locatie naar locatie. Nu ik niet kan zien, valt me opeens op hoe lekker Francesco eigenlijk ruikt en wat een innemende stem hij heeft. Schrale compensatie voor wat mijn ogen hier allemaal moeten missen.

9)  Lijd jij niet aan tijdelijke lachblindheid – en als jij deze woorden kunt lezen, dan acht ik de kans daarop GROOT – vergeet vanavond dan niet naar Maartens Moestuin te kijken. Bij de VPRO. Om 19.20 uur, Nederland 2.

10)  Heb ik al gezegd dat het nu zondagavond is? Ik kan het zelf niet teruglezen. Ja? Oké. Ik zit aan een tafeltje. Het is donker. Hoewel: ik voel me als licht dat opgaat in het licht. Door die lachblindheid ben ik totaal gedematerialiseerd… of gedecarneerd… Blind tijdens de Salone Internazionale del Mobile– na de filmfestivals in Cannes en Berlijn misschien wel het belangrijkste visuele spektakel van Europa. Hoe ironisch, hoe grappig als je er wat langer over nadenkt.

Zo, nu eerst m’n espresso… waar is Francesco eigenlijk?  Ik leun naar voren, ik reik… veeg per ongeluk een suikerstrooier van tafel… met een bons raakt hij de grond… als ik het ding van de planken vloer wil rapen, knal ik zo keihard met m’n voorhoofd tegen de tafel dat er ergens een draaiorgel aanslaat dat kerstliedjes begint te spelen. Uiteindelijk vindt mijn hand het espressokopje. Ik sla het slokje achterover, zucht. Terwijl ik iets onderuit ga zitten op mijn houten stoel, lees ik mijzelf – in stilte, uit het hoofd, want ik ben wel blind, maar ik mankeer niks aan m’n hersenen – Lost in the Funhouse voor. Dit is de mijmering van de dertienjarige protagonist aan het slot van LITF:

He envisions a truly astonishing funhouse, incredibly complex yet utterly controlled from a great central switchboard like the console of a pipe organ. Nobody had enough imagination. He could design such a place himself, wiring and all, and he’s only thirteen years old. He would be its operator: panel lights would show what was up in every cranny of its cunning of its multifarious vastness; a switch-flick would ease this fellow’s way, complicate that’s, to balance things out; if anyone seemed lost or frightened, all the operator had to do was.

      He wishes he had never entered the funhouse. But he has. Then he wishes he were dead. But he’s not. Therefore he will construct funhouses for others and be their secret operator – though he would rather be among the lovers for whom funhouses are designed.’ *

‘Wat betekent multifarious?’

‘Dat zijn de harde stukjes karamel die bij de productie van stroopwafels soms tussen de – ’

‘Effe serieus.’

‘Veelsoortig, uiteenlopend, verscheiden.’

‘Hahaha, sure!’

‘?’

‘Rare druif!’

TiradeThat’s entertainment!

Soundtrack: Bach, Gould.

Volgende week: Maxim Februari’s Rudy Kousbroeklezing. En meer.

Noot

*Lost in the Funhouse (1963;p.97). In mijn ogen (sorry) is de tegenstelling maker/gebruiker (schrijver, lezer) een retorische.  Maar dat is minder relevant. 

In de Oorshop

Waarom AM houdt van Daniel Kehlmann

Van de week begon ik argeloos aan Het meten van de wereld (Die Vermessung der Welt) van Daniel Kehlmann. En werd totaal overvallen door onbedaarlijk lachen. Ook om F, een andere roman van Kehlmann, had ik geglimlacht. Maar zo hard? Zo hardop? Zo luidkeels dat mensen in de stiltecoupé opkeken en hun hoofd schuin hielden om de titel van mijn boek te ontwaren? Nee dat niet.

Kehlmanns Meten van de wereld handelt over de grote negentiende-eeuwse wetenschappers Carl Friedrich Gauss en Alexander von Humboldt. Niet bepaald een thema dat humoristische verwachtingen wekt. Maar Kehlmanns inleving in deze genieën van het verleden is onverwacht meeslepend en spitsvondig.

De overijverige Humboldt raast met zijn meetapparatuur de wereld over (hij had de kleur van de hemel, de temperatuur van de bliksems, en het gewicht van de nachtelijke rijp gemeten, hij had vogelstront geproefd, de aardschokken onderzocht en was in de grotten der doden afgedaald). Als dingen schrik aanjagen, is het goed ze te meten, is zijn devies. Gauss meet de wereld vanuit zijn studeerkamer in Duitsland.

De flamboyante von Humboldt en de teruggetrokken Gauss ontmoeten elkaar als grijsaards in Berlijn:

Eindelijk klapte de deur open en Gauss stapte voorzichtig op het plaveisel. Hij deinsde achteruit toen Humboldt hem bij zijn schouders pakte en riep welk een eer het was, wat een groots moment voor Duitsland, de wetenschap en hemzelf.

De secretaris noteerde, de man achter het houten kistje siste: nu!

Humboldt verstarde. Dat was de heer Daguerre, fluisterde hij zonder zijn lippen te bewegen. Een beschermeling van hem die aan een apparaat werkte dat het moment op een lichtgevoelige zilverjodidelaag zou vastleggen en aan de vliedende tijd ontrukken. Alstublieft in geen geval bewegen!

Gauss zei dat hij naar huis wou.

Het is maar één moment, fluisterde Humboldt, ongeveer vijftien minuten, ze hadden werkelijk grote vorderingen gemaakt.

Ach en wee, de geruststellende kracht van humor. Die vind ik weldadiger dan een warm bad. Het eerste schilderij dat ik ooit kocht was een portret van een kat dat op mijn lachspieren werkte. Het lijkt niet echt een kat, maar eerder een soort mens. Er komen snorharen uit zijn oren, er zit een mensensnor onder zijn niet zo katachtige snuit. Nieuwe vrienden en geliefden plant ik aan mijn eettafel en dan wacht ik geduldig tot hun blik naar de kat afdwaalt. Wie lacht is goed volk, wie fronst, die. Tja, die heeft in elk geval de schijn tegen.

Want wie mij aan het lachen maakt. Hardop. Of god forbid tot tranen toe. Die kan rekenen op mijn eeuwige liefde en ontzag. De boeken die het meeste indruk op mij maakten, zijn die waar ik het hardst om heb gelachen. Kaas, Everything is Illuminated, Freedom, om er een paar te noemen. De hemelse combinatie van een meeslepend verhaal met humor, is er een die ik verslind met huid en haar. Zulke schrijvers kunnen niet ander dan wijs zijn. Zulke schrijvers vertrouw ik wereldmacht toe. Want had iedereen gevoel voor humor, dan was er natuurlijk geen oorlog, geen haat. Dan maakte niemand kernwapens, vloog niemand het WTC in, of de Krim binnen. En daarom vraag ik me wel eens af: willen we méér of minder mensen zonder humor?

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Amsterdam, 5 april 2014

Optie 8Lieve Arjen,

Geweldig om te lezen dat je helemaal je draai gevonden hebt, in Austin. Ik had niet anders verwacht. Een goed idee ook, om je te laten tatoeëren, al weet ik niet of Gorbatsjovs gezicht, ballonnig als het was, de beste keus is voor op een tanige rug als de jouwe.

Hoewel wij aan deze kant van de oceaan niet de meest communistische associaties hebben bij de brenger van de perestrojka, zullen je nieuwe vrienden bij de rodeo misschien wat bijscholing behoeven. Gelukkig kun je heel hard rennen, en zul je inmiddels ook wel vlot zijn geworden te paard. Jou kennende ben je bij de andere cowboys inmiddels zo geliefd dat ze zelfs je halfdoorzichtigheid door de vingers zien*. 

Terwijl in de stallen achter de arena de bronco’s uit staan te zweten van een ochtend keihard trainen, wordt onder de douches in de catacomben de American-Footballgrote soap on a rope van man naar man geslingerd. TL-licht en condens verzadigen de ontmoeting tussen het bruin en wit van nek en schouders, schouders en bovenarmen. Schuim vloeit rijkelijk over lichaamsbeharing van het soort dat we hier in Nederland niet meer kennen sinds je vertrok. Loopt douchewater van semitransparante cowboys af zoals dat bij gewone cowboys gebeurt, of valt de helft van de stralen door ze heen? Zijn er nadelen aan halfdoorzichtigheid die ik vanachter mijn bureau niet kan bedenken? 

Eenmaal ingezeept lijk je heel even vaste vorm te krijgen; je nieuwe vrienden kloppen je op de schouders en zeggen dat je er verdomd goed uitziet. 

‘A fine strong hand, indeed.’

‘As tough a buck as any I seen.’

‘That there’s some fine Texas muscle.’

Hoe vreemd, dat ik in de twintig jaar van onze vriendschap nooit zag dat Nederland te klein, te koud, te nat voor je is. Als schrijver had ik het inlevingsvermogen moeten hebben om te weten dat je de juiste man op een vreselijk verkeerde plek was. 

Ik vermoed dat je middagslaap vaak verstoord wordt door verwarrende dromen over vrouwen. Schrik er niet van, het is een bijkomstigheid van het vele paardrijden. Dit is wat er gebeurt als een lang gekooid dier weer in zijn eigen biotoop wordt uitgezet. 

Het zal je al zijn opgevallen dat het douchen met je collega’s je – naast de gezelligheid – niet zo veel meer doet. Mocht je overvallen worden door beelden van roomwitte borsten, gouden stro en blonde vlechten, blijf dan even rustig liggen en bedenk dat een heel groot deel van de mannen je voorging. Merijn, die jou zo goed kent, zal het al gevoeld hebben: een geleidelijk verschuiven van je aandacht, als het voorbijstrijken van de avondzon over de gehaakte sprei op jullie bed.   

Niets mis met een laatste vrijpartij. Je hebt tenslotte veel van je Boy Wonder gehouden. Maar als een cowboy ontdekt dat hij verder moet, dan springt hij na een laatste innige zoen op zijn paard om het de sporen te geven in de richting van die immer lonkende zonsondergang. Westwaarts, cowboy Arie. Immer west. 

Je hebt misschien gemerkt dat ik weinig over mezelf te berde breng in wat toch een briefwisseling zou moeten zijn. Cowboy Arie, de semitransparante held van Austin, is zoveel transparanter interessanter dan ik. Geloof me. Er gebeurt hier werkelijk geen reet. Ik ben nog steeds gelukkig getrouwd met Birre, waarvan ik nog precies evenveel houd. Zelfs het aangekondigde schaken van mijn geliefde door de schrijvende String Emil Martijn Knol is niet geloofwaardig dreigend genoeg om mijn gemoedsrust in gevaar te brengen.

Wie kan over geluk schrijven als dat geluk niet wordt bedreigd?

Ons kind is ook nog eens mooi en kerngezond. Heb ik al verteld dat Nadim puzzels van 50 stukken maakt en inmiddels alle letters van het alfabet kent?

Allemaal te saai om je mee te belasten. Mijn boeken verkopen ook al zo goed. 

Misschien gloort er toch een sprankje drama aan mijn verder ergerlijkblauwe hemel: sinds vorige week ga ik gebukt onder een vreselijke jeuk achter mijn oogbollen. Ik hoop op voortschrijdende blindheid. Het zou romantisch zijn je te kunnen schrijven over ochtenden waarop ik me het gezicht van mijn slapende geliefde inprent in de wetenschap dat mijn ziende dagen geteld zijn.

Je vriend in Amsterdam,

 

Gilles

 

 

Ik kon het niet laten. Sorry.

 

 ___________________________________________________________________________________________________

Elke zaterdag op Tirade.nu: de briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

De tirade poëziespecial is in de maak

De redactie van Tirade werkt hard aan het komende nummer, een special met louter nieuwe gedichten over de liefde geschreven door dichters die wij liefhebben. Houd deze site in de gaten want dit nummer wordt GEWELDIG.

(niet op de foto maar wel hard aan het werk: Marko en Gilles)

 

 

Hier is alvast een gedicht van Gertrude Starink om jullie in de stemming te krijgen. Dit gedicht komt dan weer niet in/uit Tirade, maar staat in de bundel De weg naar Egypte (vijfenzeventig passages 1970-1999, verzameld uitgegeven door het balanseer in 2012)

 

vraag niemand waar ik woon hoe ik nu heet
 vraag niet met wie ik slaap ik slaap alleen
 vraag niemand of ik veel veranderd ben
 
 de vaas is af de oven is gebouwd
 een grote open haard lijkt het meer niet
 ik draag de zwarte jurk de leliering
 
 ik heb de houten tafel stukgehakt
 er staan zolang wat rozen in de vaas
 ik laat je halen als het zomer is
 
 er is geen brug maar de rivier droogt op
 ik heb een gat gegraven in het zand
 de vuren zullen branden als je komt
 
 ik zal er zijn het dolkmes in de hand

De Ereplank

Een tijdje geleden bouwde ik in de werkplaats van een vriend twee boekenkasten. De ene was een wat ingewikkelde constructie, exact op maat voor in het trappenhuis; de andere was een eenvoudiger model, dat om een andere reden veel denk- en meetwerk eiste. In die tweede kast, bedoeld voor de woonkamer, zou namelijk De Ereplank komen. Een plank op ooghoogte en van exact de juiste lengte. 

Overal waar ik woonde had ik zo’n Ereplank. Dat is ook nodig als je geen orde in je bibliotheek houdt. Het concept is simpel: er kan maar een beperkt aantal boeken op, waardoor je steeds de afweging moet maken of er een zwakke schakel in je selectie zit, die je naar de vergetelheid van de rest van de kast kunt verbannen om plek te maken voor een nieuwe lieveling. 

Er is nogal wat verloop geweest in de bezetting van de plank. Bulgakov, Kennedy Toole, Rushdie, Berger, Claudel, Auster en Cunningham hielden het lang vol, maar moesten op den duur allemaal wijken. Coetzee’s In the Heart of the Country staat er al sinds 1992, schouder aan schouder met Bram Stokers Dracula.  

Niemand wil ooit weten wat er zo goed is aan Coetzee, maar ik krijg vaak het gevoel te moeten uitleggen waarom Dracula onvervangbaar is. Misschien wijd ik er nog eens een De Ambassadeur* in Tirade aan. Hieronder een citaat uit het logboek van de jonge Jonathan Harker, die zijn eerste nachten doorbrengt als ‘gast’ in het kasteel van de graaf: 

“God preserve my sanity, for to this I am reduced. Safety and the assurance of safety are things of the past. Whilst I live on here there is but one thing to hope for: that I may not go mad, if, indeed, I be not mad already. If I am sane, then surely it is maddening to think that of all the foul things that lurk in this hateful place the Count is the least dreadful to me: that to him alone, I can look for safety, even though this be only whilst I can serve his purpose. Great God ! merciful God ! Let me be calm, for out of the way lies madness indeed. I begin to get new lights on certain things which have puzzled me. Up to now I never quite knew what Shakespeare meant when he made Hamlet say:

‘My tablets ! quick, my tablets !

‘Tis meet that I put it down,’ etc.,

for now, feeling as though my own brain were unhinged or as if the shock had come which must end in its undoing, I turn to my diary for repose. The habit of entering accurately must help to soothe me.”

In de zo zuiver getroffen toon van de jonge Harker klinkt Bram Stoker door: schrijven vanuit isolement, schrijven tegen de angst; schrijven als houvast in het donker. 

Ik heb helemaal niets uit te leggen. 

 

*sinds 449 een vast item in Tirade.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In memoriam Erik Menkveld

Erik Menkveld was redacteur van Tirade vanaf nummer 383 in het jaar 2000 tot aan nummer 421 in 2007. Dat is een reeks van 39 nummers waarin de veellezer en veelweter Menkveld zich kon laven aan de rijke functie van redacteur die hij daarvoor al bekleedde bij uitgeverij De Bezige Bij en nadien bij Uitgeverij Cossee. Naast schrijver, dichter, essayist en drummer was  Menkveld eigenlijk vooral redacteur. En programmamaker, bij Poetry en later bij de SLAA  in Amsterdam, waar ik hem  in 2007 beter leerde kennen.  Zijn essaybundel Met de meeste hoogachting was toen net uit, 16 brieven aan bewonderde kunstenaars en 1 ‘aan het nageslacht’ die toen al nauwelijks met droge ogen te lezen was. De brieven bewezen de grondigheid van zijn waardering. In een persoonlijk verhaal over hoe het zo gekomen was dat hij bijvoorbeeld aan John Coltrane verslingerd raakte, confronteert hij de lezer met wat échte studie is. Menkveld beluisterde dan ook meteen alles van zo’n kunstenaar. En toen ik  – als Thomas Mann-fan – een programma voorstelde over deze schrijver bracht hij me de volgende dag vier verfilmingen van zijn werk langs die ik nog niet kende. Menkveld was in de laatste jaren docent aan het Rijnlands Lyceum, een functie die ook uit het hart gekomen moest zijn want hij deelde zijn kennis graag.

De breedheid van zijn interesse moet hij zelf soms ook als een manco ervaren hebben: zo breed geïnteresseerd zijn en dan zo grondig, dat levert een klein oeuvre op van een hoog soortelijk gewicht: drie dichtbundels, een essaybundel en een lijvige roman Het grote zwijgen.

Toen Merijn de Boer en ik als zijn redacteurs met deze roman bezig waren, vroegen we ons op zeker moment af hoe hij de toon van de componisten Alphons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen zo goed in het gareel wist te houden. Bronnenonderzoek leerde dat Erik – wat hadden we ook kunnen verwachten – in de tien jaar die er tussen zijn eigen werk als redacteur van de biografie over Vermeulen en het schrijven van deze roman lagen, werkelijk alles had gelezen. Elke snipper Diepenbrock, elke snipper Vermeulen, alle stukken in De Amsterdammer, alles over Mengelberg, maar ook alle vertalingen van Diepenbrock, alle Gids-artikelen.  Zo hier en daar kwamen we een letterlijk citaat tegen, netjes ingepast in de context van wat toch heel duidelijk zijn verhaal was.

In een film van Kees Hin en K. Schippers  over het Merkelbach-archief had Menkveld in een flits een foto van een onbekende dame gezien, van wie hij wist dat ze het voorplat van de roman moest sieren.  Hoewel hij dus voor zeker stelde wat hij slechts in een flits had waargenomen kon Menkveld toch geduld opbrengen met zijn redacteuren die her en der over de tekst  wel wat op te merken hadden. Schrijver én redacteur.

In de roman speelt een georkestreerd lied van Diepenbrock, Im großen Schweigen een belangrijke rol, op een tekst van Nietzsche.  Deze tekst beweegt heel Nietzscheaans van kalm esthetisch naar wanhopig en woedend. Hier is het nog kalm en fraai. Ongeveer zoals ook de wereld was toen we op een zomers hete zevende mei in 2011 in Het Concertgebouw zijn grote roman ten doop hielden bij de uitvoering van  de Missa van Diepenbrock.

 

Das Meer liegt bleich und glänzend da, es kann nicht reden.

Der Himmel spielt sein ewiges stummes Abendspiel

mit roten, gelben, grünen Farben, er kann nicht reden.

Die kleinen Klippen und Felsenbänder,

welche in’s Meer hineinlaufen wie um den Ort zu finden,

wo es am einsamsten ist, sie können alle nicht reden.

Diese ungeheure Stummheit, die uns plötzlich überfällt,

ist schön und grausenhaft, das Herz schwillt dabei.

Oh der Gleissnerei dieser stummen Schönheit!

 

Erik was een man van de geest, een poeta doctus die ik heb leren kennen als een hartelijke en warme persoonlijkheid die met een droog lachje bijzonder veel vrolijkheid kon brengen.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sybren Sybesma"
    Sybren Sybesma

    Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

  • "Foto van Fannah Palmer"
    Fannah Palmer

    Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.

  • "Foto van Julia Buijs"
    Julia Buijs

    Julia Buijs is theater- en filmschrijver en manusje van alles. Deze zomer studeert ze af aan de opleiding Writing For Performance aan de HKU, met het scenario voor een bemoedigende animatiefilm over een station waar het altijd regent en niemand een gezicht heeft. Met dit en haar toekomstig werk wil ze proberen de lezer stil te laten staan, adem te laten halen en zichzelf en anderen te omarmen. Haar teksten zijn fantasierijk, gelaagd, experimenteel en persoonlijk. Ze werkt door middel van sprokkelen, puzzelen en plakken en gelooft binnen vijf jaar een eigen genre gecreëerd te hebben. Verder zal je haar kunnen vinden als vleermuisveldwerker, regisseur, festivalprogrammeur, creatief producent, saunameester, kinderboekenschrijver en juist ook voorloper van de ‘Kinderlijke’ Verhalen voor Volwassenen.