Durf

In mijn tienerjaren las ik ontzettend veel comics en strips. Superman, Batman, Spider-man, Paling en Ko en Suske en Wiske. Ik verslond ze allemaal. Op een gegeven moment ‘ontdekte’ Rappa’s stripbieb waar ik deze boeken kon lenen of daar en op dat moment kon lezen. Zodra ik de ruimte in het weekend had, was ik daar te vinden. De eigenaar en auteur Robby Parabirsing, beter bekend als Rappa, kende ik al van zijn boeken Fromoe Archie en De vlek uit het verleden. Rappa was in die tijd nog Nederlands leerkracht op de Algemene Middelbare School en in de middag hield hij zich bezig met de bibliotheek. Veel scholieren kwamen er langs om de boeken te lenen die zij moesten lezen van de literatuurlijst van het vak Nederlands en voor de vele stripboeken. Met Rappa kon je ook uren praten over verschillende onderwerpen. Over de geschiedenis van het land, de politiek en natuurlijk boeken. Hij had ook luisterend oor. De stripbieb was voor velen van ons een literair toevluchtsoord. Er heerste een ongedwongen sfeer en Rappa behandelde ons als gelijkwaardige. 

Rappa zette de plek op in een woelige periode in het land, namelijk de jaren 80 in Suriname. De Decembermoorden, waar vijftien Surinamers, die zich verzette tegen de militaire dictatuur waren vermoord, hadden net plaatsgevonden en op de onderwijsinstelling waar hij les gaf, had hij leerlingen die een familielid waren kwijtgeraakt bij de Decembermoorden. Rappa bracht vaak stripboeken naar school en leende die aan de jongeren voor tijdelijke ontsnapping aan de ellende. Hij besloot kort daarna de bibliotheek op te zetten voor anderen om er stripboeken en later andere boeken te lenen. Rappa zorgde daarbij ook voor begeleiding door soms simpele gesprekken die plaatsvonden in de bibliotheek. 

Fromoe Archie was een van de coming-of-age boeken die ik in mijn jeugd heb gelezen. Het gaat over de escapades van een Surinaamse jongeman binnen de sociale verhoudingen in zijn land kort voor de staatsgreep van onder leiding van legerbevelhebber Desi Bouterse in 1980. Op de mulo moet je voor het mondeling schoolonderzoek voor het vak Nederlands namelijk een aantal boeken van een boekenlijst kiezen en lezen. De lijst bestaat uit boeken van verschillende schrijvers, van binnen en buitenland. Ik koos op gevoel voor het boek van Rappa Fromoe Archie en werd aangenaam verrast met een verhaal waar ik mij als tiener mee kon identificeren. Rappa verschafte in zijn boek ook inzichten over de politiek in Suriname, de verstandhouding tussen Suriname en Nederland en de verstandhouding tussen Surinamers en Surinamers die naar Nederland zijn vertrokken en Nederlanders van Surinaamse afkomst. Prit pangi en opo borsu, direct en bot, vertelt Rappa deze zaken aan de lezer.

De Versurinamisering kon pas beginnen nadat Surinamers het hadden overgenomen van de Hollanders. Dit proces kwam echter nog niet op gang, omdat de eerste generatie Surinamers die overnam bij gebrek aan een vastomlijnd Surinaams iets maar bleef hangen bij hetgeen ze hadden geleerd van hun Hollandse meesters of ze vielen terug op voorouderlijke structuren. Het Hollandse was wel on-Surinaams, maar het was vastomlijnd en het had aanzien, het kwam van de koloniale meester. Dat eigene had onder een belangrijk deel van de eigen mensen geen aanzien, het werd zelfs onderdrukt. Pas toen de jongeren bewust werden, vooral als gevolg van de luxe dat zij in het buitenland, Nederland, konden studeren, werden zij krachtig met hun neus op feiten gedrukt, is den vreemde leerde je het eigene waarderen.

Passage Fromoe Archie, eerste druk 1984, pagina 50 

De lef die Rappa tentoonstelde als schrijver vond ik toen bewonderingswaardig omdat velen zich toen en zelf nu zich niet over een heleboel zaken zoals de ongelijkheid tussen de armen en rijken in Suriname  durven uit te spreken. Dat leerde ik van hem als schrijver, durven je gedachtegang neer te pennen en niet bang te zijn voor de consequenties. Je moet achter hetgeen je hebt geschreven blijven staan. Bij de uitgeverij  van Rappa Ralicon debuteerde ik 2019 als fictieschrijver met de novelle Eens in een leven. Een manuscript waar ik bijna tien jaar mee rondliep. Rappa durfde er iets mee te doen. Dat werd mijn startpunt als fictie-auteur. Daarvoor zal ik Rappa altijd dankbaar zijn. Toen ik hem vertelde over het idee van de verhalenbundel Prakseri was hij direct enthousiast en stuurde mij ook binnen korte tijd een verhaal dat hij op de planken had liggen. Samen met een van mijn schrijfhelden sta ik in de bundel en daar ben ik nog steeds ontzettend trots op.

"Foto van Kevin Headley"
Kevin Headley

Kevin Headley (1983) is een Surinaamse documentairemaker, journalist en schrijver. Sinds een aantal jaar schrijft hij ook korte verhalen, welke onder andere gepubliceerd zijn in de Surinaamse krant de Ware Tijd, het opinieblad Parbode, het online literair tijdschrift Papieren Helden, het tijdschrift Wobby en Tirade. Kevin heeft ook de speciale uitgave van Tirade PRAKSERI met alleen Surinaamse verhalen samengesteld. Tweewekelijks leren we door zijn ogen verschillende aspecten kennen van Suriname.

In de Oorshop

White spots – Schermverslaafd op Groenland

(De wereld in stukken 13)

Groenland heb ik uit maar een paar boeken leren kennen. Een white spot op boekengebied. Groot reiziger Coen Stork toonde me eens zijn boekenkast: geordend op land en omgekeerd chronologisch, oud onder, nieuw boven. Heb verzuimd naar Groenland te kijken. En ik ken het uitsluitend door boeken. Toevallig allemaal wel heel goede. Twee momentopnames, een roman en een studie. De momentopnames zijn het mooist, Niko en Lies Tinbergen brachten een jaar door op Groenland in 1932-1933 en Niko schreef daar het prachtige Eskimoland over. Het is een boek over geluk, omdat de twee een geweldig jaar hadden. Maar ook een oerboek van de onderzoeker Tinbergen. Neem deze scène waarin Tinbergen uitlegt hoe je een op het ijs zonnende zeehond vangt. De methode ‘berustte erop dat de jager, door zo natuurgetrouw mogelijk de bewegingen van een zonnende zeehond (qatsimaleq) na te bootsen, onopgemerkt naderbij kwam en van korte afstand de zeehond harpoeneerde of, na invoering van de vuurwapenen, schoot. Een qatsimaleq die ligt te slapen sluit de ogen zelden langer dan een minuut en kijkt dan even met opgeheven kop in het rond. Krijgt hij daarbij iets in het oog dat er daarvóór niet geweest is, dan fixeert hij het opeens en blijft een tijdlang strak ernaar kijken. En, hoewel hij maar vluchtig rondkijkt en niet veel opmerkt, blijkt hij als hij een verdacht voorwerp in het oog heeft, scherp te kunnen zien. Wanneer de jager nu, bemerkende dat de zeehond naar hem kijkt, zich doodstil houdt, wat men voor het meest voor de hand liggend zou houden, verspeelt hij de kans om voor een qatsimaleq aangezien te worden, want een qatsimaleq ligt nooit lange tijd achtereen doodstil op het ijs, behalve als hij dood is. Hij zorgt dus van tijd tot tijd zijn hoofd op te steken en op zeehondmanier er wat mee rond te zwaaien, om vervolgens weer te gaan liggen. Af en toe moet hij, zoals elke qatsimaleq, op zijn zeehonds met zijn benen spartelen of in de buurt van zijn schouder een wuifhandje laten verschijnen. De argwanende zeehond is dan, wanneer de jager zijn vak verstaat, al spoedig tevredengesteld en kan behoedzaam op dezelfde wijze tot op zeer korte afstand benaderd worden.’

Wanneer inleving in de zeehond, method acting en zeehondimitatie te veel moeite is – hoewel het wuifhandje op schouderhoogte echt te leuk is om te laten schieten – dan is het schermpje de oplossing: voorop een sleetje monteer je met wat latjes een wit katoenen schermpje, waarachter je je zolang schuilhoudt tot je kunt schieten. Zijn er mooiere jachtmethoden denkbaar?

Een andere prachtige momentopname is een gelukkige vondst in een antiquariaat: Thomas Frederiksen Het dagboek van een eskimo. Het dagelijks leven van een Groenlandse eskimo, getekend en beschreven door hemzelf. In dit prachtige boek (waar er tot mijn verbazing bij boekwinkeltjes nog wel een zwik te krijgen zijn) korte dagboek entry’s naast mooie tekeningen. ‘Oktober 1958. Gewoonlijk begeven we ons naar Nassuttoq om vosseklemmen te plaatsen. Ik ben dol op deze tochten die enkele weken in beslag nemen. Bij onze terugkeer in november hadden we een bandrob, dertien vossen, twee hazen, een aalscholver, drieënzestig eiderganzen en zeven zeekoeten bij ons.’

Net als Tinbergens vriend Karâle, die ook tekenaar was ruimt ook Frederiksen (wiens Inuitnaam Tuuma luidt) veel ruimte in voor mythische verhalen, waarin heldendaden en een humorvol belachelijk maken centraal staan. Ik zou dolgraag met een maaltje van knapperige walvishuid een avondje meelachen.

In Jared Diamonds Collapse staat een huiveringwekkend verhaal over de Greenland Norse, de vroege bewoning van Groenland (980-1430) en wat daar allemaal misging.

Niko eindigt vrolijker daar op Groenland: ‘De laatste avond vond het feest dan ten slotte plaats. Iedereen was uitgenodigd en iedereen was gekomen, ook alle matrozen in hun keurige blauwe pakjes die zo bij de Groenlandse meisjes in de smaak vielen. Volgens eskimomethode moest er rijkelijk gegeten en gedronken worden en dertien emmers vol limonade vonden die nacht hun weg naar dorstige Groenlanderkelen. We dansten totdat de zon opging en de deelnemers uitgeput bij de grammofoon kwamen zitten.

Lezen: Thomas Frederiksen Het dagboek van een eskimo. Het dagelijks leven van een Groenlandse eskimo, getekend en beschreven door hemzelf.

Niko Tinbergen, Eskimoland (een eerder stukje over dit boek)

Peter Høeg Smilla’s gevoel voor sneeuw

José Ortega y Gasset Het geluk van het jagen

Naar kaart 14

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Hondenleven

Wie over de dood van een huisdier praat, schreef ik hier al eens, heeft het vooral over zichzelf.

‘Poekie hadden we al toen de kinderen nog niet geboren waren, toen ma er nog was en we nog in het oude huis woonden, toen ik nog heel ander werk deed. Ze heeft dat allemaal meegemaakt, en nu is ze er niet meer.’ Zelden gaat het daarbij dus om het dier, en dat is misschien omdat alles wat er over dat dier zelf te zeggen is zo generiek klinkt.

Een paar weken geleden stierf mijn brave Otis de Hond, die bijna dertien jaar lang overal mee naartoe ging. Hij was er eerder dan de kinderen, eerder dan mijn schrijverschap, zijn mand stond ook in ons oude huis en mijn onlangs overleden vader was zijn beste vriend – daar gaan we al.

Zelf hield Otis van graven en balletjes halen, van aandacht en ook afzondering. Een ansichtkaartenmolen is nog minder generiek; ik moet echt hard nadenken om uit dit hondenleven het unieke wezen te halen, terwijl hij dat in mijn ogen zeker was.

Otis hield niet van vrouwen die hoge stemmetjes opzetten – háátte Amerikaanse wijven die babypraat tegen hem uitsloegen in café’s. Hij was een dominante hond, maar zijn dominantie voelde als een voorwendsel, een verbloeming van een basale onzekerheid, er zat een schichtig soort agressie onder. Otis had een hekel aan kleine kinderen omdat hij die niet kon plaatsen: was dit een mens en dus een meerdere, of was het een dier en dus mogelijk ondergeschikt?

Natuurlijk is het passend voor de soort dat hij zich van hiërarchie bewust was, maar voor Otis leek het zwaarder te wegen wie op welke trede stond dan voor andere honden. Om er zeker van te zijn dat hij daarin geen fout beging, meed hij alle kinderen. Brachten ze hem in het nauw met hun grijphandjes, dan hapte hij nijdig van zich af.

Dit gedrag werd erger naarmate hij ouder werd en slechter zag. In zijn laatste maanden heeft hij meerdere mensen die hem eigenlijk geliefd waren in de neus gebeten. Alsof die basale onzekerheid steeds meer naar de oppervlakte mocht komen.

Otis hield van teven met een dikke vacht en zo’n wollige achterkant – keeshondjes waren zijn niche. Hoe ouder hoe beter, leek het. Tot vlak voor zijn dood kon hij drie blokken omlopen voor een mottige bejaarde.

Het is bijna onmogelijk om geen verband te zien tussen Otis’ snelle aftakeling en mijn vaders overlijden. De laatste keer dat we hem meenamen naar mijn ouders – mijn vader lag al in het verstelbare bed in de eetkamer – snuffelde Oot verward aan zijn koele hand, en nam daarna zijn vaste plek in naast de stoel van zijn vriend in de woonkamer, waar hij zich altijd klein gemaakt had in de hoop dat we hem bij ons vertrek zouden vergeten.

Otis’ gedroomde leven lag daar aan de bosrand in Hilversum. Twee mensen op leeftijd die hem ruimte gaven, maar er de hele tijd waren. Zes keer per dag een wandeling en alle liefde van de wereld. Een eigen erf om waaks over te doen en nergens een kindertengel te bekennen.

Vier weken na mijn vaders crematie liet ik een koude Otis in een kuil in dat Hilversumse erf zakken. We dekten hem toe met zand en zwegen even bij het terpje aan de voet van de magnolia.

Het was niet nodig om te zeggen dat hij nu bij zijn beste vriend was, maar we zeiden het toch. Mijn moeders verdriet verschoot – werd lichter en intenser tegelijk.

Op tweede paasdag begroeven we mijn vaders as in dezelfde tuin. De korrels hadden de kleur van strandzand op een warme dag en vielen uit het soort doos waar je normaliter waspoeder uit schudt. Omdat het spul zo fijn was besefte ik dat mijn vaders resten door een maler moesten zijn gegaan.

Ik weet ook niet hoe het dan wél moet, maar alles aan de begrafeniswereld voelt ondoordacht. En ja ik bijt me vast in ergernis zodat ik mijn verdriet niet hoef te voelen.

Als we over overleden mensen praten zit het grootste verdriet trouwens ook bij wat ze voor óns betekenden.

Beeld: Ivo Victoria

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Mainstream

Op maandagavond reis ik altijd met de trein van Utrecht naar Amsterdam. Op station Amsterdam Bijlmer ArenaA komt er om 22.38 steevast een man mijn coupé binnen. Hij heeft wild, warrig haar, maar zijn werkschema is stipt. Hij kondigt iedere week weer met veel bravoure aan dat het een speciale avond is. ‘Jullie zullen over enkele minuten allemaal getrakteerd worden op Frappuccino Coffee door een samenwerking met Starbucks, geserveerd door Bulgaren die in Amsterdam onder de brug slapen, en die nu achter mij staan te wachten met volle dienbladen, in combinatie met een filmkaartje, aangeboden door het Leger des Heils.’ Zo praat hij met krachtige stem nog een minuut door. Hoewel het allemaal gratis is, mogen we met onze pinpas bij hem betalen. Hij loopt langs de reizigers terwijl hij zijn hand uitsteekt. Veel mensen geven hem lachend wat geld. Zijn verhaal is geestig, ze hebben zich geamuseerd. 

Als onbetrouwbare verteller in een roman zou deze man ongeschikt zijn, het was vanaf het begin voor iedereen overduidelijk dat hij niet de waarheid sprak. Een onbetrouwbare verteller zaait twijfel over wat waar is en wat niet, zoals in Dagboek van een gek van Gogol gebeurt. De verteller, die pennen snijdt, klinkt in dat verhaal eerst nog geloofwaardig als hij het bureau waar hij werkt beschrijft, waar de stoelen van rood hout zijn en iedereen met u wordt aangesproken. Deze realistische passages worden afgewisseld met krankzinnige: ‘Ik heb gehoord dat er in Engeland een vis aan kwam zwemmen die twee woorden zei in zo’n vreemde taal, dat geleerden al drie jaar bezig zijn om die woorden te verklaren…’   

Microsoft voegde recentelijk GPT-4 aan zijn zoekmachine Bing toe. Deze opvolger van ChatGPT geeft soms verkeerde antwoorden, dat erkent ook Microsoft, maar de veiligheid ervan is door experts uitgebreid getest. ‘Het reageert 82 procent minder snel op vragen die gericht zijn op niet-toegestane zaken’ (RTL Nieuws 15-3-23).

Wij hebben thuis een betaald Family 365-pakket van Microsoft, hierdoor kan ik het grote taalmodel ‘gratis’ gebruiken. Van de week voerde mijn dochter mijn naam in de chatbox in om te kijken welke informatie die over haar moeder zou geven. Altijd leuk. Op het scherm verscheen ongeveer dezelfde tekst die over mij op Wikipedia staat, daarna volgden een paar recensies over mijn werk. Wat opviel was dat de recensies achter een betaalmuur in NRC of Trouw niet werden genoemd, maar het programma wel samenvattingen gaf van de de gratis beschikbare online recensies op Trotse Moeders en Tzum. Mijn dochter vroeg: ‘Waar woont Anja Sicking?’ Ons huisadres staat niet in het telefoonboek. GPT-4 produceerde nieuwe woorden: ‘Ik geef geen adressen van privépersonen. Ik respecteer mensen hun privacy.’ Op hetzelfde moment verscheen er een adres in beeld waar wij ooit woonden, met een routebeschrijving door Amsterdam-Oost erbij, en ook het nummer van onze (oude) vaste telefoon. Toen mijn dochter vroeg hoe GPT-4 aan dat adres kwam, antwoordde het: ‘Ik kom niet aan je adres. Ik weet alleen dat je in Redmond, Washington, Verenigde Staten bent.’

Een gebruiker van GPT-4 moet zelf maar uitzoeken wat waar is en wat niet. Ik heb meer vertrouwen in de man die onzichtbare frappuccino in de trein serveert dan in de topmensen van Microsoft. Ik zal het nu niet over het op grote schaal verspreiden van desinformatie hebben, daar is de afgelopen week al veel over geschreven, net als over de andere risico’s van grote taalmodellen. Maar voordat ik mijn Family 365-pakket inwissel voor de software van een betrouwbaar bedrijf, zou ik de topmensen van Microsoft willen vragen of we de onbetrouwbare verteller niet beter alleen in de literatuur of op het toneel kunnen opvoeren. Het zou jammer zijn wanneer die mainstream werd.

(Credit afbeelding: Richard Jonkman)

"Foto van Anja Sicking"
Anja Sicking

Anja Sicking schrijft romans en essays. In haar laatste boek, De visionair, onderzoekt ze via de verbeelding
hoe de toekomst eruit zou kunnen zien.

Toen mijn vader cynoloog was

Op de middelbare school vertelde ik eens aan een klasgenoot dat mijn vader sinoloog was. Tot mijn grote verbazing en mijn onbegrip antwoordde hij: ‘Oh, nu begrijp ik waar jouw humor vandaan komt!’ Daar begreep ik dus helemaal niks van. Wat had de bestudering van China nou te maken met mijn humor? Bestond er iets als typisch ‘Chinese humor’ en had ik dat? Als dat zo was, waarom legde hij de link dan pas nu hij mijn vaders beroep wist – ik zag er toch redelijk Chinees uit? Het duurde even voordat ik begreep dat hij dacht dat een sinoloog iemand was die zich bezighield met het cynisme, waarschijnlijk met de schrijfwijze ‘cynoloog’ (denk ik dan).

Was ik toen zo cynisch? Volgens de Van Dale is iemand die cynisch is ‘schaamteloos ongevoelig, een stuitend of pijnlijk ongeloof in het goede aan de dag leggend, niet gelovend aan oprechtheid of goede bedoelingen van de mensen en dit met spottende lach of op scherpe sarcastische wijze latende blijken.’ Ik herken mij niet in deze woorden, deze beschrijving. Als ik iets was, was ik misschien ironisch, maar ook dat betwijfel ik ten zeerste. Volgens de Van Dale is ironie: ‘het uiten van gedachten, meningen, het doen van mededelingen e.d. op zo’n manier dat duidelijk is dat het te verstaan gegevene niet in ál zijn aspecten serieus hoeft te worden opgevat.’ Wellicht dat ironie in sommige gevallen grenst aan het cynisme, maar dat weet ik niet en kan ik niet beoordelen. Hoe dan ook, waarom werd ik beticht van het cynisme? 

Ik profileerde mij in die tijd een beetje als een stand-up-comedian. In de pauzes en soms bij presentaties probeerde ik de lachers op mijn hand te krijgen. Dat lukte best goed eigenlijk. Ik dreef daar vooral de spot met mijzelf en met politici. Die klasgenoot stond er in de pauzes ook vaak bij. Of hij veel lachte weet ik niet meer. Echt goede grappen maakte ik volgens mij niet en toch lachten mijn vrienden om mij.

Ik keek op dat moment heel veel cabaret. Vanaf het lesuur dat mijn docent Nederlands een keer een show van Herman Finkers had opgezet, Kalm aan en rap een beetje, was ik geïnteresseerd geraakt in cabaretiers. Ik heb volgens mij alle filmpjes met Herman Finkers die op YouTube staan gezien en toen ik Herman Finkers had uitgespeeld, begon ik te klikken op wat het algoritme mij voorschotelde: Lebbis en Jansen (solo en als duo), Van Muiswinkel en Van Vleuten (wederom solo en als duo), Pieter Derks, Ronald Goedemondt en ga zo maar door. Iedere ochtend bij het opstaan klikte ik een conference aan. Vooral de cabaretiers die zich enorm opwonden op het toneel hadden mijn voorkeur. Zo erg dat mijn ouders, als zij mij in bed zagen liggen met een cabaretier op het scherm, grappend (ironisch?) vroegen: ‘Weer een schreeuwer?’

Wat vond ik en wat vind ik nog steeds zo gaaf aan bepaalde cabaretiers? Een bepaalde blik op de wereld, een neus voor absurditeit. Neem nu deze zin van Herman Finkers uit Na de pauze: ‘Het is allesbehalve onjuist dat ik niet tegen het verbod op het embargo ben.’ Hij legt hem in de mond van een politicus in de Tweede Kamer. Of dat hij zegt: ‘Oh onze zedenleer [van het katholicisme] mijn hemel: homoseksualiteit is tegennatuurlijk. Ja, net als over water lopen en na een paar dagen weer opstaan uit de dood. Je zou dus ook kunnen concluderen dat homoseksualiteit net zo goed een wonder is.’ Deze komt uit zijn oudejaarsconference. De zaal is enkele seconden doodstil, de redenering moet even indalen en inwerken, en dan begint iedereen keihard te klappen. Hij en de andere cabaretiers halen je uit de gemakzuchtige kijk op het leven van alledag: niet rechtlijnig, niet logisch. Rare conclusies die toch kloppen. Nogmaals, een bepaalde absurditeit. Dit was het kale soort cabaret, niet bombastisch. Daar stonden Lebbis en Jansen tegenover, met hun schitterende oudejaarsconferences waar ze met verbaal geweld tekeergingen. Briljant vind ik de stukken waar ze op volle kracht door elkaar beginnen te praten en ieder een eigen verhaal staat te houden. Maar ook zij hadden een bepaalde blik op de wereld die mij aantrok: weer dat neusje voor de absurditeit van het alledaagse. En ironie. Die cabaretiers toonden mij een kant van de wereld die ik daarvoor niet echt had opgemerkt. En vanaf dat moment begon ik ook ineens allerlei zaken te zien die grappig waren. Om een recent voorbeeld te geven: in de supermarkt stond tijdens Corona een bord met de boodschap: ‘Kom alleen boodschappen doen.’ Duh. Wat moet een mens anders in de supermarkt? Films kun er niet kijken. Je kunt er ook niet sporten. Praten misschien? Oh, je mag niet meer praten in de supermarkt! Ach wat maakt het uit. Je mag tegenwoordig ook niks meer zeggen.

Ik vroeg mijn klasgenoot natuurlijk waarom hij vond dat ik cynisch was. Hij zei dat dat te maken had met De helaasheid der dingen en De avonden. Hij vond het namelijk heel verdacht en raar dat ik bij die twee boeken ontzettend had moeten lachen.

 Ik weet niet of dat een teken van het cynisme is, maar feit is wel dat ik door die twee boeken weer aan het lezen ben geraakt. Voordat ik die twee boeken las, las ik weinig: voor de jeugdboeken was ik te oud en de Young Adult-boeken trokken mij niet. Ik keek vooral cabaret en lachte mij een kriek. En plots waren daar twee boeken waar ik eenzelfde reactie op had als wanneer ik cabaret keek. Uiteraard waren er in die boeken meer dingen die mij boeiden: de laatste hoofdstukken van De helaasheid der dingen en De avonden zijn werkelijk ontroerend mooi. Ook dat is mij bijgebleven. Maar mijn eerste reactie was er toch een van ‘aha, romans kunnen het ook!’ Dus wellicht is het wel aan al die uren cabaret te danken dat ik nu deze stukjes schrijf.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Heel even

Zonder op de bordjes te kijken vond ik het heuveltje. Aan de voet daarvan was de urn met as van mijn opa begraven. Ik was al lang niet meer geweest, maar sommige dingen vergeet je niet. De zon stond hoog en strooide wat stralen over de zerken, alsof ze een aai over hun bol nodig hadden.

De vetplantjes die ik jaren geleden met mijn oma had geplant stonden nog niet in bloei. Er staken alleen wat droeve stengels uit het droge zand. Verder zag het tuintje van mijn opa er nog verrassend verzorgd uit: de steentjes waren witter dan ik me kon herinneren en de karakteristieke tuinkabouters, een met een hengel en een met een sigaret, stonden nog steeds fier overeind.

Ik kwam te weinig bij mijn opa de laatste tijd, vond ik. Hij is al meer dan twintig jaar dood, en tot een jaar of drie geleden kwam ik er vaak, omdat hij overleed toen ik vier was. Door bij hem op bezoek te gaan dacht ik toch nog wat tijd met hem te kunnen doorbrengen. Ik vertelde hem over mijn leven, stelde wat retorische vragen en verzorgde zijn graf met mijn oma, omdat ik dan het gevoel had dat ik weer even dicht bij hem was. Totdat het gevoel ophield, en zijn graf alleen maar een graf werd. De tijd die ik nog met hem wilde hebben, kon ik niet meer inhalen.

Opa Amber, zo noemden we hem, omdat mijn oma en opa een slanke, zwarte, grijze hond hadden, die Amber heette. Terwijl ik op mijn hurken de steentjes wat herschikte, met de gieter die bij het kraantje verderop stond de tuinkabouters een douche gaf, en het zand van de vetplantjes veranderde in modder, drong het tot me door dat ik zo veel dingen van mijn opa was vergeten de afgelopen twintig jaar.

Vooral door foto’s wist ik hoe hij eruit zag, en door de verhalen van mijn moeder, mijn tante en mijn oma wist ik een beetje hoe hij was, leerde ik over zijn streken, en zijn grote liefde voor zijn stad, Amersfoort. Mijn eigen herinneringen waren troebel, en verwaaid door de jaren.

Wel weet ik nog hoe hij rook: naar oude boeken en tabak. Ook kan ik me nog herinneren dat hij lang was, ondanks zijn gebogen, ingehouden houding die hij zich in de laatste jaren van zijn leven had aangemeten. Zijn kalme, zachte stem, ook. En die ondeugende en tegelijkertijd trotse twinkeling in zijn ogen, waarmee hij ook naar mij keek als ik op zijn schoot zat. Het zijn slechts flarden, maar dat is alles wat ik nog van hem kan bewaren.

Nadat ik de grote steen met daarop de foto van mijn opa ook een douche had gegeven en wat onkruid had weggehaald, zette ik de gieter weg, en ging voor zijn graf staan. Ik zei niets, al wilde ik het tegenovergestelde. Het voelde nog steeds niet als vroeger, en ik voelde een onhandelbare, onterechte boosheid om het feit dat hij er niet meer was, dat hij alles miste, en niet kon zien wie ik was geworden. Ik glimlachte naar zijn foto, klopte het zand van mijn handen en liep het heuveltje weer af.

Op het hoofdpad hoorde ik alleen het knarsen van het grind onder mijn voeten, het ingetogen fluiten van verdwaalde vogels in de verte en mijn eigen, onrustige ademhaling. Een gezette, kale, joviaal ogende man kwam aangelopen en liet zijn hond, een uitgebluste, ingezakte, blonde labrador, even aan de pijpen van mijn broek snuffelen.

‘Hij doet niks, hoor!’ zei de man met luide stem, die de rust in scherven brak als een voetbal door een ruit. Met zijn linkerhand trok hij de riem wat aan, maar de labrador ging ongestoord door met de geurinspectie van mijn broek. In zijn rechterhand hield hij een lege plastic tas vast. Onder zijn vingernagels kleefden rouwrandjes van zand.

‘Ik denk dat hij mijn kat ruikt,’ zei ik, en gaf het beest een aai over zijn ruwe bol.

‘Dat zou goed kunnen! Geurtjes, hé!’ schalde hij. ‘Nou, fijne dag!’

De man trok de riem weer wat aan en liep door. De labrador slofte verongelijkt achter hem aan.

In niets had die man op mijn opa geleken, en de hond had in niets op Amber geleken, maar toch voelde het heel even wel zo. Al was het alleen maar omdat ik dat wilde, omdat ik dan heel even kon denken dat ik hem weer tegen was gekomen.

Dat ik heel even een gesprekje met hem had kunnen voeren. Hoe hij nog heel even op de aarde was gezet om langs te lopen, om te kunnen zien wie ik was geworden, nu. En dat hij zag dat het goed was.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Willemijn Kranendonk"
    Willemijn Kranendonk

    Willemijn Kranendonk (1994) is schrijver en dichter, voor zowel kinderen als volwassenen. Haar werk verscheen o.a. in Tirade, DW B, Liegend Konijn en op Lilith Magazine, Revisor, De Internet Gids, Hard//Hoofd en De Optimist. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman die dit jaar nog uit zal komen bij Uitgeverij Van Oorschot en volgt ze de master Jeugdliteratuur aan de Universiteit van Tilburg. Mei 2022 verschijnt haar eerste kinderboek bij Uitgeverij Billy Bones.

  • "Foto van Plonia Westendorp"
    Plonia Westendorp

    Plonia Westendorp (1998) is verpleegkundige en student Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.

  • "Foto van Jasmijn Kenselaar"
    Jasmijn Kenselaar

    Jasmijn Kenselaar studeert in de zomer van 2025 af als toneel- en filmschrijver. Het samenbrengen van mensen en het aanbieden van nieuwe perspectieven kenmerken haar signatuur. Ze schrijft veel voor en over jongeren en plaatst haar verhalen vaak in werelden die een beetje – of heel erg – verschillen van de onze. Haar eindwerk De Ongewilden is een komische, sciencefiction-dramafilm over een zestienjarige wees die zich staande probeert te houden in een wereld die niet voor haar gemaakt is. Haar afstudeerscriptie As if! is een praktijkgericht onderzoek naar hoe schrijftechnieken kunnen worden ingezet om films en series te creeëren met een positieve impact op tieners. Voor afstuderend regisseur Julija Filipović schreef ze daarnaast De Golven – een vrije bewerking van de gelijknamige roman van Virginia Woolf. Haar korte film GENIUS is in juni 2025 te zien tijdens het Rotterdams Open Doek Filmfestival.