elf

Voor zijn elfde verjaardag wilde Nadim een dansfeest, dus vulden we de kantine van de botenclub met gekleurde lichtjes, spiegelballen, gouden sliertgordijnen en heliumballons. Een rol behang werd rode loper, en B maakte foto’s van de kinderen die zich – soms in voor de avond gekochte outfits – bij de poort meldden.

Nadims klasgenoten heb ik van kleuters heel geleidelijk tieners zien worden, maar op dit feest leken ze opeens brugklassers. En dat, besefte ik, zouden ze in minder dan een jaar ook zijn.

Ik stond achter de bar terwijl onze gasten binnenkwamen. De meiden droegen jurken, de jongens zonder uitzondering een overhemd en jasje. Een aantal van hen had geoefend op hun bar side manner: een elleboogje op het hout, de andere hand easy in de broekzak, een opgetrokken wenkbrauw en dan heel casual bestellen. Bij al die volwassenheid detoneerde het drankaanbod van mocktails op basis van Fernandes cherry bouquet een beetje.

Er werd gedanst, maar niet met de overgave waarop we hadden gehoopt. Een clustertje meiden oefende pasjes; de jongens deden hun best, maar vaak werd het toch stoeien op de grond. Ik keek naar de colagestookte gekte van al die tienermannen en vreesde voor de rest van de avond, maar ik kende juf Jennifer dan ook nog niet.

Klokslag acht uur stond ze binnen, een actieheld in spandex. Juf Jennifer bracht rust en focus: binnen een kwartier oefende iedereen haar dans in nette rijen. Als toeschouwer lukte het me niet eens de pasjes te onthouden, maar bij de kinderen ging het er vrij makkelijk in.

Juf Jen had hip hop opgezet, dus deze barman was hoe dan ook tevreden. Buiten rookte ik stiekem een jointje – daarbij mijn eigen middelbareschooltijd ophalend – en tuurde breed grijnzend door de schuifpui naar de actie. Onze Ada (5) gaf echt álles; de juf had haar dan ook aangewezen als co-docent.

Toen de les voorbij was plofte Ada op een van de luie stoelen naast de houtkachel, haar armen om een Pokémonkussen dat haar broer gekregen had. Bijna lijfelijk herinnerde ik me hoe het is om zó aan te staan dat je tegelijkertijd afbrandt – een rauw alleswillen, een honger met een angst eronder.

‘Vuurwerk!’ riep iemand. Als één lichaam stoven de tieners naar de pui. Ik riep nog dat ze absoluut níét naar buiten mochten, maar er was geen houden aan. Het vlonder aan de gracht stroomde vol, de hemel vlamde en nu was boven de muziek uit ook de donder hoorbaar. Ik besloot dat iedereen zijn zwemdiploma had, en dat de buurt door het onweer niet over de muziek zou klagen.

Mede dankzij de bliksem zou dit een verjaardag worden waarover nog lang gepraat werd – misschien het leukste feest in dit laatste van hun acht jaar samen. Alsof iemand daarboven een gigantische bak omkiepte, klapte de regen op het vlonder neer. Een paar kinderen zochten toevlucht onder het afdak, maar het merendeel spreidde de armen, sloot de ogen en kantelde hun gezicht naar de hemel. Jasjes, dasjes, jurken, speldjes en krullen. Alles was in een paar tellen doorweekt.

Ook dit herinnerde mijn lijf zich: met gespreide armen dansen in de regen en zeker weten dat niemand ooit met zo’n intensiteit geleefd had als wij op dít moment. Ik probeerde me de ouder te herinneren die met heimwee naar ons gekeken had terwijl wij in de regen tolden op het tuinfeest van Danila, Albert, Marije of Namilla.

Niks. Alsof er helemaal geen ouders bij waren geweest.

En zo hoort het, dacht ik terwijl ik mijn bar schoonveegde; me opmaakte voor een nieuwe ronde bestellingen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In de Oorshop

Arendsoog, Biggles en het korte
verhaal

Ik heb thuis alle Arendsogen (nummer 45 en 63 wel in een andere uitgave dan die van Malmberg), alle Kameleons en een flink aantal Biggles. Samen met mijn vader heb ik die verzameld, in De Slegte in Leiden en op boekenmarkten in alle uithoeken van het land (van Deventer tot Lemmer).


We zijn ooit begonnen met de Kameleons en toen die compleet waren, zijn we overgestapt naar de Arendsogen. De Biggles heb ik zelf nog een tijdje geprobeerd bij elkaar te zoeken, maar het waren er gewoon te veel en bovendien verschoof mijn interesse rond die tijd van het gedrukte boek naar mijn iPad, waar ik eindeloos op Wikipedia biografieën van componisten las en op YouTube conferences van Herman Finkers en oude concerten van Vladimir Horowitz, Arthur Rubinstein en Sviatoslav Richter beluisterde.


Tussendoor las ik soms nog wel eens een boek (vaak na gemor van mijn ouders dat ik die iPad ook eens links kon laten liggen) en dat was dan vaak een net-opgepikte Biggles of een Arendsoog die ik een paar maanden eerder ook al eens had gelezen. Ik heb in die tijd denk ik al mijn Arendsogen twee of drie keer gelezen. Mijn Biggles heb ik, nu ik erover nadenk, nauwelijks herlezen. Waarom weet ik niet.


Maar bij dat veelvuldig lezen en herlezen van alle Arendsogen en het lezen van Biggles, viel mij iets op, waar ik tot op de dag van vandaag vaak aan denk als ik een boek lees of een verhaal schrijf.


Zowel P. Nowee (Arendsoog) als W. E. Johns (Biggles) hebben naast de boeken ook korte verhalen geschreven (in Nowees geval vooral voor het tijdschrift Pep) en die verhalen zijn ook verschenen in boekvorm, in een bundel. (Voor de Arendsoogkenners: naar mijn weten heeft J. Nowee geen korte verhalen gemaakt, maar daarin kan ik mij vergissen.) Ik merkte dat ik die korte verhalen eigenlijk vaak beter vond dan de boeken.


Ik kan dat als volgt verklaren: alle Arendsogen en Biggles hebben een eigen verhaal met eigen bijfiguren en eigen verwikkelingen, maar bepaalde plotelementen, zoals ontvoeringen en schietpartijen, komen in elk boek (of in ieder geval in veel boeken) voor; we zouden dat het beproefde procedé kunnen noemen. Een Arendsoog of Biggles verloopt dus globaal als volgt: er is ergens een schurk en die pleegt een misdaad; Arendsoog of Biggles zijn toevallig daar aanwezig of worden erheen gehaald; ze gaan op onderzoek uit en vinden aanwijzingen, wat de boef in kwestie niet zo leuk vindt en daar een stokje voor probeert te steken; de boef ontvoert Arendsoog of zijn side-kick Witte Veder (bij Biggles dus Biggles zelf of Ginger/Algy/Bertie); degene die niet ontvoerd is, merkt dat zijn vriend is verdwenen, schrikt zich het apelazarus en gaat die vriend bevrijden (soms bevrijdt de ontvoerde in kwestie zichzelf); tijdens dat bevrijden komen er allerlei nieuwe aanwijzingen naar boven en de boef wordt gepakt. Bij Arendsogen gaan deze verwikkelingen vaak gepaard met de nodige vuurgevechten wat de vormgever (of misschien de schrijver zelf wel) met de nodige dramatiek uitbeeldt door de pistoolschoten als PANG! PANG! PANG! PANG! PANG! te drukken. Bij Biggles is er natuurlijk het eeuwige gedoe met vliegtuigen en brandstof. Daarnaast wordt hij vaak door Scotland Yard of een daaraan gelieerde instantie op pad gestuurd, wat soms tot politieke problemen leidt. En ook bij Biggles wordt natuurlijk soms geschoten.


Overigens treffen die kogels toch vaker doel dan je zou denken en ook een gewonde Arendsoog, Witte Veder, Biggles, Bertie, Algy, Ginger behoort tot de vaak terugkomende elementen.


Mijn punt is het volgende: ik kreeg bij de boeken vaak het vermoeden dat Johns en Nowee halverwege het boek geen idee meer hadden hoe ze verder moesten en dan maar als kunstgreep iemand lieten neerschieten of verdwijnen. Het brengt uiteraard meteen verwikkelingen met zich mee en je kan zo weer vijftig pagina’s tikken. Maar nu komt het: bij die korte verhalen zaten deze plotelementen (ontvoering en bevrijding, schietpartij en gewonde) er veelal niet in. Misschien is dit wel een argument voor mijn eerdere stelling: ze zitten er niet in omdat de verhalen geen boek hoefden te worden. Het zorgde ervoor dat de verhalen veel minder voorspelbaar verliepen en daardoor boeiender en beter waren. En als die plotelementen wel voorkwamen, dan stonden ze vaak op een andere plaats in het verhaal: dan draaide het hele verhaal om een ontvoering bijvoorbeeld of was het vaak het moment dat het verhaal echt op gang kwam, in plaats van dat het een actie-element in het grotere geheel was.

Andere onderdelen die deze verhalen beter/interessanter maakten dan de boeken zijn dezelfde als bij hoogstaande literaire korte verhalen: andere beginsituaties, grote handelingssnelheid en actiescènes die minder werden uitgemolken.


Sinds een jaar of vier lees ik weer veel. En wellicht is het wel aan Arendsoog en Biggles te danken dat ik nog steeds ieder jaar een paar verhalenbundels lees.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Broze dagen

De broze dagen komen meestal uit het niets. Het gebeurt gelukkig niet elke week: vaak één keer in de maand, en in verschillende gradaties. Op die dagen voelt het tijdens het koffiezetten, het douchen of het fietsen naar een plek waar ik moet zijn ineens alsof mijn huid een beetje knelt, alsof de wereld te groot is voor mijn lijf, alsof er iets scheef groeit in me – de dag valt in scherven uit elkaar. Ik stof mijn schouders af, strijk de plooien uit mijn gezicht en stap toch de dag in.

Er zijn ook broze dagen die voelen als een molensteen, een zwaar, naargeestig gewicht dat me naar de aarde probeert te drukken. Elke stap voelt als sloffen. Achter elk gezicht woont iets onaardigs. Vanuit alle hoeken van de straat loert iets tragisch, iets vreselijks. Pas als ik mijn voordeur achter me dichttrek, is er betrekkelijke rust, voelt het even alsof het leven mijn adres niet kent.

Dan zijn er de broze dagen die maar zelden voorkomen. Mijn huis lijkt een onneembare vesting, ieder geluid van buiten walst door mijn gehoorgang als een tank en het loopje van de bank naar mijn bureau en terug voelt als een marathon. De tijd gaat door me heen. Ik lig overhoop met mijn eigen gedachtes, stoor me aan mezelf, vergeet hoe ik moet leven.

Na twee dagen praat ik tegen mijn kat, omdat ik bang ben dat ik anders het praten verleer, of omdat ik bijna ben vergeten hoe mijn eigen stem klinkt. De bel zet ik uit, mijn telefoon verstop ik op een plaats die ik kan vergeten en de dagen worden inwisselbaar.

Maar: de broze dagen trekken altijd weer weg, weet ik, als trekvogels die niet naar een warmer, maar naar een kouder land moeten. Zo is het tot nu altijd gegaan, en hoewel het verleden geen garantie voor de toekomst is, biedt het wel hoop en troost.

Dus: de broze dagen trekken weg. Dan valt het licht door de gordijnen. Ik zal ze open schuiven, mensen terugbellen, de straat opgaan. Een mooi gedicht schrijven, misschien. Samenvallen met mezelf.

Dan zal ik in de spiegel kijken, en denken: vandaag ben ik gelukt. Man, wat ben ik vandaag gelukt.

"Foto van Twan Vet"
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman

Een cameo van Joop

In het Bijlmerparktheater zag ik ‘De Gliphoeve’, een enorm fijne muziektheatervoorstelling van Orkater met een tekst van Bodil de la Parra. In de jaren zeventig als veel Surinamers naar Nederland emigreren, belandt een gezin zonder vader op de Gliphoeve: een grote flat waar nu de Bijlmer is (maar voor die tijd) die bedoeld was voor Nederlandse gezinnen die de stad wilden ontvluchten, maar die gingen niet. De Surinamers die vaak slecht behuisd in de binnenstad in pensions zaten, kraakten de ruime flat en maakten er een alternatief voor thuis van. Samen is het fijner. Het is een warm-tragische voorstelling over verlangen, ontheemdheid, slecht behandeld worden, drugs en toekomstdromen. Uitstekende tekst, prachtig decor, meeslepende muziek en geweldige acteurs. Alle reden om dit nog te gaan zien.

In Ellen Ombres nieuwe roman Last dezelfde beweging. De hoofdpersoon die redelijk langs de lijnen van de auteur lijkt te leven, verhuist in de jaren ’60 naar Amsterdam vanuit Paramaribo. Lot, zoals ze heet is gefascineerd door haar veronderstelde band met de Nassy’s, een familie van Sefardische Joden die nagejaagd door de Inquisitie al vroeg in Suriname belandden en er vaak wrede meesters en vooral meesteressen werden op Jodensavanne, een beruchte plantage. Als het meisje 8 jaar is begint de roman en ze leert van haar vader dat ‘lernen’ hun uitweg is: goed studeren en kennis verzamelen. In de aanvang van de roman de vader, bij de afsluiting een andere oude heer vertellen haar brokstukken van die geschiedenis. Het jammere, misschien geheel realistisch, is dat dat steeds zo weinig blijft, en dan ook nog voortdurend herhaald wordt, alsof er feitelijk niet te achterhalen valt. Maar je wel moet leven met die achtergrond, in dat land. (Voor de liefhebber is er een cameo van Joop Goudsblom te lezen in de roman. Tijdens etentjes met de Nederlandse man met Joodse achtergrond met wie Lot een relatie krijgt – die Baruch heet, en verdachte overeenkomsten met Abram de Swaan lijkt te hebben – met wie Ellen Ombre volgens Wikipedia een poos getrouwd was – verschijnt een verlegen sociologieprofessor, Cas, die het voortdurend over Norbert Elias heeft.)

De Joods-Surinaamse thematiek lijkt het fort van Ombre te zijn. Boeiend genoeg, omdat het alles ingewikkeld maakt: slachtoffer en dader ineen is er steeds genoeg om je karakter of je geschiedenis te bevragen. De vervlechting van historische informatie met een biografische lijn is niet helemaal goed op smaak gebracht in deze roman. Maar de denkproblemen die je je kunt voorstellen in de situatie van Lot zijn sterk en trillen door de tekst heen.

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

De makers

Als je bewegend beeld en luisterboeken bij kinderen weghaalt slaan ze meestal aan het maken. Bij Nadim (10) betekent dat het schrijven van verhalen, bij Ada (5) zijn het collages, tekeningen en schilderijen. Uren achtereen kan ze in de volste concentratie ploeteren met lijm en stiften, plakband – véél plakband – en karton.

Met uitzondering van de prieelvogel, die hardcore installatiekunst maakt van zijn nest om vrouwtjes aan te trekken, zie je dieren nooit dingen bouwen omdat ze van het werk zelf genieten.

Onderzoek ik de drang om dingen te maken bij mezelf dan stuit ik op een wat diffuse vorm van onrust, een drive die niet echt een richting heeft, maar die zich – als ik hem niet omzet in het maken van dingen – tegen me kan keren en me dan onrustig maakt, zorgelijk, neurotisch.

Wie kinderen heeft zal in ieder geval de onrust herkennen, die gekanaliseerd moet worden. Maar waar komt die onrust dan vandaan? Is er zoveel surplus aan energie omdat we niet meer hoeven te jagen en verzamelen? En waarom maken dieren die in gevangenschap leven dan geen kunst?

Als de onrust die dieren zouden hebben omdat ze niet meer hoeven te jagen iets teweegbrengt, dan is dat vooral lethargie, automutilatie en eindeloos heen en weer lopen langs de tralies van hun hok. Ik begrijp dat je mensapen kunt leren schilderen en dat ze dit dan ook uit vrije wil doen, maar ik vind het niet erg om chimpansees aan de menskant van de streep te plaatsen.

Waar blijft die drang op het moment dat ik mijn kinderen bewegend beeld voorzet? Hun onrust lijkt dan niet op te lossen, maar te worden onderdrukt omdat visuele input voorrang krijgt. Vanuit de ontwikkeling van onze soort snap ik dat wel: de homo sapiens die bij het bouwen van zijn hut geen aandacht meer had voor beweging in zijn perifere zicht, werd natuurlijk opgegeten door de tijger.

Als mijn kinderen maken dan zijn ze tijdens het werk en daarna ontspannen, tevreden. Als ik ze loskoppel van de televisie lijkt de onrust te zijn geperverteerd tot lethargie, automutilatie en eindeloos heen en weer lopen langs de omheining van hun hok.

Bij lezen werkt het anders. Ada en Nadim zijn dan in rust, totaal in beslag genomen zoals ze zijn wanneer ze dingen maken. Misschien is dat omdat je bij het lezen beelden vormt, en dus óók aan het maken bent.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

In rotsen grijs: Nocturne (II)

Hij glimlachte en keek om zich heen. Zachter vervolgde hij: ‘Vroeger, toen we dáár nog woonden, was er ook sociale onrust, zo aan het eind van de jaren zestig. Mijn ouders zijn toen nog bijna uit Hongkong vertrokken. Zo intens was het. Mijn moeder zei dat er bommen op straat lagen als ze ons naar school reed.’

‘Wauw. Echt? Wat was er aan de hand?’

‘Eerst waren er rellen omdat de eersteklaskaartjes bij de pont duurder waren geworden. Die demonstranten reisden zelf nooit eersteklas: ze waren te arm. Maar ze relden om te laten zien dat ze boos waren op het stadsbestuur.’ Hij keek me aan. ‘Er woonden meer mensen in Hongkong en de gezondheidszorg en het onderwijs waren niet op deze inwonersaantallen berekend. Dus het werd scheef: mensen met geld hadden wel een dokter en hun kinderen gingen wel naar school… Je snapt het.’

Ik knikte.

‘En een jaar of wat later, waren er rellen van communisten, die met het Rode Boekje van Mao zwaaiden. In beide gevallen veranderde de regering na die protesten hun houding een beetje. Na de onlusten bij de pont probeerden ze beter te luisteren naar wat de Hongkongers nodig hadden en ze probeerden ook beter uit te leggen waarom ze bepaalde dingen deden. En na het oproer van de communisten, die overigens werden gesteund door Peking, hebben ze een aantal politieagenten berecht die werden beschuldigd van politiegeweld. Bij de huidige protesten doet de regering niks. Ze houden vast aan hun plannen. Ze luisteren niet. En ze zijn ze er niet toe instaat om hun eigen fouten, of die van de politie in te zien.’ Hij legde zijn hand tegen het glas van het raam. Ik wist niet waar hij naar keek, misschien weer naar de plek waar hij ooit was opgegroeid.

‘Dus de Britten waren beter?’ vroeg ik na een korte stilte.

‘Op dit punt wel. Maar ook toen was er aan het eind van de dag ook geen echte democratie in Hongkong; het waren en bleven buitenlandse kolonisators, dat is nooit goed te praten. Wij konden, net als nu, niet onze eigen leider kiezen. De Britten waren de baas. Wij hadden hen niet gekozen en we konden hen niet wegstemmen. Maar ze lieten ons min of meer onze eigen gang gaan. En ze luisterden dus naar ons. Daardoor hadden we een zeker vertrouwen in hen. Nu laat de regering ons zeker niet onze eigen gang gaan en ze luisteren sowieso niet naar ons. Feitelijk zijn we opnieuw gekoloniseerd.’ Hij keek weer naar buiten. ‘Het is buiten ook veel warmer geworden. Al die airco’s lozen hun warme lucht op straat. In mijn jeugd was het stukken beter.’

Ik dacht aan het traangas van toen ik aankwam en de jongen die me bijna omverliep. ‘Maar eigenlijk hebben al die demonstraties nu dus helemaal geen zin?’ vroeg ik.

Hij glimlachte en knikte. ‘Het heeft inderdaad geen zin. En het is nog gevaarlijk ook. Maar er is een mooi gedicht, van Dylan Thomas: “Do not go gentle into that good night.”’ Hij draaide zich om, weg van het raam.

Ik keek rond. Er waren nu een stuk minder mensen. Ik moest eigenlijk maar eens gaan. Morgen was er weer een dag.

Er kwam een vrouw binnen. Ze liep op ons toe.

‘Papa, wei, ngodei jiu zau la. Ngodei jiging hou ci-la.’

David Wong stak zijn hand naar me uit. ‘Dit is mijn dochter. Ik moet gaan.’

‘Ga je naar huis?’ Ik drukte zijn hand.

Hij lachte. ‘Nee. We gaan demonstreren.’

Ik draaide me terug naar het raam. Uitleveringswet. Democratie. ‘Do not go gentle into that good night,’ mompelde ik. En ik dacht aan Nederland. Het Vrije Westen. Ik keek nog eens naar de omgeving waar hij ooit was geboren en waar nu alleen maar wolkenkrabbers stonden. Beneden op straat verschenen plotseling overal kleine lichtjes en het werden er steeds meer. Ze begonnen en masse te bewegen en vormden een lange sliert door de straten. De nacht verdween even. Ik vroeg me af wat de politie ging doen, of ze iets gingen doen. Ik tikte tegen het raam. Daarna liep ik naar beneden.

Dit is het laatste deel van het feuilleton ‘In rotsen grijs’.

"Foto van Sybren Sybesma"
Sybren Sybesma

Sybren Sybesma (2001) werd in Leiden geboren. Na de middelbare school deed hij een jaar vooropleiding klassiek piano aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Daarna studeerde hij Biomedische Wetenschappen in Leiden. Hij volgde een cursus korte verhalenschrijven aan de Schrijversvakschool in Amsterdam bij Nico Dros. Bij de Mare kerstverhalenwedstrijd won hij twee keer de derde prijs. Ander werk verscheen op De optimistOp ruwe planken, De Parelduiker en in het Friese literaire tijdschrift Ensafh. Momenteel studeert hij in Utrecht. Hij speelt nog veel piano.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Gilles van der Loo"
    Gilles van der Loo

    Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

  • "Foto van Greet Kuipers"
    Greet Kuipers

    Greet Kuipers (1962) is psychiater. Onder het pseudoniem Minke Douwesz publiceerde zij bij uitgeverij Van Oorschot twee romans, Strikt en Weg. Voor de laatste ontving zij de Opzij Literatuurprijs 2009 en de Anna Bijns Prijs 2012.

  • "Foto van Senna Felius"
    Senna Felius

    Senna Felius (1997) is dichter. Ze studeert filosofie en Arabisch en woont in Egypte. Haar poëziedebuut staat in Tirade 487.