De heuvels van de Morvan zijn groen en golvend. Of eigenlijk zijn het bergen, als je de geomorfologische definitie van ‘berg’ serieus neemt: ze steken vaak meer dan 200 meter boven hun omgeving uit. Vanachter mijn bureau zie ik de twee hoogste, de Haut Folin (902 m) en de Mont Beuvray (821 m). Ook zie ik de berg, nee, heuvel zand die de garagedeur verspert.
Nederlandse literair vertalers zitten qua inkomenspositie in de Europese middenmoot, zo blijkt uit een groot onderzoek van de Europese vertalersraad CEATL (Conseil européen des associations de traducteurs littéraires). De auteurs, Holger Fock, Alena Lhotová en ondergetekende, geven zelf al aan dat het onderzoek vooral indicatieve waarde heeft, want wij zijn geen professionele sociologen of statistici en het was allemaal liefdewerk oud papier – wat niet wegneemt dat het aangenaam werken was daar in het Zwitserse vertalershuis Looren (met uitzicht op échte bergen), en dat de resultaten er niet om liegen. Heel kort gezegd: nergens in Europa kunnen boekvertalers normaal rondkomen van hun werk onder de omstandigheden die de markt hun oplegt.
Wat houdt dat in? Dat houdt bijvoorbeeld in dat het gemiddelde belastbaar inkomen van gesubsidieerde Nederlandse vertalers, dat wil zeggen vertalers die voor hoogwaardige vertalingen met enige regelmaat projectwerkbeurzen ontvangen van het Fonds voor de Letteren, 19.000 euro bedraagt (en daar moet alles nog van af: belasting, sociale lasten, ziektekostenpremie, pensioenopbouw, privéverzekeringen). Toen ik dat afgelopen april op een EU-symposium in Brussel aan Michaël Zeeman vertelde, wilde hij me niet geloven, maar in werkelijkheid is het nog veel erger: heel veel boekvertalers krijgen géén projectwerkbeurzen, omdat hun boeken niet goed genoeg of gewoon niet literair zijn, en zij moeten dus ofwel een andere inkomstenbron hebben (rijke man/vrouw of goedbetaald bijbaantje), ofwel absurd snel vertalen – met alle gevolgen van dien voor de kwaliteit.
Literair vertalen is geen echt beroep, kán dat niet zijn zolang de honorering niet overeenstemt met de geïnvesteerde tijd en het (doorgaans academische) opleidings- en werkniveau van de vertalers. Het is te makkelijk om maar meteen met een beschuldigende vinger naar de uitgevers te wijzen, want die zouden direct failliet gaan als ze een echt billijk honorarium zouden betalen; maar het is ook te makkelijk om niet naar die uitgevers te wijzen (vergelijk dit vermakelijke filmpje).
In plaats van cynisch te constateren dat vertaalkwaliteit niet uitmaakt voor de verkoopcijfers (wat ik meerdere uitgevers heb horen beweren als argument tegen hogere honoraria, en waarschijnlijk is het nog waar ook), zouden zij op zijn minst kunnen helpen de maatschappelijke zichtbaarheid en daarmee de symbolische status van de vertaler te verhogen, door diens naam standaard op het omslag te zetten en te vermelden in alle publicitaire uitingen (advertenties, website, prospectus). Meer zichtbaarheid en een hogere status leiden uiteindelijk tot hogere honoraria, maar alleen omdat het lezerspubliek dan geen genoegen meer neemt met goedkoop broddelwerk: uitgevers, tel uit uw winst.
Maar voorlopig ligt daar die heuvel zand en ontbreekt het geld voor de voltooiing van het terras. Geen nood: in de winter zal het een ideale glijbaan voor mijn twee dochtertjes zijn.
Martin de Haan

























Zo ontspint zich bijvoorbeeld rond het noenmaal een gesprekje: ‘ – Wat zal ik u dienen? Wilt gij wat sop? – Ik bedank u. Ik zal u wat ossenvleesch vragen. Het ziet er zoo goed uit. – Wat stuk eet gij het liefst? Wilt gij wel gaar of weinig gaar? – Ik heb het niet geêrne te gaar. – Ik geloof dat dit stuk van uwen smaak is. – Het is kostelijk. […]’
Een paar dagen geleden was het weer zover: ‘Kunt u mij vertellen hoe ik aan een (bèta?-)versie van tovertaal kan komen. Als taalfreak ben ik daar wel benieuwd naar. Omdat ik mijn blog in het engels voer moet ik nogal eens een stuk tekst vertalen voor dat doel, en dat kost me eigenlijk wat teveel tijd naar mijn zin.’
Vandaar, exclusief voor de lezers van deze blog (of is het dit blog?), mijn apocriefe antwoord op de vraag:
Rondetafelgesprekken hebben vaak iets geforceerds. Niet alleen omdat de sprekers in werkelijkheid bijna altijd op een rijtje aan een langwerpige tafel moeten zitten, waardoor de geplande kettingreactie van geniale invallen doorgaans uitblijft, maar ook omdat de zogeten ‘moderator’ (die voornoemde kettingreactie binnen de grenzen van het levendige, doch beschaafde gesprek moet zien te houden; in het Frans heet hij trouwens ook wel ‘animateur’, dat is eerder iemand die voortdurend moet zorgen dat het gesprek niet vastloopt) maar al te vaak in lange monologen vervalt, of erger nog: zijn lijstje met voorbereide vragen afwerkt zonder echt naar de antwoorden te luisteren.





