Het Licht, de Waarheid en de Weg

De gewaarwording dat het universum een plan met je heeft is het gevolg van onze drang om uit een chaotische brij van aangeboden stimuli regels te kristalliseren; om lijn te vinden in wat ons overkomt. 

Een instinct om opgedane ervaring te generaliseren naar andere situaties is aanwezig bij alle diersoorten die het hebben gered. 

Wie enig belang aan Darwin hecht, kan bedenken dat oerguppen die niet leerden om de grote gele snoek te mijden nooit de kans hebben gekregen om iets te worden wat op het land zou gaan lopen. Het nageslacht van die ene oergup die inzag dat het misschien beter was om alle grote vissen te mijden, slalomt nu Whatsappend op de fiets door de ochtendspits.

Dit zoeken naar generaliseerbare kennis, naar onderliggende regels, leidt ertoe dat we wat ons overkomt proberen te plaatsen; trachten onder te brengen in een te volgen lijn. 

Wat ik zeg is: dingen overkomen je zonder dat daar een bedoeling achter zit, en het gevoel dat ‘het allemaal zo heeft moeten zijn’ en er een master plan is, maak je zelf. Het bewijs hiervoor falsificeer je eigenhandig, door die gebeurtenissen te markeren die in je verwachting of hoop passen, en andere te negeren. Zo plegen we aan de lopende band fraude bij onze eigen werkelijkheidsvorsing. 

Dat was de lelijke manier om het te bekijken. Je zou ook kunnen zeggen dat we onze individuele werkelijkheid scheppen, lijn aanbrengen in ons eigen verhaal. Ieders levenswerk is dan het schrijven van dat verhaal, en het geloof waarin je je laatste adem uitblaast zal uiteindelijk waar blijken, al was het maar omdat er geen weerlegging volgen kan.

Gisteren werkte ik aan een hoofdstuk voor mijn nieuwe roman, die zich aan de westkust van de Verenigde Staten afspeelt. De hoofdpersoon is kok. Mijn laatste zinnen van de dag waren: 

Samen lopen we naar de keuken. Freddy heeft de deur opengezet. Onzeker zonlicht valt over de noppenmat, de tegels en het deksel van de vetafscheider. Ik haal de pen uit het slot van de koeling en schuif een groentekrat aan de kant. 

Ik sloot het document met het gevoel dat ik te vaak over licht schrijf. Ik opende het bestand weer, en ontdekte dat het woord ‘licht’ in dertig bladzijden tien keer voorkomt. Zeven keer in de betekenis van zichtbaar licht. Nu heb ik geleerd om in de schrijffase nooit aan mijn werk te twijfelen, maar toch knaagde het. Tot ik afleiding zocht op Tirade.nu en daar de dagcolumn Wat het licht doet van Menno Hartman las, waarin hij schrijft:

“Vanmorgen […] bedacht ik dat het misschien mogelijk is goede literatuur te definiëren als literatuur waarin de schrijver zich bewust is van wat het licht doet. Kijken is de belangrijkste bezigheid van de schrijver. Schrijvers die niet regelmatig of althans soms melden wat het licht doet, zijn minder goede schrijvers. Ik ga daar voorbeelden van verzamelen. Uiteindelijk hebben we weinig meer dan het licht in onze ogen, totdat we ook dat niet meer hebben.” 

Aanzienlijk opgebeurd besloot ik een rondslingerende Volkskrant te lezen, en meteen stuitte ik op een verhaal over een Scandinavische kunstenaar die een van zonlicht verstoken dorp in een gletsjerdal met behulp van spiegels uit het donker haalde.  

Misschien ken je Menno Hartman niet. Dat is jammer. Hij heeft een plan met je. Met ons allemaal, eigenlijk. 

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Wat het licht doet

Ik sluit niet uit dat ik een zak chips at, toen ik het dagboek van Anne Frank las. En chips hadden ze in Bergen Belsen niet.  Nu kun je mensen niet verwijten dat ze een leuke avond willen, maar je kunt je wel afvragen of een leuke avond hebben past bij iets als het dagboek van Anne Frank. Vroeg of laat krijgen de meeste mensen met lijden te maken, liever laat natuurlijk. Lijden is een elementair deel van leven. Zelf verkies ik het dagboek te lezen boven een avond op pluche en met gekonfijte parelhoen. Zoals ik verkies mijn Mattheuspassion, persing 1945 in de uitvoering van het Concertgebouworkest onder directie van Willem Mengelberg te beluisteren, op een houten stoel, zeven keer opstaan om een plaat te draaien,  boven een arrangementje met Leusink.  Om eerlijk te zijn haat ik alles waar je een arrangementje van kunt maken, het is een van de meest misselijkmakende woorden in de Nederlandse taal. Met op een mooie tweede plaats: ‘lekker genieten’.

Bach schreef schitterende muziek, maar ik denk inderdaad dat je die niet moet genieten, maar kaal ondergaan en trachten mee te voelen, mee te maken, en niet aan te zien of aan te horen.  Kortom, er iets van begrijpen. Het gaat om de afstand. De industrie rond de Mattheus staat mij net zo tegen als een musical over Anne. Waarom?  Waarom denk ik dat op een houten kerkbank zitten in een kleine kerk beter is dan in een riante zetel in het concertgebouw? Omdat je mee moet lijden? Waarom moet je een dagboek van Anne Frank lezen en niet in een theater ondergaan met spektakel? Omdat die zaken tegengesteld zijn aan de essentie van de inhoud. Het dagboek van Anne Frank gaat over geheimen van een meisje in bange oorlogstijd, over haar hoop en verwachtingen en onze wetenschap dat die gefnuikt zijn op brute wijze. De passie van Bach gaat over religie en overgave. Je kunt beter dat dagboek lezen, of Het verhaal van mijn leven van Levie de lange bijvoorbeeld, om er iets van te begrijpen. Misschien kun je ook beter rustig naar muziek luisteren in je eentje dan het Leusink theatraal uit zijn tenen te zien trekken. Bij het Erbarme Dich denkt Leusink aan zijn bankrekening en ik voel dat. (Snapt zo’n man niet dat je niet kunt twitteren dat de stille week begonnen is? ‘De stille week is begonnen in de uitverkochte @Martinikerk. Morgen om 18.15 interview Pieter Jan Leusink @eenvandaag pic.twitter.com/W7PDa1clHE)

Dat brengt mij op de zon. Vanmorgen toen ik deze foto maakte bedacht ik me dat het misschien mogelijk is goed literatuur te definiëren als literatuur waarin de schrijver zich bewust is van wat het licht doet. Kijken is de belangrijkste bezigheid van de schrijver. Schrijvers die niet regelmatig of althans soms melden wat het licht doet, zijn minder goede schrijvers. Ik ga daar voorbeelden van verzamelen. Uiteindelijk hebben we weinig meer dan het licht in onze ogen, totdat we ook dat niet meer hebben.

 

‘Wer hat dein Augenlicht,

Dem sonst kein Licht nicht gleichet,

So schändlich zugericht’?

 

 

ps Wat het licht doet is een prachtige dichtbundel van de ondergewaardeerde dichter Hans Tentije.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

De Chinese Muur – foetsie

I)       Met de heli

O, uitroep! O, exclamatio!… Kijk ’m nou toch es gaan die blije Art!… in z’n kekke, knalgele vliegmachientje!… hoppakee… wat gaat dat allemaal snel: ’t lijkt potverdorie wel alsof ie boven Madurodam vliegt!… De Randstad? Randdorp zul je bedoelen… Hopla… daar hebben we Amsterdam al… muren, wegen, daken, pleinen… Lekker geluidje die rotorbladen…

Bij de Amsterdamse stadsgrens heeft ie de gesp van z’n stoelriem al losgekoppeld en nu ie door de bolle voorruit van z’n vliegmachine De Rode Hoed kan zien liggen, stapt Art zo, hop, door dat grappige zijdeurtje z’n helikopter uit… ff een meter of zes van suizenstein – en met een judorol landt ie op ’t platte dak van het pand naast De Rode Hoed… een paar honderd meter verderop stort z’n heli met een vaartje van driehonderd kilometer per uur de Keizersgracht in… Ploetsj!… Net ’t losgeschoten bakje van een zweefmolen… Met hetzelfde gemak gooi je ’t in de afvalbak – da’s waar… alleen de meeste  afvalbakken en containers zijn een paar maatjes te klein voor de spulletjes die Art doorgaans afdankt…

Hij trekt een touw uit de zak van z’n jasje en abseilt langs de voorgevel van De Rode Hoed naar de Keizersgracht.

‘Ik heb een afspraak met de heer Kousbroek,’ zegt Art, binnen, tegen een dame achter een balie.

‘Nou, jij staat nog lekker in de werkstand,’ zegt zijn vrouw. Ze heeft de hele middag met haar zus gewinkeld in Utrecht en heeft zich juist bij hem gevoegd.

‘Ook goed, duifje.’ zegt Art. En tegen het meisje: ‘Geen zorgen! We vinden het wel!’ Hij trekt zijn vrouw mee naar de zaal.

De Quote schat Arts privévermogen op zevenhonderdvijftig miljoen euro. Toch heeft hij er nog altijd reuze veel schik in om zonder te betalen ergens binnen te komen. ’t Gaat om de sport hè? Niet om de knikkers.

Ze gaan in het midden van de zaal zitten. Vrij zicht op het spreekgestoelte en op de orgelpijpen daarachter. Art schikt z’n das, swipet nog wat over de display van z’n Smartphone. Zijn vrouw kijkt een tijdje om zich heen, vertelt Art dan welke celebritys ze allemaal heeft gespot in het publiek: ‘Wim Brands, Tilly Hermans, Martijn Knol, Simone van Saarloos, Judith Uyterlinde, Martijn Knol, Dirk van Weelden, Ivo Victoria, Roel Bentz van den Berg, Martijn Knol, Carel Peeters, Niña Weijer, Edzard Mik, Tijs Goldschmidt, Martijn Knol.’

‘Zegt me allemaal niks,’ zegt Art terwijl hij zijn telefoon in zijn binnenzak steekt, ‘het blijft een obscure business, de Nederlandse muziek.’

‘We zitten bij een lezing, Art.’

 

II) ‘Er zit een mens in’ – De Kousbroeklezing

Komt er in een publieksfilm een filosoof, een wiskundige of een musicus voor, reken er dan maar op dat hij of zij al dan niet gevaarlijk gestoord is. Zie ook Roberto Andò’s Viva la libertà (2014) dat donderdag in première ging. Waar woont, in die film, de bipolair gestoorde filosoof Giovanni Oliveri? In een gesticht. Precies waar het grote publiek kunstenaars, denkers en activisten graag ziet. Opsluiten die lui. Wees jij maar blij met je middelmatige hersenpannetje, vadsig bioscoopbezoekertje, want kijk es waar je terecht komt als je es echt ergens over nadenkt… IN HET GESTICHT! HAHAHAHAHAHAHA!

In het technologische/digitale tijdperk – like!, like! – is afwijken, kritisch denken lastiger, gevaarlijker, ongewenster – en dus gewenster – dan ooit. Apparaten en software worden door mensen gemaakt en gebruikt en zijn dus nooit waardenvrij. In zijn Kousbroeklezing sloopt Maxim Februari daarom De Chinese Muur die Rudy Kousbroek zag tussen dier en ding – tussen mens en techniek.

‘Mens, uitvinding en maatschappij zijn in het digitale tijdperk gaandeweg zo verknoopt geraakt dat technologiekritiek niet anders is dan maatschappijkritiek,’ stelt hij. Daarom is, in Facebookjargon, disliken net zo belangrijk als liken.

Maxim Februari’s Kousbroeklezing verschijnt in het komende nummer van De Gids.

 

III) Vertrek

Art is blij dat hij zich door zijn vrouw heeft laten overhalen de avond bij te wonen. Nanotechnologie, robots, drones, dataverzamelingen die achter de rug van het publiek met elkaar communiceren… hoe hij munt uit de jongste ontwikkelingen moet slaan weet hij nog niet, maar dat hij dankzij de Kousbroeklezing een paar business opportunities op het spoor is gekomen, staat vast… De consument is meer dan ooit bereid zich helemaal over te geven aan het bedrijfsleven… daar moet je van profiteren… Straks een paar jongens en meisjes van R&D op zetten… Art & echtgenote drinken snel een glas wijn en begeven zich dan naar de garderobe – over vier uur moet Art alweer op Schiphol zijn… Hij is even kwijt waar hij ook alweer naartoe vliegt…

Als ze vanuit de garderobe in hun donkere, wollen jassen de foyer in lopen, worden ze opgewacht door een jongen en een meisje. De jongen legt zijn vlakke hand op Arts schouder – absorbeert hem. Een druppel inkt die in een stuk keukenpapier verdwijnt. Het meisje legt haar hand op de schouder van de vrouw – absorbeert haar. Lachend lopen de twee richting uitgang.

‘Doet u mij deze maar,’ zegt het meisje tegen niemand terwijl ze in de loop een gebloemde paraplu uit een paraplubak trekt. Met haar vrije hand pakt ze de rechterhand van de jongen. Samen lopen ze naar buiten, de Keizersgracht op. Overal branden lampen. De maan staat aan de hemel.

‘Wat een mooie avond,’ zucht het meisje.

‘Om door een ringetje te halen,’ antwoordt de jongen.

‘Bijna volle maan.’

‘Oehoe!’

De jongen trapt het slot van een SpartaMet open en maakt vervolgens een rare draai met z’n bovenlijf om zonder z’n gun uit z’n schouderholster te hoeven trekken het discusslot open te blaffen.

‘Zo,’ zegt de jongen als het meisje achterop zit en ze slingerend de gracht afrijden, ‘zullen we es kijken of we in één van die poppenhuizen nog wat kunnen eten?’

 ——-

Tirade – overal. En nergens.

‘Huh?!’

Soundtrack: The Young Persons Guide to the Orchestra – Benjamin Britten/Henry Purcell.

‘Hé, wat leuk! Die muziek zit ook in Moonrise Kingdom!’

‘Dat is punten verdienen op de maandagochtend. De broodrooster komt jouw kant op, vriend.’

‘Wanneer?’

‘Nu. Vangen maar met die spastische handjes van je!’

‘Au!’

 Volgende week: Via Stockholm naar New York.

Foto-verantwoording

‘Er zit een mens in slimme apparaten, in robots, en in die laptop van u, die alvast door het bedrijfsleven is gehackt voordat u hem aanschaft,’ stelt Maxim Februari in zijn vierde Kousbroeklezing.  Foto Maarten Baas’ Grandfather Clock: Frank Tielemans.

Het kantoor van AM

Er begint soms een licht gespannen sfeer te ontstaan op mijn werk.

Zullen we het er wel over hebben.

Zullen we het er niet over hebben.

AM heeft een boek geschreven en het speelt zich af op een vage onderzoeksafdeling van Justitie. Niet ónze vage onderzoeksafdeling van Justitie, maar toch. Bij de koffieautomaat ligt een printje van de zomeraanbieding van de Arbeiderspers waarin mijn roman wordt aangekondigd. Er zit een geeltje op: dit is dus jouw medewerker, staat daarop. Geen idee wie dat daar neer heeft gelegd. Maar iedereen moet het zo langzamerhand gezien hebben.

Sommige collega’s vinden het leuk. Die feliciteren me. Maar niet iedereen zegt er iets over en sommige collega’s die eerder wel eens in mijn deurpost kwamen kletsen, mijden me, lijkt het.

Als secretaresse Joke taart van de Multivlaai uitdeelt voor haar verjaardag en iedereen aan het kletsen is, vallen alle gesprekken opeens stil als Harmen mij vraagt of er nou ook een publiciteitscampagne komt rondom mijn boek.

– Ehm, nee. Ik geloof van niet, zeg ik. Niet dat ik weet.

En ik zie argwaan in de ogen van mijn collega’s. Ze weet meer. Ze zegt het niet. Ze gaat ons voor schut zetten, afkraken, belachelijk maken. Op Facebook, op posters in de stad, bij Pauw en Witteman.

In het rookhok vraagt Indigo niet aan mij, maar aan mijn langharige collega Jos, of zij eigenlijk ook in het boek voorkomt.

– We komen allemaal voor in het boek van Anne-Marieke, zegt Monique voor iemand iets kan zeggen.

Dan zeg ik wel niets, denk ik. Beter ook. Want ik heb er niet echt een antwoord op. Iedereen komt er op een bepaalde manier in voor. En tegelijk ook niemand. Want je voegt mensen samen, of je bedenkt er dingen bij. De werkelijkheid is simpelweg niet geschikt om over te schrijven. En ik heb al gemerkt dat mensen zich ook herkennen in personages die ze niet zijn.

– Die Sander heeft wel opvallend veel weg van mij, zei toen-geliefde Jason.

– O ja? vroeg ik. Hoezo dan?

– Beste vriend van Jakob, flierefluiter, fotograaf.

– Maar jij bent toch geen fotograaf, zei ik. En geen flierefluiter, voegde ik uit beleefdheid nog toe.

Maar Jason had wel een creatief beroep. En hij was een verdienstelijk fotograaf, zei hij en begon te graaien in kasten en lades om die stelling te onderbouwen.

Ik wilde hem niet teleurstellen en het was ook best een goed idee. Ik heb Sander dus later nog wat trekjes van Jason gegeven.

Ik vind het lastig om in te schatten hoe mijn omgeving op mijn boek zal reageren. Mijn eerste gepubliceerde verhaal valt tot nu toe goed. Ik word gemaild en gebeld. Ge-appt, ge-sms’t. Ik mag het komen voorlezen op de sederavond van mijn joodse familie. Daarbij is ook oudtante Ellen aanwezig die nog Auschwitz overleefde. Vage oude vrienden mailen opeens, ik heb onverwachte bezoekers op mijn LinkedIn profiel. Mijn moeder belt haast huilend op dat er over me getwitterd wordt. En mijn manager sms’t net dat hij kippenvel kreeg en een brok in zijn keel.

Yess.

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

***FRAGMENT VERWIJDERD***

1-1, Chef. Sms’te ik terug.

Hij heeft mij ook wel eens aan het huilen gemaakt namelijk.

The Masks of Love

Nog 4 weken tot het Tirade liefdespoezienummer! Hier is mogelijk mijn lievelingsliefdesgedicht ooit:

 

The Masks of Love | Alden Nowlan

I come in from a walk
With you
And they ask me
If it is raining.

I didn’t notice
But I’ll have to give them
The right answer
Or they’ll think I’m crazy.

De Ruis

02 IMG_0113Eens per jaar rijd ik met mijn zoon naar de verste uithoek van ons land om daar een weekje te logeren. Hoewel Nadim – onlangs gestopt met middagslapen – zelfs op zijn beste dagen veel werk is voor twee ouders, kost hij mij in Zeeuws-Vlaanderen als tijdelijk alleenstaande vader nauwelijks moeite.

Dankzij de wifi in het witte huisje op de dijk gaat mijn werk gewoon door. De dagelijkse excursies naar zee, noch de ultrakorte nachten (geen gordijnen in Nadims kamertje) kunnen verhinderen dat ik hier zelfs meer gedaan krijg dan in de stad. 

Ik heb daar maar één verklaring voor: de afwezigheid van De Ruis. Je merkt het als je aankomt, de koffers in je auto laat liggen en met een koud blikje bier voor de deur gaat zitten luisteren naar het tikken van de afkoelende motor. Een slow-mo achterwaarts vallen, alsof een stellage van drukte je al die tijd op je tenen gehouden heeft. 

De ruis – volgens mij standaard onderdeel van het randstedelijk leven – merk je pas bij het wegvallen ervan.

Bedoel ik lawaai? Ja.

Bedoel ik iets overdrachtelijks wat anderen met behulp van het woord energie zouden proberen te benaderen? Ook.

Het contrast tussen situatie A (met ruis) en situatie B (zonder) moet niet te groot worden, want dan gebeuren er rare dingen. Zo reed ik ooit in één ruk in een vijftien jaar oude Ford Fiësta van Amsterdam naar Jutland, waar de familie van mijn ex-vriendin een houten huis aan een klein meer bezat. Voorafgaand aan die 800 rammelende kilometers had ik drie weken lang elke dag elf uur bediend in een van de drukste zaken van Amsterdam. Toen ik in Gråne aankwam hing er een enorme rookgele maan boven het spiegelgladde meer. Het huis had geen elektriciteit en de dichtstbijzijnde lantaarnpaal was twintig kilometer verderop. Kort en hard: de sensorische deprivatie (A-B) die mijn brein die eerste nacht in de grenen bedstee overviel, zette het ertoe aan een extreem levensechte trol naast mijn bed te produceren, die vervaarlijk grijnsde in het licht van mijn flakkerende aanstekervlam. 

Hier in Zeeuws Vlaanderen heb ik nog geen dingen gezien die er niet zouden moeten zijn. Er komt dan ook drie keer per dag een auto langs, en gisteren was zelfs de postbode aan de deur. Ik besloot geen grap te maken over zijn opvallend puntige oren.  

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Hans van Pinxteren"
    Hans van Pinxteren

    Hans van Pinxteren is dichter en vertaler

  • "Foto van Tim Veeter"
    Tim Veeter

    Tim Veeter

    Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.