Gisteravond naar New York gebeld, om Arnon Grunberg mee te delen dat hij de Frans Kellendonkprijs krijgt. Toen het hoge woord eruit was, zei hij iets heel anders te hebben verwacht, de aanzegging van een overlijden of een vreselijk ongeluk. Ik sprak namelijk met een diepe grafstem. ‘Dat moet wel komen omdat ik onder de indruk ben van het plechtige moment’, zei ik. ‘Ik ben nog niet gewend om blijde tijdingen ook blij te brengen, maar voor jou ben ik wel degelijk blij, en in dit speciale geval ook voor mezelf.’
Het kan niet Nederlandser
‘Nederland zal Nederlandser worden’, belooft Geert Wilders. Hoe denkt hij dat te gaan doen? De schooldag laten beginnen met het zingen van het Wilhelmus en het groeten van de vlag? Dat is Amerikaans. Hilversum 3 verplichten om meer Jan Smits en André Rieu ten gehore te brengen? Het lijkt op de chauvinistische cultuurpropaganda waar de Fransen zo sterk in zijn. Zorgen dat er meer blonde kaaskopkinderen geboren worden? Dat soort eugenetica is na 1945 in een wel heel slechte reuk komen te staan.
Nederland is al zo Nederlands, met al dat geneuzel over niks en getreuzel om nu echt eens iets te veranderen. Wilders als kampioenhandhaver van de rechten en privileges van de kleine burger (met 65 in de AOW, roken in het café op de hoek en eens in de week een betaalbare biefstuk bij de aardappelen), Nederlandser kan het niet.
Kaarsjes in de nacht
Als Maarten ’t Hart zijn tuin bewerkt of in zijn eentje door het Groene Hart pedaleert, betrapt hij zich er regelmatig op dat hij hardop psalmen zingt. Dat ik die bekentenis, maar vooral het feit zelf ontzettend sympathiek vind, moet wel komen omdat ik het herken. Ook ik pleeg wel eens in stichtelijk gezang los te barsten. Eergisteren, toen ik een gezelschap vrienden ontving om samen met mij te klinken en te drinken, zette ik spontaan het zondagschoolvers ‘Jezus zegt dat hij hier van ons verwacht, dat wij zijn als kaarsjes brandend in de nacht’ in. M. viel spontaan in en ons duet ging zo lekker dat we het diezelfde avond nog een paar keer herhaalden. De andere gasten moeten hebben gedacht dat we de gek staken, maar volgens mij was dat maar voor een heel klein deel waar. We wilden allebei gewoon terug naar het kind dat wij waren, ook nu we (of in elk geval ik) onszelf al lang niet meer als Jezuslievende lichtjes zagen. En dus voelden we ons bedroefd en goed, zoals het romantische zielen betaamt.
De rode lantaarn
Over een week moet ik op verzoek een stukje schrijven over het allerslechtste boek dat ik ooit gelezen heb. Lastig om te kiezen. Ik heb al heel wat slechte boeken gelezen, en elke dag komen er weer nieuwe bij. Bovendien is het een heel gepieker om het allerallerslechtste er uit te pikken. Dat boek moet ergens zitten op de schaal tussen 0 en 0,1. Maar daar is het enorm dringen geblazen.
Ik krijg het gevoel dat mijn opdrachtgevers uitgaan van een competitie-element, alsof het op een tegendraadse manier eervol is om de auteur van het allerslechtste boek te zijn. Zoiets als de nummer laatst in het algemeen klassement van de Tour de France. Die zogenaamde drager van de rode lantaarn pleegt luidkeels te worden toegejuicht en krijgt na afloop lucratieve aanbiedingen om mee te doen aan het rondje om de kerk in Boxmeer of Chaam.
Nog altijd onverbiddelijk?
Veertien jaar geleden bracht het manuscript van Reve’s roman De avonden 160.000 gulden op. 2 oktober komt bij Adams Amsterdam Auctions het manuscript van Ik Jan Cremer onder de hamer. Antikwaar Piet van Winden rekent op een recette van 200.000 tot 250.000 euro. Om die richtprijs kracht bij te zetten is de leus ‘de Victory Boogie Woogie van de Nederlandse literatuur’ bedacht. Wie ben ik om tegen te spreken? De avonden en Ik Jan Cremer zijn allebei cultboeken; in die hoedanigheid komen ze in elk geval voor in het door Arnold Heumakers en mij geschreven naslagwerk Een uitgelezen hartstocht.
Ter gelegenheid van de veiling is een fraaie, glossy uitgevoerde brochure rondgezonden. Die biedt interessante en soms ook vermakelijke lectuur. Onno Blom gaat uitvoerig in op de ontstaans- en publicatiegeschiedenis van de onverbiddelijke bestseller, en citeert daarbij uit de notulen van de bestuursvergadering van de – coöperatieve! – uitgeverij De Bezige Bij. De aanwezige schrijvers vonden het, met uitzondering van Remco Campert, maar een geschrift van niks. Harry Mulisch en Bert Schierbeek noemden Cremer een literair onbenul en voorzitter J.B. Charles, onlangs door Kees Schuijt in een biografie vereeuwigd, sprak van een ‘fascistisch rotboek’.
In een andere bijdrage verkondigt Charlotte van Winden de mening dat macho Cremer au fond heel vrouwvriendelijk is. En ze schrijft hem zonder blikken of blozen de uitvinding van de minirok toe. Zo wordt Mary Quant, die behalve de minirok ook de hotpants bedacht, het slachtoffer van een staaltje geschiedvervalsing.
Ik snap natuurlijk wel dat het bij wijze van spreken is. Maar legendevorming en reclame (een combinatie die zeer in Cremers geest is) gaan hier een wel erg opzichtig verbond aan.
Wijn, jenever en Calvijn
Een tijdje geleden liet ik op deze plek weten dat landen waar de wijnstok groeit de omweg waard zijn; voor de overige gelde het devies van de Michelingids: ‘on visite pas’. Zuid-Afrika staat dus op mijn lijstje.
Naast de productie en inname van uitstekende wijnen hoort ook het calvinistische geestesmerk tot de identiteit van de Afrikaners, de blanke of lichtbruin bijgekleurde afstammelingen van Nederlandse, Frans-Hugenootse en Noord-Duitse immigranten. Dat calvinisme verbindt hen al eeuwen lang, niet zelden tegen beter weten in, met Hollandse, Friese en Zeeuwse gereformeerden. Maar het is de wijn die de Afrikaner calvinisten gunstig onderscheidt van de Nederlandse mannenbroeders. Hier hebben de volgelingen van Calvijn hun zorgen en vrezen altijd gesmoord in jenever, een drank die dikke mist in het hoofd achterlaat en de stem laat dalen tot een dof gemompel. Afrikaner calvinisten lijken vrolijker en luchthartiger, en dat niet alleen omdat de zon zich zo uitbundig over hen uitstort. Mannen en ook vrouwen genieten de vrucht van de wijnstok en tetteren en kwetteren als vinken. Ze drinken dan ook aanmerkelijk meer dan polderlandse gelovigen die zich beperken tot een zuinig slokje uit de vier maal ’s jaars rondgedeelde avondmaalsbeker.
Meer blogs

Lezers
‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’ We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op...
Lees verder
Blauwbehoefte
Larousse 25 Een ergerniswekkende beperking in mijn voorstellingsvermogen: hoewel ik sinds ik ooit voor het eerst met een vliegtuig boven het wolkendek raakte, weet dat daar blauwe lucht is, kan ik voor mijn welbevinden geen gebruik maken van die kennis. Met andere woorden: onder sombere wolkenluchten somber ik. Terwijl ik weet dat het maar een...
Lees verder
Humor
Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor. Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe...
Lees verder




























