Hoe zou het met Bernd zijn?

De Filipijnen

Bernd was een Duitser  die we  ontmoetten op Malapascua, een bounty-eiland in de Filipijnen. Van dat soort eilanden zij er nogal veel. Het is werkelijk onmogelijk veel zinnigs te zeggen over een eilandenrijk; 7.000 zijn het er geloof ik en allemaal zo verschrikkelijk anders. Tot mijn spijt belandden we nooit op Palawan, het eiland waar de geweldigste dieren van de Filipijnen wonen. Over een ding waren we het na een eiland of 10 wel eens, de Filipijnse keuken is niet per se een van de betere. Dat is vreemd, want alle andere Aziatische keukens zijn nogal spectaculair. De Filipijnen wijken dan ook af: gekoloniseerd door Spanje, en vervolgens lang onder Amerikaanse invloed. Misschien meer Micronesië dan Azië.

Bernd vormde in zijn eentje met twee tafels een culinair atol. Op het kleine koraaleilandje, waar alle activiteit zich op het strand afspeelde – hutjes voor toeristen – bevond zich een halve kilometer landinwaarts (verder lopen zou je weer aan een strand brengen), het huis van Bernd, twee tafels op de veranda. Hij moet daar – als veel Duitsers – aan een vrouw zijn blijven hangen, maar haar zagen we nooit. Hij kookte werkelijk onweerstaanbaar goed. We leefden van een beperkt budget, dus we aten overdag  sinaasappels en mango’s en crackertjes om ’s avonds het diner bij Bernd te kunnen betalen. Voor vier mensen kookte hij dan, twee tafels voor twee personen, geen tweede shift, dat was alles.

Na alle kip adobeeen onbegrijpelijke specialiteit van het land – wisten we niet wat ons overkwam, en vooral begrepen we niet waar hij het allemaal vandaan haalde. Vermoedelijk kookte hij zoals zoveel eilanders uit een gigantische vrieskist die hij eens per jaar in Hamburg ging aanvullen. Maar de vis!

In 1983 las ik in F. Sionil José, Mis in Manilla, een uitgave in de Novib-bibliotheek waarop wij als echte ouderwetse vrijzinnig gereformeerde voorstanders van ontwikkelingshulp in die dagen geloof ik een abonnement hadden, voor het eerst over de Filipijnen. Ik vond het indrukwekkend, spannend, licht beangstigend. Toen ik later vanuit het beschaafde Hong Kong naar Manilla vloog was ik voor het eerst in mijn leven bang voor een land waarvan ik vrijwel niets wist. Het was onrustig en er waren net een paar Duitsters vermoord, dat scheelt natuurlijk.

Reizen over de Filipijnen was allereerst een reis in de tijd, ik ben een aantal maanden in het Amerika van de jaren vijftig geweest, fastfood restaurants waar in lichtblauw geklede meisjes op rollerskates bedienden, de jukebox in de hoek schalt rock ’n roll. In de kleurige jeepnies klatert dezelfde muziek je toe. In het noorden, op Luzon liep ik door een dorp dat uit voornamelijk houten huizen met veranda’s onder pijnbomen bestond waar de kleurige bordjes stonden in de versgemaaide gazons: ‘Sagada, Winner of the Clean and Green Contest.’

De tyfoon woei over Malapascua heen voordat hij aan land ging in Leyte. ‘Just because you have so much to give does not mean that it’ll all be accepted. There’s more to giving than just giving’ schreef Sionil José.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

In de Oorshop

W.F. Hermans en Jacques Gans

Ik bladerde door het register van Boze brieven van Bijkaart, een boek dat ik vorige week op het Waterlooplein kocht. Daarbij stuitte ik onder andere op de lemma’s ‘Lutjebroek, Geheime Landheer van, zie Reve, G.K. van het’ en ‘Volksschrijver, Nederlands Meest Miskende, zie Reve, G.K. van het’.
            Via het register kwam ik ook op een stuk van Hermans dat ik ooit al eens had gelezen maar daarna nooit meer kon terugvinden. Het gaat daarin over Hermans’ poging om in een café te schrijven. Aan het begin van zijn carrière dacht hij nog dat dat hoorde bij het romantische bestaan van een schrijver.
           
De schrijver door wie hij vooral op dat idee was gebracht, was Jacques Gans, iemand die in de woorden van Simon Carmiggelt ‘sinds jaar en dag de gewoonte had, de beschaving op de tenen te gaan staan’. Gans had het namelijk in een van zijn stukken over zijn ‘schrijfcafé’ gehad en die term had grote indruk op Hermans gemaakt.
            ‘Schrijven in een café – nou, het sprak toch zeker vanzelf dat dit iets was dat je alleen in een Parijs café echt kon doen!’
            In 1949 ging Hermans naar Les Deux Magots en in de rest van het stuk gaat het uiteraard over de mislukking waar deze onderneming op uitliep. ‘Ik kon me niet meer voorstellen dat iemand echt in een café ging zitten schrijven,’ schrijft Hermans, ‘zolang hij nog ergens een dak boven zijn hoofd had. Ik zou het nooit meer doen.’
            Aan het einde van dit stuk deelt hij nog een sneer uit aan degene die hem op het idee had gebracht: ‘Zijn [Jacques Gans’] boeken zie je nergens meer, geloof ik. En als ik het wel heb, schreef hij trouwens bijna niets bijzonders.’
            Hermans schreef dit in 1976. Dat Hermans hier doet alsof hij niet precies wist hoe het zat met die Gans en zijn literaire werk, is opmerkelijk als je de voorgeschiedenis kent. Hermans was in de periode dat hij in Les Deux Magots ging proberen te schrijven juist heel erg geïnteresseerd in Gans. (Wat natuurlijk alleen al blijkt uit het feit dat hij Gans’ schrijfgewoontes probeerde te kopiëren.) Hij schreef niet één maar twee lovende recensies over Gans’ briljante roman Liefde en goudvissen. En hij voerde Gans als personage op in zijn novelle Hermans is hier geweest.
            Gans maakte zich onmogelijk bij Hermans door in 1955 partij te kiezen voor Adriaan Morriën in diens ruzie met Hermans. Hij noemde hem bovendien een ‘ietwat blauwige treiterige kwal’ en hij verweet hem ‘wezenloze lafheid’ tijdens de rechtszaak over Ik heb altijd gelijk.
            Hermans sloeg terug met – helaas voor Gans – een van de beste stukken uit Mandarijnen op zwavelzuur. Volgens zijn biograaf Willem Maas moest Gans zelf ook lachen om dat stuk.
            Mede door Hermans’ publieke vernietiging van Gans is diens roman Liefde en goudvissen een van de meest ondergewaardeerde boeken uit de Nederlandse literatuur geworden.
            Jeroen van Kan is bij VPRO Boeken begonnen met het project Boekencast: een programma waarin mensen vertellen over een boek dat grote indruk maakte maar dat tamelijk onbekend is. In december vertel ik over Liefde en goudvissen. Jeroen schreef alvast een blog over Gans en over zijn oom Ed van Kan, die net als Gans ‘het zwerven niet kon laten’.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Rozen verwelken, schepen vergaan – maar schoonheid op film: blijft altijd bestaan

Onlangs – na afloop van Gilles’ publieke en toch ook érg intieme tête à tête met jubilerend collega Renate Dorrestein – hadden Menno en ik het over film, over de kunstfilm. Hoewel ik niet één Ultieme Lievelingsfilm koester, breng ik tijdens zulke conversaties wel vaak/graag Jacques Demy’s Les parapluies de Cherbourg (1964) ter sprake, een film die al jaren in mijn Top Tien staat*. Les parapluies is – met, onder meer, Polanski’s Repulsion (1965) – een van de redenen waarom ik de carrière van Deneuve ben gaan volgen.

Film: Elle s’en va (ESEV).

Starring: Catherine Deneuve.

Regie: Emmanuelle Bercot.

Genre: richtingloze road movie die overgaat in Franse variant op Boer zoekt Vrouw. En daartussen zijn we nog op bijna documentaire wijze getuige van een streekfeest en een Miss Frankrijk 1969 reünie.

Verhaal: ‘Je suis une femme amoureuse qui est trahi!’ Na een hoop gezeik eindigt een gefailleerde restauranthoudster op een boerderij. En vallen me daar alle puzzelstukjes toch in elkaar zeg!

Een boerderijtje met rozen langs de gevel… een zwijgzame, norse man met gorilla-look en een keuken met alles erop en eraan… Wat wil een vrouw nog meer heden ten dage?

‘Een hartsvriendin om 24/7 mee te roddelen?’

‘Dat reken ik goed. Maar hou d’r verder je grote bek over, anders heb ik straks Margriet van der Linden weer aan m’n reet hangen.’

Cut to the chase.

Eindoordeel ESEV: totale crap. Één wagenziek, in een korenveld overgevend jongetje (1/5).

‘Mag ik nog iets vragen? Tegen het eind van ESEV, als Deneuve en die boer voor het eerst zoenen bij de voordeur, doen ze heel erg aan verliefde tieners denken… ook als hij haar hand pakt en ze in het struikgewas verdwijnen… Vond je dat niet een beetje raar?’

‘Goed gezien… De suggestie is dat Deneuve zojuist een trauma heeft verwerkt… De psychologische grid van de film is deze: als twintiger, toen ze Miss Bretagne was, heeft Bettie (Deneuve) haar grote liefde verloren bij een auto-ongeluk… vandaar die paniekaanval als ze op de snelweg moet uitwijken voor een ambulance… Tijdens de fotoshoot die deel uitmaakt van de reünie van Miss Frankrijk 1969 valt Bettie flauw en ontmoet vervolgens, in het ziekenhuis, die oude boer. We moeten hem zien als een soort (reïn)carnatie van die verongelukte jeugdliefde… Na meer dan veertig jaar stasis kan Bettie ‘de draad van haar leven’ weer oppakken… haar trauma is verwerkt, in haar hart is weer plek voor een nieuwe Grote Liefde.’

‘Prettig geregeld.’

‘Zo gaat dat in de mainstream cinema.’

‘Champagne!’

‘Dankzij haar kleinzoontje lijkt ze zich zelfs weer te verzoenen met haar lelijke, agressieve dochter. All is well that ends well. En oma Bettie leeft dan misschien niet heel lang meer, maar wel heel gelukkig.’

‘Nog meer champagne godverdomme!’

‘…’

‘Moeten we het nog over Deneuve de actrice hebben? Vind je haar nog een mooie vrouw?’

RapapaRapapaRapapa… Tjing-BOEM!

Ik zou ook nog iets schrijven over Freek de Jonge’s Circus Kribbe. Wat moet ik ervan zeggen? De voorstelling combineert elementen van de historische roman, het sprookje en de conference… de teksten zijn tot een modernistisch geheel gestructureerd en worden gebracht door Freek de Jonge, dus je hebt een schitterende avond. Eindoordeel: vier op de kerkdeur bonzende beren (4/5).

Tirade – beknopt waar het kan.

Soundtrack: Ik kom altied terug.

Volgende week: tekst, tekst en nog eens tekst.

Noten

*Net als Robert Rodriguez’ Desperado (1995), maar dat is om haartechnische redenen.

Schrikkeljaren

Toen ik een jaar of 15 was begon ik opschrijfboekjes bij te houden. Daarvoor schreef ik ook al wel, maar vooral op de computer, en op een gegeven moment was het tijd voor ‘het echte werk’. Ik wilde tenslotte schrijfster worden, dus kocht ik in de plaatselijke hobbywinkel het mooiste schriftje dat ze hadden: harde kaft, leeslint, geen kantlijn – en schreef alle gedichten waar ik op dat moment mee bezig was er in over. Het voelde alsof ik vanaf dat moment een boek had, en een boek heeft een titel nodig.

Na lang peinzen noemde ik mijn boek zeer tevreden ‘Schrikkeljaren van een waterlelie in spé.’

Inmiddels kan ik er wel om lachen, maar in de daaropvolgende jaren heb ik me behoorlijk geschaamd, want het is natuurlijk een vreselijke titel en iemand die zo’n soort titel bedenkt is mogelijk een slecht mens, of toch in ieder geval een slecht schrijfster. Overigens paste de titel zeer goed bij de inhoud van het boekje, die net zo pretentieus en pompeus was (ik citeer uit het gedicht ‘Schrikkeljaren #2’: Vervreemd me en verdrijf uit mij de zondebok, / maar bovenal: verblijf in mij,// opdat ik in je leegte stuip kan trekken / en bij de gekken vrijheid vind. // Omdat je medicatie bent die ik / vrijwillig over wil doseren. // Dit abstraheren is de rode draad / tot strop of strik verdoemen. // Van het leven leren is je dagboek / wet van Murphy noemen.) Ik ben nu eenmaal iemand met een prima gevoel voor dramatiek, dat was toen niet anders, dus ik begrijp ook wel een beetje waar het vandaan komt.

Ongeveer tegelijkertijd bedacht ik dat als ik ooit echt een boek uit zou geven, ik een pseudoniem zou gebruiken. De achternaam die ik aan zou nemen zou ‘Stokkvågen’ zijn – naar een klein plaatsje ergens aan de kust van Noorwegen waar ik nog nooit geweest was, maar waar ik wel een tijdlang een behoorlijke obsessie mee had, omdat ik de naam zo mooi vond, en de resultaten van google images desolaat waren overeenkomstig mijn melancholische stemmingen, en omdat ik sowieso een lichte obsessie had met Noorwegen. Deze plaatsnaam was na een random pinpoint op de landkaart die op mijn kamerdeur hing naar voren gekomen. Bij gebrek aan boek noemde ik vervolgens al mijn neopets ‘Stokkvågen’ of een verbastering daarvan (Stokkie, Stokvaagje, Stokkva) en ook prijkte het woord ongeveer een jaar lang in mijn MSN-screenname. Uit principe gebruikte ik in die tijd geen smilies op MSN, dat vond ik oppervlakkig.

Dit alles om maar aan te geven dat een mens anders tegen dingen aan kan gaan kijken, al helemaal gedurende haar puberteit (gelukkig maar). Maar aangezien ik er vanuit ga dat ik de rest van mijn leven minstens evenveel ga veranderen als ik van mijn 15e tot aan nu deed, ben ik soms opeens bang dat de (titel)keuzes die ik nu maak me over 50 jaar net zo idioot gaan schijnen als de eerste titel die ik ooit bedacht. Het verzinnen van een titel is heel moeilijk – Merijn schreef daar onlangs een leuk stukje over. Gelukkig zijn er nu mensen die meedenken en indien nodig aan de bel trekken, dus ik denk wel dat ik met een gerust hart kan zeggen dat mijn volgende bundel, die ergens de komende maanden uit moet komen, ‘De eerste letter’ gaat heten.

Mijn leven met Martijn Knol

imagesSinds Martijn Knols post van 21 oktober, wordt me van alle kanten gevraagd wat onze gezamenlijke geschiedenis nu precies is. Een van mijn minder literair onderlegde vrienden zei zelfs recht voor zijn raap: ‘Wat heb jij met die weerman uitgevreten?’

Omdat ik een (met een vrouw) getrouwd man ben, en mede daardoor het een en ander hoog heb te houden, wil ik hier het begin van een eind maken aan alle speculatie. Wat zich tussen Martijn en mij afspeelde heeft geen dag langer geduurd dan onze tijd samen bij het Corps Mariniers*.

Stel je voor dat je in alle maanden van training, manoeuvres en Backgammon alleen maar kortgeschoren mannen te zien krijgt. Overal waar je kijkt: stekelkoppies, gladgeschoren wangen en onuitgeknepen puisten. In elke locker de heilige drieëenheid van 8×4De Vergulde Hand en Colgate Bi-fluor. De vroege jaren negentig hadden nog zo weinig te bieden voor de zichzelf respecterende man.

Enter Martinus Eleonora Bethesda Knol**. Vanaf het moment dat hij door het uitvallen van mijn slapie Benny Zeewolde de brits onder de mijne betrok, voelde ik hoe de door mijn ouders uitgezette koers die uiteindelijk had moeten leiden tot een hoge functie bij de strijdkrachten heel geleidelijk zijn noorden verloor.

De deur van onze barak ging open. Knol kwam binnen en marcheerde – de trotse borst naar voren – in een rechte lijn naar de hem toegewezen locker. Terwijl ik deed alsof ik mijn Playboy las, tuurde ik naar deze jonge korporaal eerste klas, die met Japanse precisie een welhaast eindeloze hoeveelheid haarproducten uit zijn duffel haalde en in een net en schijnbaar alfabetisch gelid in zijn locker opstelde. Meteen werd ik zijn dwingende invloed gewaar: de woorden ‘welhaast’ en ‘schijnbaar’ waren voor die dag nog nooit in me opgekomen. Laat staan het woord ‘gewaar’.

Maar op wat nu kwam was ik als jonge jongen, al veel te lang uit zijn Brabantse moeders armen weg, absoluut niet voorbereid. De korporaal deed een stap terug, rechtte zijn rug, stiet de hakken met een vette klik opeen en salueerde zijn haarproducten. Ondanks de gruwelijke klap die mijn val op de plankenvloer veroorzaakte keek Knol niet om. Hij leek het zelfs niet gehoord te hebben.

‘Op de plaats rust!’ schreeuwde hij tegen zijn spiegelbeeld, en zette zijn benen op schouderbreedte uiteen. Opeens had hij de aandacht van alle leden van ons peloton. Korporaal eerste klas Martinus Eleonora Bethesda Knol nam zijn baret af en schudde zijn hoofd zoals ik alleen de meest nobele volbloed-Arabier bij de manege achter mijn ouderlijk huis had zien doen. De donkerbruine krullen vielen schier eindeloos als in een geloopte installatiekunstvideo over zijn tengere schouders.

Het was zo’n overweldigend schouwspel dat ons peloton de adem collectief inhield. De grote klok boven de deur van de barak tikte droog zijn seconden weg terwijl wij ons vergaapten aan de glinstering, de pracht, de diepdonkerbruinheid van ’s korporaals lokken.

Pas later zouden we er – met hulp van de immer onzelfzuchtige Knol – achter komen hoe een vrijstelling alternatieve haardracht op religieuze gronden (in ruil voor bepaalde diensten) geregeld kon worden bij de stafsergeant.

Maar daarover een volgende keer.

 

* Overigens ten onrechte door Knol gespeld als Korps Mariniers

** Ja, dit is zijn echte naam

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Eerlijke slechteriken

Het tweede deel van de memoires van Theo Kars, verscheen recentelijk bij de prachtuitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep– over welke uitgeverij dezer dagen God zijn beschermende hand moge uitstrekken.   Kars is op tweederde gevorderd met Memoires van een slecht mens dat toch betrekkelijk zeldzaam is in de Nederlandse literatuur:  memoires namelijk van een schrijver. De aanleiding die Kars kan hebben gehad dit werkstuk aan te vangen is dat hij een goed deel van zijn leven ondergedompeld is geweest in de vertaling van memoires, die van Giacomo Casanova namelijk en dit heeft onwillekeurig invloed op hem gehad. De libertijn die Casanova was wordt in deze eeuw nagevolgd door de amorele optimalisator van zijn eigen geluk: Kars. Want dat is wat Kars beweert te doen: eerlijk en zonder morele overweging zijn geluk en genot optimaliseren. Maar hij staat zichzelf daarbij oogkleppen toe, een restje waarschijnlijk van zijn religieuze opvoeding die hem uiteindelijk niet ten diepste toestaat amoreel te zijn, hij blijft het voelen als immoreel. Het zijn deze oogkleppen die de zwakte in het boek vormen.

Amoraliteit is een opluchting in een ‘normen en waarde’ cultuur als de onze die ons tot zeer recent van bovenaf werd opgedrongen, slijmsijs Balkenende wenste er zelfs een nationaal debat aan te wijden.

Bij egotisten weet men veel beter wie men voor zich heeft. Afgezien van het totale gebrek aan humor van het boek (want grappige egotisten zijn dan weer een zeldzaamheid) is het een baken van duidelijkheid. ‘How I did it’. Maar literatuur en duidelijkheid hebben niet per se zoveel met elkaar te maken wanneer duidelijkheid vooral rechtlijnigheid is. Kars blijft toch teveel de boekhouder van zijn naar eigen oordelen geniale repliek op de eisen van de buitenwereld.

Dan is de normatieve  kracht van Nicolò Machiavelli van geheel andere orde: ‘Hoe het te doen.’ Kars en Machiavelli delen hun expliciete amoraliteit, en bij Machiavelli voelt dat echt als een opluchting. In een klein boekje uit 1987 van wederom de prachtuitgeverij Athenaeum, Polak & Van Gennep schrijft vertaler en inleider Frans van Dooren (Martinus Nijhoffprijs 1990) over de amoraliteit  in De Heerser die eeuwenlang voor immoraliteit is aangezien. En dat verhinderde een goede lezing van het boek. Hoe amoreel ben ik dat ik met een zucht van verlichting kennisneem van dit machtspolitieke denken dat meer ronduit is dan ik ooit waarnam: ‘Om het bezit te waarborgen, is het voldoende dat men het geslacht van de vroegere machthebbers uitroeit.’ en ‘Iemand die dit soort gebieden verovert en wil behouden , moet twee dingen terdege in de gaten houden, in de eerste plaats dat hij de familie van de vroegere heerser moet uitroeien en vervolgens dat hij noch in de wetten, noch in de belastingen veranderingen mag aanbrengen.’

‘De tweede oplossing (voor het vestigen van een nieuwe heerschappij) , die nog beter is dan de eerste, is het stichten van kolonies op een of twee plaatsen, die als het ware de punten zijn die dat gebied vastkluisteren. Want het is noodzakelijk òf dit te doen, òf er troepen soldaten te legeren. Kolonies kosten niet veel geld, en de heerser kan ze stichten en in stand houden zonder dat hij er iets voor uitgeeft, of hooguit een klein bedrag. Hij benadeelt alleen maar degenen van wie hij landerijen en huizen afneemt om ze aan de nieuwe bewoners te geven.’

Klare taal. En verderop: ‘In verband hiermee moet opgemerkt worden dat men de mensen òf moet strelen òf moet uitroeien. Want iemand die licht wordt aangepakt wreekt zich terwijl iemand die zwaar geweld wordt aangedaan zich niet meer kan wreken.’

De grote Italiaanse mediakrijgsheer Berlusconi heeft door een gebrek aan concentratie het boek maar tot en met hoofdstuk 18 gelezen (maar dan wel heel goed).

In hoofdstuk 19 had hij kunnen lezen hoe je als heerser kunt vermijden  dat je veracht en gehaat wordt. Maar toen kwam de kapper om zijn toupetje te verven.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Marian van der Pluijm"
    Marian van der Pluijm

    Marian van der Pluijm (1997) is historica. Momenteel woont ze in Boedapest, waar ze Hongaarse Taal en Cultuur studeert. Voor VPRO-radioprogramma OVT maakte zij een documentaire over de Hongaarse dichter Miklós Radnóti. Zondag 7 november werd de documentaire uitgezonden op NPO Radio 1.

  • "Foto van Femke Lucia"
    Femke Lucia

    Femke Lucia (Bogota, 1998) is een eerlijke schrijver, die realistische, menselijke verhalen in een magisch daglicht zet. Ze schrijft omdat ze gelooft in de kracht van verhalen en hecht veel waarde aan gemeenschappelijkheid, haar voorouders en Latijns Amerikaanse muziek. Ze bevindt zich in een zoektocht naar de vorm en betekenis van het schrijverschap, en laat zich daarbij leiden door haar eigen ritme en intuïtie.

  • "Foto van Koen Dobbelaer"
    Koen Dobbelaer

    Koen Dobbelaer (2000) is schrijver, scenarist en voormalig kindacteur. Deze zomer studeert hij af van de studie Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht met het filmscenario Een Film Over Familie, een absurdistisch drama over de drang naar maakbaarheid. Dit najaar verschijnt de door hem geschreven film De Laatste Dag in het Leven van Walterus.