AM over de wrede schrijver

Van Ayn Rand leerde ik ooit (Ja, Ayn Rand, die demonische verheerlijkster van het kapitalisme. Ik geef het toe: ik las haar boeken. Sommige zelfs met plezier, waaronder haar The Art of Fiction, dat ooit een enorm schrijversvuur in me aanwakkerde.) dat gewoon een conflict niet genoeg is in een verhaal. In een goed verhaal horen volgens Rand duivelse dilemma’s. Conflicten die de persoonlijke moraal van je personages zoveel mogelijk op de proef stellen. Als schrijver moet je je volgens Rand constant afvragen: hoe maak ik het conflict zo erg mogelijk voor iedereen die erbij betrokken is? Of ze daarin gelijk heeft, daarover blijf ik maar twijfelen. Ze heeft een punt want (oneindig) veel (heerlijke) boeken zijn volgens dit principe geschreven. Bijvoorbeeld een persoonlijke favoriet: Freedom (Franzen). Idealistisch echtpaar Berglund, democraten, gaat tweezijdig vreemd, maar beide buitenechtelijke relaties stranden op akelige wijze. Hun dweil van een zoon wordt republikein en raakt als investeerder betrokken in wapenhandel. Bovendien blijkt het natuurbehoudproject waar Walter zich vol vuur voor inzet een dekmantel voor de delfwerkzaamheden van een steenkoolmaatschappij.

Als Rand gelijk heeft moeten schrijvers dus meedogenloos zijn. Genadeloze wezens die gniepend en gnuivend boven hun werktafel hangen om gruwelijke details te bedenken die het allemaal nog nog nog erger en dan nog net iets erger maken. Zo bedacht Victor Hugo dat zijn hoofdpersoon (priester) uit Notre-Dame de Paris, in de slotscène niet kon verdragen om zijn grote liefde te zien sterven op het schavot (haar ter doodveroordeling was bovendien door hem zelf veroorzaakt uit wraak dat zij zijn liefde niet beantwoordde). Vlak voor haar executie werpt hij zich dus van de toren van de Notre Dame. Maar wat gebeurt: hij blijft hangen met zijn pij aan een waterspuwer waardoor hij vertraagt in zijn val en hij net voor hij te pletter valt tóch getuige is van haar dood.

Soms ben ik bang dat ik het niet in me heb. Genoeg wreedheid. Dat ik niet genadeloos genoeg ben, niet onverbiddelijk of naar. Ik heb last van existentieel optimisme. Dat zit me in de weg. Daarom bid ik soms voor een wredere inborst. Bid ik dat ik de personages in mijn verhaal zo kan laten lijden dat mijn lezer haast vergeet te ademen van het lachen, huilen en beven tegelijk. En ik schreef een gruwelijk verhaal. Over een ambtenaar en zijn dochter die ontspoort. Ik bedacht een gezin dat ik liet ontsporen. Fuseerde een paar vriendinnen in een moeder. Fuseerde wat collega’s in een vader. En ik geef toe: ik heb veel plezier beleefd aan het schrijven over de ontkenning die omgaat in ouders die hun dochter zien afglijden. Ik bedacht er nog wat perifere rampjes bij die het allemaal nog erger maakten. Maar ik kon het niet volhouden tot het eind. Ik was gaan houden van mijn personages. Ik wilde dat het goed afliep, op zijn minst een beetje. Dat in elk geval iemand daarna nog lang en gelukkig zou leven.

Van de week las ik Roem van Daniel Kehlmann. En las daarin de volgende passage: Doe eindelijk iets, zegt ze tegen mij. Verpest je verhaal. (…) Jij kunt me genezen (..). Het kost je niets! Kehlmann laat hier zijn personage Rosalie met hem, de schrijver, in discussie gaan. Rosalie is ongeneeslijk ziek en onderweg naar haar euthanasie. Bijna had ze me uit mijn tent gelokt, schrijft Kehlmann. Maar Rosalie is onderdeel van een groter plan en daarbij hoort dat ze dood moet. Maar ze geeft niet zomaar op. Een paar bladzijden verderop doet ze een tweede poging: Laat mij leven (…). Jouw verhaal. Vergeet het. Laat mij gewoon leven. Het ergert Kehlmann. Even sta ik paf. Ik weet niet wie haar geleerd heeft zo te praten. Het past niet bij haar. Het is stijlbreuk.

Maar Kehlmann laat Rosalie uiteindelijk toch niet sterven. Hij krijgt het niet voor elkaar. Hij spreekt haar toe: je klampt je vast aan de illusie dat je bestaat, maar je bestaat uit woorden, uit vage beelden en een paar simpele gedachten. Je denkt dat je lijdt. Maar niemand lijdt hier, er is niemand. Maar op het laatst laat hij haar vrij, hij verpest zijn verhaal. Hij maakt Rosalie jong en gezond. Zelfs knapper dan ze ooit is geweest. Waarom niet? Lachend loopt Rosalie met ferme stappen uit beeld.

Had ik al gezegd dat ik Kehlmann een weergaloos schrijver vind? Kehlmann maakt zich als schrijver tot personage en trakteert ook zichzelf op een gruwelijk dilemma. Wie van ons pleegt de karaktermoord? De schrijver of het personage? Kehlmann laat zien dat de relatie tussen een schrijver en zijn personage moeizaam kan zijn, een conflict op zich. En dat niet alleen de schrijver wreed is, maar ook het personage (en de schrijver weer mild). En verpest die dan zijn verhaal? Welnee, hou toch op. Want Kehlmann is de schrijver van zijn personage de schrijver die zijn verhaal verpeste over personage Rosalie. En die schreef een genadeloos goed verhaal.

In de Oorshop

Pleidooi voor de persoon

Dit ben ik. Naast me zit mijn moeder. We pellen paaseieren. Achter de fotograaf, die mijn vrouw is, staat een pan asperges op het fornuis, en rechts buiten beeld speelt mijn vader op het kleed met onze zoon. 

Er is niets bijzonders aan de personen in of buiten beeld. Bijna iedereen heeft of had een moeder, een partner, een vader, een kind. Schrijven over mensen om je heen zou om die reden oninteressant zijn. Exhibitionistisch, zelfs. 

“Quisquis amat ranam, ranam putat esse Dianam,” commentte een bekende auteur van mijn eigen stal in reactie op een blog dat ik over onze zoon Nadim schreef. Hij zal niet de enige zijn die mijn stukjes te persoonlijk vindt. 

Gezien Tirade – terecht, en niet in de laatste plaats door mij – wordt gezien als literair vakblad, heeft men bepaalde verwachtingen van haar redacteurs en de onderwerpen die ze kiezen. Zo zijn er mensen die de moeite nemen om me terecht te wijzen als mijn taalgebruik clichématig wordt, of me confronteren met een (zeldzame, al zeg ik het zelf) tikfout. 

Goed, om te merken dat wat we naar buiten brengen met scherpe blik wordt opgenomen. 

Inhoudelijk, echter, ben ik ervan overtuigd dat elk verhaal persoonlijk zou moeten zijn. Wat is er bijzonder aan een blog over Garcia Marquez als de lezer niet te voelen krijgt wat Marquez voor de schrijver van het stuk betekend heeft? Hoe kun je als auteur mensen raken zonder jezelf te laten zien?

Ik sta ervoor open het als een handicap te aanvaarden dat een stuk dat zo’n persoonlijke toon mist voor mij meestal niet te volgen is. De boodschap lijkt niet tot me door te dringen omdat er geen hart is dat de informatie draagt. Om iets over te brengen moet je eerst contact met me maken. Noem het cerebrale dyslexie. 

Als een tekst te cerebraal wordt, overvalt me eenzelfde gevoel als op het gymnasium, waar ik me alle talen met gemak eigen maakte behalve het Grieks. Die symbolen… ik weet niet wat het was. Alsof die alpha en epsilon, maar vooral medeklinkers als de theta en de zeta niets met me te maken wilden hebben. Na een jaar las ik de woorden nog steeds letter voor letter, waardoor ik nooit aan de betekenis van een zin toekwam. 

Als ik in mijn werk moet falen, laat het dan zijn omdat ik te persoonlijk schrijf. Omdat er zoveel hart in mijn verhalen sluipt dat ik terzijde geschoven word als zijnde larmoyant, dweperig of – schijnbaar erger – Amerikaans. 

Mijn goede vriend Oscar Siegelaar vertelde me een tijdje terug dat hij de mate waarin een kunstenaar vernieuwend is belangrijker vindt dan of zo iemand aardig is. Er zijn meer mensen die zo denken. Grote vergissing, lijkt me. 

Elkaar is alles wat we hebben, om mezelf maar eens te citeren.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Mooi geweest

I) Er wordt helemaal niemand doodgeschoten

Goede Vrijdag. Mijn dochter en ik bezoeken het Stedelijk Museum Schiedam. Ik heb haar meegenomen omdat ik haar graag het schilderij wil laten zien dat mijn vrouw en ik ooit uitkozen voor op haar geboortekaartje. Mannetje met de zon, van Karel Appel. We bekijken de vaste collectie en een tentoonstelling. Daarna mag zij kiezen waar we gaan lunchen. Ze wil graag naar Hotel New York, in Rotterdam, zodat ze kan twitteren dat ze in New York zit. Grappig. Tienerhumor.

We lunchen uitgebreid. Gegrilde visjes, risotto en witte wijn. Ik drink in m’n eentje anderhalve fles. De ervaring leert dat dat mijn weggedrag een beetje tempert. Als de borden zijn afgehaald, wordt er een muntthee en een dubbele espresso neergezet. We praten over school, over buitenlandse musea en ik vertel wat over het komende nummer van Tirade. Als we zijn uitgekletst, begint mijn dochter een beetje te swipen op haar iPad en lees ik wat in Valeria Luiselli’s De gewichtlozen (het boek weegt 252 gram, trouwens).

‘Pap?’

‘Mmm?’

‘Is het waar dat jij van plan bent om mama en mij te vermoorden en met Pam een nieuw leven te beginnen?’

‘Wie zegt dat?’

‘Iemand op school.’

‘Wie?’

‘Gewoon, iemand.’

      Ik trek m’n gun uit mijn schouderholster en richt het op mijn dochter:

‘Ik vraag het je nog één keer, eigenwijze tyfusbitch: Wie. Zegt. Dat.’

‘Stoer hoor, alsof je je eigen dochter overhoop gaat schieten.’

‘Weet je nog dat je een paar jaar geleden zo’n schattig klein broertje had? Met van die krullen? Wat is daar ook alweer mee gebeurd?’

‘Ja, maar dat was een jongen.’

      Ik haal de trekker over, blaf de halve linkerarm van mijn dochter eraf.

‘Ik vraag het je godverdomme nog één keer. Van wie heb je die bullshit?’

‘Van Madelief.’ Mijn dochter verbijt haar tranen – zo zie ik het graag.

‘Nou, zeg maar tegen Madelief dat jouw vader geen vlieg kwaad doet.’

‘Zal ik doen,’ zegt mijn dochter terwijl ze met servetten haar stompje afbindt.

‘Fijn.’ Ik steek m’n gun terug in m’n schouderholster, sla m’n espresso achterover en leun dan over de tafel tot vlak voor het gezicht van mijn dochter. Terwijl ik mijn oogbollen achtjes laat draaien in hun kassen, zeg ik: ‘Best een aparte vader heb jij.’

‘Pap. Effe normaal doen.’

‘Hahaha, schitterend!’

‘Pap?’

‘Ja, WAT?!’

‘Heb jij een relatie met Pam?’

‘Nee, absoluut niet. Nooit gehad ook. Pam is een collega. We zijn allebei gek op goochelen, dat is alles… Omdat Pam op het podium altijd zo ijverig fakkels door hoepels staat te smijten, denk jij misschien dat ze backstage ook met vuur speelt, maar niets is minder waar. Pam is gewoon een loyale, lieve, stabiele moeder en echtgenote. Of hoe zeg je dat een beetje geëmancipeerd? Maak je maar geen zorgen.’

‘Ze jat wel alle trucs uit je poten.’

‘Dan jat ik gewoon een paar trucs terug. It’s all in the game, lieverd. Maar geloof je me nou? Ben je nou een beetje gerustgesteld?’

‘Ja.’

‘…’

‘En pap? Elvira zegt dat ze jou laatst zag met de moeder van Penélope, van ballet en dat jullie – ’

‘Hé! Zullen we afspreken dat jij je verder niet met het liefdesleven van je vader bemoeit? Wat zullen we nou krijgen.’

De afgelopen weken, maanden, heb ik talloze lezers hopeloos zien verdwalen in het grijze gebied tussen Begrijpend lezen en Rorschachtest. Betrekkingswanen, projecties, speculaties. Het was vaak amusant, soms griezelig, en ik beken dat ik – met de beste pedagogische bedoelingen – af en toe een dwaalspoor heb uitgezet en dat het literaire spel me, behalve een hoop plezier en schuldgevoel, ook een schat aan psychologische en relationele inzichten heeft opgeleverd. Maar nu vind ik het, eerlijk gezegd, wel mooi geweest. Ik maak me geen illusies (woordspeling), maar laat ik voor mijn eigen gemoedsrust nog maar een keer herhalen dat ik hier, op de blog, fictie bedrijf.

 

II) Haar favoriete liefdesgedicht

Mijn dochter was tijdens het swipen over de liefde begonnen, doordat ik haar tijdens het eten over het naderende nummer van Tirade had verteld. Tirade 454, het nummer vol Nieuwe Liefdespoëzie. Ik zei dat Lieke, Marko, Gilles en ik hadden afgesproken dat we in de aanloop naar de presentatie van het nummer – op 9 mei in De Nieuwe Liefde – aandacht aan onze favoriete liefdesgedichten zouden besteden in onze blogstukjes. Onlangs deelde Lieke haar favoriete liefdesgedicht al. Ik had nog niet kunnen kiezen.

‘Weet jij iets?’

‘Een gedicht?’

‘Ja, of een songtekst. Lezen jullie geen poëzie op school?’

‘Ja, maar dat is allemaal saaie shit.’

‘…’

‘Kan film ook poëzie zijn?’

‘Dat vraag je aan mij? Natuurlijk! Cinema ís poëzie.’

‘Dan kies ik een stukje uit You the Living.’

‘Goed idee. Welke scène?’

‘Deze,’ ze reikt me haar iPad aan.

‘Mooi. Moet ik je keuze nog toelichten?’

‘Nee, want dan ga je me toch alleen maar belachelijk maken.’

‘Oké, dan zet ik het maandag op de blog en dan vertel ik er alleen nog bij dat You the Living (2007) is opgenomen in Stockholm en dat het de tweede speelfilm van Roy Andersson is.’

‘Oké.’

Nou, geloof het of niet: voor mijn tienerdochter is een huwelijk het toppunt van romantiek. Hoe dan ook… ga rustig zitten voor deze acht minuten grootse, Europese, humanistische cinema. Eigenlijk ben ik het met mijn dochter eens… betere liefdespoëzie bestaat niet:

 

Tirade – sprookjes.

Soundtrack: zie het filmpje hierboven.

Volgende week: Tyn’s tuin. En meer.

AM over Beyoncé

Mooie boeken komen soms uit onverwachte hoek. Bijvoorbeeld van Beyoncé. Van de week stuurde ik haar een mailtje:

Dear Beyoncé, thank you so much for your new album. I loved loved loved it and will continue to do so forever. I also want to thank you for introducing me to Chimamanda Ngozi Adichie. I read Americanah so fast my eyes almost started spinning. By the way, I am a little bit of a writer myself and if you ever want to quote from my work, please feel free to do so. Yours forever, Anne-Marieke

NRC gaf het nieuwe album van Beyoncé vijf sterren. Dat verraste me en ik schafte het aan. Ik vond het inderdaad een indrukwekkend album. Episch bij vlagen. Ik vond Beyoncé altijd al stoer. Wat je noemt een tof wijf. Maar haar muziek had op mij tot nu toe nog geen onsterfelijke indruk gemaakt (toegegeven: behalve single ladies ook vanwege het bijbehorende dansje). Misschien heeft ze wat meer diepgang gekregen sinds ze moeder is, dacht ik. Of sinds ze het met Obama doet, dacht ik ook. Want begin dit jaar las ik het fascinerende bericht dat volgens betrouwbare bron uit het roddelperscircuit (kan dat?) binnenkort zou uitkomen dat Obama en Beyoncé het met elkaar deden. Obama en Beyoncé. Het is van het kaliber Kennedy en Marilyn Monroe. Caesar en Cleopatra. Obama ontkende, wat op zich al verdacht is. Bush ontkende immers eerder ook dat er gemarteld werd op Guantanamo Bay. Ook is het natuurlijk opvallend dat Beyoncé en Obama tegelijk in Amsterdam waren. Toen de Airforce One landde op het museumplein werd Beyoncé gesignaleerd op de fiets in de stad. Even later fietsten Jay-Z en baby Ivy-Blue zonder haar over de Ceintuurbaan.

 

Maar dat terzijde.

Op de nieuwe plaat van Beyoncé hoorde ik tot mijn vreugde Nigeriaans Engels. Een van de mooiste Engelse accenten, als je het mij vraagt. Plechtig en zangerig, uitzonderlijk vriendelijk, met een hintje stoer. Ik heb nog niet echt iets gezegd over mijn werk. Maar wat ik doe is afluisteren en accenten herleiden (iets wat nog lastig is om niet altijd te doen). Dus ik nam Yoncé’s nieuwe cd mee naar kantoor en draaide hem op ons geluidssysteem.

Mijn baas riep wat dat moest met die herrie.

Ik zei dat we aan het werk waren.

Luister, een Nigeriaanse stem. Denk je niet? vroeg ik collega Gerard (die vorig jaar Beyoncé nog mailde of ze wilde komen optreden op de sweet sixteen van zijn dochter)

De vrouwenstem zei dingen als: we tell our daughters: you can have ambition but not too much, you should aim to be succesful but not too succesful. Otherwise you will threaten the man.

Too much, beaamde Gerard. Onmiskenbaar Nigeriaans.

Waren we toch benieuwd wie die vrouw dan was. Dus we googleden: beyonce nigeria feminist. En de citaten bleken afkomstig van Chimamanda Ngozi Adichie, een Nigeriaanse feministe met een bijzonder mooi en ingewikkeld kapsel. En schrijfster.

adichie

Ook bleek dat New York Times haar roman Americanah een van de vijf beste boeken (fictie) van 2013 vond. Die bestelde ik dus. En ik las Americanah op vakantie. In drie dagen waarvan ik me weinig anders herinner dan het omslaan van pagina’s en de lome warmte aan dek van een schip van Bangkok naar een Thais Ko.

Beyoncé reageerde tot op heden niet op mijn mail. Maar ja, op die van Gerard van vorig jaar had ze ook nog niet gereageerd. Ik hou er dus rekening mee dat haar antwoord nog wat op zich zal laten wachten.

Amsterdam, 19 april 2014

Optie 8Lieve Arjen,

Ik schrijf je met verf op mijn knuisten. Deze week heb ik onze keuken verbouwd, zodat ik jou en je Boy Wonder weer met goed fatsoen kan ontvangen. De punten waarop je me voor jullie vertrek naar Austin wees zijn allemaal aangepakt. 

Het messingen rek voor mijn pannenlappenverzameling is er gekomen, en in combinatie met de kanariegele muren (dank nog voor de stalenkaart!) is het geheel echt adembenemend geworden. Ach, wat zal jou geweldige kleurgevoel aansluiting missen in Texas, waar ik vermoed dat alles hardrood, hardwit en hardblauw is. 

Birre wees me erop dat mijn pogingen een personage van je te maken waarschijnlijk meer over mijzelf zeggen dan over jou.

‘Die Arjen Vanlith,’ zei ze, ‘die cowboy. Dat zou je zelf willen zijn.’ 

‘Denk je?’ 

‘Is het geen homo-erotische fantasie van je, zo’n cowboy? Die douchescène met die zeep… Toch het onderzoeken waard, lijkt me.’

Hartverscheurend, als de vrouw met wie je al bijna 10 jaar lief en leed deelt, je zo slecht blijkt te kennen. 

De vraag in hoeverre een schrijfsel niet-autobiografisch kan zijn blijft natuurlijk relevant, maar terwijl ik deze woorden tik heb ik verdomme wél zaagsel in mijn haar. ZAAGSEL, zeg ik je.

In je laatste brief schreef je nota bene zelf dat ik een alfamannetje ben. “Jij hebt leiderschapskwaliteiten,” schreef je. “Jij hebt een zwarte band in aikido. […] je hebt je mannelijkheid definitief bewezen met je zoon, die […] het product is van […] hoogwaardig zaad.”

Die paar weekjes mannenvakantie per jaar, die heerlijke dagen samen met jou en Boy Wonder in ons huisje in Thailand, moeten die gezien worden in het licht van een verdrongen verlangen mijnerzijds? Is er iets specifiek homoseksueels aan de prachtige foto waarop we in onze string zitten te schrijven op de veranda, terwijl Boy Wonder ons met de hand hele trossen kleine bananen voert?

Alsof Hemingway niet in zijn onderbroek schreef. Als er in zijn dagen strings waren geweest, dan wéét ik dat hij ze zou hebben gedragen. The Sun Also Rises, indeed.

Birre zegt dat ik opvallend veel tijd besteed aan een verweer tegen iets wat helemaal geen aanval hoeft te zijn. Ze vraagt of jij misschien ook denkt dat ik iets te verbergen heb.

‘Vraag het hem maar,’ zegt ze. ‘Arjen zal je eerlijk antwoord geven.’

Nou, mooi niet. Ik vraag niks.

Iets heel anders: deze week heb ik een paar chaps gekocht. De meneer in de winkel was heel aardig. Ik legde uit dat ze een cadeau zijn voor een vriend van me, die cowboy is. De man bleek mijn briefwisseling met Arjen Vanlith te kennen, en klopte me bemoedigend op mijn bips terwijl ik mijn pincode invoerde.

Morgen gaan de chaps op de bus naar cowboy Arjen Vanlith, p/a Arjen van Lith, Austin Texas. Kun jij zorgen dat hij ze krijgt? Voor het gemak heb ik jouw maten aangehouden, met een centimetertje erbij zo hier en daar. 

Een wat ruwe stereotiep mannelijke omhelzing van je vriend in Amsterdam,

 

Gilles

______________________________________________________

Elke zaterdag op Tirade.nu: de briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Waarom wij lak hebben aan klimaatverandering

Waarom hebben we zo laat en inadequaat ingegrepen toen bleek dat de mensheid een rampzalige klimaatverandering in gang had gezet? Waarschijnlijk omdat dat woord –rampzalig – te groot voor ons is en vraagt om aanhalingstekens en ironie. Zadie Smith treurt in haar prachtige korte essay Elegy for a Country’s Seasons over alles wat door de weermetamorfose van de laatste jaren verloren is gegaan: de stormen die beperkt bleven tot het voor- en najaar, de eerste warme dagen die pas in mei kwamen, en in december de hoop op een witte Kerst in plaats van de angst voor een overstroming. Zadie Smith stelt de vraag naar de traagheid van onze verontwaardiging en actie. Ze oppert dat we er simpelweg van uit zijn gegaan dat het klimaat niet kón veranderen, hoewel we natuurlijk wisten dat we in staat waren flink wat schade toe te brengen. We konden ons niet inbeelden dat we het ritme en de gang van de natuur zelf zouden ontwrichten, schrijft Smith, ‘just as a child who has screamed all day at her father still does not expect to see him lie down on the kitchen floor and weep’.

Waarom? Als dat een schuldvraag is, moeten we niet meteen wijzen naar de mijnbouw- en olielobby die er de afgelopen decennia alles aan gedaan heeft om het overvloedige wetenschappelijke bewijs in twijfel te trekken. Wat die bedrijven en hun advocaten doen is niet meer dan mist verspreiden. Met wat leeswerk verkrijg je snel een overzicht over wat er te verwachten valt. Te weten: een opwarming van de aarde die het dubbele bedraagt van een ooit als penibel beschouwde twee graden Celsius; een stijgende zeespiegel, verdwijnende eilandengroepen, verplaatste steden, ondergelopen kustgebieden; de toename van verwoestende orkanen; in Noord-Europa en Rusland wat bevroren gronden die beschikbaar komen voor landbouw; grote perioden van droogte afgewisseld met massale overstromingen; het gevaar van ontsnappend methaangas uit bevroren toendra’s, waardoor de opwarming in een onoverzienbare versnelling kan komen.

Allemaal allang bekend, wie het leest krijgt onbewust de neiging zo’n opsomming verveeld weg te swipen. De wetenschappelijke discussie gaat tegenwoordig over de economische kosten van de komende ramp, wiskundig wapengekletter. En zeker ook, nadat is gebleken dat de reductie van CO2-uitstoot (de transformatie naar duurzame energie) te langzaam gaat, over de vraag met welke technieken de huidige opwarming kan worden afgeremd. Door opslag bijvoorbeeld, maar ook met behulp van technieken die het zonlicht zouden moeten weerkaatsen opdat het op aarde wat koeler wordt. Denk aan grote spiegels in de ruimte en het massaal spuiten van sulfaat in de stratosfeer. Geen sciencefiction, helaas.

Dat ik pas onlangs de moeite nam om me überhaupt van deze feiten op de hoogte te stellen, is te danken aan de Nederlandse klimaateconoom Richard Tol. Hij nam afstand van de beleidsaanbevelingen van het klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC), het instituut waarvoor hij werkzaam is. Hij vond die aanbevelingen ‘alarmistisch’. Al te pessimistische waarschuwingen zouden contraproductief werken; we konden beter geloof hechten aan het aanpassingsvermogen van de mens. Een monter uitgangspunt, in The Financial Times legde Tol uit wat hij bedoelde. Een land als Bangladesh moest maar een voorbeeld nemen aan het arme kleine Nederland, dat al in de jaren vijftig van de vorige eeuw met succes een watersnood had overwonnen!

Als zulke argumenten – beste Syriërs, wordt als Nederland en sluit vrede, dat hebben wij in 1830 ook met de Belgen gedaan – gelden als teken van gezond verstand, moet je je pas echt zorgen gaan maken. Zeker toen Simon Kalf in een reactie (NRC, 8 april) stelde dat de klimaateconoom zelf blijk geeft van een pessimistisch wereldbeeld. Tol had namelijk geschreven dat het vijftig tot honderd jaar zou duren om te komen tot een koolstofvrije economie – een bij uitstek defaitistische stelling. Want de winning van overgebleven fossiele brandstoffen wordt met het jaar duurder; het is dus van levensbelang, legde Kalf uit, de miljarden die in het bovenhalen van vervuilende brandstoffen gepompt wordt, het komende decennium te investeren in onderzoek naar alternatieve energiebronnen. Moeilijkheid: het gaat om gigantisch veel geld en dus macht – van zowel multinationals als wereldleiders.

De ‘alarmistische toon’ vond ik overigens niet meteen terug in het droge proza van het IPCC-beleidsstuk. Het oordeel ‘alarmistisch’ is wat dat betreft het meest alarmerend – alsmede de gretigheid waarmee dat woord vervolgens opgepikt werd in de pers. Nota bene Tol zelf oordeelde een jaar geleden nog in een opiniebijdrage in het Financieel Dagblad dat alle onzekerheden die het veranderende klimaat met zich meebrengt juist tot verregaande maatregelen nopen.

Waarom wilde ik niets van die klimaatsverandering weten?  Zadie Smith wijst op een gebrek aan verbeeldingskracht, maar het zal ook mijn afkomst wezen. Net als Richard Tol kom ik uit Nederland en ben opgegroeid met verhalen over de Watersnoodramp en de heroïsche Deltawerken; er is altijd wel een oplossing voor elk milieukundig vraagstuk te vinden. Hoe vormend was niet Jan Terlouws Oosterschelde; Windkracht 10, waarin uiteindelijk  het compromis tussen veiligheid en behoud van de natuur gevonden wordt?

In Nederland zelf heerst een lutherse mentaliteit – we moeten elk op onze eigen manier bijdragen aan een goede wereld. Verbeter de wereld, begin bij jezelf. En doen we met ons groenestroomabonnement, onze elektrische auto en wat windmolenparken voor de kust niet al genoeg? Maar de opwarming betreft de aarde, niet alleen Nederland. Het gaat in de allereerste plaats om wat landen als China, Japan, de Verenigde Staten voor maatregelen nemen; en hoewel China fors investeert in alternatieve energiebronnen, blijven door de groeiende economie (alle telefoons en tablets die hier niet zijn aan te slepen) de kolencentrales draaien. Je kunt lak hebben aan de klimaatverandering, maar die houd je daardoor nog niet tegen.

————-

Rovers-De-zon-is-het-probleem-nietDaniël Rovers is schrijver van de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt en de romans Elf en Walter. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning. Op zondag 4 mei aanstaande verschijnt zijn bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 453, publiceerde Rovers het reisverhaal The Killing Fields. In Tirade 450 publiceerde hij een tirade tegen zichzelf.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.

  • "Foto van Twan Vet"
    Twan Vet

    Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

    Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

    De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

    Foto: Roderique Arisiaman

  • "Foto van Eline Helmer"
    Eline Helmer

    Eline Helmer (1993) begon na een BA Antropologie (University College Utrecht) en MSc Russische en Oost-Europese Studies (University of Oxford) in 2017 aan een PhD (University College Londen). Ze woont en werkt sinds 2015 in Rusland; eerst één jaar in Pskov, daarna in Sint-Petersburg en ze portretteerde voor Tirade mensen die ze ontmoet.