Het vertaalprobleem

In een blog over vertalen mag een concreet vertaalprobleem niet ontbreken, bij wijze van blik in de keuken. Zoals gezegd werk ik momenteel aan de essaybundel Une rencontre van Milan Kundera, en het ligt dus voor de hand om daar een voorbeeld aan te ontlenen: een willekeurig vertaalprobleem van het hardnekkige soort, waar je zittend, lopend, douchend, slapend en etend urenlang over nadenkt voordat je in de buurt komt van een oplossing – die soms verrassend dicht bij het beginpunt kan liggen, maar soms ook helemaal niet.

Martin de HaanEerst de tekst maar even in het Frans: ‘Je la connaissais depuis longtemps. Elle était intelligente, pleine d’esprit, elle savait parfaitement maîtriser ses émotions et était toujours habillée si impeccablement que sa robe, tout comme son comportement, ne permettait pas d’entrevoir la moindre parcelle de sa nudité. Et voilà que, tout d’un coup, la peur, tel un grand couteau, l’avait ouverte. Elle se trouvait devant moi, béante, comme le tronc scindé d’une génisse suspendu à un croc de boucherie.’

Dan de context. De geciteerde alinea maakt deel uit van een essay dat Kundera in 1996 wijdde aan de schilder Francis Bacon, of om precies te zijn van een daarin geciteerde korte beschouwing over dezelfde schilder, eveneens van de hand van Kundera, die zijn oude tekstje gebruikt als beginpunt van de nieuwe, langere tekst. De alinea gaat over een jonge vrouw uit Praag met wie Kundera een afspraak had in een geleend flatje, niet om amoureuze redenen maar om een gemeenschappelijke strategie te bepalen ten aanzien van de politie, die haar over hem heeft uitgehoord. In haar angst is de vrouw haar emoties niet meer de baas, ze moet om de drie minuten naar de wc en de ontmoeting wordt begeleid door het geluid van de vollopende stortbak.

Net als het essay zelf heeft mijn vertaling verschillende fases gekend: een eerste versie verscheen in 2000 in De revisor, een grondig herziene versie verscheen in 2006 als zelfstandig boekje in de reeks Perlouses van uitgeverij Voetnoot, en nu ik er in 2009 opnieuw naar kijk verandert er opnieuw vrij veel.

In mijn versie van 2006 luidde de alinea als volgt: ‘Ik kende haar al lang. Ze was geestig en intelligent, had haar emoties volledig onder controle en was altijd zo onberispelijk gekleed dat haar jurk net als haar gedrag niet het kleinste stukje naaktheid prijsgaf. En nu, ineens, had de angst, als een groot mes, haar opengesneden. Ik zag haar daar tegenover me, gapend, als de gespleten romp van een vaarskalf aan een slagershaak.’

Het probleem zit in de staart, namelijk in de laatste twee zinnen. En eigenlijk is het een kluster van samenhangende problemen, zoals zo vaak het geval is. Eerst is er de opvallende vijfdeling van de voorlaatste zin, die kan worden gezien als een vorm van expressiviteit of iconiciteit: de vorm lijkt de inhoud te onderstrepen (wat uiteraard een illusie is, zoals de eerdergenoemde Paul de Man uitentreuren betoogt). En daarna is er de laatste zin, een typisch Franse constructie, met het woord ‘béant’ als grootste struikelblok omdat de woordelijke vertaling ‘gapend’ algauw de ongewenste associatie met slaap oproept.

In mijn oude vertaling ben ik na lang peinzen vrij dicht bij de brontekst gebleven. De vijfdeling van de voorlaatste zin is omwille van het effect een vijfdeling gebleven (of beter: opnieuw geworden), ook al klinkt die in het Nederlands onnatuurlijker dan in het Frans. Het lastige ‘béant’ heb ik toch maar vertaald met ‘gapend’, vanuit de gedachte dat de context de associatie met slaap wel zou onderdrukken. Wel heb ik ‘Elle se trouvait devant moi’ omwille van het ritme niet woordelijk vertaald (‘Ze bevond zich voor me, gapend, etc.’) en ook ‘suspendu’ onvertaald gelaten of liever gezegd geïmpliciteerd omdat het anders een onhandige en zelfs dubbelzinnige Nederlandse constructie zou opleveren (‘als de gespleten romp van een vaarskalf hangend aan een slagershaak’).

Maar toen ik de twee zinnen onlangs herlas, was ik er niet meer tevreden over. De vijfdeling leek me te vergezocht (Kundera is trouwens ook een schrijver die doorgaans weinig moet hebben van expressiviteit), ‘gapend’ deed me toch onmiddellijk aan slaap denken (misschien juist wel omdat ik daar bang voor was), en ‘Ik zag haar daar tegenover me’ vond ik omslachtig klinken. Maar wat dan? De vijfdeling kan makkelijk worden omgevormd tot vierdeling (‘Maar nu, ineens, had de angst haar opengesneden, als een groot mes’), maar dan is de zin dubbelzinnig: wat wordt er met de angst vergeleken, het mes of de vrouw? En voor ‘gapend’ is eigenlijk nauwelijks een alternatief (‘wijd open’ doet eerder aan een deur of een raam denken), terwijl ook het begin van de laatste zin lastig blijft (je zou ‘ze zat daar voor me’ of ‘ze stond daar voor me’ willen schrijven, maar de context zegt niets over zitten of staan – misschien lag ze wel).

Na lang douchen besloot ik het over een heel andere boeg te gooien, me te richten op de kern van de metafoor en de elementen daarvan helemaal opnieuw in elkaar te knutselen. Dat leverde vrij snel het volgende op, dat ik waarschijnlijk laat staan: ‘En nu, ineens, had het grote mes van de angst haar opengesneden. Ik keek recht in haar binnenste, als in de gespleten romp van een vaarskalf aan een slagershaak.’

Vrij vertaald? Ja en nee. Ten opzichte van een woordelijke vertaling is het vrij, maar die woordelijke vertaling dekt op haar beurt de brontekst niet en is dus zelf te ver ervan verwijderd (ergo: te vrij). Dat is de paradox: soms moet je je ogenschijnlijk ver van de tekst verwijderen om dichterbij te kunnen komen.

Martin de Haan


In de Oorshop

Interpreterende transfer

Martin de HaanNa mijn vorige post bedacht ik ineens dat mijn polemiekje met Bloemen en Segers nog een vervolg had gehad, of liever gezegd bijna had gehad, want de column die ik had geschreven over de door hen verzorgde Terminologie van de vertaling moest in Filter wijken voor een uitgebreide recensie. Hier alsnog een lichtelijk ingekorte versie van het stukje, dat goed in het kader van dit blog past en een aantal dingen naar mijn idee helder verwoordt. (Voor de volledigheid zij hier vermeld dat ik later een paar keer prettig met Henri Bloemen heb samengewerkt.)

IN HET PARK

Laatst zag ik op een bankje in het park een vertaler zitten. Het was duidelijk een goede vertaler: kameleontische stijl, altruïstische uitstraling, dikke projectwerkbeurs in de linker kontzak. In zijn RSI-hand had hij een blauw boekje, Terminologie van de vertaling. Hij leek gelukkig.

‘Van welke vertaling?’ vroeg ik.

‘Huh?’ kaatste hij de bal terug.

‘Terminologie van welke vertaling?’

Hij bladerde even. ‘Van de vertaling als “transfer tussen talen die een brontekst interpreteert en een doeltekst produceert waarbij een overeenkomstrelatie tussen beide teksten wordt gelegd”,’ zei hij.

Toevallig had ik mijn laptop met elektronische Van Dale bij me. Transfer: 1) het overmaken van bedragen in het internationale betalingsverkeer; 2) (in de beroepssport) overdracht van een speler aan een andere club, tegen betaling; 3) datgene waarmee men iets overbrengt, synoniem: overschrijvingsbiljet; 4) overdrukplaatje; 5) (toerisme) vervoer van een vliegveld naar een hotel en v.v.; 6) (bridge) afgesproken bieding in een bep. kleur om de partner te dwingen een andere (afgesproken) kleur te bieden. Nee, dat was het allemaal niet. Betekenis 3 leek aanvankelijk veelbelovend, maar een vertaling als overschrijvingsbiljet tussen talen, dat kon het toch niet zijn. ‘Wordt het begrip transfer misschien verklaard in uw boekje?’ informeerde ik bij mijn gesprekspartner.

Hij bladerde weer even. ‘Toon, transparantie, trouw… Nee, staat er niet in. Maar op grond van de Latijnse etymologie moet het natuurlijk overbrenging betekenen.’

‘Overbrenging tussen talen? Waarvan dan?’

‘Van de betekenis, wat anders?’

‘Maar u zegt net zelf dat die transfer een brontekst interpreteert, dat is toch niet hetzelfde als de betekenis overbrengen.’

‘Ho ho, ik zeg helemaal niets, het staat in dit boekje, ik las het alleen maar voor.’

‘Ik begrijp het: u bracht alleen de boodschap over. Net als een vertaler.’

‘Ik bén vertaler. Waarom dacht u anders dat ik dit boekje zat te lezen?’

‘En hebt u er wat aan?’

‘Dat weet ik nog niet. In elk geval lijkt het me nuttig dat er nu een heldere definitie is van allerlei begrippen die met vertalen te maken hebben.’

‘Zoals het begrip vertaling.’

Hij keek me onderzoekend aan, blijkbaar vroeg hij zich af of ik een loopje met hem nam. Toen hij al dan niet terecht had geconcludeerd van niet, zei hij peinzend: ‘Die interpreterende transfer klinkt inderdaad onhandig. Maar ik neem aan dat ze gewoon bedoelen dat de betekenis van de brontekst moet worden overgebracht naar de doeltekst: anders zou er geen “overeenkomstrelatie tussen beide teksten” kunnen zijn.’

‘Die is er ook niet: die wordt “gelegd”, zei u net.’

‘Dat zei ik niet, dat las ik voor.’

‘Akkoord, maar hoe interpreteert u het? En ik wil best aannemen dat die overeenkomstrelatie domweg inhoudt dat de brontekst en de doeltekst identiek zijn (op de taal na), maar dat levert weer allerlei andere problemen op. Ik had in het vertaaltijdschrift Filter een tijdje geleden een polemiek met Henri Bloemen en Winibert Segers over dat onderwerp, en zij haalden dat idee van identiteit genadeloos onderuit.’

‘Henri Bloemen en Winibert Segers? Dat zijn de auteurs van de Terminologie van de vertaling! Kijk maar.’

Hij liet me de voorkant van het boekje zien, waarop inderdaad in grote witte letters de namen van het genoemde duo prijkten, maar een seconde later riep hij uit: ‘Nee, ik vergis me, ze hebben het alleen vertaald en bewerkt! Kijk, de echte auteurs staan hier in kleine lettertjes: Jean Delisle, Hannelore Lee-Jahnke, Monique C. Cormier. Grappig zeg, dat mogen ze bij mijn vertalingen ook wel doen, haha!’

‘Dus u vindt uw eigen inbreng belangrijker dan die van de schrijver?’

‘Nee, natuurlijk niet. Maar veel lezers snappen waarschijnlijk niet eens dat ik een eigen inbreng heb, dat ik soms ingrijpende keuzes moet maken om in het Nederlands een vergelijkbaar effect te bereiken als de auteur in zijn eigen taal.’

‘Heet dat niet vertaalstrategie?’

‘Zou kunnen. Eens zien wat het boekje zegt.’ Hij bladert. ‘“Vertaalstrategie. Strategie waardoor een vertaler zich laat leiden.” Ja, nogal wiedes. Wordt bepaald door het vertaalprincipe. “Vertaalprincipe: algemeen principe waardoor een vertaler zich laat leiden.” Nou, leerzaam hoor.’

‘Maar gelooft u zelf in die vertaalstrategie? Ik las vorig jaar een interview met de winnaar van de Martinus Nijhoffprijs, die vond het grote onzin dat een vertaler een strategie nodig zou hebben: de vertaling moet de tekst volgen, punt uit.’

‘Kijk, dat vind ík nou grote onzin. Er staat niet zomaar wat er staat, er staat wat je leest, en iedereen leest iets anders.’

‘Interpreterende transfer,’ mompelde ik.

‘Wat zegt u?’

‘O, niets.’


Martin de Haan

Ontvang onze nieuwsbrief

Laat uw emailadres hier achter en blijf op de hoogte van uitgaven en blogberichten van ons literair tijdschrift.

Lichaam

In het najaar van 2001 vond er op de doorgaans zo praktische e-maillijst van de Werkgroep Vertalers van de VvL een heuse intellectuele discussie plaats. Inzet was de vraag hoe het werk van een literair vertaler moet worden gezien: als ambacht, of als uitvoerende kunst?

Martin de HaanDe hele vraag kan op het eerste gezicht tamelijk onzinnig lijken, omdat de twee mogelijkheden elkaar niet echt uitsluiten, maar het achterliggende meningsverschil is dat allerminst: de ‘ambacht’-optie werd verdedigd door mensen die de identiteit tussen brontekst en vertaling wilden benadrukken, de ‘uitvoerende kunst’-optie door mensen (om precies te zijn vooral ikzelf) die het vooral het verschil tussen brontekst en vertaling interessant vonden. Ambacht staat voor vaardigheid, techniek, herhaalbaarheid, uitvoerende kunst staat voor interpretatie, visie, eenmaligheid; de keuze tussen die twee hangt uiteraard nauw samen met de vraag hoe je je als vertaler tot je vak wenst te verhouden.

De discussie leek mij interessant genoeg voor een minder terloopse voortzetting op een openbaar podium, dus schreef ik een polemische ‘Stelling’ voor het vertaaltijdschrift Filter (8:4), in de hoop dat andersdenkende vertalers erop zouden reageren. Die stelling luidde kortweg: ‘Literair vertalen is een uitvoerende kunst,’ en ik betoogde dat elke goede vertaling een ‘subjectieve maar volledig dienstbare visie’ op de brontekst veronderstelt, die uiteindelijk is geworteld in het lichaam van de vertaler, ‘het filter dat een vertaling tot een eenmalige, niet-herhaalbare taalhandeling maakt’.

En inderdaad kwam er meteen in hetzelfde nummer van Filter al een reactie, zij het uit geheel onverwachte hoek: ik werd links ingehaald door het duo Winibert Segers en Henri Bloemen, dat mijn stelling pareerde met de tegen-stelling dat vertalen ‘géén overeenkomst, géén gelijkenis, géén afbeelding, wel verschil’ is, ‘eerder metonymie dan metafoor’, kortom ‘vrouw’. Die nadruk op het verschil in plaats van op de overeenkomst vertoonde een opvallende gelijkenis met mijn eigen standpunt op de e-maillijst, maar dit keer was ik zelf de gebeten essentialistische hond, want ‘de vergelijking van het vertalen met het uitvoeren van een muziekstuk is een uitgewerkte metafoor’ die uiteindelijk toch ‘haar beperkend, mannelijk karakter’ toont, aldus mijn nieuwe opponenten. Immers: ‘Wie vertalen metaforisch definieert, wil grijpen, beheersen, binnendringen, toe-eigenen, vervangen, zich in de plaats stellen: man zijn. Het metonymische daarentegen is het contigue, het ontsnappende, het zich onttrekkende, het anders en elders zijn.’

In mijn ietwat ludiek getoonzette weerwoord (in Filter 9:1) ging ik in op het bijzonder mannelijke beeld van het vertalen als vrouw, met name door te stellen dat je het metaforische (de overeenkomst, de gelijkenis, de afbeelding) nooit kunt wegstrepen zonder tegelijk het vertalen zelf kwijt te raken, ‘net als die onhandige vader die zijn kind samen met het badwater door het raam gooide’. En ik citeerde een zin van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Paul de Man (what’s in a name?) die me de situatie goed leek samen te vatten: ‘The relationship between the literal and the figural sense of a metaphor is always metonymic, though motivated by a constitutive tendency to pretend the opposite.’ Vertaald naar het vertalen: de relatie tussen brontekst en vertaling mag dan uiteindelijk altijd metonymisch zijn omdat verschuiving (een kernbegrip in de vertaalwetenschap: vertaalfouten heten daar ‘ongemotiveerde semantische verschuivingen’) onontkoombaar is, toch gaat van een vertaling altijd een metaforische aanspraak uit, de illusie van (of hoop op) een overeenkomst met de brontekst. Het een is niet denkbaar zonder het ander.

Wat ik in mijn weerwoord destijds niet schreef, maar misschien wel had moeten schrijven, is dat mijn stelling ‘literair vertalen is een uitvoerende kunst’ helemaal geen metafoor of vergelijking was: het was eenvoudigweg een definitie, naar keurig taxonomisch model. Literair vertalen is niet als een uitvoerende kunst, literair vertalen is een uitvoerende kunst, omdat het op zoekende, niet-mechanische wijze een bestaand taalkunstwerk omzet in een nieuw taalkunstwerk. Het enige wat aan mijn definitie ontbrak was wat in de aristotelische taxonomie differentia specifica wordt genoemd, het onderscheidende kenmerk van een species binnen een genus. Vul zelf maar in: literair vertalen is een uitvoerende kunst… die een bestaand literair werk probeert te herscheppen in een andere taal. Waarbij ‘bestaand’ overigens niet moet worden gelezen als ‘voor eeuwig vastliggend’, want de uitvoering concretiseert, actualiseert, creëert het origineel. Zoals de befaamde vertaler Dolf Verspoor ooit schreef: ‘Het kunstwerk bestaat niet objectief. Kunst komt alleen over in de vorm van interpretatie, van vertaling. Het kunstwerk is essentieel mobiel, al naar gelang van degenen die het in zich opnemen, al naar gelang van de tijd.’

Dat vind ik nog steeds een overtuigende benadering. Toch zit een aantal dingen in mijn oude formulering me nu niet lekker meer, met name de combinatie van begrippen als ‘subjectief’ en ‘visie’ (die uitgaan van beheersing en onderwerping aan een bewuste intentie) met een begrip als ‘lichaam’ (dat eerder staat voor het onbeheersbare, de driften). Rokus heeft al aangekondigd dat hij na zijn thuiskomst een lofrede op de subjectiviteit zal houden aan de hand van de onlangs overleden vertaler en theoreticus Henri Meschonnic. Zelf kies ik nu voor het lichaam: het lichaam van de vertaler, dat als ruis ingebakken zit in de vertaling en er de eigenheid van uitmaakt.

Martin de Haan


Zichtbaar!

In vorige posts klaagden Rokus en ik steen en been over onze onzichtbaarheid, we vertelden hoe we ondanks herhaald psychiaterbezoek en verregaande experimenten met psychedelische drugs maar niet tevreden konden zijn met het lot dat ons als ondergewaardeerde vertalers ten deel viel, en we kondigden al een spectaculaire job shift naar de popmuziek aan (we zijn een stuk jonger dan de Rolling Stones, dus dat moet kunnen).

Martin de HaanDe smalende reacties waren niet van de lucht. Wat zeuren jullie toch over onzichtbaarheid, jullie hebben nu toch een blog? Ja, dat is waar, daar hadden we nog niet bij stilgestaan. Maar dan is de vraag natuurlijk meteen: hoe zichtbaar is het Tiradeblog? De voltallige staf van de site is net als Rokus op vakantie dus ik heb geen harde statistieken, maar ik heb wel een indicatie op grond van het aantal computers waarop de filmpjes van 14 juli zijn bekeken – namelijk 31, als ik mijzelf niet meereken. Natuurlijk zijn mensen die vertalersblogs lezen niet visueel ingesteld, sommigen van hen hebben vast geen zin om filmpjes te bekijken en beperken zich liever tot de essentie, dus laten we zeggen dat het blog wordt gelezen door 50 mensen.

Is dat veel of weinig? Gans Nederland vertoeft momenteel weer in het buitenland en je kunt van al die mensen niet verwachten dat ze in Thailand of Egypte op het strand hun iPhone pakken om te lezen wat Hofstede en De Haan nu weer hebben geschreven. Toch lijkt 50 mensen me niet veel, vooral omdat bijna alle reacties tot nu toe van beroepsvertalers komen: kennelijk schrijven wij voor een publiek van ingewijden, en dan mag het trouwens nog een wonder heten dat we de 50 lezers halen, want veel nieuws vertellen we niet, iedereen kent onze verhalen uit eigen praktijk.

Maar voordat we de lier definitief aan de wilgen hangen is het misschien toch slim om een laatste offensief in te zetten, een frontale aanval op alle fronten. Actieplan:

1) om geld binnen te krijgen: een benefietconcert van U2 in de Amsterdam Arena, gepresenteerd door Umberto Eco (werktitel: ‘Translator Aid’);

2) met dat geld: ludieke publieksacties (‘Adopteer een vertaler’), reclameposters, educatieve tv-spotjes, fluorescerende stickers op alle vertaalde boeken, 5% korting op het vertaalhonorarium aan uitgevers die de naam van de vertaler prominent vermelden, enz.

3) als dat allemaal niet helpt: staken tot er een nijpend gebrek aan boeken dreigt te ontstaan (immers, 67% van alle in het Nederlands uitgebrachte fictie is vertaald).

Nu ik dit zo opschrijf, krijg ik er direct zin in. Misschien is nog niet alles verloren. Vandaar tot slot nog maar eens een heel positief filmpje, een willekeurige collectie boekomslagen van Europese uitgeverijen waaruit blijkt dat de naam van de vertaler heel goed kan worden vermeld zonder dat het omslag er onaantrekkelijk van wordt:

Martin de Haan

Beheersbaarheid

Het boek waar ik momenteel aan werk heet Une rencontre en is geschreven door Milan Kundera. Ik ben zijn vaste vertaler, dit is mijn vierde boek van hem na de romans Identiteit en Onwetendheid en het essay Het doek. Voor wie het nog niet wist: de in Tsjechoslowakije geboren Kundera woont sinds 1975 in Frankrijk en heeft inmiddels acht boeken in het Frans geschreven, twee meer dan de zes Tsjechische titels die hij tot zijn officiële oeuvre rekent (zijn jeugdwerk, met name drie toneelstukken en drie poëziebundels, heeft hij afgezworen). Hij is dus geen Tsjechische schrijver meer en wil ook geen Franse schrijver zijn, maar een Europese schrijver die toevallig het Frans hanteert.

Martin de Haan

Kundera heeft de reputatie vertaleronvriendelijk te zijn, wat hij te danken heeft aan de bezetenheid waarmee hij na zijn emigratie de vertalingen van zijn werk is gaan herzien. Op een gegeven moment was hij daar haast meer tijd aan kwijt dan aan het schrijven zelf, zegt hij met gevoel voor zelfspot in het nawoord bij de derde, definitieve Franse versie van De grap.

De reden is eenvoudig: toen hij zich in Frankrijk had gevestigd, ontdekte hij dat de vertaler van zijn eersteling de kale, nauwkeurige stijl had opgesmukt met bloemrijke beelden (want dat zou de Franse traditie vereisen). Voorbeeld: de zin uit De grap die door Jana Beranová in het Nederlands is vertaald als: ‘De hemel was blauw en het was een schitterende oktobermaand’, luidde in de eerste Franse vertaling: ‘Onder een helblauwe lucht hees oktober zijn weelderige vlag.’ In andere vertalingen stuitte de argwanend geworden auteur op vergelijkbare of nog ergere aanpassingen (de eerste Engelse vertaler van De grap had het boek zelfs ingekort en de volgorde van de hoofdstukken veranderd), en hij besloot nieuwe vertalingen in het vervolg zoveel mogelijk te controleren.

De componist Ligeti verbood Ronald Brautigam zijn pianoconcert te spelen omdat hij zich niet herkende in de uitvoering. De romancier Kundera wees diverse vertalingen af omdat ze zijn esthetiek geen recht deden. Waar ligt de grens tussen terecht ingrijpen en misplaatste bemoeizucht?

Het antwoord op die vraag valt niet in algemene termen te geven. Of liever gezegd, er zijn meerdere antwoorden mogelijk, die afhangen van de manier waarop je aankijkt tegen literatuur, taal en werkelijkheid. Zelf geloof ik niet in de volledige beheersbaarheid van taal: als de woorden eenmaal op schrift staan, gaan ze hun eigen leven leiden. Overigens is dat een van de hoofdthema’s uit Kundera’s romans: de onvoorziene en ongewilde gevolgen die onze woorden of daden kunnen hebben (en de vergeefse pogingen die we doen om de geest weer in de fles te krijgen). Het is misschien wel zijn persoonlijke paradox dat hij, die dit proces scherper beschrijft dan wie ook, zozeer een illustratie van zijn eigen these is geworden.

Ik mag hem graag, we zijn inmiddels vrij goed bevriend. Met mijn vertaalkeuzes bemoeit hij zich nooit, op mijn vragen geeft hij altijd voorbeeldig helder antwoord. Soms betrap ik hem op een foutje of een inconsequentie. Dan verzucht hij: ‘Waarom zijn niet meer vertalers zo kritisch?’

Martin de Haan

Wandelen door Parijs

Martin de HaanAfwisseling moet er zijn, dus laat ik maar eens voor wat kleur en beweging zorgen terwijl mijn medeblogger Rokus met vrouw en kind door Frankrijk fietst (hopelijk niet door het onweer dat nu boven de Morvan hangt).

Geen beter begin, in dat geval, dan een filmpje van een wandelende vertaler. Nietzsche zei het al in reactie op Flaubert, die had beweerd dat je alleen zittend kon denken en schrijven: ‘Daar heb ik je, nihilist! Het zitvlees is nu juist de zonde tegen de heilige geest. Alleen gelopen gedachten hebben waarde.’ En hij heeft groot gelijk, ook al komt er in de praktijk vaak weinig terecht van al die mooie wandelplannen. (Mijn andere vertaalvriend, Jan Pieter van der Sterre, heeft behalve wandelen overigens nog een andere methode: ‘Daar moet ik even over douchen.’)

Enfin, hier dus dat filmpje:

De voeten die u hier ziet behoren niemand anders dan Rokus toe. Dit historische filmmateriaal maakt deel uit van een bescheiden reportage die we op 24 februari 2003 samen hebben gemaakt nadat we eerst aan de École Normale Supérieure in de befaamde Rue d’Ulm het maandelijkse séminaire over Prousts Contre Sainte-Beuve hadden bijgewoond (daarover later meer) en vervolgens in ons stamrestaurant op het naburige Place de l’Estrade een goede maaltijd hadden genoten met als nagerecht de vertrouwde cuisses de pomme (of wat we als zodanig hadden ontcijferd op de menukaart).

De reportage, een reeks van nog geen vijftig foto’s, heeft als onderwerp een wandeling door Parijs die door minstens vier mensen al eerder was gelopen: Raymond Queneau, Remco Campert, Rudy Kousbroek en Hans Keller. De kans is overigens groot dat veel meer mensen dezelfde route hebben gelopen, want Queneau, die waarschijnlijk de eerste was, heeft de hele wandeling beschreven in een gedicht uit de bundel Courir les rues (1967) met als leidmotief de opzienbarende snelheid waarmee de vorm van een stad verandert: sneller dan het menselijk hart, als we Baudelaire mogen geloven.

100_0056Campert, Kousbroek en Keller maakten van gedicht en wandeling een film van ruim een uur, die op 24 september 1978 werd uitgezonden door de VPRO. Wijzelf hebben ons noodgedwongen beperkt tot foto’s, waarbij de taakverdeling als volgt was: Rokus las een paar verzen uit het gedicht voor, we zochten de beschreven plaatsen op en ik zorgde voor de vereeuwiging. Als de beschrijving niet direct duidelijk was gingen we te rade bij een buurtbewoner, zoals hier in de Rue du Dr Finlay, waar op nummer 3 de helderziende madame Sacco heeft gewoond over wie André Breton schrijft in Nadja.

En zo liepen we op die stralende februarimiddag van hotel Hilton in de Rue Jean-Rey naar metrostation Balard, via straten, wijken en een kerkhof (het Cimetière de Grenelle) waar we anders nooit zouden zijn gekomen. Hier de volledige reportage, verwerkt tot filmpje:

Rest me nu alleen nog het gedicht te vertalen. Aan de voorbereiding zal het niet liggen.

Martin de Haan

Meer blogs

  • Zo'n echte

    Drie jaar geleden was ik voor het eerst in Aardenburg, een stadje aan de onderkant van Nederland. Op een literaire avond speelde ik liedjes en droeg ik voor de eerste keer twee gedichten voor – ik was net gedebuteerd in Meander, en had me voorgenomen om me op de poëzie te storten. In de boekwinkel...
    Lees verder
  • Hawaii, a crying shame

    Voor wie wel eens een globe heeft vastgehouden is het een bekend gegeven. Je kunt de aarde zo draaien dat je vrijwel uitsluitend zee ziet. De Blue Marble, de foto die in 1972 genomen werd uit de Apollo 17 op 29.000 kilometer draagt niet voor niets die naam. 71% van het oppervlakte van de aarde...
    Lees verder
  • Scholen kijken

    De grote stoelendans is aangevangen. Wekelijks doen we vier middelbare scholen aan met onze zoon. Nadim heeft een lijstje met punten waarop hij die scholen scoren kan, en omdat zijn lijstje op de eettafel ligt, kijk ik regelmatig naar zijn uitdijende aantekeningen. God, wat houd ik van die jongen. Van zijn gebogen hoofd wanneer hij...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • Lia Tilon

    Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

  • Inez van de Ven

    Inez van de Ven is een schrijfster van Nederlands-Surinaamse afkomst. Haar focus ligt vooral op geschiedenis en fictie, waarin ze altijd op zoek is naar het sociaal maatschappelijk knelpunt. Naast haar schrijfwerk is ze freelance model en IT consultant.

  • Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.