Aldo en Siegfried

Een roman kan extra bekoring krijgen wanneer ergens in de tekst een beeld opdoemt dat  de lezer overrompelt – soms onmiddellijk of anders vele hoofdstukken later alsnog – omdat in dat ene tafereel de essentie van het hele verhaal wordt geopenbaard. Aan den weg der vreugde van Louis Couperus  (1907)  is een verhaal dat  zo’n wezenlijk, metaforisch tafereel bevat. De kleine roman gaat over een tragische liefde van een vrouw uit het Noorden en een man uit het Zuiden. Couperus  beschrijft de nog jonge vrouw – Emilia –  als een tere, bijna doorschijnende gestalte in het wit. Zij is nerveus, troosteloos, melancholiek en zo labiel dat zij ieder moment in huilen kan uitbarsten. Wanneer zij ergens in Toscane in een landelijk hotel verblijft om er te kuren leert zij een Italiaan kennen. Deze Aldo, een gewezen legerarts met een primitieve en ongecompliceerde natuur, houdt ervan door het heuvelland en de wouden te zwerven. Hij doet dan ook denken aan een faun met zijn robuuste gestalte, wild krullende haren en `wreedrode’ mond.  Zij, die nog nooit geleefd heeft, ziet hem voor het eerst terwijl hij speelt op een simpel houten fluitje. Met dit kleine instrument, een ocarina, lokt hij petiterige, kwetsbare en nerveuze hagedisjes naar zich toe om ze tam te maken en hun een blijk te geven van zijn kinderlijke liefde…

kindsoldaatDe laatste roman van Harry Mulisch, Siegfried (2001),  is net als zijn meeste andere romans  rijk aan beelden. Maar er is één tafereel in het verhaal dat door zijn aangrijpende en (terloops) onthullende karakter werkelijk onvergetelijk mag heten. De roman gaat over de gevierde Nederlandse schrijver Rudolf Herter die vanwege literaire promotieactiviteiten enkele dagen in Wenen doorbrengt. Als hij tijdens een interview laat weten bezig te zijn met een boek waarin het echte gelaat van Hitler zal worden onthuld, neemt  een stokoud Weens echtpaar contact met hem. Deze twee echtelieden hebben de Führer indertijd jarenlang gediend en weten veel bijzonderheden over hem te vertellen. Een van de best bewaarde geheimen rond de dictator is de zoon die hij ooit bij zijn minnares Eva Braun heeft verwekt.  De jongen – Siegfried – groeit op in het verborgene, als een pleegkind van het Oosterijkse echtpaar.

Terwijl Herter in de bedompte Weense bejaardenwoning deze geschiedenis met verbijstering aanhoort, verstrijken de uren en is het onderhand tijd voor het middageten. De oude vrouw vraagt Herter of hij een boterham mee-eet. Hij stemt toe, temeer daar de man laat weten dat hij de helft nog niet gehoord heeft. Dan schrijft Mulisch:

`In het keukentje drukte Julia met haar linkerarm een groot, rond, roodbruin brood tegen haar borst en met een lang mes sneed zij er plakken af op een manier, die hem deed rillen. Nergens ter wereld werd brood zo gekeeld.’

Dit beeld geeft een voorschouw van de verdere geschiedenis, want wanneer na jaren van vernietigende oorlog het Derde Rijk op instorten staat, en de nazileiders tot zelfmoord besluiten, zal ook de jonge Siegfried dit lot moeten delen.

Allen met literaire ambitie, beginnend of gevestigd, doen er goed aan het oeuvre van Mulisch te (her)lezen. Vanwege de curieuze verhalen en het ideeëngoed. Maar vooral vanwege de metaforiek, de beelden uit taal gehouwen. Want, zoals Mulisch zijn alter ego Rudolf Herter laat zeggen: het gaat er niet om wat er verteld wordt, maar hoe het verteld wordt.


In de Oorshop

Herman Franke (1)

frankeBegin 2009 kon er, na een lange reeks kwakkelwinters, eindelijk weer eens geschaatst worden in West-Nederland. Zo kwam het dat Herman en ik de derde zondag van januari met de auto naar de Ankeveense plassen reden. Herman had al langer dan een decennium niet op de ijzers gestaan. Toen het eenmaal zover was, gleed hij eerst met brieke benen voorwaarts, maar al spoedig vond hij de schaatser in zichzelf terug. Het duurde niet lang of hij joeg met een driftige slag over de ijsvlakte, aanhakend bij een andere groep die voorbij scheerde, opboksend tegen de noordooster of ontspannen zwierend met de wind in de rug.
Uren later zaten we, de schaatsen nog ondergebonden, op een met oude kleden belegd caféterras, ergens aan een oever. Warme chocolademelk, rookworst van de slager uit het dorp, Herman liet het zich smaken… Hij oogde onbekommerd, geheel zonder zorgen. In het jaar daarvoor was het wel anders met hem geweest. In de zomer van 2008 was vastgesteld dat hij prostaatkanker had. Daarop was een periode van medicatie en bestraling gevolgd. De keren dat ik hem in die tijd opzocht, vertelde hij me erover, niet overvloedig maar wel openhartig. ‘Het is merkwaardig,’ merkte hij toen eens op, ‘dat testosteron, de stof die er altijd voor heeft gezorgd dat ik als man èn als schrijver een bepaald temperament bezit, nu de aanjager van mijn kanker is…’
Die zondagmiddag in Ankeveen leek dit naargeestige hoofdstuk achter hem te liggen. Zijn gezondheidstoestand was verbeterd, zijn klachten waren verminderd, de kanker leek na radiotherapie en pillenkuren verdwenen. Hij was wel even langs de afgrond gegaan, maar nu zag hij de toekomst weer met vertrouwen tegemoet. Hij schreef sinds enkele jaren aan een romancyclus waarin hij zocht naar nieuwe, speelse verhaalvormen die zich gaandeweg zouden vervlechten tot een groter geheel. Vrije maar geen vrijblijvende composities. De eerste manifestatie van zijn ziekte had hem niet belet verder te werken. Maar nu had hij voor zijn gevoel een tweede kans gekregen en kreeg hij het leven nog meer lief dan vroeger. Mede daarom kon hij op die koude, maar zonovergoten winterdag zo genieten. Terwijl hij over zijn door een smak op het ijs veroorzaakte pijnlijke knie wreef en intussen aandachtig keek naar enkele bloeiende vrouwen die langs ons tafeltje kluunden, sprak hij: ‘Mooi is dat: een paar weken een echte winter in Nederland en het lijkt alsof onze volksaard helemaal verandert. Als er ijs op het water ligt, ontdooien de mensen. Ze worden blij, gemoedelijk, behulpzaam en ze staan open voor elkaar. Ons land doet ineens denken aan mediterrane oorden, waar mensen ook zo opgeruimd kunnen zijn. Bij ons vanwege de winter en daar door de zomerse temperaturen.’
Zo zat hij daar, ondergedompeld in onzegbaar jongensgeluk van ijspret, koek en zopie, zonnig vriesweer en opgetogen mensen rondom hem. Maar wel, zoals zijn gewoonte was, observerend en reflecterend. Herman was onder alle omstandigheden iemand die nadacht over wat hij meemaakte.

Ruim een jaar later, februari 2010. Herman kwam thuis na een opname in het ziekenhuis. De kanker was terug. En hoe. Hij moest die hoge trap op naar zijn bovenhuis. Een zware beproeving. Ik liep een trede lager achter hem, zodat ik hem kon opvangen, mocht hij de greep verliezen. Voordat hij de tweede trap naar zijn kamer boven kon nemen, moest hij uitrusten in de achterkamer, de fotostudio van zijn vrouw Carla. Hij wilde graag even in het winterzonnetje zitten, met de balkondeuren open. Daar zat hij, gestoken in zijn lange leren jas, te rillen en uit te hijgen. Het werd me in die ogenblikken voor het eerst echt duidelijk hoezeer hij de dood reeds nabij was. Herman keek me aan, met ineens een jongensachtige twinkeling in zijn ogen,  en hij zei: ‘Weet je nog, vorig jaar: Ankeveen.’

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

31 oktober

Bij de presentatie van de nieuwe Grunberg, afgelopen donderdag in De Hollandse Manege aan de Amsterdams Vondelstraat, hield Joop Goudsblom, mede-oprichter van Tirade, de feestrede. Het was een vriendendienst, en om dat te bekrachtigen zei Goudsblom dat hij hier nu eenmaal stond en niet anders kon.

Ik vroeg me af hoevelen onder het gehoor de verwijzing naar Maarten Luther meekregen. Volgens de apocriefe overlevering sprak de kerkhervormer woorden van gelijke strekking toen hij in 1521 voor de Duitse Rijksdag werd gedaagd om zijn ketterse ideeën te herroepen. Die ideeën had hij op 31 oktober 1517 openbaar gemaakt door zijn fameuze 95 stellingen aan de Wittenbergse kerkdeuren te nagelen.

31 oktober, Hervormingsdag. Het staat in mijn geheugen gegrift. Je hoefde er als protestant niet echt iets aan te doen, zolang je maar besefte dat Luther op die dag een historische daad had gesteld. Wel kreeg je te horen dat hij de datum met zorg gekozen had: daags voor Allerheiligen, een roomse hoogtijdag waarop Jan en Alleman ter kerke ging. Over promotietechnieken hoefde je Luther kennelijk niets te leren, zoals ook zijn optreden op de Rijksdag laat zien.

31 oktober, dat viel ook vroeger al kort na of in de herfstvakantie. De versgeploegde Zeeuwse akkers lagen vet te glanzen onder het vale najaarslicht, en hier en daar knalden de dubbelloopsgeweren waarmee de overtollige hazen en patrijzen werden afgeschoten. Tussen mijn maag en keel voelde ik de melancholie op en neer gaan, want weldra zou blijken dat mijn slechte schoolresultaten zouden uitmonden in een Kerstrapport met minstens drie onvoldoendes. En omdat we van huis uit niet van Luther maar van Calvijn waren, stonden die onvoldoendes symbool voor de erfzonde en het Laatste Oordeel.

Het zal wel voorbeschikt zijn dat deze twee maanden van schrijverij in dit vrijwillig binnengetreden diensthuis moesten eindigen op 31 oktober. Ik heb ze ervaren als een plicht, maar er zijn plichten waarvan je je met zoveel toewijding kwijt dat ze vanzelf aangenaam en licht worden.

Zo doe je dat

De geschreven mini-necrologie die de NOS aan Harry Mulisch wijdt, ziet de periode die in 1982 met De aanslag begon als de vruchtbaarste. Volgens mij wordt hier met ‘vruchtbaar’ allereerst gedacht aan succes bij het grote publiek. Zelf vind ik dat Mulisch op zijn best was in de jaren vijftig, de periode van zijn ‘mythische, moeilijk te doorgronden romans en verhalen’, zoals de NOS dat noemt. Zijn beste werk is De versierde mens, zijn meest aanstekelijke boek Archibald Strohalm.

Het mythische paste Mulisch als een handschoen; niet zelden coquetteerde hij ermee. Voor hem sprak het vanzelf dat hij, net als Shakespeare’s Prospero (die hij een rol laat spelen in Hoogste tijd, de afscheidsroman die hij schreef toen hij halverwege de jaren tachtig de eerste aanval van kanker te verduren had), de werkelijkheid naar zijn hand kon zetten. Toen Willem Kuipers en ik hem in januari 1981 voor de Volkskrant interviewden over De compositie van de wereld, kampten we met een onwillige taperecorder. Mulsich zag het even aan, nam toen zijn pijp uit de mond, en verhief zijn stem. ‘O apparaat, spreek.’ Dat werkte. ‘Zo doe je dat’, zei hij tevreden.

Critic en letterkundige

In Nederland weet men nooit goed raad met de overlap tussen literatuurkritiek en literatuurwetenschap. Je bent of een freewheelende en impressiegevoelige boekhouder, of een ernstig bebrilde, nauwgezette en kreukvrije academicus.

In de Angelsakische provincies van de Republiek der Letteren kun je heel gemakkelijk criticus èn academicus zijn. Ze hebben daar één enkel woord dat beide hoedanigheden dekt: critic. Eliot was een critic, en Leavis en Paul de Man. George Steiner is het, en Harold Bloom. Bij ons had je H.A. Gomperts en Karel van het Reve, en in een verder verleden Albert Verwey. Ze werden soms als ‘letterkundigen’ aangeduid. Dat komt altijd zo priegelig over, alsof er eindeloos over punten en komma’s wordt gezeverd.

De fictie voorbij

Huiveringwekkend bericht in Trouw van 28 oktober. De in 2008 overleden Mexicaanse kardinaal Marcial Maciel Degollado, in geloofszaken roomser dan de paus, verwekte twee zoons, die hij met regelmaat seksueel misbruikte, was verslaafd aan morfine, en verhuurde de kinderen van zijn minnaressen per uur aan pedoseksuelen in zijn netwerk.

Wat me in dit bericht intrigeert is dat het de literaire fictie op dit terrein (Sade en zijn volgelingen Barbey d’Aurevilly en Huysmans) qua perversiteit ver achter zich laat. Genoemde schrijvers waren zeer gevoelig voor de broeierige atmosfeer van het katholicisme. Hier broeit het niet meer, maar brandt het, als in de hel. Huysmans had er een fijne neus voor toen hij in zijn satanisme-roman Là-bas schreef dat de uitersten van heiligheid en zonde elkaar ergens moeten raken.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mij is de wrake – over vechtfilms

    Mijn eerste vechtfilms waren ongetwijfeld met Bud Spencer en Terence Hill, die eigenlijk Carlo Pedersoli en Mario Girotti heetten. Zeer opmerkelijk: helden in de zogenaamde spaghetti-westerns (gemaakt in Italië) moesten blijkbaar een Amerikaanse naam om het spaghetti-aspect te verdoezelen. Bud was een vriendelijke iets domme dikke reus die mensen het liefste met een vuist als...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Sem van de Graaf"
    Sem van de Graaf

    Sem van de Graaf (2002) schrijft absurde verhalen die uit de bocht vliegen en toch een sterke moraal communiceren. Zijn werk is komisch, vervreemdend en oprecht.Hij studeert af van Writing for Performance aan de HKU met het lange filmscenario ‘Een stoel, de dief en Elske’ en zijn onderzoek ‘Handen’. Verder schrijft hij toneel voor verschillende groepen, waaronder zijn eigen collectief ‘bröd’ waarmee hij met de gelijknamige voorstelling in Zaal 3 stond. Zijn VHS-korte films stonden op het Rotterdams Open Doek en het Gouds Filmfestival, waar hij de prijs won voor Beste Film Jong Talent.

  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen