Recensie in NRC (28 juni, hier) van de ‘Grassiaanse, nieuwe vertaling van het labyrintische epos Die Blechtrommel’. Anneriek de Jong laat haar licht schijnen over de vertaalprestatie van Jan Gielkens, die het meesterwerk van Günter Grass vijftig jaar na de verschijning van het origineel en vijfenveertig jaar na de vertaling van Koos Schuur opnieuw in het Nederlands heeft omgezet.
Het gebeurt niet vaak dat dagbladrecensenten uitgebreid op een vertaling ingaan, maar als het dan een keer gebeurt weet je bijna zeker dat er harde noten worden gekraakt: negatieve kritiek is veel makkelijker te geven dan positieve, en zoals al eerder geconstateerd (zie de eerste post van Rokus en de reacties daarop) hebben goede vertalingen de neiging onzichtbaar te zijn – overigens met uitzondering van hervertalingen, want door de vergelijking met de eerdere vertaling worden de keuzes van de vertalers zichtbaar.
Na te hebben gedecreteerd dat de herziene titel, De blikken trom, slecht bekt en gezocht is (‘in de speelgoedwinkel vraag je om een trommel en niet om een trom’), richt de NRC-recensente haar pijlen vooral op de beginzin van het boek. ‘Zugegeben, ich bin Insasse einer Heil- und Pflegeanstalt’, luidt die in het Duits. In de nieuwe vertaling van Jan Gielkens is dat geworden: ‘Zeker, ik zit in een inrichting.’ In de oude vertaling van Koos Schuur was het: ‘Ik geef toe: ik ben patiënt in een psychiatrische inrichting.’ Maar volgens Anneriek de Jong zijn beide vertalingen zouteloos, de nieuwste nog het meest, en hoort er te staan (categorische imperatief): ‘Toegegeven, ik ben ingezetene van een inrichting.’ Een ‘klaroenstoot’, noemt de recensente die oplossing van eigen makelij.
In het Nederlands kun je heel goed in een inrichting zitten, zoals Gielkens de ik-persoon laat zeggen (met een snel, hyperkort zinnetje dat volgens De Jong ‘de vaart er helemaal uit’ haalt), maar dat maakt je nog geen ingezetene van die inrichting. Een ingezetene is bij ons een inwoner van een land, een gebied of een plaats, terwijl het Duitse Insasse probleemloos kan worden gebruikt voor de bewoners (aha!) van een inrichting: ‘die Insassen eines Altersheims’, geeft de Duitse Van Dale als voorbeeld, ‘de bewoners van een bejaardentehuis’. Kortom, we zijn hier getuige van het welbekende verschijnsel dat in vertalersjargon ‘valse vriend’ heet: woorden in verwante talen die op elkaar lijken, maar niet hetzelfde betekenen en daardoor een gevaarlijke valkuil voor de vertaler vormen. Overigens betekent Insasse ook inzittende, maar dan hebben we het over voer- of vaartuigen en niet over klinieken. Van de drie beginzinnen is die van de recensente dus verreweg de slechtste, al heeft ze misschien wel gelijk dat de andere twee niet ideaal zijn. (Andere opties, die het iets formelere register van Insasse misschien wat meer recht doen: ‘ik verblijf in een psychiatrische kliniek’, of ‘ik ben opgenomen in een inrichting’.)
Maar De Jong revancheert zich door in het vervolg lovend te spreken over de ‘grotere risico’s’ die Gielkens heeft genomen in vergelijking met de ‘wat omzichtige en uitleggerige’ Schuur. Risico’s nemen, dat is iets wat veel literair vertalers te weinig doen, terwijl het juist een vereiste is om los te komen van de brontaal en de tekst opnieuw op te bouwen met de middelen van je eigen taal. Dus ik denk dat ik die nieuwe vertaling maar eens ga kopen. De mooie titel maakt me benieuwd.
Tot slot nog iets over het kommagebruik van onze kwaliteitskrant. Twee opeenvolgende bijvoeglijke naamwoorden worden daar steevast van elkaar gescheiden door zo’n punt met een staartje. Prijsvraag: wat is het betekenisverschil tussen een ‘Grassiaanse, nieuwe vertaling’ en een ‘Grassiaanse nieuwe vertaling’? Over de uitslag wordt niet geblogd.
Martin de Haan



























Zulke negatieve lezerspost krijg ik niet vaak, positieve trouwens ook niet: samen nog geen vijf reacties per jaar, afgezien van de veel frequentere pogingen om via mij door te dringen tot ‘mijn’ schrijvers (Houellebecq en Kundera vooral) of uit mijn mond te vernemen wat die schrijvers nu eigenlijk hebben bedoeld. De beste strategie voor het afhandelen van lezerspost is natuurlijk: kritiek direct naar de prullenbak verwijzen, complimenten in het plakboek plakken. (Zelfde strategie voor recensies: negatieve recensies hebben altijd ongelijk, positieve altijd gelijk.) Maar je wilt het publiek toch liever te vriend houden, en ik schreef mijn lezeres dus minzaam terug: ‘Ik kan en wil uw leesindruk niet veranderen, maar ik denk dat uw problemen alles te maken hebben met de ongewone manier van schrijven van [schrijver X].’
Tirade-redacteur Jeroen van Kan typeert het nummer, een brede schriftelijke enquête, als een ‘schuttersstuk’, een zelfportret van vertalend Nederland (inderdaad, maar één Vlaming onder de respondenten, de overigens zeer lezenswaardige Mysjkin). Waarbij opvalt dat de veelbesproken vergrijzing in de beroepsgroep door de medewerkers aan het nummer niet wordt gelogenstraft. Verrassend is dat nauwelijks, zelfselectie (wel of niet meewerken aan een vertalersnummer) en zelfreflectie (wel of niet nadenken over vertalen) gaan in zo’n context hand in hand, en alleen wie ervaring heeft voelt zich geautoriseerd om het woord te nemen. Op de presentatie lijk ik met mijn vijftig jaar en grijze haar nog tot de jeugdiger vakgenoten te behoren. Nee, dan de jongelui van Tirade, duidelijk een andere generatie, met hun uitstraling van onbevangenheid en overmoed, misschien ook van licht ongemak tegenover de ouwe lullen van het vertalersgilde – maar die middag in Rotterdam blijft de stemming in majeur.




