Winkelwagentje

Nogmaals Helman.

In 2017 volgde ik bij Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, een vak over Caribische letterkunde. Het was een van de hoogtepunten van mijn studie, mede omdat Van Kempen zo’n geweldig enthousiasmerende docent is. Hij toonde zich een uitstekend verteller, fleurde het bestuderen van teksten op met persoonlijke verhalen en anekdotes, en durfde dus simultaan wetenschapper en mens te zijn. Binnen het huidige academische bedrijf is die persoonlijke werkwijze helaas een zeldzaamheid geworden.

De Caribische literatuur wordt over het algemeen beschouwd als marginaal of onterecht verwaarloosd. De postkoloniale traditie zou maar beperkt voet aan de grond hebben gekregen in het behoudende naoorlogse Nederland, waardoor een groep eigenzinnige schrijvers in de vergetelheid is geraakt. Interesse in deze letterkundige tak komt dan ook vaak voort uit het verlangen hun werken af te stoffen en hun reputatie in ere te herstellen. Dat kan deels persoonlijk gemotiveerd zijn: dichter Dean Bowen (1984) spreekt bijvoorbeeld van ‘een chronisch gebrek aan zwarte schrijvers in mijn jongere jaren’ dat hem ertoe aanzette om zich in het oeuvre van Edgar Cairo te verdiepen.

Voor mij zat het net anders. Ik ben tien jaar jonger dan Bowen en had het internet al vroeg tot mijn beschikking: schrijvers als Astrid Roemer, Tip Marugg, Frank Martinus Arion en Bea Vianen was ik jaren voor ik aan het vak begon al tegengekomen op Wikipedia en Boekwinkeltjes.nl. Ik hoefde dus zelf niets meer te ontdekken. Wel was ik geïnteresseerd in de banden tussen de Nederlandse en de postkoloniale literatuurgeschiedenis, de invloeden en contacten die heen en weer gingen.

Een van de eerste weken kreeg ik daar meteen een prachtig voorbeeld van. Het was een foto die me onmiddellijk raakte en waar ik nog regelmatig aan terugdenk. Op de afbeelding zie je rechts het slungelige lijf van dichter Hendrik Marsman (1899-1940). Naast hem staat een vrouw met zwart haar en een grote zonnehoed. Haar gelaatstrekken kan ik niet goed onderscheiden, maar mogelijk is zij Rien Barendregt, Marsmans echtgenote. En links van hen zien we Albert Helman (1903-1996), met een ontzettend guitige lach op zijn gezicht.

In de eerste plaats stond de algehele vrolijkheid me aan. Helman ligt in een kinderwagen, Marsman houdt het geval in evenwicht of staat op het punt om zijn vriend uit beeld te rijden. Er spreekt speelsheid uit, verbroedering: de twee schrijvers die mogelijk het meeste hebben betekend voor de moderne literaire verbeelding van hun vaderland – respectievelijk Suriname en Nederland – staan hier zonder ernst of plichtpleging naast elkaar. Alsof de splijtende geschiedenis geen grip op ze kreeg, de individuele herkenning hun verschillen teniet deed.

Veel van mijn generatiegenoten zullen dit beeld nog met iets anders associëren. Een van de meest iconische stunts van de legendarische televisieserie Jackass bestond uit het rondrijden van met mensen gevulde winkelwagentjes, met het einddoel het gevaarte op een zo kunstig of pijnlijk mogelijke manier te laten crashen. Aan het begin van de jaren 0 werd het programma door jongeren wereldwijd verafgood en er volgden eindeloos veel imitaties – het bewijsmateriaal is te vinden op YouTube.

Die puberale baldadigheid is niet zo direct terug te zien in de foto van Helman en Marsman. Maar uit hun pose spreekt eveneens een jongensachtigheid, die in dit geval eerder ontroerend is. Hier zijn twee vrienden die met hun geklier de formele volwassen wereld kortstondig op afstand houden. Gelukkig is het in zekere zin een eeuwig tafereel. Afgelopen week nog zag ik een groepje jongens op de Reguliersgracht, net voor het Amstelveld. Ze reden een winkelwagentje de bruggen op en af. Een van de vrienden zat erin en gooide een voetbal in de lucht. Toen ik langsliep hoorde ik ze honderduit kletsen en lachen.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

In de Oorshop

Naamgenoten

Ernest Hemingway had een hekel aan zijn voornaam. Om literaire redenen nog wel: de naam deed hem denken aan de potsierlijke hoofdpersoon van Oscar Wildes toneelstuk The Importance of Being Earnest (1895), waarmee hij zich absoluut niet wenste te associëren. Wellicht is dat de reden dat hij op het toppunt van zijn faam alleen zijn beduidend stoerdere achternaam op boekomslagen liet zetten.

Zelf heb ik het bijzonder makkelijk gehad met literaire naamgenoten. Over de grens vind je naast beroemde componisten alleszins respectabele types als Wittgenstein, die over het algemeen onder hun achternaam de geschiedenis in zijn gegaan. In eigen land word je alleen in de minder bedrijvige antiquariaten nog geconfronteerd met vergeten figuren als Lodewijk de Boer. En laten we niet vergeten: Lodewijk van Deyssel heette eigenlijk gewoon Karel.

Ik had dus het rijk voor mezelf. Totdat ik ontdekte dat er achter de gebeitelde voorletters van L.H. Wiener een naamgenoot schuilging. Dat was toen ik zijn verhalenbundel Man met ervaring (1973) kocht en las. ‘Lodewijk Henri’ staat er op de kaft en rug, in de onovertroffen typografie van Helmut Salden. Zo staart mijn eigen voornaam me af en toe aan wanneer ik een blik werp op mijn boekenkast. Het is een geruststellende aanblik.

Afgelopen week zette ik er een nieuwe titel naast: De zoete inval. 16 februari jongstleden vierde de schrijver zijn vijfenzeventigste verjaardag. Hij trakteerde zijn lezers op deze slanke bundel verhalen, waar je ook af en toe een column of een lezing in aantreft. Er wordt veel in teruggeblikt en herinnerd, maar dat is niet per se uitzonderlijk in het werk van Wiener. Ook zit er veel zelfspot in, altijd uitstekend gedoseerd. Zo gaat het fraaie titelverhaal over een promiscue romantische nacht die eindigt in overgeven en liefdesverdriet, waarna de minnaar zich maar in de rol van relatietherapeut schikt. In een ander verhaal beschrijft Wiener hoe hij, nog beneveld door de drank, bij een nachtelijk toiletbezoek per ongeluk zijn appartement uitloopt – zonder sleutel. Zijn oude t-shirt over zijn edele delen trekkend belt hij aan bij een onbekende buurvrouw. Ze geeft hem een kimono te leen, maar weigert daarvoor een kus in ontvangst te nemen.

‘Familieportret’ is mijns inziens het mooiste verhaal. Daarin vertelt de schrijver hoe hij een bijzonder schilderij van Jan Wiegers op het spoor raakt. Het is een portret van Eddy, de broer van zijn vader, die in 1940 samen met zijn ouders zelfmoord pleegde. Deze vondst zet Wiener ertoe aan om die tragische familiegeschiedenis opnieuw op te tekenen, en dat doet hij in gecontroleerd proza dat toch voortdurend onder hoogspanning lijkt te staan.

Ook heeft de schrijver het over zijn eigen broer, die in het verhaal nog een merkwaardige rol speelt bij de bemachtiging van het portret en die de naam van de dode oom draagt: Eduard. ‘[M]aar ik noem hem Pierre, tenminste als wij elkaar spreken. Ik vind de naam Pierre beter bij hem passen, al maakt het niet veel uit. Ik weet toch niet wie hij is,’ schrijft Wiener. In zijn literaire werk is dat weer anders: ‘Dan heet hij niet Pierre, maar Saul. Ik vind Saul een mooie naam, al komt hij uit de Bijbel.’ De auteur zelf ruilt Lodewijk in zijn boeken meer dan eens in voor Henrie of Ezra.

Gehussel met namen, maskers en identiteiten – het behoort allemaal tot het klassieke repertoire van de schrijver. Dat doet me denken aan Lodewijk Lichtveld (1903-1996), een naamgenoot die zijn voornaam succesvol afgelegd heeft. Hij noemde zich Lou en maakte gebruik van een lading pseudoniemen. Mijn persoonlijke favoriet: onder de naam Marion Bekker schreef hij samen met zijn vrouw Leni Mengelberg (1903-1984) een aantal kookboekenKook eens iets anders, bijvoorbeeld, en Lekker koken voor weinig geld. Ik ken hem vooral als Albert Helman: diens roman De medeminnaars (1953) staat vanaf vandaag precies drieëntachtig centimeter van De zoete inval vandaan.

"Foto van Lodewijk Verduin"
Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.

Blijf op de hoogte, ontvang onze nieuwsbrief.

Schragen tegen de werkelijkheid

De tegemoetrijdende ov-fietst koerste gevaarlijk nabij een harde hoge stoeprand. En raakte die toen. De man klapte voorover, half tegen een balk waarmee het historische pand aan het straatje geschraagd werd en bleef liggen in de positie waarin hij neergekomen was. De doffe klap galmde nog na in de stilte tussen de gevels toen ik me realiseerde – hem steeds nabijer komend – dat ik de enige in de buurt was. Ik gooide mijn fiets dus neer en haastte me naar hem toe. Open ogen, ademend maar geen sjoege. Dat bleef zo. Langzaamaan verzamelden zich mensen die passeerden om te helpen, er werd een ambulance gebeld, waarschuwingen voor verplaatsing uitgewisseld, jassen over hem heen gelegd. Iemand kwam mijn tas brengen, ‘pas op hoor, hij is zo weg’. Mensen die een poosje waren blijven staan namen afscheid als ze besloten weer weg te lopen. We bedankten elkaar, een hand op een schouder. Opmerkelijke verbondenheid. De geest was eensgezind bezorgd, we waren éen, we gaven om elkaar en hadden een gezamenlijk doel.

In de Oude Kerk in Amsterdam exposeert een Argentijnse kunstenaar Adrián Villar Rojas,  Poems for Earthlings. Villar Rojas vond twee dingen uit: dat veel Europese kerken in de Tweede Wereldoorlog vanbinnen tegen beschadiging door bombardementen werden beschermd door matrassen voor de ramen te plaatsen, zandzaken rond de pilaren. Het tweede was dat hij ontdekte dat dit bij de Oude Kerk nooit gebeurd was, de oudste kerk van Amsterdam werd niet belangrijk genoeg gevonden. Als een daad van retrospectieve rechtvaardigheid bereidde Villar Rosas de kerk voor op een bombardement. Dinsdag was ik er. De grote binnenruimte van de kerk was donker, voelde onbegrensd, uitsluitend verlicht door drie of vier grote kroonluchters die op houten staketsels waren geplaatst, elk met zo’n 25 kaarsen. Een soundscape (met een totale lengte van 8,5 uur) speelt mee. Geluiden uit de geschiedenis van de mensheid, van Beatles tot oerbossen wuivend in de wind, kindergeschrei, bombardementen, dinosauriërsgeburl. Matrassenconstructies tegen de ramen, heel veel zandzakken rond muren en pilaren. De geur van het zand, paddenstoelen ontsproten op de zakken. Ik voelde de oorlog in een tijd van binnenlandse vrede. Bedreiging en tegelijk een extra intensief gevoel van geborgenheid. Een overweldigend effect voor wie onbevooroordeeld binnentreed.

De groep mensen die zich om de gevallen man verzameld had lijkt in wezen op de groep mensen die zich nu tot mijn verbazing keert tegen de expositie in de Oude kerk. Onder aanvoering van Herman Vuijsje is een actiegroep in verzet tegen ‘misbruik van de kerk’. Ik lees in de boze reacties op een tentoonstelling van vier maanden een grote behoefte samen te zijn voor een doel, waarbij de redelijkheid echter niet meer zo van belang is. Vuijsje dreint in het Parool dat ‘uit de kandelaren met druipkaarsen kaarsvet op de grafstenen gedruppeld was’. Dat is denkelijk niet de eerste keer geweest in de 714 jaar dat de kerk bestaat. En een meisje uit de kindernevendienst die naar voren geroepen was en werd gevraagd wat ze nu van de kerk vond had ‘stom’ geroepen. Matige bewijskracht voor een wetenschapper. De reacties op twitter en facebook zijn van gelijke strekking. Men sluit zich zo graag aan bij een groep, het voelt goed, biedt bescherming. We weten ons bedreigd maar weten niet waardoor, zijn boos maar weten niet waarop. Eigenlijk een goed deel van het gevoel dat een onbevooroordeeld betreden van dit kunstwerk agendeert. We zijn in oorlog, maar er is geen vijand. Niet zichtbaar althans.

Ik ga met heel wat meer vertrouwen in de ziel van een oude kerk nog een paar keer voelen hoe dat is, daar in die ruimte die je kan helpen te voelen wat je hebt en wat je vreest. In wezen zijn expositie en het verzet ertegen samen een heel veelzeggend kunstwerk van deze tijd, we wapenen ons van binnenuit tegen de ongeleide woede, het gevoel misdaan te zijn, we zoeken, maar zoeken we goed?

—-

Zie ook werk van werk van Anish Kapoor.  

"Foto van Menno Hartman"
Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Een noodzaak

Gisteren presenteerde Wytske Versteeg haar Verdwijnpunt in Athenaeum. Redacteur Josje sprak ontroerend over het boek, agent Willem ook.

De schrijfster las de laatste zinnen voor en daarna was er bier (voor de minder zelfredzamen. Sophie, Josje en ik hadden al een blikkie).

Ik ben fan van Wytskes werk en persoon. Dit boek is het verhaal waarvan we wisten dat het een keer moest komen. Ze werkte er zo’n tien jaar aan, terwijl het ene na het andere mooie niet-autobiografische boek van haar verscheen.

‘Er zijn dingen met me gebeurd,’ staat er op het omslag. Dan weet je het wel.

Opvallend dat ik het monster niet bij de naam noem en dat niemand dat gisteren deed, hoewel Wytskes verhaal nu onomkeerbaar in de winkel ligt.

De beste boeken komen voort uit noodzaak. Misschien komt alle kunst die raakt daar wel uit voort.

Je maakt iets om uit te drukken wat je midden in de pijn niet doen of zeggen kon.

Maar hoe moet je verder als je dat grote harige monster hebt uitgekotst?

Ik schreef altijd over contact of het onvermogen daartoe. Over verlies. Toen overleed Gijs en schreef ik een boek over dát verlies en het gebrekkig soort contact dat we hadden en hoe ik desondanks of juist daardoor zo veel van hem gehouden had.

Terwijl ik naar huis fietste vroeg ik me af of het verlies van Gijs mijn monster was geweest. Of ik nog wel een noodzaak had.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Decorum

Vroeger droeg ik altijd pakken. Ook in restaurants waar mijn collega’s in vale truitjes en gescheurde spijkerbroeken rondliepen werkte ik in kostuum.

Omdat ik hield van rechte pijpen en brede revers kwamen mijn pakken uit een voorbij decennium, maar ik was een jonge man en altmodiek maakte me alleen maar dandy.

Ik herinner me dat vriend Gijs, die mijn liefde voor de rechtgesneden pijp altijd gedeeld had, overstapte op sportieve kleding en strakke spijkerbroeken. Ik voelde me verlaten en zette mijn hakken in het zand. Nooit zou ik worteljeans en hoodies dragen.

Tijd verstreek en tegenwoordig geef ik mijn geld uit aan boeken, wijn en eten. Liever een fles Trevallon dan een nieuwe pantalon. B probeert me er niet op aan te spreken, toch weet ik dat mijn verschijning haar soms pijn doet aan de ogen. We delen een huishouden en hebben evenveel zakgeld, maar als het echt niet meer gaat haalt ze een nieuwe broek voor me.

Ik heb daar geen problemen mee.

Op verjaardagen krijg ik steeds vaker kleding. Vriend Arie nam me mee naar een winkel waar hij zelf graag komt en kocht twee overhemden en een trui met me.

‘Als je het niet voor jezelf doet,’ zei hij met zijn neus tussen de kier in het kleedhokgordijn. ‘Doe het dan voor je meisje. Je ziet er niet uit, Gil.’

Ik ben zesenveertig en word gekleed door mijn vrouw en vrienden. Mijn ouders gaven me gympen voor Sinterklaas.

Ada (drie) heeft een heel eigen esthetiek, draagt graag maillots waar ze een onderbroek van haar broer overheen trekt. Aansluitend kijkt ze minutenlang stralend naar zichzelf in de spiegel. Op dagen dat er minder tijd is kleed ík haar, wat bijna altijd een gevecht wordt. Ik doe niet aan borstelen, vlechten of staartjes.

Er moet kindermode komen speciaal voor vaders, hansoppen die uit twee delen bestaan. Je legt de kleuter op het rugdeel, gooit het buikdeel over haar heen en drukt de klitteband aan. Ik hoef hier geen patent op. Ik wil alleen maar dat het er komt.

Op onze vrije dag zitten Aad en ik vaak bij een kioskje om de hoek, en kijken dan samen over het water. Ik maakte een foto van haar met haar beker chocomel, en toen ik dat beeld vanochtend tegenkwam zag ik het opeens zelf.

Mijn arme kind. Mijn arme vrouw.

Voor Ada is het nog niet te laat, maar of ik zelf het tij nog keren kan?

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

"Foto van Gilles van der Loo"
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en schrijfdocent. Tussen 2011 en 2015 was hij redacteur van Tirade. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín, Dorp en  Café Dorian. Meest recent verscheen Mens blijven aan het front bij Hollands Diep, dat hij samen met zijn Oekraïense vriend Andrii Kobaliia schreef.

Het gezicht van God (in mijn platte kak)

De goede heer zegende mijn leven met vele mooie dingen, maar een stevig maag-darmstelsel is niet een van deze dingen.

Bekend is de cultuurfilosofische triade van Europese toiletvormen: 1. het Duits-kritische kakafdak waarop je je ontlasting aan een grondige inspectie voorlegt, alvorens er resoluut komaf mee te maken; 2. de Frans-existentiële omarming van de afgrond – een stortgat, in directe relatie met je kont, die het afval dat erin verdwijnt te overdetermineren komt; 3. de Angelsaksisch-pragmatische synthese, met een waterbassin waarin je uitwerpselen een tijdlang in onzekerheid drijven, voordat je er discreet afscheid van neemt: zichtbaar, maar niet té.

Ik stel vast dat dergelijke analyses vandaag grotendeels verjaard zijn. En de vraag: is er een – voor ons braaf-witte wereldburgers – meer tastbare gestalte van het westerse cultuurimperialisme dan de globale verspreiding van het Angelsaksische toilet? Tenminste in steden, die er steeds meer hetzelfde uitzien de wereld rond, moet je al vaak hard je best doen om nog eens nostalgisch te kunnen hurken boven een Frans-koloniaal gat in de grond.

De significante verschillen lijken zich vandaag eerder op het vlak van het papier (of ontbreken van papier) op te houden. Waarmee de politieke implicaties van dergelijke toiletgedachten van zichzelf kunnen worden gered? Waar het lot van het sociale afval in wc-potanalyses door onze structurele relatie met de leegte werd bepaald, komt het er in mogelijke wc-papieranalyses, gevoeliger voor onze vloeibaar-moderne obsessies, vooreerst op aan over de juiste papieren te beschikken.

Naast de onvergeeflijke verdorvenheid van de joden, was Luther door niets zo geobsedeerd als zijn kak. Zijn strijd met zijn stoelgang was niets minder dan een strijd met de duivel en emmerauspiciën doorspekken zijn geschriften. In zeer precieze zin ligt deze aanhoudende diarreedialoog – ik bedoel: deze meerlagige dialectiek van innerlijkheid en uiterlijkheid – mee aan de basis van onze gefaalde moderniteit.

Is dit dan wel een manier waarop je jezelf al reizend kan ontdekken? Het banaal-burgerlijke idee dat je je meest innerlijke essentie in de verste hoeken moet gaan zoeken, in Zuidoost-Azië ter afronding van je studies of in de Afrikaanse brousse na een burnout, is natuurlijk onversneden pervers: (reis)ervaringen als ultieme consumptiegoed, deze van je bucketlist te mogen schrappen als laatste priceless waar: een bij voorbaat verloren zoektocht naar de wereldgeest of God in de dwangbuis van een seriële Instagramspiritualiteit. Wegen die nooit naar echte kennis kunnen leiden. Daarentegen kunnen zelfs wij rijke stinkerds nog een oprechte diarree oplopen, die bovendien de wereldsystemische relaties binnenstebuiten keert. Hierin broeit waarheid. (Het ultieme kaïnsteken voor de reizende westerling: een flesje, in plaats van een glas kraantjeswater bij de koffie.)

Ook Cioran, die andere meestertheoloog van het moderne leven, wist al: “les rêves sont menteurs ; chier dans son lit, il n’y a que ça de vrai.” (Dromen liegen. Er is geen waarheid dan schijten in je bed.)

——

lodeJan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement. Hier meer.

"Foto van Jan Lodewijckx"
Jan Lodewijckx

Jan Lodewijckx (1990) had het wel even gehad op kantoor. Hij kocht een zware fiets en een kleine tent en zegde zijn werk op en zijn appartement.

Meer blogs

  • Afbeelding bij Dingen kwijtraken

    Dingen kwijtraken

    Naast een strekkende meter fotoalbums bleek er niet zo veel van emotionele waarde te zitten tussen de spullen van mijn ouders. Ik werkte bij het uitruimen van hun huis met twee stapels, waarbij de stapel mee naar Amsterdam na elke heroverweging kromp. Na hun meubels verdwenen alle boeken, platen, interieurprulletjes en kunstigheden die me niet...
    Lees verder
  • Afbeelding bij 'Met een nog net coherent

    'Met een nog net coherent "goedenavond" eindigen,  dat is een ongeschreven wet'* – Over het café

    De encyclopedie van het geluk 27 In een café rijg je drankjes aan elkaar. Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De...
    Lees verder
  • Afbeelding bij Er geen vrij voor nemen

    Er geen vrij voor nemen

    Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
    Lees verder
Tirade bloggers
  • "Foto van Menno Hartman"
    Menno Hartman

    Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

  • "Foto van Aska Hayakawa"
    Aska Hayakawa

    Aska Hayakawa groeide op als third-culture kid in Leiden. Haar verhalen gaan over eenzaamheid in het kapitalisme en de hedendaagse zoektocht naar geluk. Deze zomer studeert ze af van de studie Writing for Performance aan de HKU met het avondvullend toneelstuk Pièce de Résistance! en een scriptieonderzoek naar werkbare kwetsbaarheid. Eerder schreef ze theaterteksten voor Cecilia Moisio Company, Club Guy & Roni, Maas Theater en Dans en Bosfest. Haar kortverhalen werden gepubliceerd bij DIG, De Gids, Tirade Blog en De Revisor. Momenteel werkt ze aan haar debuutroman bij Uitgeverij Pluim.

    (portret: Lin Woldendorp)

  • "Foto van Lodewijk Verduin"
    Lodewijk Verduin

    Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.