Het volgende citaat hebben veel Amsterdammers paraat: ‘ Like all great travellers, I have seen more than I remember, and remember more than I have seen.’ Het citaat is van Benjamin Disraeli en hangt geschilderd op een muur over wel 20 m2 in de Pijp in Amsterdam.
Mijn jaren ´80 stonden in het teken van liften, waar het reizen aanging. Omdat ik de jongste van 5 kinderen ben, en de twee oudste in die periode veel op twee andere continenten verbleven, maakten mijn ouders zich over mij niet zo’n zorgen. Vanaf mijn 14 liftte ik. Eerst naar de grote steden nabij mijn dorp, later, toen ik aan het mislukken was op de middelbare school en al mijn vrienden al studeerden naar andere grote steden. En al snel door heel Europa. Ik ken geen mooiere manier van reizen. Het gevoel van vrijheid dat ontstaat doordat je niet weet hoe het zal gaan, waar je uitkomt, is onvergelijkbaar. Vaak blijft ook lang onbekend waar je zult slapen die nacht. Ik heb meer in vreemde talen gesproken in die tijd dan ooit daarna nog. Waaraan dacht ik die lange uren langs de snelweg? Aan Jung en Freud, dat is niet onmogelijk, want omdat ik op school aan het mislukken was, verkeerde ik in de veronderstelling dat je Freud en Jung in het Duits moest lezen. Ter compensatie. En aan seks, en een goede maaltijd, drank en sigaretten, getuige een lied dat we maakten in het Frans, ik zal het hier niet herhalen. Er waren dagen dat liften zo goed ging dat je een ondergrens kon instellen: dat je alleen maar je duim opstak bij een auto van boven de 50.000 gulden, of alleen als er twee dames inzaten. In Lübeck op weg naar Zweden werden we door een jong stel meegenomen die vervolgens vanwege het late uur niet vonden dat we nog verder konden. We sliepen in de woonkamer in een waanzinnig appartement en ´s ochtends schepten ze er behagen in ons een ongelooflijk ontbijt op bed te brengen. In Eger in Hongarije kregen we veel geld, bij een benzinestation nadat we geduldig over de glorieuze overwinning van Ischtwan op de Turken hadden geluisterd. Wandelend langs de snelweg in Luxemburg vond ik een koffer waardepapieren die later uit een roofoverval bleken te stammen, ik heb de Luxemburgse politie moeten tonen waar ik ze precies vond.
Een eng mannetje met witte handschoentjes heeft me laten zien dat je 270 km per uur kunt rijden, op weg naar München. Op de grens van Italië naar Zwitserland heb ik me helemaal laten uitkleden om te bewijzen dat ik geen drugs bij me had, ik had daar toen geen dubbele gevoelens bij. Ik heb een Spaanse vrachtwagenchauffeur zien huilen toen hij zijn hele levensverhaal aan me verteld had. Ik kon maar net wakker blijven. Dat ging veel makkelijker in een Duitse cel, nadat ik met twee stonede automobilisten een politieauto rechts over de vluchtstrook had ingehaald. De trappen van het station in Milaan slapen daarentegen weer heel redelijk, totdat die arrogante carabinieri je wakker poken met een ploertendoder.
Ik leefde in een wereld waarin niets mis kon gaan. Hoe kon dat nou? Ik heb absurde dingen meegemaakt in de overtuiging dat er niets mis kon gaan. Vreemd genoeg, in mijn herinnering eigenlijk vooral omdat ik wist dat mijn lot in handen van anderen lag.
Op een goede dag, toen ik 28 was, bleef ik staan in Parijs, waar ik misschien al wel 10 keer zonder enige moeite naar en van terug gelift was. Het was op, ze wilden me niet meer. Ik was te oud geworden, men zag aan me dat ik eigenlijk een kaartje moest kunnen willen kopen. De wandeling naar het Gare du Nord voelde als een vernedering: 28 zijn en al iets afgesloten hebben. Van de treinreis terug herinner ik me niets.
ps
Mijn twee beste reisboeken die een liftgevoel kunnen oproepen hoewel er niet zoveel in gelift wordt: De wegen der wereld van Nicolas Bouvier, Lubberhuizen, en De weg naar Oxiana, Robert Byron, Atlas.
Film: On the Road. (Jack Kerouac)


























Miek Zwamborn en Isa Hoes hebben – op een paar verschillen na – hetzelfde boek geschreven. In zowel De duimsprong als in Toen ik je zag, mijn leven met Antonie probeert een vrouwelijke vertelster in het reine te komen met het verlies van een overleden/verdwenen man. Beide boeken zijn gelardeerd met foto’s.
Het gaat niet goed met Antonie Kamerling. Zijn vrouw, Isa, wil weten wat er in hem omgaat. Ze vraagt het. Hij antwoordt (TIJZ, p. 252): ‘Dat wil je niet weten.’
Tirade – monter.
Toen ik voor de eerste keer ging praten bij de Bezige Bij, vroegen ze me of ik meer boeken ging schrijven, of het niet alleen bij die ene roman bleef die ze nu hadden gelezen. Ja, tuurlijk, ik ga meer boeken schrijven, dat is toch logisch? Maar heel logisch bleek dat niet te zijn; in 2004, het jaar dat ik debuteerde, waren er nog een stuk of zestig andere debuten, en van de meeste debutanten uit dat jaar zijn geen boeken meer uitgegeven.


Van 9 t/m 11 mei 2014 vindt in De Nieuwe Liefde, centrum voor debat, bezinning en poëzie, het eerste Amsterdam Poëziefestival plaats. Het festival en literair tijdschrift Tirade bereiden ter gelegenheid daarvan een Tirade special voor met als thema ‘Nieuwe Liefdespoëzie’. Het Tirade liefdespoëzienummer, Tirade 454, wordt gepresenteerd op de openingsavond van het festival: vrijdag 9 mei 2014.




