Het leven een lijdensweg?

Iedere generatie heeft zijn eigen Apocalyps. Zoals men eerder vreesde dat het Rode Gevaar, de atoomoorlog, het Y2K-virus of het einde van de Mayakalender tot de ondergang van de wereld zou leiden, is het voor de millennials (waartoe ik gerekend schijn te worden) zonneklaar dat de klimaatcrisis ons de das om zal doen. Door overbevolking, decadent grondstoffengebruik en de massale uitstoot van broeikasgassen zou de aarde uiteindelijk dusdanig opwarmen dat sommige gebieden uitdrogen en onvruchtbaar worden en andere juist weer totaal overstromen. Hele populaties zullen moeten vluchten, om ieder zeldzaam stukje bewoonbaar land zal gevochten worden.

Een behoorlijk deprimerend scenario, inderdaad, dat je zelfs je ergste vijand zou willen besparen. Niet gek dus dat sommige mensen gaan nadenken over hoe ze hun geliefden hiervoor kunnen beschermen. Een van de opties is zorgen dat je minder familie hebt om je zorgen over te maken. Afgelopen maand sprak ik de eerste leeftijdsgenoten die bewust geen kinderen nemen omdat ze hen de klimaatcrisis niet willen laten meemaken. Een veeg teken, lijkt mij, als angst zo concreet wordt dat het de loop van ons leven zo sterk bepaalt. 

Maar wat als deze weigeraars geen slachtoffers maar pioniers zijn? Misschien kunnen we het tij nog keren als een groot deel van de mensen het radicale besluit neemt om zich niet voort te planten. ‘“Dan is het probleem van de klimaatverandering ook meteen opgelost (…). De ijsberen en pinguïns redden zich wel.”’

Aan het woord is ene Salm, een alleenstaande, op het platteland woonachtige man die zijn dagen vult met het onderhouden van zijn rozentuin en het drinken van exquise whisky’s. Daarnaast probeert hij wie er ook maar met een half oor luistert ervan te overtuigen dat het krijgen van kinderen een kapitale fout is – Salm is fervent antinatalist. 

Degene die het vaakst aan deze verhandelingen wordt blootgesteld is zijn buurman, een naamloze stukjesschrijver die de verteller is van de korte tekst Humaan (2021), gepubliceerd door Uitgeverij Flanor. Op basis van zijn geboortejaar zou je niet denken dat de auteur, Boudewijn van Houten (1939), echt wakker ligt van het verdere lot van de aarde. Ik las deze dialoog dan ook vooral omdat ik zijn eerdere bibliofiele werk bewonder, maar mogelijke inzichten over hedendaagse politieke problemen zijn natuurlijk altijd mooi meegenomen. 

Buurman Salms argumenten voor kinderloosheid laten zich gemakkelijk samenvatten. Leven is lijden tot de dood, stelt hij, dus je zadelt je kroost per definitie op met een straf. Vrijwel al zijn andere bezwaren zijn hier naar terug te leiden: je zou mensen de verschrikking van de dood moeten besparen, de jeugd is niet leuk, kinderen kosten veel geld, ouders handelen vaak uit egoïsme en eigenbelang waardoor kinderen nog meer lijden. Instemmend citeert hij uit een brief die Willem Frederik Hermans in 1953 aan zijn toenmalige uitgever Geert van Oorschot schreef: ‘“Het is vreemd dat de meeste mensen gewetensbezwaren hebben om een onschuldige uit de wereld te helpen, maar niet om hem erin te zetten, wat, alles goedbeschouwd, even erg is.”’

Als lezer word je uitgenodigd om deze commentaren meer als particuliere uitspraken van een personage dan als universele waarheden te zien. Salm heeft namelijk een onwaarschijnlijk tragische levensloop meegekregen. Het bombardement op Rotterdam maakte hem op jonge leeftijd doof aan één oor, waardoor hij slecht meekwam op school. Hij trouwde een vrouw die lesbisch bleek te zijn (hoe dit precies gebeurt blijft onduidelijk) en daarna stierf aan een vreselijke ziekte. Hun twee kinderen kwamen gezamenlijk om in een auto-ongeluk. Niet gek dat je het bestaan dan vooral als een potentiële lijdensweg ziet.

De verteller staat hier anders in. Hij lijkt ongecompliceerd alleenstaand te zijn: ‘Wat kinderen aangaat, ik heb ze niet gehad en ik wilde ze niet hebben.’ De ironie van de situatie – teleurgesteld vader van twee probeert tevreden kinderloze man te overtuigen geen kinderen te krijgen – blijft steeds voelbaar, en zal ongetwijfeld verklaren waarom de verteller veel van Salms redeneringen kalm en geamuseerd riposteert. Diens tirades krijgen daarom op den duur iets belachelijks. Wanneer de buurman zelfs Hippocrates, de oervader van de geneeskunde, aanhaalt om zijn punt te maken, is duidelijk dat Van Houten je via zijn personage niet zomaar voor zijn eigen zaak probeert te winnen.

Slechts één keer komt de ik-persoon met een uitgebreider weerwoord, maar deze uitspraak lijkt me wel meteen allesbepalend: ‘“Jij zegt dan wel dat men beter niet geboren is, maar ik – het spijt me – ben eigenlijk van m’n vijfentwintigste tot m’n zeventigste heel gelukkig geweest. Niet zelden dacht ik: ik wou dat ik er iemand voor kon bedanken. Omdat ik niet gelovig ben, was er zo iemand niet. Maar gelukkig dus, vijfenveertig jaar lang!”’ Al zijn tegenargumenten komen uit deze bron: waarom zou iemand die geluk heeft gekend het een ander willen ontzeggen? Met al zijn geraas en gekronkel lukt het Salm uiteindelijk niet om deze waarheid af te zwakken.

Een hele tijd terug, nog voor de klimaatramp dit soort kwesties overschaduwde, hoorde ik dat een koppel uit mijn kenniskring besloot kinderloos te blijven omdat ze de wereld een verschrikkelijke plek vonden. Samen waren ze er achter gekomen dat ze het hartgrondig eens waren met de regel van Sophocles, die Van Houten als een van de motto’s van Humaan heeft genomen: ‘Niet geboren te worden, is verreweg het beste.’ Toch zag ik ze jaren later samen voorbijkomen op fietsen met kinderzitjes en een jubelende dreumes achterop. Dat bewijst maar dat de intuïtie van de naamloze scepticus klopt: dergelijke beslissingen worden niet vanuit koele rationaliteit gemaakt, maar volgen meestal natuurlijkerwijs uit geluk.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

In de Oorshop

Poponari

Wij hadden elkaar leren kennen via het internet. Nu alweer bijna twee jaar geleden – wat net zo goed een ander tijdperk had kunnen zijn. Een filmtijdschrift had ons beiden om een artikel over cinema en politiek gevraagd. Het mijne werd afgewezen; het zijne niet. Belangrijker is dat we elkaar op deze manier leerden kennen en dat ik enkele weken later naar Boekarest zou gaan om aldaar gastlezingen aan de faculteit Nederlands te geven. We maakten plannen waarbij hij me niet alleen door de stad zou rondleiden, maar we tevens een roadtrip door het land zouden maken om onder andere ook zijn geboortestad Brasov aan te doen.

Net iets te laat bracht hij zijn geliefde ter sprake. Onze gesprekken waren niet heel expliciet, maar er werd genoeg over en weer geïnsinueerd om de revelatie van zijn relatie als een koude douche te ondergaan. In praktische termen bleven onze plannen dan wel ongewijzigd, maar het beeld dat ik in mijn hoofd had van dat kasteel in de bergen dat uitkeek over een ravijn, deed opeens toch minder romantisch aan. Was die vriend ook op de hoogte van mijn bestaan? En welke beelden had hij in zijn hoofd met betrekking tot deze reis?

Uiteindelijk gooide een pandemie roet in het eten. De plannen werden tot nader order opgeborgen. Desalniettemin bleven we berichten over en weer sturen waarin geen van beiden ervoor terug deinsde zo nu en dan de insinuerende draad van weleer weer op te nemen.

Tot het vorige week dan toch zover was. De man die ik al zes maanden mijn geliefde mocht noemen, moest voor een tentoonstelling naar Los Angeles, maar daarvóór was het noodzakelijk dat wij twee weken in quarantaine gingen buiten de Schengenzone. Aangezien zijn galeriehouder daar een appartement bezat, zouden wij die twee weken in Boekarest doorbrengen. Opnieuw werden er plannen gemaakt met de Roemeense schrijver en hoewel de obstakels deze keer van minder mondiale omvang waren, zou het uiteindelijk toch pas lukken om de avond voor ons vertrek af te spreken. Alsof de sterren schroomden deze ontmoeting plaats te laten vinden.

Hoewel onze gespreksgeschiedenis reeds meer dan anderhalf jaar besloeg, werd ik toch overvallen door verlegenheid toen ik hem daar uiteindelijk zag staan. Het was mijn geliefde die me moest aansporen op hem af te stappen, want net zo goed had ik rechtsomkeer gemaakt en de sterren hun gelijk gegeven, maar niet veel later zaten we met zijn vieren aan een tafel, verscholen tussen de bomen van het Cismigiupark, en maakten we de reserves die we al die tijd hadden opgebouwd buit.

Al gauw kwamen we te spreken over de nieuwe wetgeving die zonet in Hongarije aangenomen was en die onze relaties gelijkstelde aan die tussen pedofielen en hun slachtoffers. In Roemenië wordt homoseksualiteit in het beste geval getolereerd, indien er niet al te veel ruchtbaarheid aan wordt gegeven. Beide jongens herinnerden zich hoe de eerste Pride-betoging in Boekarest, waar zij toen nog niet woonden, op het televisiejournaal kwam omdat de conservatieve oppositie een tegenbetoging georganiseerd had als excuus om slaags te geraken met de regenboogactivisten. De schermutselingen werden destijds gekaderd als door de poponari veroorzaakte rellen die door de gehele bevolking luidkeels werden veroordeeld. Sindsdien zijn er kleine overwinningen geboekt die reden geven tot optimisme. Hoop misschien zelfs.

Pride hing voor mij altijd samen met de realisering dat het perfect mogelijk was een leven op te bouwen buiten de verwachtingspatronen en begrippen van wat men tegenwoordig heteronormativiteit pleegt te noemen. In de praktijk betekende dit voor mij slechts dat ik mijn uiterste best zou doen te ontsnappen aan het verstikkende klimaat dat de laatste tien jaar van mijn ouders’ huwelijk domineerde. Hoewel ik graag fantaseer over het prachtige witte kleed waarin ik, wanneer het zover is, de kerk binnen zal schrijden – want ik geloof dusdanig in het huwelijk dat ik maar liefst vier keer wil trouwen – is het laatste wat ik met betrekking tot mijn relatie nodig heb, bevestiging van buitenaf. Al te vaak en veelal ongevraagd liet ik mezelf ontvallen dat de buitenwereld mijn geaardheid en de daaruit voortkomende relatie niet leuk hoeft te vinden of (wat een verschrikkelijk woord) tolereren. Nee, de buitenwereld moest mij vooral met rust laten.

Op mijn laatste avond in Boekarestkwam ik erachter hoe zeer ik, met dit soort uitspraken, de verwezenlijkingen van alle activisten die mij voorgingen voor vanzelfsprekend hield. Hoe gemakkelijk het is het recht op onzichtbaarheid op te eisen wanneer er een beschermende wetgeving, hoe precair dan ook, was afgedwongen door diegenen die zich niet meer in de luwte wilden ophouden. Zou ik met evenveel gemakzucht durven beweren dat ik de erkenning of bevestiging van de buitenwereld niet nodig heb wanneer een aan de Hongaarse gelijke wetgeving in het parlement van mijn geboorteland werd doorgevoerd?

We lieten het onderwerp rusten en kwamen te spreken over belangrijker zaken zoals dragrace en de sentimentaliteit van de heisa rond het net begonnen Eurovisie Voetbalfestival. Maar daags nadien, op het vliegtuig, kwam het beeld van deze vier poponari aan een tafel die zich, enigszins van de buitenwereld afgeschermd, amuseerden, symbool te staan voor wat Pride ook zou moeten betekenen. Met alle contradicties van dien.

"Foto van Michaël Van Remoortere"
Michaël Van Remoortere

Michaël Van Remoortere (1991) is schrijver. Hij publiceert essays, verhalen en gedichten in een aanzienlijk aantal tijdschriften. Daarnaast maakt hij ook theaterperformances en installaties. Momenteel werkt hij aan de gedichtenbundel mythomaniën en de roman Autodafe.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

En dat het ons spijt

Mercedes Zandwijken ontmoette ik een half jaar geleden. Iemand had me op haar werk gewezen, en ik besloot dat ik voor de krant bij haar wilde koken. Toen ik belde leek ze eerst afhoudend, maar ons gesprek vlotte snel, en een paar dagen later stond ik in haar keuken in Zaandam een schotel pom te maken.

Pom is een van mijn lievelingsgerechten. Hoewel het een grote smaak was uit Mercedes’ jeugd, had ze het nog nooit gemaakt. Ik vroeg haar komkommer, ui en pepers te snijden voor het tafelzuur. Ondertussen praatten we over haar stichting Keti Koti Tafel, waarvan ze het concept bedacht toen ze via haar Joodse man kennismaakte met het seder-ritueel, dat de vlucht van de Joden uit Egypte en hun bevrijding uit de slavernij herdenkt. Waarom hadden nazaten van zwarte slaafgemaakten geen rituelen die hen konden helpen gedenken?

Voordat gasten bij een Keti Koti Tafel eten, kauwen ze op bitter hout als symbool voor de bittere slaventijd, en smeren ze de polsen van hun tafelgenoten (wit bij zwart en omgekeerd) in met palmolie als balsem voor de pijn uit het verleden die nog altijd wordt gevoeld. Mercedes vertelde dit allemaal met volle aandacht, alsof ik de belangrijkste persoon was om hierover voor te lichten.

Ik was meteen verkocht; zei dat ik op welke manier dan ook wilde bijdragen aan haar werk.

Sindsdien zag ik haar dit concept aan best wat mensen uitleggen, en steeds was er diezelfde niet-belerende ernst. Het lijkt haar niet uit te maken hoe vaak ze het vertellen moet. Haar doel is het aan boord krijgen van de toehoorder, ook al is die zeventien.

Morgen, op Keti Koti, staat er een tafel van de stichting in het Amsterdam museum, pal naast de gouden koets. Het wordt de eerste keer dat ik het ritueel zelf meemaak, omdat ik een van de genodigden ben. Het gonst dat Amsterdam formeel excuus zal aanbieden voor haar rol in het slavernijverleden. Het zou een fundamentele en helende stap betekenen voor ons land.

Ik heb altijd van Amsterdam gehouden, maar morgen zal ik pas echt trots zijn op mijn stad.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Mosakkoord

Voor mijn nieuwe roman zocht ik het ritme van mijn teksten. Daarom schreef ik fragmenten, korte gedichten, sfeerbeelden; om te weten hoe de hoofdpersonen leven, praten en denken. Of hun huizen in het groen staan, of juist in een omgeving van beton. Ik wilde weten waar ik naar verlangde als (be)schrijver van hun wereld: op welke eigenschappen was ik jaloers? Beschreef ik iets wat ik zelf wilde zijn, al was het maar in een fantasie?

Ole, de zoon van een profeet die mosakkoorden hoort. Dayna, de cabaretière. Atta, hun zoontje met profetische gaven, die van ze wordt afgenomen omdat hij het voorspellen af moet leren. Er heerst een profeten-propagandaverbod.

Ik stuurde mijn teksten naar de componist Daniël van der Duim, en vroeg hem om of hij er klanken in hoorde. Hij componeerde muziekstukken die we bespraken en die hij vervolgens aanpaste. Ik paste mijn teksten aan en sprak ze in. Op tien manieren, zodat hij zijn compositie er weer op kon af stemmen. Heen en terug. Heen en terug.

Nu hebben we Mosakkoord gemaakt. Vier nummers die een soort soundtrack vormen van wat ik schrijf, maar die toch ook net zo goed van Daniël zijn als van mij. De nummers zijn, om het zo te zeggen, om de roman heen gegroeid. Als een boom in een landschap, die het waard is om als zichzelf te worden gezien. En omhelsd.

Ik heb een mosakkoord nagedaan
Het is het rijke geluid van water
Dat van een tak
Langs een blad
In een tuin valt
Het wordt door de blaadjes aangestreken
Het wordt in het mos tussen de keitjes getoetst
Het spat en het schalt en drijft mieren uiteen

Hoe omschrijf je water dat van een tak
Langs een blad valt?
Hoe breng je geluid over
Dat diep van binnen klinkt?

Hoe breng je een ode aan klanken
Die verdwijnen zodra je ze hebt gehoord
Die zo subtiel zijn dat horen
Een woord te groot is
Ssst… Mosakkoord…

Ik weet van een profeet
Die al zijn voorspellingen
Uit mosakkoorden haalt

Hij schijnt geboren te zijn met de gave
Om die klanken in zich op te sluiten
Ze lang te laten schallen
En dan weet hij of
Huwelijken zullen standhouden of
Bruggen zullen instorten

Ik zou graag die profeet zijn
Hoewel het leven van een profeet
Niet makkelijk is

Ik zou trouwens niet voorspellen
Ik zou componeren


(Afbeelding Jorien Kemerink)

"Foto van Menno van der Veen"
Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.

Het geniaal gebruik van details

Een favoriete scène in The Matrix is wanneer Eno de wereld in code ziet. Het is een fraai vormgegeven bewijs dat hij doorschouwt hoe het werkt. Vanaf dan kan hij alles. Zelf heb je dat ook wel eens: een dag dat alles precies gaat hoe het moet, alles valt hoe het vallen moet, je met schijnbaar gemak alles goed doet. En er zijn dagen dat je het eerste dat je doet uit handen laat vallen dat je klungelt van zonsopgang tot zonsondergang.

In John Updike’s Rabbit at rest had ik laatst een vergelijkbare Matrix-ervaring. Het was geen code waar de wereld die Updike beschreef was opgebouwd, het waren details. Updikes meesterlijke American Novel die uit vier delen bestaat over Harry ‘Rabbit’ Angstrom heeft me langzaamaan toch echt volledig overrompeld. De Great American novel bestaat: als iets aanspraak mag maken op dit predicaat, dan dit. Ik ben er maar moeizaam door gewonnen, jaren terug las ik deel 1 Rabbit Run (1960) een maand terug deel 4, Rabbit at Rest (1990) en thans deel 3 Rabbit is Rich (1981). Dan rest mij nog Rabbit Redux (1971). Ik zal nog eens aan de psychiater vragen waarom ik reeksen niet successievelijk kan lezen. De pakweg tien jaar tussen elk van de delen vind ik geruststellend. Updike schreef veel, maar dit deed hij heel rustig aan, zich vast bewust van de klasse van het werk.

Je kunt lang denken dat je niet van realisme houdt, liever met wat grove streken een wereld ingeleid wordt dan met een berg details, maar halverwege het boek gebeurde het bij mij: ik liep rond in een fenomenale 3D film over de VS in de jaren ’80. En verwonderde mij over de waarneembare realiteit van waar ik was. Alsof je in een film de hoek om loopt en de wind je opens in het gezicht slaat. Leven!

Rabbit is een betrekkelijk doorsnee man, anders dan de andere grote Updike held Henry Bech: een getroebleerde intellectueel. Harry is slim maar niet intellectueel, een autoverkoper die op niveau gebasketbald heeft, een egoïst, een overspelige, overgewicht, matig vader. En je gaat van hem houden. Updike breekt zijn boeken op in een beperkt aantal scènes die heel intensief en uitgebreid beschreven worden. Een bescheiden aantal personages. Politiek en muziek op de radio, gesprekken over golf, auto’s, soorten chips en soorten kleding worden zo minutieus op papier gezet dat de indruk van realiteit ontstaat. Gesprekken over sport, de energiecrisis. Updike bewijst dat het bijzondere in het gewone schuilgaat, ik heb in geen film zo intensief in 1989 geleefd als in Rabbit at Rest. De roman als tijdmachine. Maar hoe doet ‘ie het?

Rabbit lees je dus om meerdere redenen: om in Amerika te zijn, om een voor je gevoel doorsnee Amerikaans leven mee te maken over verschillende decennia, en om erachter te komen hoe Updike zijn personage portretteert: als een Elckerlijck of Everyman, die geen welgeformuleerde gevoelens of gedachten heeft, maar die in dagelijkse situaties toont wie hij is; beschreven context definiëert hem.

Een meesterstuk is in het laatste deel wanneer Rabbit door zijn vrouw geconfronteerd wordt met vreemdgaan met nota bene zijn schoondochter… Hij vlucht en rijdt met de auto (een Toyota Celica, 1987) van Pennsylvania naar Florida. Het decor van snelwegen, diners, formica tafeltjes, route-overwegingen, tankstations, mede automobilisten en de muziek op de autoradio vertellen volledig het verhaal van wat hij voelt en denkt. Dat is schrijven.

(hier een mooi stuk van Sander Kollaard over onder meer Rabbit)

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Dorp

In het begin was er het dorp en het dorp was een wereld, een thuis dat aan mijn kleinste veren trok, me dwong te vertragen, te cirkelen en dalen. Misschien was het de slinger in de dijk waarop de huizen stonden, het dorp dat om zichzelf sloot alsof het iets teers te beschermen had. Ten westen van de huizen lagen groene akkers, sloten die de hemel spiegelden. De horizon viel samen met heel verre duinen: wie er een snavel voor had kon geteerde palen ruiken, wier en vette vis, maar de sloten bij het dorp zaten vol voorntjes. Het was als jagen in een regenplas. Ik bleef, sliep en ontwaakte, volgde het draaien van de zon en de sloten voedden me door een winter, een lente, een zomer heen. De herfst kwam weer en ik bleef.

Het spoor werd aangelegd, een weg van staal en kiezels die het land ten zuiden van het dorp afsneed; uit het oosten naderde de stad. Vanaf mijn tak, die als een spriet begon maar dikker werd en almaar hoger kwam te liggen, keek ik naar de bouw van een terrein van vuur en rook. Bij oostenwind stikte je zowat in de lucht van de fabrieken, maar mijn tak ging verder de hemel in en ik sliep en waakte, viste, bleef. Vogels die de sloot aandeden leken niet gevoelig voor het dorp en ik merkte dat ik hen steeds minder goed verstond. Wat ik te vertellen had ging over deze plek en de mensen die er woonden, maar daarvoor hadden ze geen interesse. Ze trokken visjes uit mijn sloot, pikten er lusteloos aan en vlogen weer op. Blijf nou, dacht ik, maar merkte dat ik niet uit zou kunnen leggen waarom ze dan moesten blijven.

De weg werd verbreed en zwart gemaakt, er reden steeds meer auto’s langs het dorp. Omdat al die beweging me verwarde richtte ik mijn blik naar binnen, weg van het lawaai, en opeens was het alsof ik slechts in mijn vlucht naar de inwoners gekeken had. Ik leerde onderscheid te maken tussen jonge en oude, mannetjes en vrouwtjes. Baas van het dorp was de predikant, die elke zondag vooraan stond in de kerk met de houten toren. Als hij sprak zweeg de rest, om als hij klaar was de poort uit te waaieren met de vastberadenheid die ik van mijn eigen soort ken, en die hoort bij de eerste vleugelslagen van een lange trek.

Er waren er die planten kweekten buiten de dijk, of die er beesten hielden. Tussen de huizen op de dijk stond een winkel waar iedereen zijn eten kocht, en die gedreven werd door een man en vrouw die bij elkaar hoorden maar nooit met elkaar leken te praten. Iemand met een kar verkocht klontjes raafzwart steenkool, dat gevoerd werd aan de vuren die in veel huizen brandden. Ik keek en luisterde en hoe meer ik leerde over het leven in het dorp, hoe minder vaak het in me opkwam verder te trekken. Als ik een soortgenoot zag dan stond die verder van me af dan de inwoners ooit stonden; dat had me eenzaam moeten maken, maar dat deed het niet. Er waren kinderen in het dorp, en met het groeien van mijn interesse in de mensen trokken hun jongen in het bijzonder mijn aandacht. Waar ze gingen was lawaai, kleur, beweging. Als ze vrolijk waren zongen ze en klommen hun stemmen tot een hoogte die zelfs voor een vogel als ik moeilijk te verdragen was.

Het dak van het schoolgebouw werd mijn favoriete plek, en op droge dagen wachtte ik daar op de nok tot de bel ging en de lucht boven het pleintje zinderde van de beweging, het rennen en ontwijken, het juichen en gejank. Ik begon jongens en meisjes te herkennen. Korte en lange waren er, blauwogige en kinderen met een natuurlijker oogkleur. Ze riepen elkaar op verschillende manieren toe, maar bleken ook eigen namen te hebben. Na de kindernamen leerde ik wat woorden voor de dingen, en zo begon door hun gekwetter heen betekenis te schemeren. Bij elk woord hoorden meerdere van die betekenissen, die afhingen van wanneer zo’n woord gebruikt werd en door wie het werd gezegd. De mogelijkheden waren eindeloos, en met een goed besef van tijd zou ik het zeker opgegeven hebben, maar een vogel is een dier van het moment en vele momenten achtereen maken vanzelf jaren.

De kinderen zongen liedjes als ze me zagen en noemden me ‘ijsvogel’, waardoor ik wist dat ze me konden onderscheiden van andere soorten en zelfs van soortgenoten: voor andere ijsvogels zongen ze hun liedjes niet. Ik leerde het woord ‘vriend’ omdat een kleine jongen me zo noemde. Slecht als ik ben in tijd kan ik alleen maar zeggen dat het niet regende, dat het kozijn wit was, en dat zijn raam openstond. De jongen zat op zijn nest en tuurde naar een van die boeken waar de mensen dagen in konden kijken. Het had een groen omslag, de bladzijden waren wit als zon op water. Hoewel hij zijn vingers over de lettertjes liet gaan zoals de jongsten in het schoolgebouw, leek hij veel sneller te lezen. Hij was op zoek naar iets, volledig in beslag genomen. Ik naderde zo ver ik durfde, rekte mijn nek en kantelde mijn kop, en op dat moment – alsof hij zich de hele tijd van me bewust geweest was – keek hij naar me. Met een bonk viel het boek op de grond. Ik schrok en landde op een tak van de pruimenboom die voor zijn raam stond. Tot de honger me naar de sloot lokte bleef ik naar de jongen kijken, en de jongen keek naar mij. Later begreep ik dat ik lang eenzaam was geweest en dat deze knul daar iets aan veranderde. Misschien zou hij nog de kat blijken die me opat of de soortgenoot die er met mijn vis vandoor ging, maar de jongen zag me. Hij zag me en ik was niet langer alleen.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Thom Wijenberg"
    Thom Wijenberg

    Thom Wijenberg (1996) schrijft poëzie en proza. Hij werkt als redacteur en programmamaker en studeert aan de Schrijversvakschool. Zijn werk verscheen onder andere op Notulen van het Onzichtbare, Tijdschrift Ei en in de Seizoenszine.

    Auteursfoto: Gaby Jongenelen

  • "Foto van Kees Snoek"
    Kees Snoek

    Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

     

  • "Foto van Senna Felius"
    Senna Felius

    Senna Felius (1997) is dichter. Ze studeert filosofie en Arabisch en woont in Egypte. Haar poëziedebuut staat in Tirade 487.