Afgemeten praterig

Afgelopen week lag het Verzameld werk van Carl Friedman naast mijn laptop. Het was mijn ‘pauzeboek’. Steeds als ik even afgeleid was, vastliep in een alinea of geen zin meer had om te werken, las ik er een stukje in. Nadat haar debuut Tralievader (1991) vorig jaar veel indruk op me maakte nam ik van de lente de prachtige roman Twee koffers vol (1993) ter hand, en nu begon ik maar aan de columnbundel met de nieuwsgierig makende titel Dostojevski’s paraplu (2001). Korte stukjes lenen zich natuurlijk goed voor het lezen tussen de bedrijven door, maar ik was ook benieuwd hoe deze verschillende genres zich binnen Friedmans oeuvre tot elkaar verhielden. Ook haar romans bestaan immers uit reeksen korte hoofdstukjes die de lengte van een column zelden overschrijden, dus wellicht was het cursiefje wel haar natuurvorm.

Het definitieve antwoord op die vraag heb ik nog niet, maar wel is me inmiddels duidelijk dat Carl Friedman een columnist van formaat was. De bonte stoet aan onderwerpen die in deze bundel voorbijkomt – eenden, onrechtvaardig vluchtelingenbeleid, Isaac Bashevis Singer, papegaaien, Vladimir Nabokov, historische voorbehoedsmiddelen, Wim Kok, de Rivierenbuurt, vrouwelijkheid, Rudyard Kipling en politieseries, om er maar een paar te noemen – wordt bijeengehouden door Friedmans kenmerkende informele, lenige stijl, die ik als ‘afgemeten praterig’ zou willen typeren. Op het papier is ze aanwezig maar bescheiden; ze presenteert haar vondsten nooit als vondsten, vestigt nooit bevallig de aandacht op haar briljante zinnen, hoewel die er wel degelijk zijn. Neem de opening van haar column over de Russische Bibliotheek, die van een prachtige eenvoud is: ‘Ik heb in mijn leven maar weinig verstandige dingen gedaan, en zelfs die deed ik zonder mijn verstand te gebruiken.’

In hetzelfde tekstje laat ze zich ook gelden als polemist; een kant van haar persoonlijkheid die in de romans niet naar voren kwam, maar in de columns alle ruimte krijgt. Hier moet Dostojevski het ontgelden:

‘Zijn romans zijn me te melodramatisch, te luidruchtig, te vroom. Het is Christus na en Christus vóór, met veel Christus tussendoor. Hoeveel godvrucht in één boek kan een lezer verdragen? Dostojevski was er op uit zijn publiek te verheffen. Daarmee is hij bij mij aan het verkeerde adres. Als ik me wil verheffen, sta ik gewoon uit mijn stoel op.’

Scherpheid gaat in deze tekstjes vaak samen met droge humor. Verreweg de grappigste column vond ik ‘Gerrit’, een Carmiggelt-waardig verslag van een poezenreddingsactie die ik iedereen zou aanraden als voorproefje.

Ook in Dostojevski’s paraplu komt Friedmansbuitengewone interesse voor het jodendom regelmatig aan het licht. Ze schrijft met veel gevoel en woede over de Shoa, over de kampervaringen van haar vader en over de familie van de joodse man. Haar belangstelling sloeg volgens velen om in onrechtmatige identificatie, al zal je haar in deze bundel nooit op toe-eigening betrappen.

Die merkwaardige evenwichtsact tussen sympathie en vereenzelviging lijkt me een centrale paradox in dit oeuvre en schrijversleven. Daar is al iets meer over gezegd door Wouter van Oorschot, wiens fraaie in memoriam wij publiceerden in Tirade, en door schrijver en oud-redacteur Mirjam van Hengel, die in De Groene Amsterdammer overtuigend pleitte voor de herwaardering van deze schrijver, maar ik hoop niet dat het daarbij blijft. Over het verscheurde karakter en het innemende schrijverschap van Carl Friedman is volgens mij nog veel meer te zeggen; er moet uitstekend materiaal klaarliggen voor een biografisch essay of een studie. Nu is het alleen nog wachten op de juiste kandidaat.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

In de Oorshop

Elders koffie drinken

Omdat het de daagjes wel geweest zijn, gaf mijn geliefde B me vrij. Ik ben nergens in dienst en beschik daarom over mijn eigen tijd, maar echt vrij geef ik mezelf nooit.

Met Nadim op de stang van mijn fiets – hij wordt daar echt te groot voor – trapte ik naar De Pijp, waar ik hem afleverde bij toneelles. Nu had ik bijna twee uur te doden.

Bij de ijverige meneer in het souterrain aan de Albert Cuijp kocht ik zoutvlees en cassave, bij de slager verderop haalde ik wat rund. Ik zette mijn tas neer, keek om me heen en krabde op mijn kop. Het merendeel van mijn vertrouwde plekken is inmiddels weg en op de terrassen van cafés waarmee ik niet ben opgegroeid zaten vooral Insta-twintigers. De nieuwe bewoners van de wijk kwamen wat verwend op me over.

De Pijp lijkt steeds minder Amsterdams, dacht ik, maar misschien hoorde ikzelf inmiddels bij een oude versie van de stad.

Tussen de conceptzaakjes aan de Eerste Van der Helst trof ik een wat stoffig Italiaans deli-barretje. Amaretti op goudkarton, gedroogde pasta, bleke gare rigatoni in tomatensaus. De recensent in me wilde rechtsomkeert maken, maar het samengeraapte interieur stond de echte Gilles aan. Ik stapte door naar binnen en nam plaats op een laag krukje voor het raam. Even later bracht een jonge vrouw met een opvallend grote bril een cappuccino zonder latte art.

Ik had net een paar bladzijden gelezen – Jaguarman, Raoul de Jong – toen een beweging op straat mijn aandacht trok. Een man van mijn leeftijd zette een duidelijk nieuwe racefiets tegen een struik voor het barretje en kwam naar binnen.

‘Vind je het erg als ik hier ga zitten?’

‘Zeker niet,’ zei ik, en schoof mijn boek van me af. De man nam plaats op het krukje naast me, en zat daardoor dichterbij dan een vreemde in lange tijd gezeten had.

‘Heb je jezelf een fijne fiets kado gedaan?’ vroeg ik.

‘Dat is een gewetensvraag,’ zei hij. ‘Ik fietste vroeger heel hard, maar dat gaat eigenlijk niet meer. Die fiets kocht ik om mezelf te helpen daar oké mee te zijn. Om desondanks van het fietsen te genieten.’

Ik keek naar zijn kalme, vriendelijke gezicht. Zijn ogen glommen en hij leek op de rand van tranen. ‘Mag ik vragen wat er met je is?’

Alleen zijn mond glimlachte. ‘Nierfalen,’ zei hij na even. ‘Bij het spinnen in de sportschool zie je de energie die je opwekt als je fietst, en dat wattage liep steeds verder terug. Zo kwam ik erachter.’

Ik wilde vragen of dit kort geleden was, maar wist het antwoord al.

‘Arme jongen,’ zei ik, en merkte dat het niet raar voelde zoiets te zeggen tegen een onbekende van mijn leeftijd.

De man kreeg ook een cappuccino en wilde daar net een slok van nemen toen er een vrouw naar binnen stapte. Ze had een rond gezicht en zachte bruine ogen. ‘Ik ben er hoor!’

‘Heb je je fiets niet bij je?’ vroeg de man. ‘Ik dacht dat we zouden gaan fietsen.’

‘Ik wil hem nu wel halen?’ zei ze, en keek naar mij. ‘Dan kun je nog even kletsen met je nieuwe vriend.’

Maar ze ging zitten, bestelde ook een koffie. Onder de opgeruimdheid waarmee ze hem bejegende klonk haar zorg om zijn gezondheid door. Ze hield van hem als van een broer, wist ik. Als van een hele oude vriend, zo iemand die je niet kunt missen.

Ik pakte mijn boek weer op en trok me erin terug totdat het tijd was om Nadim te halen. Toen ik de twee een fijne dag gewenst had stond ik op om over de markt terug te lopen naar mijn fiets.

Ik kwam Adriaan tegen, die al zijn hele leven op de Cuijp werkt, en we kletsten even. Hij was dikker geworden, had een bootje gekocht en zou daar zaterdag mee varen.

‘Dag gabber,’ zei hij toen het praatje klaar was.

Ik keek hem na, dacht aan mijn eerste jaren in de oude Pijp. Aan hoeveel indruk deze wijk toen op me maakte. De nieuwe bewoners zagen er vooral uit alsof niets nog indruk op ze maakte, maar misschien speelden ze dat beter dan ik het destijds spelen kon.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Weten in zwart-wit

(Klik hier voor deel 1 van deze blogserie)

Recent zag ik A German Life uit 2016 van Christian Krönes. Het is een sober gefilmde documentaire waarin Brunhilde Pomsel (1911-2017) vertelt over haar leven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij ziet zichzelf als een doodgewone Duitse vrouw die toevallig werkte voor een van de hoogste nazi’s (Joseph Goebbels, minister van Propaganda). Na de oorlog zat ze een gevangenisstraf van vijf jaar uit; vervolgens keerde ze terug naar het ‘normale Duitse leven’. Pas vlak voor haar dood gaf Pomsel voor het eerst een interview. Ze was 103 jaar oud.

Van zeer dichtbij, in zwart-wit gefilmd, kijkt Pomsel langs de camera. Ze zucht, frunnikt aan haar ketting, sluit haar ogen. Ze spreekt bedachtzaam, traag. De kijker krijgt alle ruimte om zelf een mening te vormen. Hoe schuldig is ze? Waarom toont ze geen berouw?

Brunhilde Pomsel zegt nooit geïnteresseerd te zijn geweest in politiek. ‘Dat was voor een vrouw niet nodig,’ zegt ze. Ze vindt zichzelf slechts een onbeduidende figuur in de geschiedenis. Maar is dat niet juist het probleem? Eigenlijk schetst zij zichzelf daarmee precies als ‘de banaliteit van het kwaad’ zoals Hannah Arendt dit omschreef.

In Wat maakt een verzetsheld (2021) schrijft Rutger Bregman: ‘Een gezonde samenleving met degelijke wetten en een goed werkende democratie van macht en tegenmacht heeft genoeg aan gewone mensen die gewoon hun best doen, gewoon doen wat van hen wordt verwacht. Maar wat als de samenleving niet gezond is? Wat als “doen wat van je wordt verwacht” precies het probleem is?’

Met gesloten ogen zegt Brunhilde Pomsel: ‘Es ist wie mit alle Dingen, auch das schöne hat Flecken, auch das schreckliche hat Sonnenstellen.’ Dan is het weer stil. Aarzelend zoekt ze naar woorden: ‘Es ist immer… Es ist nicht schwarz-weiss… Es gibt immer ein bischen Grau, in das Gute und in das Slechte.’ Maar wat als we toegeven dat sommige zaken wel degelijk zwart-wit zijn en we eigenlijk allang weten wat ons geweten ons vertelt?

Pomsel legt haar beide handen om haar hals, een gebaar dat het midden houdt tussen een verdediging en een zelfgefabriceerde strop. Dan kijkt ze plotseling recht de camera in: ‘Het is moeilijk (…) aan het einde van de dag denk je toch alleen aan jezelf.’ Is dat echt zo? Is dat wat de mens typeert?

Een van de zeldzame keren dat Pomsel zich opwindt is wanneer ze spreekt over Sophie en Hans Scholl, die pamfletten tegen het nationaalsocialisme verspreidden van verzetsbeweging Die Weiße Rose. Als secretaresse kreeg Pomsel het dossier onverzegeld op haar bureau. Ze veert omhoog, steekt een keurig gemanicuurde vinger in de lucht en zegt met luide stem: ‘Als ze hun mond hadden gehouden, hadden ze nu nog geleefd.’ En doelend op de pamfletten: ‘Alleen maar voor zo’n schijtpapier.’

Sophie Scholl werd geëxecuteerd en naar verluidt waren haar laatste woorden: ‘Hoe kunnen we verwachten dat gerechtigheid de overhand krijgt als er bijna niemand bereid is om zich individueel aan een rechtvaardige zaak over te geven? Zo’n fijne, zonnige dag, en ik moet gaan, maar wat doet mijn dood er toe, als door ons duizenden mensen worden gewekt en tot actie worden aangezet.’

Brunhilde Pomsel werd in elk geval nooit tot actie aangezet. En wij, zo veel jaren later? Hoe zullen wij ooit op ons eigen (niet) handelen terug kijken?

(Met dank aan Liliane Brakema)
Foto: NDSM-werf Amsterdam Noord

"Foto van Berthe Spoelstra"
Berthe Spoelstra

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Haar debuutroman Schemerland kwam in 2009 uit bij Van Oorschot. In augustus 2021 volgt Zwerm. Voor Tirade schrijft ze over o.m. theater en literatuur.

De duivenkoning

De duiven op de Dam vroegen Moeder Natuur om een koning.

‘Als enigen in het dierrenrijk ontberen wij leiding,’ koerden ze tot vervelens toe. ‘Stuur ons een koning die bij ons past, waar we tegenop kunnen kijken.’

Dus Moeder Natuur, moe geworden van de aanhoudende ontevredenheid, vervulde hun wens. Ze schonk de duiven in haar oneindige genade een vorst.

Aan de achterzijde van het Paleis op de Dam zit hij. Een man met een muisgrijze baard in een lange jas die majesteitelijk rood kleurt. Met lenige, opgetrokken benen en de vingers in elkaar verstrengeld. Een ouwetje, met een tas waarvan de inhoud niet zichtbaar of bekend is, omringd door zijn koninklijke hofhouding van duiven. Het is een absurd gezicht. 

De duiven bezien hun leider met de nodige scepsis.

‘Z’n kop lijkt me leeg, zit er überhaupt iets van wijsheid in?’ vraagt de een zich hardop af.

‘Ik bedoel, die plastic Burger King-kroon geeft onze koning wel iets lulligs,’ fluistert de ander onopvallend.

‘Wat hebben we aan een meester die ons geen raad kan geven, geen inzicht kan verschaffen?’

‘Ik hoop dat er lekkernijen in die tas zitten. Stel je voor: broodkruimels in overvloed,’ jubelt een dikke duif. ‘Nooit meer bedelen op het plein.’  

‘Mensen zijn rovers,’ sneert een vrouwtje. ‘Inhalig als ratten. Let op mijn woorden, kameraad: nog geen kruimel krijgen we!’

‘Er verandert niets aan de kringloop van het leven. Eens bedelaars, altijd bedelaars,’ weet haar echtgenoot te vertellen.

De koning zegt intussen niets. Hij staart glazig voor zich uit en van enige beweging is geen sprake. Het gemor onder het gevogelte neemt toe.  

‘Net een standbeeld, verdomme.’

‘Als het zo doorgaat, kunnen we ’t wel laten.’

‘Verstaat-ie ons wel?’

‘Misschien verroert-ie zich als we op hem schijten.’

De duivenkoning blijft even roerloos als altijd, zittend op de stenen trappen en nagewezen door de voorbijgangers.

‘Volgens mij staan we ontzettend voor lul,’ jammert de duif met de kortste snavel.

‘We zijn de klos,’ concludeert de oudste duif. ‘Geef deze maar aan de meeuwen, die verdienen hem. De meeuw is een foute vogel.’

‘Die jatten altijd het lekkerste vuilnis!’

‘Schorem is het! Geteisem! Weg ermee!’

‘Juist! Naar de meeuwen met dit geraamte!’

‘Wij eisen brood!’  

‘Verwacht hij dat we hier de hele dag rond blijven hangen?’

‘Mooi niet, ik heb wel wat beters te doen.’

‘Ja zeg, het begint langzamerhand ridicuul te worden.’

‘Van het toeristenvolk krijg je meer reactie.’

‘Een stel Japanners heeft een halve hamburger naast de prullenbak gegooid.’ 

‘Ik vlieg ervandoor!’

‘Wacht! Wacht! Kameraden, wacht nou! Volgens mij gaat onze koning iets zeggen.’

En inderdaad, de droge kreukellippen barsten open en er verschijnt een vonkje in de pupillen. Spreek tot ons, nobele heer, spreek tot ons!

Met schorre stem zingt hij: ‘Mááárk… en Róóób… een clóóówn… en een harlekijn.’

Een onbekende en terecht vergeten smartlap op monotone wijze gezongen is waar de duiven het mee moeten doen. Ze vliegen gedesillusioneerd weg, richting de Dam. Daar is het weliswaar druk, maar daar worden ze tenminste gezien en gevoed; al is het door een grillige mensenmeute die het ene moment een vleiend kiekje maakt en etensresten rondstrooit, om het volgende ogenblik dwars door de duivengroep heen te banjeren of ze op een rotschop te trakteren.

De duiven prefereren aandacht boven géén aandacht.

Als mij gevraagd wordt waarom deze bijzondere man, met z’n Burger King-kroon en doffe ogen die niet meer meedoen, op deze merkwaardige plek zit, dan geef ik dit antwoord.

Een betere verklaring heb ik niet, ik ken ook niemand die mij er een kan geven, maar ik sta open voor elke aannemelijke suggestie.

"Foto van Tim en Tirza"
Tim en Tirza

Tim Veeter

Tim Veeter (1991) is acteur en schrijver. Hij studeerde af als Theaterwetenschapper aan de UvA en genoot diverse acteeropleidingen. In zijn schrijfwerk speelt hij met taal en legt de nadruk op het perspectief en de ontwikkeling van de personages. Zijn verhalen zijn vaak licht absurdistisch, maar toch herkenbaar. Tim is woonachtig in Amsterdam.

 

Tirza Gehring

Tirza Gehring (1989) is actrice, fotograaf en tekenaar. Met een precieze en gedetailleerde handtekening schept Tirza tijdloze beelden, maar schuwt niet haar voorliefde voor historie en antiek daarbij in te zetten. Overal tekent en denkt ze in beelden, sferen en verhalen. Sinds acht jaar woont ze in Amsterdam.

De grote vlucht naar buiten

Vakantie. Een wandeling onder een uitgestrekte hemel, een vervallen huis van gestapeld steen. Raamkozijnen waarvan het hout tot streepjes is weggerot en ingedroogd. Over al die heuvels kijken en denken: wat als vandaag de eerste dag was? Waarmee zou ik dan beginnen?

Het dak, misschien. Als eerste wil je toch een dak dat regen buitenhoudt. Dan verwarming, warm water, elektriciteit, kamers voor de kinderen, internet zodat ook hier gewerkt kan worden. Een bankje voor de deur om al dat uitzicht in je op te nemen.

Ik zou hier kalmer zijn, besef je. Een versie van mezelf waarmee het fijner leven is. Als ik dan op bezoek ging bij vrienden in de grote Nederlandse stad, zouden ze me stil vinden. Ik zou er goed uitzien, ongejaagd en bruin, maar ik zou steeds vroeg naar mijn hotel gaan en een dag eerder vertrekken dan ik had beloofd. Op weg terug in mijn Subaru Forester zou verdriet me overvallen, omdat ik wist dat ik een thuis verloren had.

De afgelopen dagen lees ik I am an Island van Tamsin Calidas. Wie het opzoekt ziet dat het een “waargebeurd verhaal is over het buitengewone vermogen van de natuur om, wanneer je alles verloren hebt, in je behoeften te voorzien. Een magnifiek boek over eenzaamheid, veerkracht en zelfontdekking”.

Ik kocht het omdat ik wilde weten wat nou precies verstaan wordt onder zo’n écht zomerboek, en ben nu halverwege. Dat “magnifieke” weet ik niet zo, want ik heb op de stijl wel wat aan te merken, maar I am an Island is in ieder geval een sloopkogel van een vertelling, die de psychische en fysieke ellende van de hoofdpersoon nauwelijks gefilterd bij de lezer binnenramt. Calidas en partner hoopten – of dit boek helemaal autobiografisch is betwijfel ik – op een ruig eilandparadijs, maar vonden tegenslag en harde buitensluiting.

Wat ik goed snap is de droom, die ik ken en heerlijk vind. Wat ik nauwelijks kan bevatten is de naïviteit die zichtbaar wordt in het volgen ervan. Je moet toch snappen dat je ook op dat eiland jezelf gaat zijn, maar dan onder zwaardere omstandigheden en zonder een sociaal netwerk?

Tot dusver las ik in I am an Island vrijwel niets over het verleden van Calidas. Slechts één keer komt haar broer op het eiland logeren, die al na een paar dagen vertrekt. Dat Calidas’ ouders het zwaar hebben – moeder is dementerende – blijkt tijdens één enkel bezoek, maar er moet nog zoveel meer aan de hand zijn en zijn geweest. Het schijnbare gebrek aan solide banden in Calidas’ verleden is op zijn zachtst gezegd opvallend.

De lezer blijft zitten met het gevoel dat het ‘eilandparadijs’ de hoofdpersoon niet gelokt heeft, maar dat ze er door haar verleden heen gedreven is. Dat ze erheen vluchtte, al voelde ze dat zelf niet.

De eilandbewoners die ze opvoert hebben vrijwel allemaal een hekel aan buitenstaanders. Hoe welkom kon deze plek tijdens haar eerste verkennende bezoek dan overkomen? Hoe komt een mens zo ongevoelig voor afwijzing dat ze besluit zich hier te vestigen? Is ze misschien afwijzing gewend en ervaart ze de houding van de eilanders als normaal?

De eilandmannen zijn seksueel intimiderend. Sinds Calidas’ partner haar op een avond vol huiselijk geweld met twee gebroken handen achter heeft gelaten, komt er zo nu en dan een dronken man langs, midden in de nacht. Calidas laat hem dan binnen en herhaalt een paar keer dat het nu écht te laat is, dat ze écht te moe is voor bezoek. Dit is het gedrag van een getraumatiseerd persoon, die eraan gewend is dat haar grenzen voor anderen niet bestaan.

Een hoofdpersoon als stopverf; deuk na deuk loopt ze op, zonder ooit een tegenbeweging te maken. Ze blijft maar, draagt maar. Het is masochistisch. Ik werd daar ongeduldig van, toen geloofde ik het verhaal niet langer maar bleef toch lezen, nu ben ik vooral boos. Stomme trut, denk ik al lezend. Jezus Christus. Doe normaal.

De woede die de hoofdpersoon moet voelen, gevoeld door de lezer. Ik wilde me in deze column afvragen of dit knap gedaan is van de schrijfster, of dat hier zuivere autobiografie aan de hand is, en het vooral verschrikkelijk is voor de schrijfster. Maar eigenlijk, bedacht ik vanochtend onder het hardlopen, doet dat er niet toe. Het effect is hetzelfde.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Mijn Indonesische jaren: Een scala aan ontmoetingen in Jakarta

In Jakarta woonde ik in Menteng, de villawijk uit de jaren dertig. Ik heb daar op drie verschillende adressen gewoond. Van 1982 tot 1985 op Jalan Lembang, die rond een grote vijver liep; vervolgens op Jalan Sawo, vlakbij de spoorlijn; en in mijn laatste jaar op Jalan Malang.

Aan de oostelijke zijde van Menteng, bij Jalan Cikini, bevindt zich Taman Ismail Marzuki (afgekort TIM), een groot open terrein. ‘Taman’ betekent tuin. Daar staan diverse gebouwen met een culturele functie. Hier ging ik naar toneelvoorstellingen in theaters waar ’s avonds sigarettenrook omhoog kringelde en vleermuizen rondvlogen, en bezocht ik het letterkundig documentatiecentrum dat vernoemd was naar zijn oprichter, H.B. Jassin (1917-2000).

Jassin had niet alleen een indrukwekkende verzameling letterkundige documenten aangelegd: deze ‘paus’ van de Indonesische literatuur was ook de vertaler van Erasmus en Max Havelaar. Hij was een van de ondertekenaars van het Cultureel Manifest van 1963 en een collega van mij aan de Universitas Indonesia. Wanneer de kandidaatsscriptie over een letterkundig onderwerp ging was hij dikwijls mijn mede-examinator.

Eén keer verraste hij mij: de kandidaat die ik had begeleid had haar scriptie gewijd aan De voorstad groeit van Louis-Paul Boon. Nadat wij vragen hadden gesteld over haar analyse van structuur en stijl, had Jassin nog een toegift: hij ondervroeg de kandidaat over de ideologie van deze roman. Het kwam erop neer dat de ideologie die aan Boons roman ten grondslag lag niet strookte met de Pantjasila, de filosofische grondslag van de Indonesische staat. Uiteraard gaf de kandidaat dat grif toe, en ik luisterde geamuseerd naar deze korte gedachtewisseling. Jassin was een erudiet man met een gedrongen gestalte en een vriendelijk voorkomen. Ik kon het goed met hem vinden. Hij had een grote familie die leefde van zijn honoraria.

Behalve Jassin had ik nog een collega die haar sporen had verdiend op literair gebied. Haar naam is Toeti Heraty (1933-2021). Zij was de dochter van de beroemde architect Roosseno (1908-1996), die nog met Eddy du Perron in de redactie van het progressieve Bandoengse tijdschrift Kritiek en Opbouw heeft gezeten.

Toeti was in Leiden gepromoveerd op het begrip ‘ik’ in de cultuur. Zij doceerde filosofie aan de Universitas Indonesia, maar heeft vooral naam gemaakt als dichter en kunstverzamelaar. In 1979 publiceerde ze een tweetalige bloemlezing (Engels-Indonesisch) van poëzie geschreven door vrouwen. Zelf had ze, toen ik haar leerde kennen, twee bundels op haar naam staan. Ik waagde me aan een vertaling van enkele gedichten en besprak die met haar. Zij woonde net als ik in Menteng. Tot aan haar overlijden, op 13 juni van dit jaar, werkte zij nog aan diverse schrijfprojecten. 

Intussen voorzag ik me in boekhandels en in Jassins documentatiecentrum van Indonesische dichtbundels, en langzamerhand breidde ik zo mijn verzameling uit. Ik vertaalde gedichten van dichters die me aanspraken, zoals Abdul Hadi W.M. (*1946), B.Y. Tand (1942-2000) en Sapardi Djoko Damono (1940-2020). De laatste, die natuurgedichten schreef met existentiële, licht surrealistische accenten, doceerde Indonesische literatuur aan de Universitas Indonesia. Ook hij was soms mijn mede-examinator bij literatuurexamens. 

Op suggestie van Reny Poetiray, een Molukse dame die memoires had geschreven, hield ik in mei 1986 bij mij thuis een literaire salon, waarvoor ik zowel Nederlanders als Nederlands-sprekende Indonesiërs had uitgenodigd. Onder de deelnemers bevonden zich verscheidene mensen die creatief werk schreven, plus een aantal geïnteresseerden. We begonnen om zeven uur ’s avonds en mijn bedienden voorzagen de deelnemers van eten en drinken. De eerste avond was een succes, de kring breidde zich uit en de literaire salon werd een halfjaarlijkse traditie. Er zijn er in totaal acht gehouden, maak ik op uit mijn oude agenda’s. De kring was nooit groter dan twintig personen.

Vaste gasten waren Jacob Vredenbregt (1926-2020) en Poncke Princen (1925-2002). Beiden waren met Indonesië vergroeid. Poncke was er gebleven sinds hij als Nederlands soldaat was overgelopen naar de Indonesische zijde. Jacob had er verschillende perioden doorgebracht en woonde er sinds de jaren zestig permanent. Hij had in 1984 onder het pseudoniem M. Jacob gedebuteerd met zijn roman Aan het einde van de middag. Deze roman was gebaseerd op zijn ervaringen tussen 1951 en 1956 als bemiddelaar bij arbeidsconflicten tussen Indonesische vakbonden en Nederlandse ondernemingen. In 1986 kwam zijn roman De opstand uit, over zijn tijd als krijgsgevangene tijdens de Indonesische Revolutie. Op de literaire salon las hij verhalen voor die in 1988 gepubliceerd zouden worden in De deftige kolonie en andere verhalen. Zijn boeken kwamen uit bij Nijgh & Van Ditmar en vanaf het laatste boek liet hij, op verzoek van zijn uitgever Vic van de Reijt, zijn pseudoniem vallen. Jacob was een groot en enigszins vilein causeur en las met veel brio zijn eigen verhalen voor, waarvoor hij uit zijn rijke levenservaring putte. Zijn finest hour zou hij beleven toen hij in 1989 werd geïnterviewd door Adriaan van Dis in diens bekende tv-programma.

Poncke las op de literaire salon zijn eigen gedichten voor, waarin hij vaak een droomsfeer opriep:

In dit morgenlicht rijden
en luisteren naar de muziek van eeuwen geleden
terwijl ik het klavecimbel van eigen gedachten bespeel.

Hoe ik in mijn laatste droom voor het ontwaken schilderde
en op de veranda in de koelte
voor het huis zat achter de witte rozen
en jij aarzelend vroeg of ik ze mooi vond.

Zullen de dingen worden zoals we wensen
of rennen we weer tegen de muren
van de onmacht op?

De muren van de onmacht maakte hij mee in de strijd die hij dagelijks vanuit zijn advocatenkantoortje in Menteng voerde, voor mensenrechten en tegen het regime van de Nieuwe Orde. In dat kantoortje kwam ik soms langs en één keer zei hij over Soeharto: ‘We hebben hem eindelijk bij de ballen.’ Dat bleek achteraf wel mee te vallen. Poncke was een ridder zonder vrees of blaam, die zowel onder de Oude Orde als onder Soeharto’s Nieuwe Orde ‘knijp heeft gezeten’, zoals hij dat in zijn karakteristieke Nederlands placht te zeggen. 

"Foto van Kees Snoek"
Kees Snoek

Kees Snoek (1952) doceerde Nederlandse taal en letterkunde aan universiteiten in Michigan, Indonesië, Nieuw-Zeeland en Frankrijk (Straatsburg en Parijs). Hij publiceerde onder meer de biografie van E. du Perron (2005) en vertaalde poëzie van Sitor Situmorang en Rendra. In augustus verscheen bij Van Oorschot Wissel op de toekomst, zijn keuze uit de brieven van Sjahrir (de eerste premier van Indonesië) aan zijn Hollandse geliefde.

 

Meer blogs

  • Afbeelding bij Onder de moede blaren - over het bos

    Onder de moede blaren - over het bos

    De encyclopedie van het geluk 31 Het is warm en ik verlang intens naar de koelte van het bos. Ik ben opgegroeid op de scheidslijn tussen bos en veld dus je kon altijd beide kanten uit, maar ik zat van jongs af aan het meest in het bos. Zoals je in een oceaan op een...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Veerkracht

    Veerkracht

    Of hij zich inliet met Oosterse wijsbegeerte of een geschoold stoïcijn was weet ik niet, maar zonder dit soort levenskunsten kan ik niet begrijpen met welke onthechtheid dichter Chris van Geel het lot dat hem ten deel gevallen was tegemoet schijnt te hebben getreden. Het gebeurde in 1972, twee jaar voor zijn overlijden, toen hij...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen

    De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
    Lees verder
Tirade bloggers