Angst voor de angst

harbour1Twee weken geleden belandde ik na een zeiltocht per ongeluk in het stadje Lowestoft aan de Engelse kust. Het is niet een plek waar een mens graag belandt. Terwijl we de haven binnenvoeren en ik de grauwe huizen op de kade zag staan, had ik het liefst onmiddellijk weer rechtsomkeert gemaakt. Maar het stormde op zee en wegvaren was geen optie. Voor minstens een dag en een nacht zaten we vast in Lowestoft.
            Onze bedoeling was om van IJmuiden naar Londen te varen maar door de zuidwestenwind haalden we dat niet. Windkracht zes blies ons naar dit deprimerende stadje en we konden er niets tegen doen.
            Terwijl ik met een paar lotgenoten van de boot stapte en op zoek ging naar een pub, dacht ik eraan hoe het zou zijn om op dat moment door Londen te lopen. Hoewel ik de charme van Londen nooit heb ontdekt, en eigenlijk ook niet zo goed begrijp waarom mensen erheen zouden willen gaan, leek het me in vergelijking met Lowestoft zoiets als een walhalla.
            Op straat was nagenoeg niemand te bekennen. We struinden langs het verlaten station, door de verlaten winkelstraat en over een verlaten stadsplein. Veel winkels en cafés stonden te koop. Veel gebouwen waren bouwvallen geworden of stonden leeg. Twee keer liepen we een pub binnen maar daar was verder niemand te bekennen, zelfs geen personeel, dus we liepen maar weer naar buiten. Uiteindelijk bleek The Harbour Inn, inderdaad tegenover de haven gelegen, nog de beste plek om het uit te houden in Lowestoft.
            Tijdens mijn zoveelste regional ale, die me moest helpen vergeten dat ik hier was, dacht ik aan Gerard Reve die in de jaren tachtig aan deze zelfde Engelse kust, maar zuidelijker, een huis had. Het heette Sea View maar die naam moest met een korreltje zout genomen worden, aldus Nop Maas in zijn Revebiografie. ‘Volgens logés was slechts vanuit één vertrek, met enige moeite een heel klein stukje zee te zien.’

Pas afgelopen week realiseerde ik me dat er een tijdje geleden in Tirade een stuk stond van Joris van Casteren over ditzelfde gebied. Het gaat daarin ook over Lowestoft, of eigenlijk over hoe hij nooit in Lowestoft aankwam.
            ‘Het glas van Casanova’ is een verslag van een fietstocht die Van Casteren samen met zijn driejarige dochter maakte langs de kust van het graafschap Suffolk. Aanleiding is het boek De ringen van Saturnus van W.G. Sebald. Van Casteren gaat op zoek naar de locaties die erin beschreven worden. Hij is met name door Sebald gefascineerd vanwege diens verlammende angsten. Die werden door ogenschijnlijk onbeduidende voorvallen geactiveerd en deden bij Sebald de vrees ontstaan om voorgoed het verstand te verliezen. Van Casteren herkende dat. ‘Angst voor de angst was vrijwel permanent aanwezig,’ schrijft hij. ‘Sebald raakte tijdens zijn omzwerving door Suffolk verschillende keren in de hoogste staat van paniek. Ik hoopte op een helende werking als ik de plaatsen zou aandoen waar zijn angsten zich hadden voorgedaan.’
            Een van die plaatsen was Lowestoft. Sebald verorberde er een vis, staat in het stuk van Van Casteren, die ‘beslist al jaren in de diepvrieskist begraven had gelegen’. In het stadje woonde vroeger Frederick Farrar, een vriend van Sebald, die met een aansteker, tijdens een wandeling door zijn tuin, zijn kamerjas en daarmee zichzelf in brand had gestoken.
            Van Casteren hoopte het huis van Farrar te zullen vinden maar hij kwam nooit in Lowestoft aan. Het weer was slecht en zijn dochter lag te verkleumen in het zitje. Uiteindelijk strandden ze in East Bergholt, even onder Ipswich, nog een heel eind van Lowestoft vandaan. Het radeloze van deze mislukte fietstocht langs de kust van Engeland wordt erg mooi beschreven. ‘Terug in Amsterdam,’ schrijft Van Casteren, ‘besefte ik dat ik dieper dan ooit in Sebalds universum was doorgedrongen.’

In de Oorshop

Dichters, denkers, kunstenaars – They’re simply plundered for slogans

dead poetsA believable family has seemed as hard to get on film as a believable intellectual or university classroom (difficulties no doubt magnified by the backgrounds of the people who used to make movies),’ schreef Stanley Cavell in 1971 in The World Viewed, reflections on the ontology of film*.

Voor wat betreft het verbeelden van het gezinsleven – families, samengestelde families – heeft Hollywood/hebben de independents de afgelopen vier decaden vorderingen geboekt. Maar kun je hetzelfde beweren over het adapteren van de levens en ideeën van intellectuelen, kunstenaars en wetenschappers?

Vaak geldt, wat mij betreft, ongeveer wat de onlangs overleden filmcriticus Roger Ebert over Peter Weir’s Dead Poets Society (1989) schreef:

The film makes much noise about poetry, and there are brief quotations from Tennyson, Herrick, Whitman, and even Vachel Lindsay, as well as a brave excursion into prose that takes us as far as Thoreau’s Walden. None of these writers are studied, however, in a spirit that would lend respect to their language; they’re simply plundered for slogans to exort the students toward more personal freedom. At the end of a great teacher’s course in poetry, the students would love poetry; at the end of this teacher’s semester, all they love is the teacher.’*

Films maken is duur. Om de investeringen terug te verdienen moeten zoveel mogelijk mensen een film kunnen waarderen. Daarom gaan publieksfilms over ‘mensen’ en over menselijk drama, zelden over ideeën. Hoe herkenbaarder, hoe beter.

Hoge cultuur kan lage cultuur absorberen, pasticheren, parodiëren en becommentariëren, maar lage cultuur kan alleen maar lenen van hoge cultuur. Lenen en versimpelen, populariseren.

Het grote publiek bewondert graag – bewondering is het proces waarbij je je verantwoordelijkheid overdraagt aan je idool, hem of haar het werk laat doen dat je zelf zou moeten opknappen en waarbij je dankzij identificatie meedeelt in de triomfen en successen van dat idool.

Het opwekken van herkenning en bewondering vormt ook de artistieke kern van de biopic over Hannah Arendt die nog in de bioscopen draait.

Ik zag de film een week of vier geleden. En ik had een prima avond – vooral dankzij de art direction. Hoewel Hannah Arendt als filosofisch, hagiografisch/biografisch of cinematografisch werkstuk niet zoveel voorstelt – ik betrapte mezelf zelfs bij herhaling op observaties als: ‘lamswol en borsten… wat is dat toch een mooie combinatie’  – valt het met de persoonsverheerlijking in HA best mee. Best is dan: relatief. Voor het genre van de biopic.

Alle duiding, discussies, analyses en pathos in Hannah Arendt zijn aan mij niet besteed – om over scènes van Hannah met haar leermeester en minnaar Martin Heidegger vooral te zwijgen – en eigenlijk was ik helemaal niet van plan iets over de film te schrijven.

Maar uiteindelijk blijkt er toch één sequentie in mijn goudzeef te zijn achtergebleven:

En dat is die waarin Hannah van haar werkkamer naar de hal loopt omdat haar man hun appartement (NYC) wil verlaten zonder haar ‘een kus of knuffel’ te geven. Nu Hannah hem daarvoor – bij de voordeur – speels ter verantwoording roept, voert hij ter verdediging aan dat hij haar niet wilde storen in het werk aan haar artikelen/boek over het Eichmannproces (dat zij in 1961 bijwoonde in Jeruzalem). Zij antwoordt: ‘Zonder kus kan een filosoof niet denken.’

En de zaal denkt: zonder kus kan niemand denken. Zonder liefde is de aarde een onbewoonbare planeet.

Maar als het goed is wist je dat al voordat je de bioscoop inliep of voordat je door dit stukje begon te scrollen.

Hé… zit ik hier nu zonder dat ik het zelf in de gaten heb verdomme een pleidooi voor tuttigheid te houden?

Tijd om te moven.

De zon schijnt: ik peer ’m.

Tirade – wat nou slogan?

 Soundtrack: ach, donder toch op met je ‘soundtrack’.

 Volgende week: bagagedrager met appelboompje – over het verhuizen naar een nieuwe moestuin.

hannah arendtOeps… de feiten nog even op een rijtje. Film: Hannah Arendt; Genre: hagiografie; Regie: Margarethe von Trotta; Eindoordeel: twee ongecontroleerd, want tijdens een hersenbloeding, omgemaaide zitkamerstoelen (2/5).

 *Stanley Cavell, The World Viewed, reflections on the ontology of film, Harvard University Press, Cambridge (VS)/London (GB), 1979/1971; p. 50).

 *Roger Ebert, I Hated, Hated, Hated This Movie, Andrews McMeel Publishing, Kansas City (2000, p. 89). 

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Integriteitsverklaring

“Het hoofdbestuur wil er geen enkele twijfel over laten bestaan dat de VVD integriteit beschouwt als een sine qua non voor allen die onze partij vertegenwoordigen.”

Aldus Benk Korthals op het VVD-congres in Maarssen. Hij wil dat alle politiek actieve VVD’ers een integriteitsverklaring tekenen. Leden moeten er desgevraagd een beetje om lachen. Ze zien de verklaring vooral als een statement naar de kiezer. En ze hebben gelijk: integriteit is geen vaststaand goed, maar een oefening. Wie integriteit toezegt, kan alleen beloven om zichzelf voortdurend te toetsen, en dat is iets anders dan een resultaat-belofte. De sporter die zijn coach belooft om te winnen, kan alleen zweren dat hij zijn uiterste best zal doen en dat hij er keihard voor zal trainen. Zodra hij zijn succes wel 100% kan verzekeren, komen er fraude, doping of omkoping aan te pas.

Ook in de literaire wereld werd gister om een integriteitsverklaring gevraagd. Op Twitter ontstond een korte discussie (een korte Twitter-discussie: is dat een pleonasme?) over de uitreiking van de Jan Hanlo Essayprijs aan critica en schrijfster Marja Pruis, en dan vooral de integriteit van jurylid Xandra Schutte werd bevraagd. De literatuurwebsite Tzum lichtte een interview uit waarin Trouw aan Schutte vraagt of het niet vreemd is dat zij, als hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, een prijs uitreikt aan Pruis, medewerker van haar blad. Kan zij niet in een belangenconflict komen bij de jurering? Schutte: ‘Ik vind de vraag insinuerend, ik ga hier geen antwoord op geven.’

Later reageerde juryvoorzitter Margot Dijkgraaf:

 

Een antwoord dat volstaat, al had Schutte dit ook aan de krant kunnen vertellen.  

Daan Stoffelsen, winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs Klein (en voor de wantrouwenden: dus niet onpartijdig jegens de jury) twitterde geheel terecht: ‘toch is de vraag idd insinuerend: hij spreekt een wantrouwen uit dat niet rationeel te weerleggen is.’ 

Integriteit is nooit 100% te bewijzen. Smaak is immers ook geen belangeloze bedoeling, een aangeboren gift. De kunstcriticus is altijd verstrengeld  – met zijn opleiding, achtergrond en kennis – en moet zich daarvan bewust tonen. Een bepalende sociale verwikkeling moet worden vermeden, zeker, maar er zijn geen vaste regels voor, er circuleert geen handboek OBJECTIVITEIT.

En dat is maar goed ook, want het is juist de voortdurende zelfbevraging en toetsing (‘Kan ik hier een oordeel over vellen zonder me tot iemand of een instantie verplicht te voelen?’) die de criticus scherp houdt. De schoonheid van kunstkritiek zit niet in statistische berekeningen of wetenschappelijk bewijs, maar in de menselijke maat. Wie dat ontkennen wil, ondermijnt het karakter van kunst. Zo’n krampachtige objectiviteitsdrift – het niet kunnen accepteren van een bepaalde mate van toeval en onvoorspelbaarheid – kan zelfs destructief zijn (denk aan Diederik Stapel, die menselijk gedrag wetmatig wilde maken). 

Februari dit jaar schreef rechtsfilosoof Iris van Domselaar een mooi stuk in de Volkskrant. Van Domselaar maakt zich zorgen over het gebrek aan professionele moed: de angst om uit het systeem te worden geknikkerd, is, zeker in tijden van crisis en een hielenlikken-cultuur, zo groot dat misstanden niet aan de kaak worden gesteld. Regels en sancties worden aangescherpt, maar dat werkt averechts: je ontneemt werknemers juist van hun eigen verantwoordelijkheid.

Het is in or out, erbij of eruit, en met smaak geldt dat vaak ook, natuurlijk. Maar zijn zelfkritiek en professionele moed daarom niet één van de belangrijkste kenmerken van de kunstcriticus? In Nederland bestaat er nauwelijks een elite of voorhoede, of dat nu de literaire of bancaire is, waarin prominenten elkaar niet op allerlei borrels en uitreikingen treffen. In Amerika floreren filosofen als gangsters in hun westkust versus oostkus fitties (Lakoff en Chomsky vochten een linguïstieke oorlog), maar in Nederland kennen we die luxe van geografische afstand en anonimiteit nauwelijks (alhoewel: bij Amerikaanse fitties kijkt de hele wereld mee, dat hebben wij weer niet).

In plaats van ineen te duiken en de onwennig koude lucht boven het maaiveld te vermijden, moeten we die voortdurende nabijheid van elkaar als een uitdaging aangrijpen: het eist een oefening in professionele moed, integriteit, soevereiniteit en zelfkritiek. Wanneer we als sine qua non voor elkaar gaan bepalen wat wel en niet kan, door bijvoorbeeld regels op te stellen (recenseren mag tot twee handdrukken van je verwijderd, Facebookvrienden zijn verboden…), ontnemen we onszelf van de verantwoordelijkheid die het menselijk handelen van machinale reproductie onderscheidt. Het soort handelen, soms schimmig soms mystiek, dat de kunstkritiek mogelijk maakt.

‘Het hoofdbestuur wil geen enkele twijfel laten bestaan…’, zegt VVD’er Korthals. Met Kus me, Straf me heeft Marja Pruis de Jan Hanlo prijs gewonnen, juist omdat ze in deze bundel ‘over lezen en schrijven, liefde en verraad’ een voortdurend ‘zelfonderzoek’ aangaat en de twijfel laat bestaan.

 

Wat te doen in geval van tornado

Van de week raasde er een vreselijke verwoestende tornado door Moore, een voorstad van Oklahoma City. En ook in Kansas is het tornadoseizoen in volle gang. Dat is op allerlei manieren vreselijk, want er gaat van alles kapot, en er raken mensen onder het puin bedolven.

Toch hebben tornado’s ook altijd een betoverende en hypnotiserende werking op mij gehad. Ik vind het altijd een beetje een afknapper als een schrijver over zijn of haar dromen schrijft (laten we eerlijk zijn, iedereen droomt wel eens iets poëtisch), maar zo heb ik al een aantal jaren een terugkerende tornadodroom. Het ene moment ben ik nog vrolijk met iemand in gesprek of zonder rijbewijs in een auto aan het rijden, dan kijk ik op, naar de horizon, waar opeens  de contouren van een  tornado verschijnen. Soms zijn ze zelfs met meerdere tegelijk, deze tornado’s, en ik ben hoe dan ook de rest van de nacht op de vlucht.

Dit is precies hoe het er uit ziet in mijn droom: http://www.youtube.com/watch?v=mK2Oq2uxRSE 

Vanochtend had ik een marathonsessie koffiedrinken met mederedacteur Martijn Knol en toen ik hem vertelde  over het onderwerp van dit stukje, wees hij er terecht op dat deze tornadodroom symbool staat voor het overdonderende succes dat Tirade te wachten staat, en dat ik enkel vlucht omdat ik nog niet zeker weet of ik daar wel klaar voor ben.

Maar hoe zou het zijn om niet te vluchten, om al dat geweld gewoon op je af te laten komen?
Mijn ervaring met angst (en ik vergelijk tornado’s graag met angst; het zijn angstige dromen) is dat als je haar laat komen, er niets van haar overblijft. Ze verschrompelt zienderogen voor je ogen en jij blijft achter als de kalme overwinnaar, hoewel met klamme handen. Maar in het geval van een tornado lijkt me dit geen al te beste strategie. Ik heb opgezocht wat je wel moet doen:

–          Bijf niet in een auto zitten
–          Als je in huis bent, ga dan naar de kelder en als je geen kelder hebt, ga dan op de begane grond onder een tafel zitten
–          Blijf uit de buurt bij ramen
–          Als je buiten bent, ga dan zo dicht mogelijk bij de grond liggen, liefst in een kuil of sloot

Maar zo’n tornado kan auto’s en koeien optillen en de lucht in slingeren, dus in dit laatste geval moet je maar net hopen dat je niet aan de andere kant van een weiland het prikkeldraad in geworpen wordt.

Hadden Martijn en ik het verder nog over het feit dat ik me soms lichtelijk schuldig voel omdat al mijn stukjes op deze site over mij gaan (er is best veel van mij, maar er is vast ook veel van jullie, dus dat spijt me) en over het feit dat je je (ik bedoel ik me) soms een beetje moet ont-ontwikkelen (oftewel ‘wikkelen’): in plaats van redelijk een vervelend gesprek aan te gaan, gewoon eens als wervelwind iemand zijn kuil uit te trekken en roepen: je doet het verkeerd.

Wie nog meer tips wil voor in het geval van een tornado, raad ik deze site aan. Het is eigenlijk altijd wel een goed idee: op de begane grond onder een tafel gaan zitten. Ook als je een nachtmerrie hebt. Ik kan het iedereen aanraden.

Modiano een Struldbrug

Man (Jacques Prévert) in mijmering verzonken, een herinnering zoekende?

Brugge is een dementievriendelijke stad. Nu is het verre van mij grappig te gaan doen over dementie, een kleinzoon zijnde van een grote, sterke man die op 83 jarige leeftijd al zijn haar en zijn spierkracht nog had, een formidabel postuur, maar nog 10 jaar door moest vrijwel zonder een enkele van zijn herinneringen. Een Struldbrug, zoals Jonathan Swift lang voor het munten van de ziekte dementie soortgelijke mensen beschrijft in Gulliver’s Travels: ‘They have no Remembrance of anything but what they learned and observed in their Youth and Middle age, and even that is very Imperfect. And for the Truth and Particulars of any Fact, it is safer to depend on common Traditions than upon their best Recollections.’

In Brugge zou winkelpersoneel getraind zijn beter om te kunnen gaan met mensen die de winkel betreden en vergeten zijn wat ze ook weer wilden kopen.

‘Toch heb ik niet gedroomd. Op straat betrap ik me er soms op dat ik die zin hardop uitspreek, alsof ik de stem van iemand anders hoor. Een toonloze stem. Er schieten me namen te binnen, gezichten, details. Niemand met wie ik erover kan praten. Er zijn vast wel een paar getuigen te vinden die nog in leven zijn. Maar die zijn waarschijnlijk alles vergeten. En uiteindelijk begin je je af te vragen of het wel getuigen zijn geweest.’

Ik ben zelf vergeten het hoeveelste boek van Modiano het is dat ik aan het lezen ben. Het gaat nu om Het gras van de nacht (vertaling Maarten Elzinga, uitgegeven door Querido) en ik weet ik niet goed meer of en hoe vaak ik de sensatie al had dat er iets niet helemaal klopt. Natuurlijk weten we dat Modiano op zoek is  naar de verloren tijd en dat hij daarmee in een goede Franse traditie staat. Maar de procedés waarmee Modiano zijn eeuwige herinneringen aan iets (wat? ) er gebeurde met iemand (wie?) en waar precies (ergens in Parijs) beginnen wat slijtageplekken te vertonen, maar misschien hoort dat er juist bij.

Waarom las ik ook al weer Modiano? Ik ben er aan gewend geraakt. Maar meer dan ooit lijkt het op de beschrijving van een mens in een stadium van beginnende dementie, je komt er eigenlijk niet goed achter wat de hoofdpersonages doen, wanneer precies en waartoe eigenlijk, pagina na pagina vult Modiano met verhullingen. Dat is misschien aantrekkelijk, ik las er niet voor niets reeds zoveel, maar de vrees groeit dat we naar niets op zoek zijn, dat het een kunstje is. Of mis ik iets? Zoals Thomas Kitwood, een Brits sociaal-psycholoog beschreef in zijn Dementia Reconsidered – waarin een pleidooi gehouden wordt voor het trachten iets te leren van mensen met dementie, eerder dan te proberen ze terug te halen onder de geestelijk gezonden: ‘Such people invite us to return to aspects of our being that are much older in evolutionary terms: more in tune with the body and its functions, closer to the life of instinct.’

Brengt Modiano ons dichter bij het leven en de functies van het lichaam, meer nabij het leven naar instinct? Ik vrees wel dat te leven in een Modianoroman mijn voorland is. Een zwart notitieboek met aantekeningen bij de hand, dwalend, door Brugge, Parijs, Amsterdam, of om het even welke stad. Wat deed ik hier ook al weer? Met wie? Wanneer precies?

 

(lees ook het fraaie stuk van Manet van Montfrans op Tirade over Modiano)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De toeschouwers van Calabrië

Ik kijk naar de Giro d’Italia. Op het moment dat ik dit schrijf is er een kopgroep vooruit, met meer dan vijf minuten voorsprong op het peloton en nog 70 kilometer te gaan. Er zitten twee Nederlanders tussen: Wilco Kelderman en Pieter Weening. Van allebei heb ik nog nooit gehoord.
            Er was nog even sprake van dat er een Nederlander om een podiumplaats zou strijden. Robert Gesink stond aan het einde van de eerste week nog derde, maar kreeg afgelopen zaterdag een ‘inzinking’ en verloor daarmee vier minuten op Vincenzo Nibali, de leider in de roze trui. Gesink is niet alleen een pragmaticus maar ook welbespraakt. Aan een journalist van nusport.nl vertelde hij: ‘Succes komt niet op bestelling. Het is niet zoals bij de Chinees: doet u mij maar een ritzege en een top tien-klassering.’
            Dat ik op een dinsdagmiddag naar de Ronde van Italië zit te kijken, komt door Dino Buzzati (1906–1972). Nadat ik zijn boek De woestijn van de tartaren had geleden, over de jonge luitenant Drogo die wordt gestationeerd in een verlaten fort en daar zijn leven lang niet meer vandaan komt, wilde ik alles lezen wat er van Buzzati vertaald was.
            Ik las een verhalenbundel, De betoverde burger, die ik erg goed vond, en een andere roman, Een liefde, die me tegenviel. Ik stuitte ook op een verslag van Buzzati van de Ronde van Italië. Buzzati was verslaggever voor de Corriere della Sera en kreeg in 1949 opdracht om artikelen te schrijven over de Giro. Meer dan drie weken lang reisde hij mee met de wielerkaravaan en deed verslag van het duel om de eerste plaats tussen de grote renners uit die tijd, de Italianen Fausto Coppi en Gino Bartali. De eerste won uiteindelijk.
            Interessant aan Buzzati’s verslag is dat hij als een volslagen leek over het wielrennen schreef. In zijn derde artikel voor de krant biechtte hij op: ‘Door allerlei omstandigheden die waarschijnlijk te maken hebben met de grillen van het noodlot – en het zou zinloos zijn daar nu nog over te gaan zeuren – heeft de man die op dit ogenblik de kroniek van de Ronde van Italië schrijft nog nooit een wielerwedstrijd op de weg gezien.’ Buzzati was toen in Palermo, waar de Giro van start ging. Voorafgaand aan de wedstrijd liet hij zich onderrichten door ervaren sportjournalisten. Een van hen vertelde dat het vooral ging om het eten ’s avonds. Volgens hem was de Ronde van Italië voor een journalist niets anders dan ‘een gastronomische pelgrimstocht door Italië van restaurant naar restaurant’.
            De andere collega’s waren serieuzer en gaven hem een spoedcursus wielrennen. Buzzati bleef echter een leek, en gelukkig ook maar, want juist daarom is zijn verslag zo fascinerend. Een van zijn mooiste artikelen was zijn negende, geschreven in Salerno, op 24 mei, ’s nachts. Hij maakte er een brief van, gericht aan de twee renners die om de roze trui vochten: ‘Beste Coppi en weledele heer Bartali, degene die u aanspreekt is inzake wielrennen een complete onbenul; hij weet niets van derailleurs en verzetten, hij heeft geen duidelijk besef van de koerstactiek en de afgelopen dagen is het wel voorgekomen dat hij, temidden van al die experts, zulke onnozele vragen stelde dat het bijna aanstootgevend was.’ Op deze manier gaat hij nog anderhalve pagina verder, tot hij uiteindelijk uitkomt bij de vraag: ‘Hebben jullie toen jullie door Calabrië reden, de mensen die jullie opwachtten goed gezien? Herinneren jullie je die duizenden en duizenden gezichten die krampachtig naar jullie toegekeerd waren, ongeacht leeftijd of beroep, boeren, herders, moeders, metselaars, kleine meisjes, monniken, carabinieri, afgeleefde oudjes, burgemeesters, ambtenaren, straatvegers, leraren, en die onafzienbare drommen kinderen?’ De rest van het stuk gaat over hen, de toeschouwers van Calabrië.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Julien Ignacio"
    Julien Ignacio

    De Nederlands-Arubaanse schrijver Julien Ignacio (1969) studeerde af als literatuurwetenschapper. Hij publiceerde theaterteksten, blogs en korte verhalen. In 2008 ontving hij de El Hizjraliteratuurprijs voor zijn toneelstuk Hotel Atlantis. Hij was redacteur van literair tijdschrift Tirade en is bestuurslid van de Werkgroep Caraïbische Letteren. In 2018 verscheen zijn debuutroman Kus (nominatie Bronzen Uil). Met collega-schrijvers Michiel van Kempen en Raoul de Jong stelde hij Dat wij zongen samen, een bloemlezing Caraïbische literatuur die in 2022 uitkwam bij uitgeverij Das Mag. In september 2023 verscheen zijn tweede roman Goudjakhals, een kralenketting van historische en futuristische migrantenverhalen, die zich afspelen in onder meer Amsterdam en Aruba, Beiroet en Lesbos.

  • "Foto van Menno van der Veen"
    Menno van der Veen

    Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

  • "Foto van Jack de Boer"
    Jack de Boer

    Jack de Boer (1966) is leerkracht in het speciaal basisonderwijs. Zijn meer dan vijfentwintig jaar aan onderwijservaring heeft hij opgedaan in Amsterdam en Franeker, en vormt een belangrijke bron voor zijn schrijverschap.

    Zijn fraaie, essayistische  De gelukkigste klas toont wat het betekent basischoolkinderen door een jaar heen te begeleiden, op weg naar een betere toekomst.